MvdG: Het zand geeft en neemt

A visit to Ber­e­ni­ce, Well­sted (1838)

En we zijn weer terug in Egyp­te! In Ber­e­ni­ke om pre­cies te zijn. Nu bedol­ven onder het woes­tijn­zand maar ooit een flo­re­ren­de haven­stad aan de Rode Zee. Het arti­kel op de site van de Maand van de Geschie­de­nis is er weder­om een­tje aan­ge­bo­den door Nati­o­nal Geo­grap­hic His­to­ria (inclu­sief vele afbreek­streep­jes mid­den in zin­nen wat doet den­ken dat het een copy en pas­te actie is van­uit een aan­ge­le­verd pdf-bestand). Zoals we inmid­dels gewend zijn is er geen ver­mel­ding van de auteur en moet de datum van publi­ca­tie afge­leid wor­den uit de con­text van het ver­haal. In ieder geval in of na het jaar 2012 gezien de ver­mel­ding van de eer­ste ver­jaar­dag van het begin van de Egyp­ti­sche Revo­lu­tie.

Vol­gens Pli­ni­us de Oude­re werd Ber­e­ni­ke in 275 v.Chr. gesticht door Pto­le­ma­eus II als haven­stad voor de aan­voer van oli­fan­ten uit Oos­te­lijk Afri­ka. Met het stil­val­len van de oli­fan­ten­han­del in de twee­de eeuw v.Chr. (waar­van de reden onbe­kend is) raak­te de haven in ver­val. Pas in de eer­ste eeuw van onze jaar­tel­ling werd er door de Romei­nen nieuw leven inge­bla­zen. In plaats van de haven uit te bag­ge­ren werd er voor geko­zen om de stad sim­pel­weg te ver­leg­gen. Het vorm­de de start van de groot­ste bloei­pe­ri­o­de: ‘de haven werd de poort van Rome naar Oost-Afri­ka en India’.

Ber­e­ni­ke lag aan het enor­me Romein­se net­werk van wegen en han­dels­pos­ten. Alleen al in de nage­noeg onbe­volk­te Oos­te­lij­ke Woes­tijn lag zo’n 2200 kilo­me­ter hoofd­weg, die op som­mi­ge plaat­sen liefst der­tig meter breed was. De afstand van Ber­e­ni­ke naar Edfu en Qift, de dichtst­bij- zijn­de Nijl­ha­vens, bedroeg 340, res­pec­tie­ve­lijk 370 kilo­me­ter, een bar­re tocht door de woes­tijn die per kameel zo’n twaalf dagen in beslag nam. Om het rei­zen moge­lijk te maken, ston­den er langs de wegen op regel­ma­ti­ge afstan­den for­ten en ande­re neder­zet­tin­gen.

Sinds 1994 zijn arche­o­lo­gen vol­op bezig de stad in kaart te bren­gen. Na de bloei­pe­ri­o­de in de eer­ste eeuw raak­te de haven name­lijk opnieuw in de ver­ge­tel­heid. In de vier­de en vijf­de eeuw was er nog een klei­ne ople­ving maar met de komst van de islam was het voor­bij en nam de woes­tijn bezit van de stad. De opgra­vin­gen en recon­struc­ties van hoe het leven er in deze stad ooit heeft uit­ge­zien geven niet alleen aan dat hier een leven­di­ge han­del in goe­de­ren heeft plaats­ge­von­den, maar dat er ook een belang­rij­ke uit­wis­se­ling was van idee­ën. Zo is er bewijs gevon­den van twaalf geschre­ven talen en zeven ver­schil­len­de reli­gies.

