23004 — zondag

Decla­ra­tie­for­mu­lie­ren. Ik haat ze. Zelfs nu ze digi­taal zijn blijft het een tijd­ro­ven­de bezig­heid die ik iede­re keer nadat ik op reis ben geweest voor mijn werk voor me uit blijf schui­ven. Het is een ont­zet­tend bewer­ke­lijk gedoe met bon­ne­tjes, scans en bank­af­schrif­ten waar ik als een berg tegen­op zie om er mee aan de slag te gaan. Nu werd ik er weer meer gecon­fron­teerd om de kos­ten die ik maak voor­af aan een zaken­reis nog in deze maand te decla­re­ren omdat het finan­ci­ë­le jaar sluit op de laat­ste dag van sep­tem­ber. Over een week ga ik naar Ber­lijn, en ik had de vlucht geboekt en al een par­keer­plaats gere­ser­veerd. Van­daag dus toch maar even tus­sen de bedrij­ven door gedaan.

Jaren gele­den, in het pre-digi­ta­le tijd­perk was het decla­re­ren natuur­lijk nog veel erger. En had je het uit­ein­de­lijk alle­maal ver­werkt en inge­le­verd, dan moest je zelf goed in de gaten hou­den of het uit­ge­ge­ven bedrag ver­vol­gens tij­dig terug­ge­stort werd op je bank­re­ke­ning. Je kon niet even in het sys­teem chec­ken wat de sta­tus van je decla­ra­tie was, of een noti­fi­ca­tie instel­len om op de hoog­te te blij­ven van de voort­gang.

Zo was er een keer dat Inge vroeg of ik de decla­ra­tie met betrek­king tot een 14-daag­se trip naar Ame­ri­ka al had inge­diend. Het was voor een best wel flink bedrag. Dat had ik al weken gele­den gedaan, zo gaf ik als ant­woord. Maar ik begon natuur­lijk met­een aan mezelf te twij­fe­len. Waar­om was dat bedrag dan nog niet over­ge­maakt op onze reke­ning? De dag erna op kan­toor bij de admi­ni­stra­tie­ve afde­ling nage­vraagd en daar kreeg ik te horen dat ze zaten te wach­ten op een mis­send bon­ne­tje. Zon­der mij daar­over te heb­ben inge­licht. Omdat ze dach­ten dat ik van­zelf zou komen als het te lang zou duren. Want het was ten­slot­te best wel een flink bedrag, toch?

Deze avond las ik ver­der in De Bour­gon­diërs van Bart van Loo en kwam er toe­val­li­ger­wijs ach­ter dat het decla­ren van reis­kos­ten ook in 1435 al een frus­tre­ren­de bezig­heid kon zijn. Jan van Eyck, ver­maard hof­schil­der van Filips de Goe­de had een finan­ci­ëel geschil met een amb­te­naar van de Rij­sel­se reken­ka­mer dat met tus­sen­komst van zijn brood­heer in zijn voor­deel werd beslecht. Maar de amb­te­naar was een slecht ver­lie­zer met een goed geheu­gen:

Een jaar later zou dezelf­de amb­te­naar op piet­lut­ti­ge wij­ze wraak nemen. Omdat Van Eyck zijn reis­kos­ten niet kon bewij­zen met de nodi­ge kwi­tan­ties, beweer­de de man dat het onmo­ge­lijk was die lut­te­le paar cen­ten neer te tel­len. Het is niet bekend of Filips nog een keer tus­sen­bei­de kwam.

[p.422]


Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.