blogpost

20220109 — zondag

Mijn zon­dag. Van 8 tot 12 uur met de longlist van de lite­ra­tuur­lijst bezig geweest. Toen op m’n gemak bui­ten de con­tai­ner gaan opvul­len met de ste­nen die we niet meer nodig heb­ben. Het was lek­ker weer en de pijn in mijn rug bleef weg door niet al te zwaar bela­den met de krui­wa­gen op en neer te lopen. 

In de namid­dag uit­ge­breid staan koken voor de avond­maal­tijd. Het was nog licht en van­uit de keu­ken heb ik uit­zicht op de ach­ter­tuin waar het een komen en gaan was van aller­lei soor­ten vogels die gezien had­den dat de voe­der­plek­ken weer bij­ge­vuld waren. 

Als laat­ste nog even wat rond­ge­zocht naar publi­ca­ties voor op de longlist. De tus­sen­stand is nu onge­veer 150 titels. Van­af mor­gen ga ik begin­nen met groe­pe­ren en selec­te­ren. De longlist moet terug­ge­bracht wor­den naar 25 titels.

Gene­sis 13

Abram was neer­ge­stre­ken met zijn entou­ra­ge ergens tus­sen Betel en Ai. Net als Abram had Lot veel bezit­tin­gen, sla­ven, sla­vin­nen en vee ver­gaard. Dit ging af en toe gepaard met ruzie tus­sen de her­ders van hen bei­den. Abram liet Lot weten dat het beter zou zijn wan­neer ze ieder huns weegs zou­den gaan. Lot koos voor de Jor­d­aan­val­lei en trok ver­der naar het Oos­ten waar hij zijn tent opsloeg in de nabij­heid van Sodom.

Abram, die was ach­ter­ge­ble­ven, kreeg van God te horen dat het hele land zover hij in alle wind­rich­tin­gen kon zien, van hem en zijn nako­me­lin­gen zou zijn. Hij moe­dig­de Abram aan om het land te door­krui­sen zodat hij beter kon zien wat alle­maal van hem was. Daar­op pak­te ook Abram zijn bul­len en ver­trok rich­ting Hebron, waar hij een zoveel­ste altaar voor God bouwde.

Abra­ham en Lot ver­de­len het land. Uit de serie wand­ta­pij­ten over het leven van Abra­ham (1540–1543), Pie­ter Coec­ke van Aelst (1502–1550)

20220108 — zaterdag

Na het ont­bijt een aan­tal bood­schap­pen en klus­sen gedaan voor­dat om half elf de vir­tu­e­le stu­die­bij­een­komst van Inlei­ding cul­tuur­ge­schie­de­nis 2 van start ging. In het eer­ste gedeel­te werd uit­ge­legd hoe het hand­boek van Maar­ten Prak, de rea­der met arti­ke­len en de diver­se his­to­ri­sche bron­nen zich tot elkaar ver­hiel­den. Iede­re week is er een the­ma waar­voor we een hoofd­stuk uit het boek van Prak die­nen te bestu­de­ren. Ver­vol­gens is er een arti­kel in de rea­der die voor ver­die­ping zorgt, of een ander stand­punt inneemt dan Prak of een lacu­ne invult. En de his­to­ri­sche bron kan die­nen als voor­beeld bij de te bestu­de­ren tek­sten. Alle thema’s wer­den op deze manier op hoofd­lij­nen doorgenomen. 

Na de pau­ze werd er inge­gaan op de KAVV- en bronana­ly­se. Dit vormt ook de wij­ze van ten­ta­mi­ne­ring voor deze cur­sus. Bij een KAVV-ana­ly­se is het de bedoe­ling een weten­schap­pe­lijk his­to­risch arti­kel te ana­ly­se­ren. KAVV staat Kern­ci­taat, Argu­men­ta­tie, Vraag en Verband.