Het idee van cul­tu­re­le uit­wis­se­ling krijgt ook op een ande­re manier gestal­te. De Indi­a­se arche­o­loog P.J. Che­r­i­an van de Uni­ver­si­teit van Ker­ala doet onder­zoek naar Romein­se invloe­den in de Indi­a­se kust­plaats Pat­ta­nam en komt regel­ma­tig op bezoek in Ber­e­ni­ke. In India bestaan oer­ou­de jood­se en chris­te­lij­ke tra­di­ties die vol­gens de legen­den terug­gaan tot de Romein­se tijd. Nu pas is er fysiek bewijs dat er in die tijd daad­wer­ke­lijk con­tact was tus­sen de zuid­west­kust van India en het Romein­se Rijk.

En dan te beden­ken dat er tot nu toe (2012?) nog maar zo’n 2% van het stads­op­per­vlak is bloot­ge­legd.

~ ~ ~ 

In okto­ber schrijf ik regel­ma­tig een blog­post naar aan­lei­ding van de arti­ke­len op de site van de Maand van de Geschie­de­nis rond het the­ma van 2020: Oost/West.

~ ~ ~

MvdG: Met man, muys en munten vergaan

Een met de Roos­wijk ver­ge­lijk­baar schip, een ets van Ger­rit Groe­ne­we­gen ca. 1786. col­lec­tie Het Scheep­vaart­mu­se­um

Na het uit­stap­je gis­ter naar de Egyp­ti­sche oud­heid waar we een aan­tal krach­ti­ge konin­gin­nen heb­ben ont­moet keren we van­daag terug naar de tijd van de Ver­e­nig­de Oost-Indi­sche Com­pag­nie, en wel in het bij­zon­der naar het zoge­naam­de retour­schip Roos­wijk dat in 1740 met ‘man en muys’ ver­ging voor de kust van Enge­land.

In opnieuw een arti­kel aan­ge­bo­den door Nati­o­nal Geo­grap­hic His­to­ria (zon­der ver­mel­ding van de auteur), wordt aller­eer­ste een glo­baal beeld geschetst van de vele scheeps­rei­zen die over en weer plaats­von­den tus­sen Neder­land en Indië. Dat zou­den er tus­sen 1595 en 1795 meer dan 4700 zijn geweest. Een niet onge­vaar­lij­ke reis. Op de heen­reis betrof het over die peri­o­de rond de mil­joen per­so­nen (zee­lie­den, mili­tai­ren en bur­gers) die mee­voe­ren, waar­van slechts 80% tot 85% de bestem­ming wist te berei­ken. De rest kwam te over­lij­den aan ziek­tes zoals scheur­buik, beri­be­ri of tyfus. En natuur­lijk was daar de inci­den­te­le schip­breuk.

Het retour­schip Roos­wijk ver­trekt in janu­a­ri 1740 voor een twee­de reis naar Indië. Bij de beruch­te ‘Good­wind Sands’ komt het in een storm terecht en ver­gaat met de vol­le­di­ge beman­ning die geschat wordt op zo’n 250 per­so­nen. Geschat omdat het sol­dij­log­boek ver­lo­ren is gegaan. Wat in meer detail bekend is, is de hoe­veel­heid zil­ver die het schip aan boord had: ‘duka­tons’ (zil­ve­ren mun­ten) ter waar­de van 300.083 gul­den (toen­ma­li­ge waar­de). Jaar­lijks werd er een lijst opge­steld door de Hoge Rege­ring in Bata­via van de hoe­veel­heid geld die zij nodig had­den om han­del te kun­nen drij­ven in Indië en dat werd per schip over­ge­va­ren van­uit Neder­land.

Deze zil­ver­han­del was een lucra­tie­ve busi­ness, zo wordt in het arti­kel uit­ge­legd. Zo lucra­tief dat het bij­na stan­daard was dat er naast de offi­ci­ë­le lading zil­ver een hoop gesmok­keld werd door de opva­ren­den (van alle ran­gen en stan­den):

Schip­pers namen soms dui­zen­den duka­tons mee als ‘bestel­geld’, waar­voor in Neder­land zelfs nota­ri­ë­le akten wer­den opge­maakt. Een­vou­di­ger zee­lie­den bewaar­den zil­ver­mun­ten in hun sok­ken of ande­re kle­ding. Wie met hon­derd duka­tons naar Indië voer, deze omruil- de voor assig­na­ties en daar­na weer naar Neder­land reis­de, kon daar 140 duka­tons opha­len bij het wis­sel­kan­toor – een ren­de­ment van 40 pro­cent in ander­half jaar. De reis werd betaald en het regu­lie­re loon kwam daar nog boven­op.

