MvdG: Gedeeld erfgoed en een gezamenlijke toekomst

Bij het arti­kel dat ik van­daag onder ogen krijg op de site van de Maand van de Geschie­de­nis gaan we voor de ver­an­de­ring nu eens niet op reis naar het (ver­re) Oos­ten of Wes­ten. Het is een per­soon­lij­ke over­pein­zing door Jin­na Smit (pro­gram­ma­lei­der Gedeeld Cul­tu­reel Erf­goed bij de Rijks­dienst voor het Cul­tu­reel Erf­goed (RCE)) naar aan­lei­ding van een vraag van haar moe­der over de dis­cus­sies rond­om het stand­beeld van J.P. Coen.

De vraag ver­rast haar (nooit eer­der spra­ken ze over de Neder­land­se ver­beel­ding van het kolo­ni­a­le ver­le­den) en zet haar aan het den­ken over het gedeeld ver­le­den (en erf­goed) van Neder­land en Indo­ne­sië, maar ook met ande­re lan­den waar Neder­land een ver­le­den mee deelt. De voor­beel­den die ze uit eigen erva­ring kent weten haar nog iede­re keer opnieuw te raken.

Steeds opnieuw laat gedeeld erf­goed zien hoe ons land in het ver­le­den ver­knoopt is geraakt met ande­re lan­den en cul­tu­ren en hoe we zon­der deze ken­nis de wereld zoals deze nu is niet goed kun­nen begrij­pen.

In haar visie is het essen­ti­eel dat lan­den met een gedeeld erf­goed inzet­ten op een een goe­de en con­struc­tie­ve samen­wer­king. Omdat in eer­ste instan­tie de bena­de­ring van het erf­goed van­uit de eigen ach­ter­grond en tra­di­ties tot stand komt zorgt juist een open samen­wer­king voor beter begrip en kan het hope­lijk lei­den tot een gedeeld belang. Dit gedeel­de belang is vaak gere­la­teerd aan de prak­ti­sche pro­ble­men die er komen kij­ken bij het bewa­ren en beschik­baar maken van het erf­goed voor het gro­te publiek. Denk bij­voor­beeld aan het leef­baar­der maken van his­to­ri­sche bin­nen­ste­den, het bescher­men van scheeps­wrak­ken en het behe­ren van col­lec­ties. Dit leidt tot een inte­res­san­te obser­va­tie:

Dus hoe­wel het gedeel­de ver­le­den een start­punt biedt voor samen­wer­king, ligt de focus voor­al op het samen vorm­ge­ven van de toe­komst.

Kern in de over­pein­zin­gen van Jin­na Smit blijft het aspect van weder­zijds begrip en samen­wer­king, iets waar het in onze gepo­la­ri­seer­de samen­le­ving helaas regel­ma­tig aan ont­breekt. Door hier meer aan­dacht aan te beste­den is het mis­schien moge­lijk om de angel uit toe­kom­sti­ge dis­cus­sies over con­tro­ver­si­ë­le aspec­ten uit het ver­le­den te halen.

~ ~ ~ 

In okto­ber schrijf ik regel­ma­tig een blog­post naar aan­lei­ding van de arti­ke­len op de site van de Maand van de Geschie­de­nis rond het the­ma van 2020: Oost/West.

~ ~ ~

MvdG: Tradities, rem of springplank?

We gaan terug in de tijd naar het jaar 1939. En wel voor de wereld­ten­toon­stel­ling. Die werd gehou­den op drie plaat­sen zo lees ik op wiki­pe­dia. Of mis­schien is het beter te zeg­gen dat er meer­de­re ten­toon­stel­lin­gen waren die beschouwd wer­den door het comi­té dat hier­over gaat om in aan­mer­king te komen als een wereld­ten­toon­stel­ling:

Het arti­kel op de site van de Maand van de Geschie­de­nis besteedt aan­dacht aan het Neder­lands pavil­joen op de World’s Fair in New York. Auteur is de his­to­ri­cus Milan van Lan­ge die momen­teel zijn proef­schrift afrondt bij het NIOD en de Uni­ver­si­teit Utrecht.

