Later

Lat­er is nog heel ver weg. Wie weet wat er op het pad onder­weg naar lat­er alle­maal kan gebeuren. Daarom heb ik eerder besloten om niet langer op lat­er te wacht­en.
Alles wat ik lat­er nog wil doen daar hoef ik niet mee te wacht­en.

Nu was mijn wensen­pakket ook weer niet buiten­sporig groot. Werel­dreizen na mijn pen­sioner­ing bijvoor­beeld heb ik nooit voor ogen gehad. Wil ik iets van de wereld zien dan kan ik ook van­daag een reis boeken. Schi­jnt zelfs his­torisch goed­koop te zijn.
Meer tijd in mijn relatie steken hoeft ook niet te wacht­en tot­dat een nad­er te bepalen moment is aange­bro­ken. Ergens heb ik iets gelezen in de trant van ‘ver­liefd bli­jven’ is best moeil­ijk, maar ‘lief doen’ ligt aan jezelf. (gewoon doen!, zou JP Balke­nende zeggen)

De belan­grijk­ste stap die ik miss­chien wel genomen heb is om wat min­der tijd in mijn werk te steken. Niet dat het alti­jd lukt (want ook werken zelf vind ik een aan­ge­name bezigheid), maar het streven is con­tinu aan­wezig. De vri­jgekomen tijd probeer ik in te vullen met bezighe­den waar ik niet aan toe kwam, of die ik pas op een lat­er tijd­stip voor me zag weggelegd.

Eigen­lijk komt het er op neer dat ik lat­er naar voren heb getrokken. Het is onderdeel van het nu gewor­den. Niks geen uit­s­tel meer. Hoe­zo een voorne­men hebben wat op die datum ingaat. Gewoon nu begin­nen als het zo belan­grijk is. Weg­gooien die sigaret als je wil stop­pen. En wel nu. Aantrekken die sportschoe­nen en de frisse buiten­lucht in als je wat aan je gezond­heid wil doen. En wel nu!

Let wel, dit is geen plei­dooi voor ongeremd alles doen en lat­en wat in je opkomt. Wat ik voor ogen heb is meer aan­dacht voor de ‘ver­stopte ver­lan­gens’ en ‘heimelijke wensen’ die in je bin­nen­ste sluimeren. Zak­en die je tijdelijk gepar­keerd hebt omdat je denkt dat ze nu niet kun­nen. Dat de tijd er nog niet rijp voor is.

Beschouw ze eens wat nad­er en vraag je af of je er toch niet alvast een begin mee kunt mak­en. In welke vorm dan ook. Zo kun je er alvast aan proeven. En miss­chien merk je dat het niets voor je is (bespaart je lat­er een teleurstelling omdat je er zo naar hebt uit­gekeken), of dat het al zoveel plezi­er en lev­ensvreugde geeft dat je blij bent er mee begonnen te zijn. Kun je er in ieder geval langer van geni­eten.

Als je op deze manier tegen het lev­en aan kijkt dan merk je dat lat­er verd­wi­jnt. Je staat in het hier en nu, bezig met volle teu­gen van het lev­en te geni­eten. Je haalt uit het lev­en wat er in zit. En dan bedoel ik dat­gene waar jij behoefte aan hebt. Dat hoeft niet iets ver­hevens te zijn maar kan ook net zo goed lekker schof­fe­len zijn in je volk­s­tu­in­t­je.

Het lat­er waar je wel of niet naar uitzi­et is niet aan­wezig. Kijk je nog steeds naar iets uit dan kun je je afvra­gen waarom dat dat is. Kan het niet eerder? Waarom niet? Zelfs niet in een afgezwak­te vorm? Wees cre­atief en probeer na te gaan welk dieper ver­lan­gen ver­stopt zit. En kijk of je hier weer mee verder kunt.
Probeer het maar eens.

Lat­er kun je me nog alti­jd bedanken als het je iets heeft opgeleverd.

Lat­er

Lat­er gaan we naast elka­ar
wand’len op de Over­toom,
drinken zoete melk met room,
strijken door ons gri­jze haar.

Zie je ons daar samen lopen?
Naast elka­ar — zo diep bedaard.
Jij, een lieve, oude taart.
Ik, nog kras — dat is te hopen…

Maar al wor­den we ook wrakken,
al dat vre­selijke sno­even
zal ten­min­ste niet meer hoeven.
Gaar of muf — we zijn gebakken.