Voor de bronana­ly­se is het de bedoe­ling dat de his­to­ri­sche bron onder­wor­pen wordt aan een kri­tisch onder­zoek naar de waar­de en betrouw­baar­heid van de infor­ma­tie die deze ver­schaft. Dit doe je door een aan­tal aspec­ten nader te bekijken:

  1. Soort bron
  2. Com­mu­ni­ca­tie­ve context
  3. Posi­tie informant
  4. His­to­ri­sche con­text van de bron

In break­out-ses­sies kre­gen we de gele­gen­heid om zelf aan de slag te gaan en onze ana­ly­ti­sche vaar­dig­he­den in te zet­ten bij een arti­kel door Ari­ad­ne Sch­midt met als titel ‘Ont­bloot van alle win­sten?’ Armoe­de en over­le­vings­stra­te­gie­ën van gebro­ken gezin­nen in Hol­land, 1600–1800. Het ging met name over de ach­ter­ge­ble­ven echt­ge­no­tes van zee­lie­den die onder de vlag van de VOC waren afge­reisd rich­ting De Oost. De his­to­ri­sche bron die erbij hoor­de was een brief uit 1672 van een vrouw, in dit geval Mar­rit­je Teu­nis die haar echt­ge­noot Har­men Andriesz (onder­stuur­man in dienst van de VOC) in niet mis te ver­sta­ne woor­den drin­gend ver­zoekt geld aan haar over te maken zodat zij de schul­den die hij had gemaakt te kun­nen aflos­sen. Erg leuk om te doen en het leid­de tot gea­ni­meer­de gesprek­ken. De tijd vloog voorbij.

De paar uur die over­ble­ven voor­dat het don­ker werd gebruik­te ik om ver­der te gaan met het oprui­men van puin dat her en der opge­sta­peld ligt en waar we nog een week een con­tai­ner voor heb­ben staan om het te ver­za­me­len. ’s Avonds wat gewerkt aan de lite­ra­tuur­lijst en muziek geluis­terd. Mor­gen wil ik pro­be­ren de longlist voor de lite­ra­tuur­lijst com­pleet te heb­ben. Dan kan ik de komen­de week beste­den aan het inkor­ten van de lijst op basis van cri­te­ria zoals mini­maal 5 boe­ken, mini­maal 5 tijd­schrift­ar­ti­ke­len en mini­maal 5 bun­dels. Ook moet het weten­schap­pe­lijk gehal­te van de publi­ca­ties vol­doen­de zijn en moet de selec­tie van de uit­ein­de­lij­ke lijst even­wich­tig zijn. Ik ben dus nog wel even bezig. 

Gene­sis 12

Toen Abram de leef­tijd had van 75 jaar riep God hem op ieder­een ach­ter te laten in Cha­ran en op weg te gaan naar een land dat hij hem zou wij­zen. Abram kon moei­lijk wei­ge­ren gezien de belof­te die God hem deed:

Ik zal je tot een groot volk maken,
ik zal je zege­nen, ik zal je aan­zien geven,
een bron van zegen zul je zijn.

Abram twij­fel­de niet en ver­trok, maar nam wel zijn vrouw Sarai mee en Lot, de zoon van zijn broer. Ook alle bezit­tin­gen, sla­ven en sla­vin­nen die hij ver­gaard had in Cha­ran. Ze reis­den naar Kanaän waar zich al ande­re vol­ke­ren geves­tigd had­den. Maar God gaf aan dat hij zou zor­gen dat de nako­me­lin­gen van Abram het land zou­den ver­krij­gen. Als dank bouw­de Abram een altaar ter ere van God. Daar­na reis­de het gezel­schap door naar ver­re oorden.

Er brak een hon­gers­nood uit en Abram zag zich genood­zaakt uit te wij­ken naar Egyp­te. Omdat hij bang was dat de schoon­heid van zijn vrouw Sarai de Egyp­te­na­ren het hoofd op hol zou doen bren­gen en hem mis­schien zou­den doden zodat ze zijn vrouw mee kon­den nemen, vroeg hij haar zich voor te doen als zijn zus. De schoon­heid van Sarai was inder­daad van zoda­ni­ge aard dat het zelfs de farao ter ore kwam en hij gaf bevel haar bij hem te bren­gen. Om haar voor zich­zelf te behou­den werd Abram met geschen­ken overladen.