Eer­der dit jaar las ik het boek De dui­ze­ling­wek­ken­de jaren van Phi­lipp Blom waar­in ook een wereld­ten­toon­stel­ling voor­bij komt. Die van Parijs in 1900. Een alge­meen the­ma was vol­gens Blom de nadruk op het ver­le­den:

De nati­o­na­le pavil­joens lie­ten dui­de­lijk zien welk beeld Euro­pa en de Ver­e­nig­de Sta­ten van zich­zelf wen­s­ten uit te dra­gen, want met uit­zon­de­ring van Fin­land (aan­we­zig met een gol­vend art nou­veau-gebouw) had­den alle lan­den ervoor geko­zen zich­zelf te pre­sen­te­ren met pas­ti­ches op his­to­ri­sche bouw­stij­len […] De iden­ti­teit van een land, zo sug­ge­reer­den deze gebou­wen, bestond uit een ver ver­le­den, of dat nu in de oude naties was of in de Nieu­we Wereld.

De dui­ze­ling­wek­ken­de jaren, p.21–22

Inmid­dels zijn we neg­en­der­tig jaren ver­der en is er geko­zen voor een com­ple­te ande­re insteek, aldus De Lan­ge:

Onder het offi­ci­ë­le mot­to ‘Buil­ding the World of Tomor­row’ richt­ten de ten­toon­stel­lin­gen van Ame­ri­kaan­se (veel­al com­mer­ci­ë­le) deel­ne­mers zich voor­al op een ide­aal toe­komst­beeld, waar­in het ver­le­den nau­we­lijks een rol leek te spe­len.

Maar, ver­volgt De Lan­ge: “Voor de orga­ni­sa­tie van de Neder­land­se deel­na­me was dat anders.” Neder­land zat name­lijk met een dilem­ma. In een tijd dat er in Ame­ri­ka een over­we­gend anti-kolo­ni­a­le stem­ming heerste moest het deel­na­me­co­mi­té ervoor zien te zor­gen dat de kolo­ni­ën en de rol van de Neder­land­se rege­ring op een juis­te manier inge­bed wer­den in het beeld van een voor­uit­stre­ven­de en moder­ne samen­le­ving. De oplos­sing werd gevon­den in het gebruik van tra­di­ties.

Sim­pel gezegd kon men op het Neder­land­se pavil­joen twee invul­lin­gen zien van hoe tra­di­ties een rol spe­len in het moder­ni­se­rings­pro­ces. Het gebouw zelf was modern van bouw met alleen een iet­wat afwij­ken­de tra­di­ti­o­ne­le klok­ken­to­ren. Dit beves­tig­de het beeld van moder­ni­teit en tra­di­tie die hand in hand zou­den gaan. Maar een­maal bin­nen in het pavil­joen zou het voor de oplet­ten­de bezoe­ker dui­de­lijk moe­ten wor­den dat oud-Hol­land­se tra­di­ties zoals klom­pen, tul­pen, wind­mo­lens en kaas­meis­jes, een soort van opmaat of voor­lo­pers waren naar de moder­ne samen­le­ving die Neder­land in 1939 was, ter­wijl dat voor de over­zee­se gebieds­de­len heel anders was.

Hier zag men ook vele tra­di­ti­o­ne­le ambach­ten en gebrui­ken voor­bij­ko­men, maar deze wer­den juist nadruk­ke­lijk gepre­sen­teerd als zijn­de hin­der­nis­sen op die­zelf­de weg naar moder­ni­se­ring. Neder­land had de rol op zich geno­men om door mid­del van modern bestuur en onder­wijs de inland­se bevol­king uit deze ‘stil­stand’ te halen. Zagen we dus de Neder­land­se tra­di­ties als bete­ke­nis­vol en mee­be­we­gend, de inland­se tra­di­ties wer­den neer­ge­zet als stag­ne­rend.

Milan de Lan­ge vraagt zich op het eind van zijn arti­kel af of er iets te leren valt van deze gepre­sen­teer­de manier op de New York World’s Fair voor wat betreft onze heden­daag­se omgang met tra­di­ties. Zijn ant­woord waar ik me hele­maal in kan vin­den:

Als er dan iets is dat tra­di­ti­o­ne­le figu­ren, sym­bo­len, en gebrui­ken eni­ge bete­ke­nis kan blij­ven geven in het heden, dan is dat wel bereid­heid tot in- en aan­pas­sing aan de maat­schap­pij van nu.

~ ~ ~ 

In okto­ber schrijf ik regel­ma­tig een blog­post naar aan­lei­ding van de arti­ke­len op de site van de Maand van de Geschie­de­nis rond het the­ma van 2020: Oost/West.