En we zeggen: ‘Kijk, de tram.’
Of: ‘Hoor jij die vogel zin­gen?’
Al die nut­teloze din­gen,
want het hoeft niet meer ad rem.

En het hoeft niet meer zo rap,
want we moeten ner­gens heen.
Och, we wonen toch alleen
in zo’n rothuis met een trap.

Ik beloof je, dat ik dan
het attent zijn aan zal leren.
En ik zal ook vaak proberen,
of je nog wel lachen kan,

lachen als een oude dame
die haar zeg­je heeft gezegd,
die, als ze wordt afgelegd,
zich voor nie­mand hoeft te schamen.

Wel, wel, wel, zo zal dat gaan.
En we ster­ven, heel bedaard,
op een don­derdag in maart.
Tegelijk — daar hecht ik aan.

En als onze aardse last
met de wereld gaat ver­groeien,
zal uit jou een bloem­p­je bloeien.
Een vioolt­je — dat staat vast.

Karel Bralleput (1913–1987)
uit: Fab­riek­swa­ter (1956)

~ ~ ~

Hup Zoetemelk!

De laat­ste jaren is het een stuk min­der gewor­den, maar er waren tij­den dat ik mijn naam niet ergens kon noe­men of de reac­tie was:

Pel­lenaars?”

Ben de gij d’r een­t­je van d’n Pel?”

En dan knik­te ik beves­ti­gend. Want ja, ik was er een­t­je van d’n Pel. Want zo noemde iedereen in ons dorp mijn vad­er.

Ikzelf werd dan weer door de eige­naar van de plaat­selijke dieren­za­ak (een klein dik man­net­je die alti­jd in een stof­jas liep en die mij vaak op een kruk­je zette zodat ik met mijn han­den door al dat ver­schil­lende vogelza­ad kon roeren) aange­spro­ken met Pelleke Pete­naars.

Dus ja, vol­gens mij was ik er een­t­je van den Pel!

Maar men doelde op een andere Pel­lenaars, niet zozeer mijn vad­er. Een leg­en­darisch figu­ur getu­ige de bewon­derende manier waarop zijn naam werd uit­ge­spro­ken.

Trots kon ik ook dat beves­ti­gen. Dan kwam even de ach­ter­docht. Ik kon dat wel zo zeggen, maar hoe waren die fam­i­lieban­den dan? Hoe nauw stamde ik af van d’n Pel?

Het antwo­ord was snel gegeven. Mijn opa was ‘de broer van’. Dat hoorde ik hem namelijk vaak zeggen, ‘ik ben de broer van’.

Pas lat­er ging ik besef­fen dat het voor mijn opa toch wel verve­lend geweest moet zijn om alti­jd maar ‘de broer van’ te zijn. Je plek­je op aarde probeer je toch te ver­w­er­ven op basis van eigen daad­kracht en niet op die van een ander. Wat hij daar­van vond heb ik hem nooit gevraagd.

Regel­matig kwam hij bij ons op bezoek en had dan aller­lei wiel­ren­spul bij zich (bidons, shirt­jes, broek­jes, stick­ers, etc.) wat hij weer van zijn broer had gekre­gen. Dat was erg welkom want in die tijd fiet­ste ikzelf ook een beet­je en dat kon ik dus goed gebruiken. Ik bedank­te hem dan erg uitvo­erig. Vroeg dan hoe het met zijn broer was en of hij hem wilde bedanken voor de spullen. Ergens toch wel sneu. Maar dat is miss­chien de draai die ik er nu zelf aan geef. Wellicht was hij gewoon erg trots op d’n Pel en heeft hij geen sec­onde last gehad van het feit dat hij ‘de broer was van’.

Ik ben in ieder geval erg trots op mijn opa Piet Pel­lenaars en wat hij alle­maal heeft bereikt (daarover een andere keer meer). Op de foto hier­boven zie je hem aan de link­erkant. Mijn oma staat rechts en mijn vad­er er tuss­enin. Zijn twee jon­gere broers staan er achter.

Hieron­der het lem­ma uit Wikipedia over Kees Pel­lenaars. Want ook op hem ben ik erg trots.
Voor wie hem niet kent, hij was de broer van mijn opa!