Of Abram geluk­kig was met deze situ­a­tie wordt niet dui­de­lijk maar God was er zeer zeker niet van gediend dat de farao Sarai tot zijn vrouw had gemaakt. Als straf zond hij vele pla­gen naar de Egyp­te­na­ren. Blijk­baar kreeg de farao door dat het onheil waar­on­der zijn land en volk gebukt ging te maken had met Sarai. Hij liet Abram komen, beschul­dig­de hem van mis­lei­ding en zond hen bei­den (inclu­sief alle geschen­ken) onder gelei­de het land uit.

Opnieuw een vreemd ver­haal als je bedenkt dat de farao eigen­lijk geen blaam treft. Het was Abram die voor deze situ­a­tie had gezorgd door te ver­hul­len dat Sarai niet zijn vrouw was, maar zijn zus. Waar­om deel­de God geen straf uit aan Abram? Ergens las ik dat Abram uit lijfs­be­houd had gehan­deld. Hij was het ten­slot­te die voor een groot volk moest zor­gen, niet Sarai. 

Farao geeft Sara aan Abra­ham terug (1640), Isaac Isaacsz. (1598–1649)

20220107 — vrijdag

Het had een werk­dag als alle ande­re kun­nen zijn van­daag, ware het niet dat een team­lid aan­gaf ons te gaan ver­la­ten voor een baan bij een ande­re werk­ge­ver. De markt is er naar dat het aan­ste­ke­lijk werkt om eens rond te kij­ken of dat er aan je getrok­ken wordt. Alleen had­den we het in dit geval niet zien aan­ko­men. Toe­val­lig had­den we voor van­daag ook een inter­view staan voor een open posi­tie bin­nen ons team die nog niet inge­vuld was. De kan­di­daat was goed door de vori­ge ron­de geko­men en ook nu liet ze een goe­de indruk ach­ter. Een aan­bod gaat vol­gen­de week de deur uit. Wel moe­ten we met­een aan de slag om een vaca­tu­re te plaat­sen voor de posi­tie die bin­nen­kort vrij komt. Zo blij­ven we bezig en gaat het werk gewoon door. 

In de avond niet veel puf meer om te stu­de­ren. Ik gaf mezelf vrij­af. Met een sta­pel­tje tijd­schrif­ten, goeie muziek op de ach­ter­grond en een glas wijn heb ik het niet al te laat gemaakt. 

Gene­sis 11

Er was een tijd dat ieder­een op de aar­de dezelf­de taal sprak. De bouw van een stad met een toren die tot aan de hemel zou rei­ken bracht hier ver­an­de­ring in. De men­sen die dit plan had­den opge­vat deden dit om beroemd te raken, met als uit­ein­de­lijk doel dat ze niet over de hele aar­de ver­spreid zou­den raken. God zag de bouw­ac­ti­vi­tei­ten met lede ogen aan. Hij beschouw­de het als een voor­aan­kon­di­ging van nog groot­se­re plan­nen die de men­sen had­den. De intro­duc­tie van spraak­ver­war­ring leek hem wel een geschikt mid­del om de bouw te sabo­te­ren. Daar­na ver­spreid­de hij de men­sen als­nog ver­der over de aar­de, iets wat de men­sen juist met het bou­wen van de stad en toren had­den wil­len voor­ko­men. Ik vraag me af waar­om God hen niet op een ande­re manier had kun­nen wij­zen op de hoog­moed die gepaard ging met het bou­wen van de toren, en hen met wat naas­ten­lief­de had kun­nen behoe­den voor het lot dat ze uit elkaar ver­dre­ven wer­den. De naam van de stad was Babel.

De toren van Babel (?), Abel Grim­mer (ca.1570–1618/1619)

Hier­na wordt opnieuw stil­ge­staan bij de nako­me­lin­gen van Sem, een van de zonen van Noach. De opsom­ming ein­digt bij Terach. 

Terach ver­wek­te Abram, Nachor en Haran. Nadat Haran nog tij­dens het leven van Terach over­le­den was, trok Terach samen met Abram, Sarai (de vrouw van Abram) en Lot (de zoon van Haran) naar Kanaän. Maar ze ble­ven onder­weg han­gen in Cha­ran. Daar stierf Terach op twee­hon­derd­vijf­tig­ja­ri­ge leeftijd.