~ ~ ~

Winnen de wapenen?

Deze blog­post is deel 40 van 40 in de serie Don Qui­chot — Cer­van­tes

Eer­ste deel – Acht­en­der­tig­ste hoofd­stuk:

Het­welk han­delt over de merk­waar­di­ge rede­voe­ring die Don Qui­chot hield over de wape­nen en de let­te­ren

Een ultra­kort hoofd­stuk­je waar­in Don Qui­chot ver­der gaat met zijn uit­leg over waar­om in zijn ogen de krijgs­man hoger gewaar­deerd dient te wor­den dan de man die leeft van zijn pen.

We waren geble­ven bij wie de groot­ste armoe­de te ver­du­ren heeft. Ook hier is het de krijgs­man die vol­gens Don Qui­chot altijd aan het kort­ste eind trekt. Sol­dij wordt hem vaak in het voor­uit­zicht gesteld om uit­be­taald te wor­den na een vol­gen­de over­win­ning, waar­bij het maar de vraag is of hij niet voor­tij­dig sneu­velt tij­dens het gevecht alvo­rens hij zijn wel­ver­dien­de doch onge­twij­feld kari­ge belo­ning in ont­vangst kan nemen. En tot die tijd moet hij maar zien hoe hij in de open natuur onder de meest bar­re omstan­dig­he­den weet te over­le­ven.

Er is ech­ter een vraag­stuk in dit ver­ge­lij­kend waren­on­der­zoek waar Don Qui­chot ook niet goed raad mee weet en dat is wie van de twee uit­ein­de­lijk onont­beer­lijk is:

[…] de let­te­ren [zeg­gen] dat zon­der haar de wape­nen geen stand zou­den kun­nen hou­den, omdat ook de oor­log zijn wet­ten heeft en daar­aan onder­wor­pen is, en de wet­ten beho­ren tot het gebied van de let­te­ren en gelet­ter­den. Hier­te­gen stel­len de wape­nen dat de wet­ten zon­der hen geen stand kun­nen hou­den; want met de wape­nen wor­den geme­ne­bes­ten ver­de­digd, konink­rij­ken in stand gehou­den, ste­den ver­de­digd, wegen bevei­ligd, de zee­ën van zee­ro­vers gezui­verd; [p.281]

Uit­ein­de­lijk is het voor­al het gro­te risi­co van het leven te ver­lie­zen dat Don Qui­chot bena­drukt als het voor­naams­te ver­schil tus­sen de krijgs­man en de schrij­ver want, zo luidt zijn rede­ne­ring, bei­den moe­ten op z’n minst even­veel moei­te doen en ont­be­rin­gen onder­gaan (de krijgs­man een beet­je meer), maar het is de krijgs­man die daar­bij ook nog eens vroeg­tij­dig de dood kan vin­den.

Wat volgt zijn enke­le leven­di­ge voor­beel­den van strijd­to­ne­len die aan moe­ten tonen hoe gevaar­lijk het leven van een krijgs­man is, waar­bij Don Qui­chot vol­ko­men onver­wachts in een melan­cho­li­sche bui raakt en terug­ver­langt naar ‘die geze­gen­de eeu­wen wel­ke nog de schrik­ke­lij­ke razer­nij der dia­bo­li­sche schiet­werk­tui­gen niet ken­den’. Ik moest met­een den­ken aan een lied van Roger Waters geti­teld The bra­ve­ry of being out of ran­ge toen Don Qui­chot ver­der­ging en de laf­fe daad beschreef van zo’n schut­ter die de strijd slechts op afstand aan­gaat:

[…] wel­licht afge­scho­ten door een man die van schrik vlucht­te bij de schit­te­ring van het vuur toen hij de ver­vloek­te machi­ne deed ont­bran­den — die in een enke­len tel de gedach­ten en den levens­draad ver­breekt en afsnijdt van een mens die ver­dien­de nog jaren te leven. [p.281]

Het is voor hem reden om soms te twij­fe­len aan de keu­ze van zijn dolend rid­der­schap, weten­de dat ‘kruit en lood’ hem zomaar ‘de gele­gen­heid kun­nen ont­ne­men naam en faam op gans de beken­de aar­de te ver­wer­ven’. Tege­lij­ker­tijd weet hij ook dat mits het hem lukt aan dit lot te ont­snap­pen hij veel meer eer zal oog­sten omdat hij zich aan gro­ter geva­ren heeft bloot­ge­steld dan dolen­de rid­ders uit voor­bije eeu­wen.