Pas in 2004 wor­den er aan­wij­zin­gen gevon­den van de plek waar de Roos­wijk gezon­ken zou zijn en onder het zand ligt. Een com­mer­ci­ë­le dui­ker die de rech­ten schijnt te heb­ben op de inhoud van het schip begint de zil­ver­schat op te dui­ken. Dit tot groot onge­noe­gen van Neder­land­se mari­tie­me arche­o­lo­gen. Uit­ein­de­lijk wordt de ber­ging gestaakt.

In 2017 lukt het de com­mer­ci­ë­le par­tij af te kopen met behulp van ‘een fles jene­ver, een pak stroop­wa­fels en een stuk Goud­se kaas’ en kan er begon­nen wor­den aan een nieu­we poging tot ber­ging en onder­zoek. Wat al snel dui­de­lijk wordt is dat de Roos­wijk inder­daad een par­tij zil­ve­ren duka­tons ver­voer­de, maar dat de opva­ren­den zelf ook klei­ne hoe­veel­he­den mun­ten bij zich droe­gen. Dit was dus al bekend uit his­to­risch onder­zoek, maar nu is er ook con­creet bewijs.

~ ~ ~

Het Pro­gram­ma Mari­tiem Erf­goed Inter­na­ti­o­naal (RCE) orga­ni­seert een aan­tal acti­vi­tei­ten over mari­tie­me arche­o­lo­gie en het VOC-schip De Roos­wijk, zoals deze vir­tu­e­le duik naar het wrak, de vra­gen­uur­tjes met mari­tiem arche­o­loog Mar­tijn Man­ders op 7 okto­ber21 okto­ber en 24 okto­ber en de Digi­ta­le Roos­wijk Quiz op 24 okto­ber.

~ ~ ~ 

In okto­ber schrijf ik regel­ma­tig een blog­post naar aan­lei­ding van de arti­ke­len op de site van de Maand van de Geschie­de­nis rond het the­ma van 2020: Oost/West.

~ ~ ~

Microblogging: Van wie zijn de botanische tuinen?

[Twit­ter 8:26 PM] De inlei­ding door @CDrieenhuizen en @MBorren is begon­nen! Heel inte­res­sant onder­werp tot nu toe in het kader van #MvdG @Cultuur_OU => @CDrieenhuizen: Van­daag is de laat­ste dag om u aan te mel­den voor ons eer­ste webi­nar van de @MaandvdGesch, don­der­dag­avond a.s.! Over bota­ni­sche tui­nen, kolo­ni­a­le machts­struc­tu­ren, het belang van loka­le ken­nis en kunst met Tin­de van Andel, @sadiahcurates & @a_nother_web

Plek­ken waar Oost en West in al hun schoon­heid en kwaad­aar­dig­heid tege­lij­ker­tijd samen­ko­men zijn bota­ni­sche tui­nen: veel­al gesticht door wes­ter­se over­heer­sers in kolo­ni­ën om loka­le flo­ra te inven­ta­ri­se­ren en ver­der te ont­wik­ke­len om daar ver­vol­gens pro­fijt mee te beha­len. In hun opzet en doel reflec­teer­den ze de wes­ter­se rati­o­na­li­teit, weten­schap en han­dels­be­lan­gen. Ze wor­den veel­al gezien als de start van de natuur­we­ten­schap­pen in voor­ma­li­ge kolo­ni­ën als Singapo­re, Neder­lands-Indië of India en ont­le­nen aan die ziens­wij­ze veel­al hun (ten­ta­tie­ve) sta­tus als Werel­derf­goed.