~ ~ ~

Cor­nelis Petrus (Kees) Pel­lenaars (Ter­hei­j­den, 10 mei 1913 — Bre­da, 30 jan­u­ari 1988) was een Ned­er­lands wiel­ren­ner en ploe­glei­der. Men noemde hem meestal kortweg: “Den Pel”.Coureur:
Als coureur was hij in 1934 de eerste Ned­er­lan­der die wereld­kam­pi­oen op de weg werd. Weliswaar bij de ama­teurs, maar het was toch uit­zon­der­lijk omdat in die tijd het baan­wiel­ren­nen in Ned­er­land de boven­toon voerde. Twee jaar lat­er werd hij Ned­er­lands kam­pi­oen.

Pel­lenaars was ook een uit­stek­end baan­ren­ner, die vaak kop­pelko­ersen reed samen met Cor Wals. Tij­dens de oor­log reed hij, zoals de meeste coureurs, gewoon wed­stri­j­den. In 1950 maak­te een ern­stig ongeluk een einde aan zijn actieve car­rière: tij­dens de Ronde van Duit­s­land reed hij met 80 kilo­me­ter per uur tegen een Amerikaanse leg­ertruck op. Hij raak­te zo zwaar gewond dat een Bel­gis­che krant al een necrolo­gie afdruk­te.

Ploe­glei­der:
Een jaar lat­er deed voor het eerst een Ned­er­landse ploeg mee aan de Tour de France, en Kees Pel­lenaars werd de ploe­glei­der. Het werd een onver­getelijk debu­ut: Wim van Est veroverde als eerste Ned­er­lan­der de gele trui en reed daarmee een dag lat­er, tij­dens de afdal­ing van de Col d’Aubisque, in het rav­i­jn.

In de jaren daar­na haalden coureurs als Van Est, Ger­rit Voort­ing en Wout Wagt­mans de nodi­ge over­win­nin­gen. De Tour, en ook Pel­lenaars, wer­den in Ned­er­land zeer pop­u­lair. Toch onder­vond hij ook veel tegen­stand, want hij was een ondiplo­matieke man. In 1956 was hij het mid­delpunt van een rel, toen hij Van Est niet in de Tour-ploeg opnam. Woe­dende sup­port­ers wilden hem een lesje komen leren, waarop hij een groot bord op de gev­el van zijn huis beves­tigde: “Hier is ‘t.”

Het jaar erop werd hij door de KNWU aan de kant geschoven. Daar­na was hij jaren­lang lei­der van de Tele­Vizier- en Goudsmit Hof-equipes. Zijn meest suc­cesvolle ren­ner in die tijd was Henk Nij­dam, maar de groot­ste troef van het Ned­er­landse wiel­ren­nen, Jan Janssen, reed niet voor hem. Dat kon Pel­lenaars moeil­ijk verkrop­pen, van­daar waarschi­jn­lijk zijn bek­ende uit­spraak, gedaan vóór de Tour van 1968: “Als Janssen de Tour kan win­nen kan mijn schoon­moed­er het ook.”

Halver­wege de jaren ’70 trok Kees Pel­lenaars zich uit de wiel­er­sport terug. Hij over­leed in 1988, 74 jaar oud.

Belan­grijk­ste over­win­nin­gen:
1934 — Wereld­kam­pi­oen op de weg, Ama­teurs
1936 — Ned­er­lands kam­pi­oen op de weg, elite
Zes­daagse van Par­i­js; + Adolf Schön
1937 — Zes­daagse van Kopen­hagen; + Frans Slaats
1938 — Zes­daagse van Gent; + Frans Slaats
1939 — Zes­daagse van Brus­sel; + Frans Slaats
1949 — 3e etappe Ronde van Ned­er­land
9e etappe deel B Ronde van Ned­er­land


~ ~ ~
En dat alle­maal naar aan­lei­d­ing van dit gedicht:

Hup Zoetemelk

Jan Kal, reporter van de Haagse Post:
‘Ik rijd wel eens, als ren­ner uitge­dost,
voor mijn plezi­er, maar verder zon­der hoop,
als ik weer door een brom­mer ben gelost.