20220106 — donderdag

Voor de eer­ste keer dit jaar naar kan­toor. Het had gevro­ren en ik moest de rui­ten schoon­ma­ken. Ook de eer­ste keer dit jaar. Tus­sen de mid­dag een rond­je gewan­deld met een col­le­ga. Op het bedrij­ven­ter­rein stond een voor­ma­lig mede­werk­ster van ons res­tau­rant die inmid­dels voor zich­zelf was begon­nen als zzp-er met een food­truck. Daar heb­ben we een hap­je gege­ten en wat bijgekletst. 

In de avond niet veel aan de stu­die gedaan. Er lagen wat ande­re admi­ni­stra­tie­ve klus­jes te wachten. 

Gis­ter laat op de avond kreeg ik een onver­wacht tele­foon­tje van mijn moe­der. Ze was wat in de war, maar geluk­kig kon ik haar gerust­stel­len. Van­daag kreeg ik te horen dat ze een paar uur later opnieuw gebeld had. Dit­maal naar haar jong­ste broer met dezelf­de vra­gen. Dit komt de laat­ste tijd wat vaker voor. Een veeg teken.

Gene­sis 10

Het is weer tijd voor een stam­boom­on­der­zoek. Dit­maal krij­gen we alle nako­me­lin­gen van de drie zonen van Noach opge­somd. Aller­eerst pas­se­ren de zonen van Jafet, dan van Cham en als laat­ste van Sem. En ja, zonen. Ook nu is de focus opnieuw alleen op het man­ne­lij­ke nageslacht.

OT-kaart uit eer­ste geprin­te ver­sie (1472) van de Ety­mo­lo­gi­a­rum libri vigin­ti, door Isidorus van Sevil­la (560–636)

Op het nage­slacht van Jafet wordt niet diep inge­gaan. Van hen stam­men de men­sen af die in de kust­ge­bie­den gaan wonen.

De mees­te woor­den wor­den besteed aan het nage­slacht van Cham. Naast Kanaän (zie de vloek van Noach) was daar ook Kus, die op zijn beurt een zoon genaamd Nim­rod kreeg. Hij zou de eer­ste macht­heb­ber op aar­de zijn geweest en een gewel­dig jager.

Als laat­ste wordt stil­ge­staan bij het nage­slacht van Sem. 

Op de OT-kaart valt te zien hoe de nako­me­lin­gen van Jafet, Cham en Sem zich ver­sprei­den over het con­ti­nent. Die van Sem in bevol­ken Azië, van Jafet in Euro­pa en van Cham in Afrika.

20220105 — woensdag

Toen ik van­och­tend wak­ker werd wil­de ik met een fer­me klap de wek­ker uit­scha­ke­len. Een ste­ken­de pijn in mijn rug maak­te dat ech­ter onmo­ge­lijk. Met­een wist ik weer wat er enke­le uren eer­der gebeurd was. Mid­den in de nacht wil­de ik me iets te enthou­si­ast van mijn ene op mijn ande­re zij draai­en. Met­een schoot het weer in mijn rug. Terug bij af. 

Opstaan ging dus weder­om moei­zaam. Toch ging het daar­na de goe­de kant op. Met vol­doen­de bewe­ging tij­dens en tus­sen de calls trok de pijn gelei­de­lijk weg uit mijn rug. Aan het eind van de werk­dag over­woog ik zelfs even om een rond­je te gaan hard­lo­pen. Wijs als ik ben… hield ik het bij wandelen.

In de avond ver­der met de lite­ra­tuur­op­dracht. Omdat het een indi­vi­du­e­le ten­ta­men­op­dracht betreft waar­bij we geacht wor­den onder­ling niet te cor­res­pon­de­ren of samen te wer­ken, laat ik hier ook de details ach­ter­we­ge voor wat betreft de vor­de­ring die ik maak. Zodra ik mijn opdracht heb inge­le­verd en de dead­line is ver­stre­ken kom ik er wel op terug. Voor nu kan ik vol­staan met te zeg­gen dat het veel tijd kost. Niet alle zoek­ma­chi­nes zijn even gebruiks­vrien­de­lijk en/of snel. 