Zie­daar weer een staal­tje logi­ca van Don Qui­chot die de tafel­ge­no­ten opnieuw met mede­lij­den ver­vuld daar zij alle­maal over­tuigd zijn van de intel­li­gen­tie van onze held, behal­ve wan­neer hij ver­lo­ren raakt in de curi­eu­ze over­tui­ging dat er voor hem slechts één roe­ping is weg­ge­legd, en wel die van het dolend rid­der­schap.

Voor de ver­an­de­ring ein­digt ook dit hoofd­stuk met een voor­aan­kon­di­ging van een vol­gend ver­haal. Dit­maal is het de laatst aan­ge­ko­men gast, die wij nog steeds niet anders ken­nen dan als ‘de gevan­ge’, die ver­zocht wordt om uit te doe­ken te doen hoe zij (want hij was in gezel­schap van de moor­se vrouw met de naam Zoira­da) hier beland waren geraakt.

~ ~ ~

MvdG: Lief dagboek

Het ont­breekt geluk­kig niet aan vari­a­tie op de site van de Maand van de Geschie­de­nis voor wat betreft de arti­ke­len rond­om het the­ma Oost/West. Na diver­se uit­stap­jes naar het ver­re Oos­ten blij­ven we nu dich­ter bij huis en wel in Zieu­went, een dorp­je in de Ach­ter­hoek waar ik pas voor het eerst over hoor­de toen ik wat vaker in Win­ters­wijk ver­bleef. Aan­lei­ding is het dag­boek van Eimert Papen­borg (1826–1888) waar Hans Pie­na (con­ser­va­tor ver­bon­den aan het Neder­lands Open­lucht­mu­se­um in Arn­hem) onder­zoek naar doet.

Eimert is een katho­lie­ke jon­gen die opgroeit in een een­vou­di­ge boe­ren­fa­mi­lie. Hij weet het te bren­gen tot gemeen­te­raads­lid en kerk­mees­ter. In zijn dag­boek, dat bestaat uit ruim twee­hon­derd blad­zij­des en gedeel­te­lijk in geheim­schrift is geschre­ven valt op te maken dat het leven bin­nen een katho­lie­ke gemeen­schap in de Ach­ter­hoek zich wei­nig gele­gen laat lig­gen aan volk en vader­land zoals dat leeft in Den Haag. Eer­der het tegen­deel. Zo inves­teert Eimert een flin­ke smak geld om zijn twee zoons vrij te stel­len van de mili­tai­re dienst­plicht, want:

de pro­tes­tant­se Wil­lem I [heeft] nog niet lang gele­den in 1830 de wapens opge­no­men tegen het katho­lie­ke broe­der­volk Bel­gië. Eimert en zijn fami­lie heb­ben dus sowie­so wei­nig sym­pa­thie voor de Nati­o­na­le Mili­tie. De Frans-Prui­si­sche oor­log in 1870 staat boven­dien nog vers in het geheu­gen, met ver­plet­te­ren­de gevol­gen voor het katho­lie­ke Frank­rijk.

In het arti­kel wor­den meer­de­re van dit soort onder­wer­pen (zoals geld, belas­ting, geloof, feest­da­gen en onder­wijs) uit­ge­licht om via het dag­boek te laten zien ‘wat deze schrij­ver ons te mel­den heeft over de rela­tie met het wes­te­lijk gele­gen Den Haag in staats­aan­ge­le­gen­he­den’. Erg inte­res­sant om te lezen, en het toont maar weer eens aan hoe ego-docu­men­ten een belang­rij­ke bij­dra­ge kun­nen vor­men in de tot­stand­ko­ming of nuan­ce­ring van een his­to­risch ver­ant­woor­de beeld­vor­ming van een bepaal­de peri­o­de.

~ ~ ~ 

In okto­ber schrijf ik regel­ma­tig een blog­post naar aan­lei­ding van de arti­ke­len op de site van de Maand van de Geschie­de­nis rond het the­ma van 2020: Oost/West.