Toch onder­ga ik vaak de wed­er­doop
“Hé Eddy Mer­ckx”, en in mijn lev­ensloop
hoorde ik ook “Jan Janssen”, “Peter Post”,
maar nooit “Hup Zoetemelk”. Hoe komt dat, Joop?’

Joop Zoetemelk, coureur van Gan-Merci­er,
sprak daarop het ver­bi­jsterende woord:
‘Nee, van wat u nu zegt ervaar ik niets.

Ik heb in al die jaren dat ik fiets
nooit anders dan “Hup Zoetemelk” geho­ord.
Ze roepen nooit geen “Eddy Mer­ckx” hoor, nee.’

Jan Kal (1946)
uit: Prak­tijk her­vat 1978

~ ~ ~

Drieluik

Drieluik leest als een vari­ant op ‘in elk stad­je een ander schat­je’.

Toen ik die uit­spraak voor de eerste keer hoorde had ik er meteen aller­lei visioe­nen bij van wulpse mei­den die hun­kerend naar me uitkeken tot­dat ik ze weer met een bezoek kwam verbli­j­den. Het vrolijke spoor van de ker­mis­sen vol­gend was het elk week­end wel weer raak in een ander dorp op fiet­saf­s­tand van het oud­er­lijk huis. Na een jaar van afwezigheid en niets van me te lat­en horen, herk­ende de in de steek gelat­en verover­ing van het vorige jaar mij meteen ter­wi­jl ik mijn fiets nog niet op slot had gedaan.

Ogen­blikke­lijk was zij alle boosheid kwi­jt en viel me om de nek. Verveeld duwde ik haar van mij af. Eerst wat drinken en bijk­let­sen met de ‘boys’ alvorens zij het genoe­gen zou hebben enkele uren met mij te mogen ver­pozen achter de feesttent.
Daar kon ze dan weer een jaart­je op teren.

In de prak­tijk is het voor mij die eerste uit­gaan­s­jaren helaas gebleven bij ‘in elk gehucht een andere klucht’.

Niet dat ik het in die tijd als bij­zon­der komisch ervo­er dat mijn verover­ings­pogin­gen op niets uitliepen. Daar­voor deed het me teveel pijn als ik voor de zoveel­ste keer afgewezen werd.

Hoewel, om afgewezen te wor­den moet je wel eerst een aan­zoek doen. En vaak kwam het niet zover. Ik was meer van de cat­e­gorie die gezel­lig bij de andere jon­gens ging staan en zich dan een stuk in de kraag zoop. En maar kijken. Naar de meis­jes. En via gedachten­over­breng­ing die meis­jes zover zien te kri­j­gen dat ze ons zagen staan. Hopen dat er iets ging gebeuren wat op verov­eren leek. Te ver­legen om de eerste ‘move’ te mak­en.

Hans Teeuwen heeft dat ooit tre­f­fend samengevat:

Ik kan hart­stikke veel meis­jes kri­j­gen.
Of ja, hart­stikke veel…
Ik kan best, euh, meis­jes kri­j­gen.
Of ja, niet echt kri­j­gen of zo, maar­reh ik denk er vaak aan
Of ja, denken…
Ik euh…
Ik ben gewoon geil!

Regel­matig (zeg maar gerust, bij­na alti­jd) werd er zoveel gedronken dat van nor­male toe­nader­ings­pogin­gen geen sprake meer kon zijn. Dat punt was gepasseerd. Een goed gesprek was niet meer te voeren. Lal­lend en val­lend dronken we onszelf een delir­i­um in menig ker­mis­tent. Wat weer wel een bepaalde cat­e­gorie mei­den aantrok. De zoge­naamde dellen (tegen­wo­ordig: de breez­er­slet­jes). Zij waren mee­gaand en makke­lijk te kri­j­gen. Ron­dom mij heen zag ik de ene na de andere vriend zich afzon­deren met zo’n in de schoot gewor­pen beloning.

En ikzelf? Kansen genoeg. (toch?)

Maar zoals ik niet in staat was om de meis­jes waar mijn oog op viel op de juiste manier te benaderen, zo voelde ik weer­stand om voor een ‘one-night-stand’ te gaan met mei­den die ik nuchter niet zou hebben zien staan. Het bleef bij wat ton­gen en onhandig frieme­len onder bezwete kled­ing. Tot­dat het bij het meis­je duidelijk werd dat het niet veel verder zou gaan. Wat meestal sportief werd opgevat door soe­pelt­jes een vol­gend groep­slid om de hals te vallen.

