Categorie: fictie

Hoop

In de trein. Op weg naar kantoor.

Niet altijd. Maar wel vaak.

Tij­dens het eten. Tij­dens een ver­ga­de­ring.
Tij­dens het spor­ten. Tij­dens de afwas.

Soms ook een hele tijd niet. Om dan ineens vol­le­dig de aan­dacht op te eisen.

In de trein. Op weg naar huis.

De ene keer kan hij haar stem horen. Een ande­re keer heeft hij alleen beeld:

Hoe zij van­uit de dou­che de slaap­ka­mer komt bin­nen­ge­lo­pen. Slechts in neve­len gehuld. Een hand­doek rond­om haar haren gewik­keld. Op haar gezicht een mys­te­ri­eu­ze glim­lach. Zoals in een film. En dat hij kan zien dat er klei­ne drup­pel­tjes water in haar nek pare­len. Omdat zij naast hem is komen lig­gen. Met een vin­ger op zijn neus tikt en zich lenig op hem draait. Twee han­den die hem daar­na diep in de zach­te matras druk­ken van het hotel­bed in een stad waar ze eer­der die dag hand in hand door smal­le straat­jes had­den gedwaald. Kof­fie op een ter­ras had­den gedron­ken. Elkaar had­den laten foto­gra­fe­ren door een wil­le­keu­ri­ge voor­bij­gan­ger. Een ach­te­lo­ze zoen voor eeu­wig vastgelegd.

En hij sluit zijn ogen.

Maar blijft kij­ken. Dwars door zijn tra­nen. Dwars door de tijd.

Ooit.

Ooit zal hij haar ont­moe­ten. 


20081109

“… vroe­ger … voor­goed … met roken …”
Van­we­ge een aan­hou­den­de hoest­bui kreeg ie slechts enke­le woor­den mee.
“Wat zei je?”
“Ik zei dus, dat ze vroe­ger bij ons in ’t dorp altijd zei­den dat iemand voor­goed gestopt was met roken. Wan­neer ie dus over­le­den was. Dat zei­den ze bij ons. Voor­al de oud­jes.”
Hij keek nog eens naar bene­den. Deze man zou dus gestopt zijn met roken. Als ie al rook­te. Of beter, gerookt had. Dat zou trou­wens nu nog maar moei­zaam gaan. Een gedeel­te van de onder­kaak was uit het gezicht van de man ver­dwe­nen. Daar­door had je nu vrij­uit zicht tot diep in de mond. Wat opviel was dat een hoop tan­den ont­bra­ken. Ook de tong van de man was op het eer­ste gezicht niet geheel com­pleet. En alles zat onder de bla­ren. Brandblaren.

“Vol­gens mij wist ie echt niets.”
“Par­don?”
“Over de deal. Bedoel ik. Dat ie niks wist. Anders had ie heus wel iemand ver­linkt. Dus. Ik bedoel. Met wat er alle­maal met ‘m is gedaan. Jezus! Ik dacht dat ie de twee­de dag al te ver heen was. Met die strijk­bout. Dus. Hoe ver­zin je ‘t. Had je dat al ooit eer­der gedaan? Wat een brand­lucht! Ik dacht nog, dalijk komt de brand­weer bin­nen­val­len in plaats van de poli­tie. Haha­ha­ha. Snap je ‘m? De brand­weer.”
Nog steeds staar­de hij naar het lichaam dat daar bene­den aan z’n voe­ten lag. Bij­na had z’n eer­ste schot doel gemist omdat een plot­se­lin­ge hoest­bui hem over­val­len had. In plaats van keu­rig tus­sen de ogen was de kogel inge­sla­gen in de onder­kaak van de man. En was een twee­de schot nodig. Dat was ‘m nog nooit overkomen.

“Kun je ‘m een stuk­je deze kant opdu­wen?”
Pein­zend keek hij naar de bran­den­de siga­ret in z’n hand. Hele­maal opro­ken, of een sym­bo­lisch laat­ste trek­je, of gewoon met­een hele­maal stop­pen?
“Je hoeft ‘m echt maar een stuk­je te rol­len of zo. Met je voe­ten. Dan wor­den je han­den niet vuil. Laat het vui­le werk maar aan mij over. Da’s mijn spe­ci­a­li­teit. Ieder het zij­ne. Zeg ik altijd. Ik ben niet in de wieg gelegd voor dat gemar­tel en zo. Met al die instru­men­ten. Laat mij maar gewoon op de uit­kijk staan. Of rond­rij­den. Of een stuk­je gra­ven zoals hier. Da’s goed voor de con­di­tie. Kan dat luie zweet er uit. Haha­ha.”
Een flin­ke duw met de punt van z’n schoen was vol­doen­de om het lijk bin­nen het bereik van de man in de kuil te bren­gen. Ter­wijl die ver­der ging met het lijk hele­maal in de kuil te trek­ken, nam hij toch nog een trek van z’n siga­ret. Wat ‘m met­een weer een hoest­bui opleverde.

Zeker van z’n zaak gooi­de hij de smeu­len­de siga­ret het lijk ach­ter­na de kuil in.
Z’n besluit stond vast. Van­daag zou hij stop­pen met roken.
Hij had nog zoveel te doen. Zoveel werk wat op hem wachtte.