Ik heb ook nog wat moe­ten sleu­te­len aan de web­si­te van Inge. Die had een ser­ver error. Het had te maken met een auto­ma­ti­sche PHP ver­sie upgra­de. Waar­schijn­lijk is ofwel het the­ma en/of een plu­gin nog niet PHP 8.0 geschikt. Geluk­kig kon de ver­sie terug­ge­zet wor­den naar 7.4, waar­na de site weer bereik­baar was. Nu heb ik tot novem­ber dit jaar de tijd om na te gaan wat er moet gebeu­ren om de zowel de site van Inge als die van mij PHP 8.0 geschikt te maken, want dan gaat de upgra­de onher­roe­pe­lijk plaatsvinden. 

Gene­sis 9

Na de zond­vloed wordt Noach en zijn zonen door God geze­gend. Hij drukt hen op het hart vrucht­baar te zijn en tal­rijk te wor­den. Ook laat hij hen weten dat alle dier­lij­ke wezens ont­zag voor hen zul­len voe­len. En dat alles wat leeft en beweegt hen tot voed­sel zal die­nen. Maar er volgt ook een waar­schu­wing: God zal genoeg­doe­ning eisen van ieder­een die zijn mede­mens doodt. Een regen­boog zal die­nen als teken van het eeu­wig­du­rend ver­bond tus­sen God en de mens, en alle leven­de wezens die met hen uit de ark zijn geko­men. Nooit meer zal er een zond­vloed komen. 

Noach pakt zijn oude werk als land­bou­wer weer op en begint met een wijn­gaard aan te leg­gen. Van de wijn die hij maak­te dronk hij op een dag iets­jes te veel en viel dron­ken en pie­mel­t­jenaakt in slaap. Het was zijn jong­ste zoon Cham (inmid­dels vader van Kanaän die hem zo zag lig­gen in zijn tent. Cham ver­tel­de dit aan zijn twee oude­re broers, Sem en Jafet, die ach­ter­uit lopend met een man­tel hun vader wis­ten te bedek­ken zon­der zijn naakt­heid te zien. Het feit dat Cham hem zon­der kle­ren had gezien was vol­doen­de reden voor Noach om een vloek uit te spre­ken. Hij had natuur­lijk ook wat min­der kun­nen drin­ken en zijn kle­ren kun­nen aan­hou­den. Waar­om de toorn van Noach zich op Kanaän richt­te en niet op Cham is me niet dui­de­lijk, maar dit is wat hij zei:

‘Ver­vloekt zij Kanaän,
knecht van zijn broers zal Kanaän zijn,
de min­ste van alle knech­ten.
Gepre­zen zij de HEER, de God van Sem;
knecht van Sem zal Kanaän zijn.
Moge God ruim­te geven aan Jafet,
hem laten wonen in de ten­ten van Sem;
knecht van Jafet zal Kanaän zijn.’

Noach dron­ken en ont­deckt leg­gen­de […] (1659), Pie­ter Hen­d­ricksz. Schut (ca.1619-na1660)

20220104 — dinsdag

Om zes uur wak­ker. Om zeven uur uit bed. Beet­je over­dre­ven, maar het had toch echt veel voe­ten in aar­de deze och­tend om mijn bed uit te komen. Niet omdat ik te lui was. Het was de pijn in mijn rug die er gis­ter in gescho­ten was en nog bij lan­ge na niet ver­dwe­nen was. Ik moest me in vreem­de kron­kels bewe­gen voor­dat ik ein­de­lijk semi-recht­op naast mijn bed stond. Toen moest de dag nog beginnen.

Van­af acht uur aan de slag met de dage­lijk­se rap­por­ta­ge en een half uur later de eer­ste call van de dag. Er zou­den er nog vele vol­gen. Op z’n tijd stond ik even op om wat rond­jes in mijn werk­ka­mer te lopen voor de brood­no­di­ge bewe­ging. Ver­der heb ik thuis zo’n bureau dat elec­trisch in hoog­te instel­baar is, dus ik kan ook tij­dens calls gaan staan om niet de hele dag te hoe­ven zit­ten. Zo kwam ik de werk­dag zon­der merk­baar ver­val door. De pijn in mijn rug is niet erger gewor­den, eer­der verminderd.