Ik blij, zij blij, hij blij, wij blij.

En de hele week dag­droomde ik van het komende week­end. Dan zou ik het geheel anders aan­pakken!

Drieluik

Loopt hij met zijn meis­je
langs witte maan­paden –
ver ronken de ker­misorgels
en de Ben­gaalse vuren ziel­to­gen in het dorp –
hij vooist haar al de zoete wijs­jes van zijn hart,
want zijn hart is een weke occa­ri­na.

Ronde boomkru­in­t­jes, haar ogen,
waaien ges­taag hun bloe­sems in zijn hand. Maar hij is sol­daat 

die op nacht­wake staat –
nacht : blauwe cow­boy­film;
zee­brand blikvu­urt : alle ein­ders langs, de opalen,
buite­len de nachte­galen! — 

Drievoudig ont­bloeit zijn heimwee :
Zondag-dorp-meis­je,
en hij loopt een pas of wat,
kuchend als het trein­t­je
dat hem naar huis voert. 

Dan, onder de ster­rewielin­gen,
staat hij ver­loren,
en kijkt scherp uit, als een stu­ur­man. Drinkt hij zijn pint met de dorp­skam­er­aden,
brult zijn keel schor,
danst vonken uit de vlo­erkare­len –
een plotse, koele dronk
doet hem opsprin­gen : ” Mijn lief! ”
en hij wipt de straat over
als een jonge haas!

Wies Moens (1898–1982)
uit: Land­ing (1923)

~ ~ ~
 

Fabriek

De titel van onder­staand gedicht is ‘Fab­riek’. Ik heb veel moeite gedaan om te begri­jpen waarom, echter nog geen aan­knop­ingspun­ten gezien.

Mijn eerste ken­nis­mak­ing met een fab­riek was in de zomer van ’77 of ’78. Op zoek naar een vakantiebaan­t­je om een nieuwe race­fi­ets (vol­gens mij een Moto­be­cane) te bekosti­gen werd ik naar een werkgev­er in de buurt van Asten (een paar dor­pen verder dan Mier­lo-Hout) ges­tu­urd: de kip­penslach­ter­ij van Goossens. Op mijn vraag wat ik daar dan zou moeten gaan doen werd gerust­stel­lend geant­wo­ord dat ik me geen zor­gen hoefde te mak­en. Het slacht­en werd automa­tisch uit­gevo­erd.

Nou maak­te ik me ook niet echt zor­gen want het slacht­en van dieren was bij ons thuis in die jaren nog de gewoon­ste zaak van de wereld. Haas­jes, koni­jn­t­jes, kip­pet­jes, duiv­en, you name it wer­den door mijn vad­er gevild en net­jes aan de poot­jes opge­hangen in de schu­ur. Waar­door het ’s avonds in het donker alti­jd voorzichtig lav­eren was, wan­neer ik bij thuiskomst mijn fiets na de voet­bal­train­ing in de schu­ur ging zetten.

Eén keer in het pikke­donker met je blote gezicht tegen het gevilde lijf­je van een nog warm beestje aan­lopen doet je de vol­gende keer wel beter oplet­ten.

Wat ik me afvroeg was eerder hoe je een grote groep arbei­ders de gehele dag (laat staan de hele week) aan het werk kon houden met alleen maar het slacht­en van een paar kip­pen. Nou, dat heb ik geweten!

Al bij aankomst moest ik de eerste illusie opz­ij zetten. Hoe­zo een paar kip­pen? Let­ter­lijk een rij vracht­wa­gens stond met ronk­ende motor te wacht­en tot­dat ze van hun lad­ing gelost wer­den. Krat na krat kwam tevoorschi­jn uit het laadruim. Propvol kip. En die krat­ten wer­den zon­der par­don leeggekieperd in een of andere machine waar de kip­pen volau­toma­tisch onder­ste­boven gepo­si­tion­eerd wer­den en met de poot­jes aan een lopende lijn (geen band) gek­likt wer­den.

Niet alti­jd ging dat goed en dan hing zo’n kip slechts met één poot als een gek te flad­deren en te kri­jsen om los te komen (geef ‘m eens ongelijk).

