Exodus — [2]
Omdat de farao verordonneerd had dat alle jongetjes die geboren werden in de Nijl gegooid moesten worden besluit een vrouw uit de stam van Levi om haar pasgeboren baby in een mand van papyrus achter te laten bij de oever van de Nijl. Haar dochter houdt zich verborgen om te zien wat er gaat gebeuren. Bij toeval komt de dochter van de farao met haar gevolg langs om te gaan baden. Een van haar dienaressen vindt de mand en brengt die naar de dochter van de farao. Als de baby begint te huilen is het voor de dochter van de farao duidelijk(?) dat het hier een Hebreeuws jongetje betreft. Het zusje van de baby maakt van de gelegenheid gebruik om uit haar schuilplaats te komen en stelt voor om een Hebreeuwse vrouw te zoeken die de baby kan voeden. Zij haalt haar moeder die nu haar eigen zoon mag opvoeden totdat hij oud genoeg is en de dochter van de farao de jongen aanneemt als haar eigen zoon.
Ze noemde hem Mozes, ‘want,’ zei ze, ‘ik heb hem uit het water gehaald.’
Mozes verblijft nu aan het hof van de farao, maar voelt zich nog steeds Hebreeuws genoeg om op een dag een Egyptenaar dood te slaan die eerder een Hebreeuwse slaaf geslagen had. Wanneer hij twee Hebreeuwse mannen met elkaar ziet vechten mengt hij zich in het geschil, maar krijgt te horen dat hij zich met zijn eigen zaken moet bemoeien, of hij soms ook van plan een van hen dood te slaan? Het wordt hem duidelijk dat hij beter kan vluchten voor de toorn van de farao nu het blijkbaar bekend is dat hij een Egyptenaar heeft vermoord.
In de plaats Midjan aangekomen zoekt hij rust bij een put waar hij getuige is dat enkele vrouwen die met hun vee de drinkplaats hadden opgezocht lastig worden gevallen door herders. Hij schiet hen te hulp en geeft het vee te drinken. Wanneer deze vrouwen het hun vader vertellen gebiedt hij hen om Mozes te gaan halen en uit te nodigen om zich bij hen te voegen. Als beloning schenkt hij zijn dochter Sippora als vrouw aan Mozes.
Mozes en Sippora krijgen een een zoon,
en Mozes noemde hem Gersom, ‘want,’ zei hij, ‘ik ben een vreemdeling geworden, ik woon in een land dat ik niet ken.’
Ondertussen worden de Israëlieten nog steeds zwaar onderdrukt door de Egyptenaren en hun geweeklaag komt God ter ore die zich hun lot aantrok gezien het verbond dat hij had gesloten met Abraham, Isaak en Jakob.

~ ~ ~
Het verhaal van de baby die in een mandje achtergelaten wordt door zijn moeder is me bekend, maar ik heb altijd gedacht dat de mand als een bootje in de Nijl werd gezet en zo al drijvend bij de dochter van de farao terecht kwam. Niet dus.
Hoe de dochter van de farao kon zien dat het hier om een Hebreeuws jongetje ging ontgaat me. Wat ik me ook niet meer kon herinneren is dat het juist de echte moeder van de baby is die uiteindelijk weer herenigd wordt met haar kind om het op te voeden in opdracht van de dochter van de farao.
Verder lijkt het verhaal van Mozes die, eenmaal op de vlucht bij een put terechtkomt en daar door de vrouwen te helpen die belaagd worden door de herders en zo opgenomen wordt in de familie van deze vrouwen, veel op passages in Genesis waar ook ontmoetingen bij een put plaatsvinden die ook leiden tot verbintenissen met andere stammen.
~ ~ ~
Omdat ik tijdens de studie Algemene cultuurwetenschappen regelmatig merkte dat enige bijbelkennis wel handig is, was ik maar weer eens met dit ‘boek der boeken’ begonnen. Inmiddels ben ik (tijdelijk?) met de studie gestopt, maar heb ik mezelf voorgenomen te blijven lezen in de bijbel.
Geef een reactie