22843 — zondag

Exodus — [2]

Omdat de farao ver­or­don­neerd had dat alle jon­ge­tjes die gebo­ren wer­den in de Nijl gegooid moesten wor­den besluit een vrouw uit de stam van Levi om haar pas­ge­bo­ren baby in een mand van papy­rus ach­ter te laten bij de oever van de Nijl. Haar doch­ter houdt zich ver­bor­gen om te zien wat er gaat gebeu­ren. Bij toe­val komt de doch­ter van de farao met haar gevolg langs om te gaan baden. Een van haar die­na­res­sen vindt de mand en brengt die naar de doch­ter van de farao. Als de baby begint te hui­len is het voor de doch­ter van de farao dui­de­lijk(?) dat het hier een Hebreeuws jon­ge­tje betreft. Het zus­je van de baby maakt van de gele­gen­heid gebruik om uit haar schuil­plaats te komen en stelt voor om een Hebreeuw­se vrouw te zoe­ken die de baby kan voe­den. Zij haalt haar moe­der die nu haar eigen zoon mag opvoe­den tot­dat hij oud genoeg is en de doch­ter van de farao de jon­gen aan­neemt als haar eigen zoon.

Ze noem­de hem Mozes, ‘want,’ zei ze, ‘ik heb hem uit het water gehaald.’

Mozes ver­blijft nu aan het hof van de farao, maar voelt zich nog steeds Hebreeuws genoeg om op een dag een Egyp­te­naar dood te slaan die eer­der een Hebreeuw­se slaaf gesla­gen had. Wan­neer hij twee Hebreeuw­se man­nen met elkaar ziet vech­ten mengt hij zich in het geschil, maar krijgt te horen dat hij zich met zijn eigen zaken moet bemoei­en, of hij soms ook van plan een van hen dood te slaan? Het wordt hem dui­de­lijk dat hij beter kan vluch­ten voor de toorn van de farao nu het blijk­baar bekend is dat hij een Egyp­te­naar heeft ver­moord.

In de plaats Mid­jan aan­ge­ko­men zoekt hij rust bij een put waar hij getui­ge is dat enke­le vrou­wen die met hun vee de drink­plaats had­den opge­zocht las­tig wor­den geval­len door her­ders. Hij schiet hen te hulp en geeft het vee te drin­ken. Wan­neer deze vrou­wen het hun vader ver­tel­len gebiedt hij hen om Mozes te gaan halen en uit te nodi­gen om zich bij hen te voe­gen. Als belo­ning schenkt hij zijn doch­ter Sip­po­ra als vrouw aan Mozes.

Mozes en Sip­po­ra krij­gen een een zoon,

en Mozes noem­de hem Ger­som, ‘want,’ zei hij, ‘ik ben een vreem­de­ling gewor­den, ik woon in een land dat ik niet ken.’

Onder­tus­sen wor­den de Isra­ë­lie­ten nog steeds zwaar onder­drukt door de Egyp­te­na­ren en hun gewee­klaag komt God ter ore die zich hun lot aan­trok gezien het ver­bond dat hij had geslo­ten met Abra­ham, Isaak en Jakob.

Mozes wordt gevon­den, olie­verf op doek (57×43 cm) ca.1580 — Pao­lo Ver­o­ne­se (1528–1588)

~ ~ ~

Het ver­haal van de baby die in een mand­je ach­ter­ge­la­ten wordt door zijn moe­der is me bekend, maar ik heb altijd gedacht dat de mand als een boot­je in de Nijl werd gezet en zo al drij­vend bij de doch­ter van de farao terecht kwam. Niet dus.

Hoe de doch­ter van de farao kon zien dat het hier om een Hebreeuws jon­ge­tje ging ont­gaat me. Wat ik me ook niet meer kon her­in­ne­ren is dat het juist de ech­te moe­der van de baby is die uit­ein­de­lijk weer her­e­nigd wordt met haar kind om het op te voe­den in opdracht van de doch­ter van de farao.

Ver­der lijkt het ver­haal van Mozes die, een­maal op de vlucht bij een put terecht­komt en daar door de vrou­wen te hel­pen die belaagd wor­den door de her­ders en zo opge­no­men wordt in de fami­lie van deze vrou­wen, veel op pas­sa­ges in Gene­sis waar ook ont­moe­tin­gen bij een put plaats­vin­den die ook lei­den tot ver­bin­te­nis­sen met ande­re stam­men.

~ ~ ~

Omdat ik tij­dens de stu­die Alge­me­ne cul­tuur­we­ten­schap­pen regel­ma­tig merk­te dat eni­ge bij­bel­ken­nis wel han­dig is, was ik maar weer eens met dit ‘boek der boe­ken’ begon­nen. Inmid­dels ben ik (tij­de­lijk?) met de stu­die gestopt, maar heb ik mezelf voor­ge­no­men te blij­ven lezen in de bij­bel.

Comments

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.