Deze avond stond er een webi­nar gepland in het kader van de Maand van de Geschie­de­nis, geor­ga­ni­seerd door het weten­schaps­ge­bied Cul­tuur­we­ten­schap­pen van de Open Uni­ver­si­teit. Het pro­gram­ma begon met een alge­me­ne inlei­ding ver­zorgd door dr. Marie­ke Bor­ren en dr. Caro­li­ne Drie­ën­hui­zen, die samen tevens de coör­di­na­tie over het gehe­le webi­nar had­den. Onder ande­re de filo­soof John Loc­ke werd aan­ge­haald waar Wes­ter­se kolo­ni­sa­tors een recht­vaar­di­ging von­den voor het zich toe-eige­nen van land. Want door het te bewer­ken kun je het clai­men. In tegen­stel­ling tot de bij­voor­beeld de jagers/verzamelaars die het gebied van ouds­her bevol­ken en die er aldus geen recht op heb­ben. Dit werd nog eens beves­tigd door de chris­te­lijk reli­gi­eu­ze over­tui­ging dat God de mens te ver­staan heeft gege­ven dat het land bewerkt dient te wor­den.

Na de inlei­ding was er een boei­en­de lezing door prof. dr. Tin­de van Andel (Uni­ver­si­teit Lei­den) over de tot­stand­ko­ming van wes­ter­se bota­ni­sche ken­nis op basis van prak­tij­ken en ken­nis in de loka­le samen­le­vin­gen van bij­voor­beeld Sri Lanka en Indo­ne­sië. Zij liet veel voor­beel­den zien van waar­om het hele­maal niet zo van­zelf­spre­kend is dat de ken­nis over inheem­se plan­ten op een cor­rec­te of vol­le­di­ge manier in de wes­ter­se wereld (of lokaal) terecht­kwam.

Een tota­le ande­re bena­de­ring werd ver­vol­gens geko­zen in een gesprek tus­sen de orga­ni­sa­to­ren met dr. Sadiah Boon­stra (Asia Scho­lar, Mel­bour­ne Uni­ver­si­ty) naar aan­lei­ding van de ten­toon­stel­ling  ‘On the natu­re of Bota­ni­cal Gar­dens’ (2020 / Fra­mer­Fra­med), over bota­ni­sche tui­nen als cen­tra van kolo­ni­a­le macht en over­heer­sing en de rela­tie met heden­daag­se kunst in Indo­ne­sië. Zij kreeg een aan­tal vra­gen voor­ge­scho­teld die zij met behulp van voor­beel­den uit de ten­toon­stel­ling uit­ge­breid besprak. Heel indruk­wek­kend vond ik het werk van Ipeh Nur over de vol­ke­ren­moord op de Ban­da eilan­den (uit­ge­voerd door Gou­ver­neur-gene­raal Jan Pie­ters­zoon Coen in 1621 om op die manier het mono­po­lie op noot­mus­kaat voor de VOC vei­lig te stel­len).

Zico Albai­quni, ‘Ruw­a­tan Tanah Air Beta, Reci­ting Rites in its Sites’ (2019), design by: Stu­dio Mon­te­ro

Zon­der pau­ze te nemen ging het webi­nar hier­na ver­der met een intro­duc­tie door dr. Andre­as Weber (Uni­ver­si­teit Twen­te en gespe­ci­a­li­seerd in de natuur­his­to­ri­sche geschie­de­nis in kolo­ni­aal Indo­ne­sië) over zijn onder­zoek naar de bota­ni­sche tuin ‘Kebun Raya Bogor’ in Bogor, voor­heen Bui­ten­zorg (Neder­lands-Indië) in de peri­o­de begin 19de eeuw. Als his­to­ri­cus is hij voor­al geïn­te­res­seerd hoe de ont­wik­ke­ling van de bota­ni­sche tuin en de natuur­we­ten­schap­pe­lij­ke ken­nis die daar ont­wik­keld werd zich ver­houdt tot de kolo­ni­a­le poli­tie­ke en de wes­ter­se ‘bril’ van de onder­zoe­kers ter plek­ke:

