Don Quichot — Miguel de Cervantes

Eerste deel – Negenendertigste hoofdstuk:
Waarin de gevangene zijn leven en avonturen verhaalt
De gevangene begint zijn verhaal met te vertellen over hoe zijn vader in de loop der jaren zijn geld en goederen door overmatige spilzucht grotendeels had verloren. Dit zou komen doordat hij als soldaat had gediend, en het was algemeen bekend dat in het leger ‘een schraalhans vrijgevig leert worden en een vrijgevige verkwistend.’ Aangezien zijn vader van nature al vrijgevig was, werd het door zijn loopbaan in de krijgsmacht alleen maar erger.
Uiteindelijk besloot hij op zijn oude dag zijn goederen te gelde te maken en te verdelen onder zijn drie zonen, met daarbij de wens dat ze gedrieën een verschillende carrière zouden kiezen:
Kerk, zee óf koninklijk huis, of duidelijker gezegd: wie tot eer en rijkdom wil geraken volgde de Kerk, vare het zeegat uit om handel te drijven, of diene de koning; want men zegt: liever een kruimpje van ’s konings tafel dan een gunst van een grote heer. — [p.284]
De gevangene, die tevens de oudste van de drie zoons was, kiest voor het koninklijk huis, wat in de praktijk betekende om in het leger te gaan ‘daar het nu eenmaal zeer moeilijk is hem in zijn paleizen te dienen.’ Aldus geschiedde, en volgens de gevangene was het nu zo’n tweeëntwintig jaar geleden dat hij het ouderlijk huis verliet en sindsdien niets meer had gehoord van zowel zijn vader alsook zijn twee jongere broers.
Hij sluit zich al snel aan bij het leger van de hertog van Alva die onderweg was naar de Nederlanden, waar hij onder meer aanwezig was bij de terechtstelling van de graven van Egmont en Hoorne. Hierna kiest hij ervoor om naar Italië te gaan waar de voorbereidingen plaatsvinden om Cyprus terug te veroveren van de Turken. Bij deze slag, die redelijk onverwacht gewonnen wordt door de christenen, is het juist de gevangene die als een van de weinigen gevangen wordt genomen. Vandaar dat we hem ‘de gevangene’ zijn gaan noemen, blijkbaar. Hij wordt afgesneden van de soldaten die hem volgden toen hij sprong maakte naar een galei van de vijand en deze losraakte van de boot waardoor ze geënterd was. Zo eindigde hij als krijgsgevangene van de Turken.
In de jaren die volgden raakte hij als galeislaaf betrokken bij enkele grote historische zeeslagen en belegeringen, en bij een van deze gevechten kwam hij in contact met een gevangengenomen christen met de naam Don Pedro de Aguilar, ‘een soldaat van grote naam en zeldzaam verstand en die bovendien een bijzondere aanleg had voor wat men poëzie noemt.’ Deze Don Pedro had gevochten bij de verdediging van de stad La Goleta en had als vaandrig gediend in het fort.
Bij het noemen van die naam vroeg een van de metgezellen in het gezelschap van Don Fernando wat er van die Don Pedro de Aguilar geworden was. De gevangene wist het niet zeker maar dacht dat hij had weten te ontvluchten omdat hij hem later in Konstantinopel had gezien, zonder hem overigens gesproken te hebben. Wat bleek nu, Don Pedro was de broer van de caballero en had inderdaad de vrijheid hervonden en woonde nu in de stad met zijn gezin. De caballero liet ook weten dat hij de sonnetten kende die Don Pedro had geschreven naar aanleiding van de val van de stad La Goleta en het bijbehorende fort. Hij bood aan om ze voor te dragen, en dat zal aan het begin zijn van het volgende hoofdstuk gebeuren.
Geef een reactie