~ ~ ~

MvdG: Het zand geeft en neemt

A visit to Ber­e­ni­ce, Well­sted (1838)

En we zijn weer terug in Egyp­te! In Ber­e­ni­ke om pre­cies te zijn. Nu bedol­ven onder het woes­tijn­zand maar ooit een flo­re­ren­de haven­stad aan de Rode Zee. Het arti­kel op de site van de Maand van de Geschie­de­nis is er weder­om een­tje aan­ge­bo­den door Nati­o­nal Geo­grap­hic His­to­ria (inclu­sief vele afbreek­streep­jes mid­den in zin­nen wat doet den­ken dat het een copy en pas­te actie is van­uit een aan­ge­le­verd pdf-bestand). Zoals we inmid­dels gewend zijn is er geen ver­mel­ding van de auteur en moet de datum van publi­ca­tie afge­leid wor­den uit de con­text van het ver­haal. In ieder geval in of na het jaar 2012 gezien de ver­mel­ding van de eer­ste ver­jaar­dag van het begin van de Egyp­ti­sche Revo­lu­tie.

Vol­gens Pli­ni­us de Oude­re werd Ber­e­ni­ke in 275 v.Chr. gesticht door Pto­le­ma­eus II als haven­stad voor de aan­voer van oli­fan­ten uit Oos­te­lijk Afri­ka. Met het stil­val­len van de oli­fan­ten­han­del in de twee­de eeuw v.Chr. (waar­van de reden onbe­kend is) raak­te de haven in ver­val. Pas in de eer­ste eeuw van onze jaar­tel­ling werd er door de Romei­nen nieuw leven inge­bla­zen. In plaats van de haven uit te bag­ge­ren werd er voor geko­zen om de stad sim­pel­weg te ver­leg­gen. Het vorm­de de start van de groot­ste bloei­pe­ri­o­de: ‘de haven werd de poort van Rome naar Oost-Afri­ka en India’.

Ber­e­ni­ke lag aan het enor­me Romein­se net­werk van wegen en han­dels­pos­ten. Alleen al in de nage­noeg onbe­volk­te Oos­te­lij­ke Woes­tijn lag zo’n 2200 kilo­me­ter hoofd­weg, die op som­mi­ge plaat­sen liefst der­tig meter breed was. De afstand van Ber­e­ni­ke naar Edfu en Qift, de dichtst­bij- zijn­de Nijl­ha­vens, bedroeg 340, res­pec­tie­ve­lijk 370 kilo­me­ter, een bar­re tocht door de woes­tijn die per kameel zo’n twaalf dagen in beslag nam. Om het rei­zen moge­lijk te maken, ston­den er langs de wegen op regel­ma­ti­ge afstan­den for­ten en ande­re neder­zet­tin­gen.

Sinds 1994 zijn arche­o­lo­gen vol­op bezig de stad in kaart te bren­gen. Na de bloei­pe­ri­o­de in de eer­ste eeuw raak­te de haven name­lijk opnieuw in de ver­ge­tel­heid. In de vier­de en vijf­de eeuw was er nog een klei­ne ople­ving maar met de komst van de islam was het voor­bij en nam de woes­tijn bezit van de stad. De opgra­vin­gen en recon­struc­ties van hoe het leven er in deze stad ooit heeft uit­ge­zien geven niet alleen aan dat hier een leven­di­ge han­del in goe­de­ren heeft plaats­ge­von­den, maar dat er ook een belang­rij­ke uit­wis­se­ling was van idee­ën. Zo is er bewijs gevon­den van twaalf geschre­ven talen en zeven ver­schil­len­de reli­gies.

Het idee van cul­tu­re­le uit­wis­se­ling krijgt ook op een ande­re manier gestal­te. De Indi­a­se arche­o­loog P.J. Che­r­i­an van de Uni­ver­si­teit van Ker­ala doet onder­zoek naar Romein­se invloe­den in de Indi­a­se kust­plaats Pat­ta­nam en komt regel­ma­tig op bezoek in Ber­e­ni­ke. In India bestaan oer­ou­de jood­se en chris­te­lij­ke tra­di­ties die vol­gens de legen­den terug­gaan tot de Romein­se tijd. Nu pas is er fysiek bewijs dat er in die tijd daad­wer­ke­lijk con­tact was tus­sen de zuid­west­kust van India en het Romein­se Rijk.

En dan te beden­ken dat er tot nu toe (2012?) nog maar zo’n 2% van het stads­op­per­vlak is bloot­ge­legd.

~ ~ ~ 

In okto­ber schrijf ik regel­ma­tig een blog­post naar aan­lei­ding van de arti­ke­len op de site van de Maand van de Geschie­de­nis rond het the­ma van 2020: Oost/West.

~ ~ ~