The Bogor Bota­ni­cal Gar­dens in Indo­ne­sia, which was cal­l­ed ‘s Lands Plan­ten­tuin in what was then Bui­ten­zorg in the Dut­ch Indies, has under­go­ne seve­r­al cru­ci­al trans­for­ma­ti­ons sin­ce its foun­da­ti­on in 1817. Even if one focus­ses only on the colo­ni­al peri­od and lea­ves asi­de the peri­od after the Indo­ne­si­an Revo­lu­ti­on, the Gar­dens’ his­to­ry enhan­ces our under­stan­ding of the com­plex rela­ti­ons­hip bet­ween evol­ving colo­ni­al sci­en­ce prac­ti­ces and varying forms of impe­ri­al poli­tics. The his­to­ri­cal rela­ti­ons­hip bet­ween the bota­ni­cal garden’s poli­ti­cal orga­ni­za­ti­on and prac­ti­ces to stu­dy plants can be best descri­bed as co-evo­lu­ti­o­na­ry.  [gewina-studium.nl]

Bota­ni­cal labo­ra­to­ry of ‘s Lands Plan­ten­tuin in Bui­ten­zorg ca. 1900. Ima­ge col­lec­ti­on KITLV, Lei­den Uni­ver­si­ty Libra­ry, KITLV 33398

Als afslui­ting was er de moge­lijk­heid tot het stel­len van vra­gen die afwis­se­lend door de deel­ne­mers wer­den beant­woord. Hier­door ont­stond regel­ma­tig een leven­di­ge dis­cus­sie die de ver­schil­len­de stand­pun­ten goed tot hun recht deed komen. Al met al was de eind­con­clu­sie dat er nog heel veel werk gedaan moet wor­den om alles in kaart te bren­gen wat er bekend (of nog ver­bor­gen) is, en daar­voor is helaas geld nodig waar het nu aan ont­breekt. Ook de rol van de loka­le bevol­king (of men­sen met ‘wor­tels’ in over­zee­se gebie­den) waar de inheem­se plan­ten hun ori­gi­ne heb­ben moet veel meer aan­dacht krij­gen. Er is zoveel ken­nis aan­we­zig waar geen gebruik van wordt gemaakt, en het is dood­zon­de als dat ver­lo­ren zou gaan.

Wat mij betreft was het een uiterst leer­za­me avond. Het webi­nar is opge­no­men, maar het is nog niet dui­de­lijk of en wan­neer de opna­me beschik­baar wordt gemaakt. Zodra ik iets meer weet zal ik een link pos­ten onder deze blog­post.

~ ~ ~

MvdG: Krachtige vrouwen in het oude Egypte

Repli­ca bus­te van Nefer­ti­ti

Het arti­kel dat ik gis­ter las over het ‘eyland’ Sri Lanka is waar­schijn­lijk geschre­ven rond het jaar 2005/2006. Iets wat me pas later opviel. Er wordt mel­ding gemaakt dat de (onbe­ken­de) auteur een jaar na de tsuna­mi een bezoek brengt aan het eiland. Daar las ik de eer­ste keer over­heen. Van­daag lees ik opnieuw een arti­kel op de site van de Maand van de Geschie­de­nis dat aan­ge­bo­den is door Nati­o­nal Geo­grap­hic His­to­ria. En weder­om is niet dui­de­lijk wie de auteur is, en dit­maal heb ik (nog) niet kun­nen her­lei­den wan­neer het arti­kel is geschre­ven of gepu­bli­ceerd.