Mijn baan­t­je was om juist die kip­pen snel alsnog met bei­de poten aan de lijn te kri­j­gen. Snel, want slecht enkele meters verder verd­we­nen de kip­pen in een vol­gende machine. Een soort was­ma­chine waar een pro­gram­ma werd afgewikkeld bestaande uit het slepen van de kip­pen door kok­end heet water en tegelijk het toe­di­enen van dodelijke por­ties stroom­stoten. Om de nu zo goed als dode vogel flink week te mak­en voor het vol­gende sta­tion, de volau­toma­tis­che pluk­ma­chine.

En zo ging het maar door. Met tussen de machines jonget­jes zoals ik die moesten cor­rigeren wat de machines af en toe niet luk­te. Of een han­del­ing uitvo­eren die nog niet geau­toma­tiseerd was. Bijvoor­beeld met een spe­ci­aal ont­wor­pen stan­leymes­je een sneet­je mak­en in de rug van zo’n opge­hangen soep­kip, zodat daar­na machi­naal de snee verder getrokken werd en hier­na er weer mensen aan te pas kwa­men om de inge­wan­den er uit te ver­wi­jderen.

Ook dat werk heb ik mogen doen.

In de kan­tine, tij­dens de pauzes, kon men kip­pen­soep bestellen. Of andere kipon­derde­len.

Na enkele dagen kon ik een ander baan­t­je kri­j­gen. Bij een houtza­ger­ij.
Pas na enkele weken smaak­te mij de kip­pen­soep weer zoals vanouds.

Fab­riek

Op enig moment begreep iemand
Dat licht niet in water ontstaat,
Maar dat je voor het mak­en van licht
Wel veel naar water moet kijken,
Hij gaf de voorkeur aan mooi water
Dat geen voorzetsels nodig heeft,
Water dat een bloem is, een hand,
Een paar schoe­nen, een mol,
Er waren nog meer din­gen
Die hij meende te begri­jpen
Maar die had­den niet zoveel
Met licht te mak­en.

Arjen Duinker (1956)
uit: Buurtkinderen (2009) 

~ ~ ~

Testament

Als ik over de dood denk dan zelden over die van mijzelf.

En als ik al over mijn eigen dood denk, dan meestal in de vorm van mijn eigen begrafe­nis of cre­matie. (en? weet je al wat het gaat wor­den?)

Wie daar zouden zijn. Wat er gezegd zou wor­den.

Meestal is het zo saai en dun­bevolkt dat ik al weer snel afhaak en iets leuks ga doen. De fan­tasie gaat dan richt­ing al het span­nende wat ik kan doen wan­neer ik dood ben en toch nog tussen de lev­en­den ver­keer. Als een geest rond­dwalen. De mensen een beet­je lat­en schrikken. Nog eens gaan check­en of de spaarzame ste­un­be­tuigin­gen uit­ge­spro­ken tij­dens mijn dienst wel echt gemeend waren. Dat is fun om te doen tot­dat ik mijn oud­ers zie. Ik verwacht dat ze over­mand door ver­dri­et zullen zijn. Ik weet het eigen­lijk wel zek­er.

Dat wil ik niet, en het hoort ook niet. Oud­ers horen hun kinderen niet te over­leven.

Waar­door mijn gedacht­en uitein­delijk weer richt­ing de dood van mijn dier­baren gaat. En zo onbe­van­gen ik over mijn eigen dood loop te fan­taseren, zo angstaan­ja­gend is het om over hun ver­schei­den na te denken.

Elke keer wan­neer ik daarover kom te denken lopen mijn gedacht­en vast. Gaat mijn moed­er dood? Waarom zij eerst? Waarom denk ik dat? OK dan, mijn vad­er gaat dood. Alsof dat zoveel beter is. Wat moet mijn moed­er dan in haar een­t­je? Wie moet er dan dood? Mijn broert­je? Mijn vriendin? Onze kinderen? Kleinkinderen?

Het is god­ver­domme toch geen spel­let­je!

Dood gaan we alle­maal. Dat weet ik wel, maar ik sta er niet graag bij stil.

Heb ooit samen met mijn vriendin stilges­taan bij en nagedacht over onze uit­vaart. En ook hier het klamme zweet toen ik me realiseerde dat het niet vanzelf­sprek­end zou zijn dat we tegelijk het aardse voor het eeuwige zouden ver­wis­se­len. Dat het meer voor de hand zou liggen dat een­t­je eerder zou gaan dan de ander.