Met­een na de laat­ste call van de dag om vier uur mijn lap­top dicht­ge­klapt en de keu­ken inge­do­ken voor de berei­ding van het avond­eten. Na het eten een rond­je gewan­deld en de rest van de avond weer wat tijd gesto­ken in de lite­ra­tuur­op­dracht. Ik zit nu in de eer­ste fase waar het voor­na­me­lijk zoe­ken is naar zoveel moge­lijk rele­van­te lite­ra­tuur die betrek­king heeft op het onder­werp ‘Poli­tie­ke cul­tuur in Frank­rijk, ca. 1790–1800’. Dit doe je door vele cata­lo­gi te door­zoe­ken op basis van aller­lei gere­la­teer­de zoek­ter­men die hope­lijk vol­doen­de resul­taat ople­ve­ren. Pas wan­neer je het idee hebt dat je meer dan vol­doen­de mate­ri­aal ver­za­meld hebt, ga je groe­pe­ren, sor­te­ren, selec­te­ren en der­ge­lij­ke om de lijst in te kor­ten. Zover ben ik voor­lo­pig nog niet.

Gene­sis 8

God was Noach en zijn ark niet ver­ge­ten. De slui­zen wer­den geslo­ten en de wind aan­ge­zet. Het water begon lang­zaam­aan te zak­ken. Ik heb gepoogd wijs te wor­den uit de ver­schil­len­de frag­men­ten die aan­ge­ven hoe­veel tijd hier­mee gemoeid was, maar ik raak tel­kens de tel kwijt. Het is vol­gens mij ook niet hele­maal con­se­quent. Hoe dan ook, het water zakt en de ark loopt vast op het Ara­rat­ge­berg­te. Noach onder­neemt ver­schil­len­de pogin­gen van­uit deze hang­plek om uit te vin­den hoe­ver het water inmid­dels gedaald was. Hij zond hier­voor eerst een raaf (tever­geefs), een duif (tever­geefs) en ver­vol­gens opnieuw een duif (suc­ces­vol, want ze kwam terug met een olijf­blad) de wij­de wereld in. Na nog enke­le dagen wach­ten liet hij opnieuw de duif los. Ze kwam niet meer terug. Teken voor Noach dat de kust vei­lig was. Hij open­de het dak en God ver­tel­de hem dat ze de ark moch­ten ver­la­ten. Als dank bracht Noach enke­le brand­of­fers die God gun­stig stem­den. Of hij spijt had van zijn daad is niet dui­de­lijk, wel zei hij tot zich­zelf dat hij nooit weer de aar­de zou ver­vloe­ken wegens de mens, want alles wat de mens uit­denkt is nu een­maal slecht. En nooit weer zou hij alles wat leeft doden.

De Ark van Noach op het Ara­rat­ge­berg­te (1570?), Simon de Myle

20220103 — maandag

Van­daag ouder­wets weer aan het werk na een lan­ge week vakan­tie (inclu­sief enke­le dagen lam­len­dig van de boos­ter­prik). Aan het werk, niet op het werk. Het was al met al een rus­ti­ge opstart­dag. Wei­nig calls, wei­nig mails, wei­nig collega’s onli­ne. Ieder­een neemt het er nog even van, zo leek het. Pri­ma, kon ik lek­ker ver­der met het op m’n gemak afhan­de­len van mails die wat meer uit­zoek­werk ver­gen. De dag vloog voorbij.

Net voor­dat het don­ker werd ging ik Inge (die deze week nog vrij heeft) bui­ten hel­pen met het ver­hui­zen van een hoop oude dak­pan­nen en ste­nen die we mis­schien ooit nodig zul­len heb­ben maar nu enorm in de weg lig­gen. Bij het til­len van de zwa­re stoep­band­jes schoot het plots in mijn rug. Ik kon wel ver­der door heel voor­zich­tig te zijn, maar echt soe­pel­tjes (en pijn­vrij) ging het niet meer. Een hete dou­che bracht iet­wat ver­lich­ting. Koken luk­te daar­na aar­dig, alleen kon ik na het eten niet meer van mijn stoel opstaan.

