22864 — zondag

Exodus — [5]

Mozes en zijn broer Aäron mogen op audi­ën­tie bij de farao en vra­gen hem om toe­stem­ming voor het volk Isra­ë­lie­ten dat ze drie dag­rei­zen ver de woes­tijn in mogen trek­ken. Daar zul­len ze dan offers bren­gen aan hun God. De farao wil daar ech­ter niets van weten en stuurt Mozes en Aäron met de mede­de­ling dat in zijn ogen het volk veel te tal­rijk is en daar­bo­ven­op ook nog eens lui. Vol­gens de farao is het ver­zoek alleen maar een excuus om een tijd­lang niet te hoe­ven wer­ken.

Nadat Mozes en Aäron met lege han­den zijn ver­trok­ken geeft de farao aan de sla­ven­drij­vers het bevel om de Isra­ë­lie­ten niet lan­ger te voor­zien van stro voor het maken van ste­nen, maar dat ze dat voort­aan zelf bij elkaar moe­ten sprok­ke­len. Ech­ter zon­der dat dit ten kos­te gaat van het aan­tal ste­nen dat opge­le­verd dient te wor­den. Ook aan de sla­ven­drij­vers laat hij weten dat het volk lui is en har­der aan het werk gezet moe­ten wor­den,

[…] dan heb­ben ze geen tijd meer om naar zul­ke ver­zin­sels te luis­te­ren.

Door deze extra maat­re­gel wordt het voor het Isra­ë­li­sche volk haast ondoen­lijk om te vol­doen aan de hoe­veel­heid ste­nen die moe­ten pro­du­ce­ren. De Isra­ë­li­sche opzich­ters die aan­ge­steld zijn door de sla­ven­drij­vers beslui­ten daar­op naar de farao te gaan om hun beklag te doen. Ze krij­gen ech­ter nul op rekest. Wan­neer ze het paleis van de farao ver­la­ten tref­fen ze bui­ten Mozes en Aäron aan. Ze geven hen de schuld van de situ­a­tie waar­in ze nu ver­zeild zijn geraakt. Hun leven als slaaf was al zwaar, maar door de tus­sen­komst van Mozes was het alleen maar erger gewor­den.

Mozes zoekt con­tact met God en ver­telt hem dat zijn ver­zoek bij de farao niet is inge­wil­ligd en dat zijn uit­ver­ko­ren volk hem zelfs ver­wijt hun leven nog zwaar­der te heb­ben gemaakt.

‘U hebt uw volk niet bevrijd — inte­gen­deel!‘
Maar de HEER ant­woord­de hem: ‘Nu zul je zien wat ik de farao ga aan­doen: ik zal hem met har­de hand dwin­gen mijn volk te laten gaan, hij zal het zelfs uit zijn land weg­ja­gen.’

[p.101]

Israe­lie­ten wer­ken in sla­ver­nij in Egyp­te (1645 — 1646) by Chris­tof­fel van Sichem II, Chris­tof­fel van Sichem III, Johann Sade­ler I, Maer­ten de Vos and Pie­ter Jacobsz Paets

~ ~ ~

Omdat ik tij­dens de stu­die Alge­me­ne cul­tuur­we­ten­schap­pen regel­ma­tig merk­te dat eni­ge bij­bel­ken­nis wel han­dig is, was ik maar weer eens met dit ‘boek der boe­ken’ begon­nen. Inmid­dels ben ik (tij­de­lijk?) met de stu­die gestopt, maar heb ik mezelf voor­ge­no­men te blij­ven lezen in de bij­bel.

Comments

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.