En dat is vol­gens mij bij mij de bot­tom­line. Niet angst voor de dood. Maar angst voor het ver­dri­et van de achterbli­jvers. Of de hulpeloosheid van som­mi­gen wan­neer hun ste­un en toev­er­laat weg­valt. En angst voor mijn eigen ver­dri­et.

Nu ik oud­er wordt neemt de kans toe dat mensen dicht bij me, weg zullen vallen. Een aan­tal is dat al overkomen, maar de meesten alweer lang gele­den. Toen ik nog een stuk jonger was en er min­der mee bezig.

Dat is aan het veran­deren. Ik wil dat ze bli­jven. Het eeuwige lev­en hebben. Dat ik desnoods eerder weg­val. Dan hoef ik hun ver­dri­et niet te zien.

Maar dat is te egoïstisch. Dus moet ik bli­jven om te zien hoe zij één voor één om zullen vallen. Bli­jf ik achter met mijn ver­dri­et. Ook geen opwekkende gedachte.

De dood.

Ik kan er niet zo heel veel mee.

Tes­ta­ment

Alles laat ik nie­mand na,
de rest mag iedereen hebben.
Mijn liefde is voor de
voor en naast mij bestaan­den.

Mijn haat gaat over het graf heen
naar de wapens van angst en onder­drukking,
mijn ziel bli­jft sol­idair
met alle groe­nen, roden en wit­ten.

Simon Vinkenoog (1928–2009)
uit: Maanda­gavondgedicht­en 1983 — 1985 (1985)

~ ~ ~

Sinds ze weg is komt geen hond meer

Hoe zou dat voe­len?

Het begin van liefde.
Die allereer­ste kus.
Hand in hand over het strand.
Ein­de­loze gesprekken.
Samen wakker wor­den.
Wed­erz­i­jds vertrouwen opbouwen.
Lachen, huilen, troost­en.
Denken aan lat­er.
Plan­nen mak­en.
Plan­nen uitvo­eren.
Gelukkig met elka­ar.

Een stel. Een paar.
Twee zie­len ver­bon­den.

Op een dag de ont­masker­ing.
Eén van de twee gaat vreemd.
Over­spel met serieuze inzet. (schat, het is maar een over­spel­let­je…)
Bedro­gen met een ander.

De twi­jfel slaat toe.
Hoe lang was dit al aan de gang?
Vanaf wan­neer waren ze geen stel, geen paar meer?

Met terug­w­erk­ende kracht brokkelt hun huis van liefde af.
De kille erosie van ken­nis achter­af.
Beton­rot aan­wezig vanaf het begin.

Toen al?
Op dat feestje?
Tij­dens het uit­zoeken van het huis?
Vóór die strand­wan­del­ing?

Bij de eerste ken­nis­mak­ing!?

Niets bli­jft er over.
Alles weg.
Weg­gere­de­neerd door kna­gende twi­jfel.

Zou het zo gaan?
Ik weet het niet.
Nooit aan den lijve onder­von­den. (toch? of zou nu, ter­wi­jl ik dit schri­jf…?)
Ben bang dat ik ga zwel­gen in zelfmedeli­j­den.
Lone­some blues.
Hopend dat ze terugkomt.
Dat het niet waar is…

But I still love her so
And broth­er
Don’t you know
I’d wel­come her
Right back here
In my arms

En zelf?
Nee.
Vreemdgaan is mij vreemd. (mul­ti­tasken is meer iets voor vrouwen, zegt men)

~ ~ ~

Sinds ze weg is komt geen hond meer
langs, geen schaduw, geen gelu­id,
geen klop op de deur
maar ‘k snap nu wel waarom ze
toen wel kwame!
Toen ze d’r nog was…
hoe kan een mens zo blind zijn?
zo lang…

k Mocht d’r emmers lege
haar emmerknechie was ik
emmers boorde­vol bloed, trane
kon­dooms, lege ver­pakkinge,
kleenex, doppe van flesse,
onder­broeke; emmers vol
rege trane en tuite.

Zij ging met een vreemde
ik met de trein.

Her­man Brood (1946–2001)
uit: Zoon van alle moed­ers (1988)