Dus liep ik op advies van Inge de rest van de avond met zo’n hit­te­pleis­ter op mijn onder­rug en een para­ce­ta­mol in mijn maag. Benieuwd of ik mor­gen­vroeg een beet­je fat­soen­lijk uit mijn bed kan komen. Ik kon in ieder geval rede­lijk goed aan mijn werk­ta­fel zit­ten om het werk aan de lite­ra­tuur­lijst ver­der op te pakken.

Gene­sis 7

God gaf Noach en zijn fami­lie zeven dagen de tijd een ark te bou­wen en die­ren te ver­za­me­len voor­dat alle slui­zen open­gin­gen en het veer­tig dagen en veer­tig nach­ten lang zou gaan rege­nen. Dit was in het zes­hon­der­ste levens­jaar van Noach. Ze waren op tijd klaar en een­maal bin­nen met alle leven­de have sloot God de deur ach­ter hen. In de dagen die volg­den steeg het water tot boven de hoog­ste berg­top­pen. Alles en ieder­een werd van de aar­de weg­ge­vaagd. Hon­derd­vijf­tig dagen lang was de aar­de hele­maal met water bedekt.

Het begin van de zond­vloed (1612), Cris­pijn van de Pas­se de Oude (ca.1564–1637)

20220102 — zondag

Zon­dag. Laat­ste dag van de vakan­tie. Met een beter gevoel stond ik op deze och­tend. De mees­te klach­ten waren ver­dwe­nen. Hoog­uit een beet­je wan­kel op de benen. In de loop van de dag trok dat ook weg. Con­clu­sie: ik ben weer opge­knapt bij de aan­vang van een nieuw werkjaar.

Omdat het offi­ci­eel nog steeds vakan­tie was heb ik voor de ver­an­de­ring wei­nig gedaan van­daag. Ik heb geleerd dat je niets moet for­ce­ren op de eer­ste dag dat je je weer wat fit­ter voelt na een paar dagen aan­mod­de­ren met je gezond­heid. Dus voor­na­me­lijk wat admi­ni­stra­tie­ve zaken die al te lang lagen te wach­ten. Plus wat ein­de­jaars opruim­ac­ti­vi­tei­ten, zowel ana­loog als digitaal.

Waar ik hal­ver­we­ge de dag bij toe­val ach­ter kwam was dat de lite­ra­tuur­op­dracht voor Inlei­ding Cul­tuur­ge­schie­de­nis 1 al klaar stond. Ter­wijl ik dacht dat die pas rond mid­der­nacht vrij­ge­ge­ven zou wor­den. Op basis van het laat­ste cij­fer van mijn stu­dent­num­mer is dit het onder­werp waar­voor ik een lite­ra­tuur­lijst moet gaan samenstellen:

Poli­tie­ke cul­tuur in Frank­rijk, ca. 1790–1800

De ach­ter­grond bij dit onder­werp is te vin­den op blad­zij­de 319 van het hand­boek, in hoofd­stuk 9 ‘De Engel­se, Ame­ri­kaan­se, Fran­se en Neder­land­se revo­lu­tie in ver­ge­lij­kend per­spec­tief’, geschre­ven door Anton van de San­de en Leo Wessels:

De laat­ste decen­nia wordt des­al­niet­te­min juist het sterk ver­an­der­de ide­o­lo­gi­sche kli­maat aan de voor­avond van de revo­lu­tie als een der belang­rijk­ste aan­kno­pings­pun­ten beschouwd om de bete­ke­nis van de Fran­se Revo­lu­tie te kun­nen dui­den. His­to­ri­ci sig­na­leer­den in het der­de kwart van de acht­tien­de eeuw de opkomst van een nieu­we ‘poli­tie­ke cul­tuur’, een begrip dat aan de poli­ti­co­lo­gie is ont­leend. Het gaat daar­bij om de sub­jec­tie­ve dimen­sie van het poli­tie­ke sys­teem, de manier waar­op tegen de poli­tie­ke rea­li­teit werd aan­ge­ke­ken en over idee­ën als vrij­heid, tole­ran­tie, des­po­tis­me en demo­cra­tie werd gespro­ken. Een opval­len­de ver­an­de­ring van de poli­tie­ke cul­tuur in deze peri­o­de betrof de toe­na­me van publie­ke debat­ten, het­zij via de pers — in pam­flet­ten, schot­schrif­ten, kari­ka­tu­ren, spot­pren­ten en gelei­de­lijk aan ook in de kran­ten — het­zij mon­de­ling in salons en clubs. Open­lijk dis­cus­si­ë­ren over poli­tiek bleef ver­bo­den, maar des­on­danks raak­ten nu zowel de bur­ge­rij als het gewo­ne volk steeds meer ver­trouwd met een nieu­we, revo­lu­ti­o­nai­re woor­den­schat. Naas­te enke­le suc­ces­rij­ke auteurs was er een groot aan­tal arm­las­ti­ge brood­schrij­vers — de ‘lite­rai­re onder­we­reld’ — die in hun libel­les voor­al de deca­den­te hoge­re gees­te­lijk­heid op de kor­rel namen. De koning bleef door­gaans nog bui­ten schot. Die popu­la­ri­se­ring van de poli­tie­ke ver­to­gen zou ná 1789 haar effect niet mis­sen. Het club­we­zen werd de kern van de revo­lu­ti­o­nai­re orga­ni­sa­tie. In alle lagen van de bevol­king drong het ‘breuk­be­sef’ door. De daar­mee gepaard gaan­de emo­ties wer­den door mid­del van geën­sce­neer­de ‘fees­ten van de revo­lu­tie’ in col­lec­tie­ve banen geleid.

Na het avond­eten, waar­voor we deze keer ein­de­lijk eens de air­fry­er voor de dag heb­ben gehaald die we vórig vorig jaar met de kerst had­den aan­ge­schaft, kon ik het toch niet laten om alvast een begin­ne­tje te maken met het zoe­ken naar rele­van­te lite­ra­tuur met betrek­king tot dit onder­werp. Over uiter­lijk twee weken dien ik de opdracht in te leveren. 

Gene­sis 6

De aar­de wordt gaan­de­weg bevolkt met steeds meer men­sen. Man­nen en vrou­wen. Voor­al de doch­ters waren erg in trek bij de zonen van de goden. Ondui­de­lijk is het wie dit zijn. De men­sen zelf mis­schien? In ieder geval besloot God rond die tijd dat zijn levens­geest niet in de mens kon blij­ven, want de mens is immers niets meer dan vlees. Als gevolg kon­den men­sen nog maar maxi­maal hon­der­twin­tig jaar oud wor­den. Er wordt ook nog ver­meld dat zolang de zonen van de goden gemeen­schap had­den met de vrou­wen er gigan­ten leef­den op aarde. 

Dan breekt het moment aan dat God onte­vre­den is met zijn schep­ping. De men­sen zijn cor­rupt en hij voel­de zich daar­door diep gekwetst. Er zit niets anders op voor hem dan de gehe­le bevol­king weg te vagen. Inclu­sief het die­ren­rijk. Want hij heeft spijt dat hij dit alle­maal gescha­pen heeft. Tja. 

Alleen Noach vond bij de HEER gena­de. Hij ver­tel­de Noach van zijn plan om de mens­heid en de aar­de te ver­nie­ti­gen, maar gaf hem een gede­tail­leer­de opdracht tot het bou­wen van een ark waar­in hij van elke bestaan­de dier­soort een kop­pel aan boord moest nemen. Oh, en Noach mocht ook zijn vrouw, zijn zonen, en de vrou­wen van zijn zonen mee­ne­men. Plus natuur­lijk vol­doen­de pro­vi­and. Noach deed alles zoals God het hem had opgedragen.

God roept Noah, mozaiek (ca.1218) in Mon­re­a­le kathe­draal te Sicilië