Het arti­kel heeft de titel Zij voor wie de zon schijnt en zoomt in op het tijd­vak 1539–1077 v.Chr., het zoge­naam­de Nieu­we Rijk dat gezien wordt als de groot­ste bloei­pe­ri­o­de van het oude Egyp­te. Bij­zon­de­re aan­dacht gaat uit naar een reeks konin­gin­nen, Ahmo­se-Nefer­ta­ri, Hat­s­jepsoet, Nefer­ti­ti en Nefer­ta­ri om pre­cies te zijn, die zich wis­ten te onder­schei­den van de tra­di­ti­o­ne­le rol als ‘vrouw van de farao’.

Qua tijds­dui­ding voor het arti­kel zou het vol­gen­de citaat voor de ech­te Egyp­te-ken­ner mis­schien bruik­baar zijn, mij zegt het helaas niets:

Dank­baar maken we gebruik van het feit dat enke­le bij­zon­de­re gra­ven nu voor het eerst in jaren weer (mond­jes­maat) wor­den open­ge­steld. In Deir el-Medi­na, het dorp­je waar de kun­ste­naars woon­den die werk­ten aan de gra­ven in de Val­lei der Konin­gen en de Val­lei der Konin­gin­nen, bezoe­ken we het graf van de beeld­hou­wer Nacht­amoen.

Hoe dan ook, in vogel­vlucht krij­gen we per konin­gin te lezen in wel­ke mate ze een unie­ke rol heb­ben gespeeld in de Egyp­ti­sche geschie­de­nis en hoe­ver­re dat afwij­kend was van het gang­ba­re patroon met een konin­gin in een min­der pro­mi­nen­te posi­tie. Bij­zon­der daar­bij is dat er nog zoveel over bekend is. Niet alleen omdat het zo lang gele­den is, maar ook omdat vaak alle spo­ren wer­den gewist van zo’n over­dui­de­lijk aan­we­zi­ge konin­gin. Zie als voor­beeld Hat­s­jepsoet:

Enke­le jaren na haar dood ech­ter, liet Thoet­mo­s­es III de her­in­ne­ring aan Hat­s­jepsoet vol­le­dig uit­wis­sen. De beel­den in haar doden­tem­pel wer­den ver­nie­tigd en haar naam werd uit reli­ëfs weg­ge­hakt. Waar­schijn­lijk wil­den de aan de god­de­lij­ke orde gehech­te Egyp­te­na­ren elk moge­lijk bewijs van een ‘abnor­ma­le’ farao weg­va­gen.

En iets soort­ge­lijks over­kwam de nage­dach­te­nis aan Nefer­ti­ti en haar man Amen­ho­tep IV omdat deze laat­ste tij­dens zijn regeer­pe­ri­o­de radi­caal brak met de heer­sen­de gods­dienst van veel­go­de­rij en ‘de zon­ne­schijf Aton bevor­derd [werd] tot de nieu­we opper­god’. Daar bleef het niet bij. Hij riep zich­zelf uit tot hoge­pries­ter, nam een nieu­we naam aan (Achna­ton), sloot tem­pels en sticht­te een nieu­we hoofd­stad. Het zet­te van­zelf­spre­kend veel kwaad bloed en uit­ein­de­lijk werd hij ver­moord. Het is ondui­de­lijk wat het lot van Nefer­ti­ti was na de dood van haar gemaal. Zij had een gelijk­waar­di­ge posi­tie gehad bij zijn leven, en er word gespe­cu­leerd dat zij ‘zelf­stan­dig regeer­de onder de naam Nefer­ne­feroe­a­ton.’ Maar des­al­niet­te­min:

Na hun bei­der dood werd de tra­di­ti­o­ne­le god­de­lij­ke orde in Egyp­te in ere her­steld. De tem­pels gin­gen weer open en de cul­tus van Amon werd opnieuw staats­gods­dienst. De stad Amar­na en alle her­in­ne­rin­gen aan Achna­ton wer­den ver­nield en begra­ven.

~ ~ ~ 

In okto­ber schrijf ik regel­ma­tig een blog­post naar aan­lei­ding van de arti­ke­len op de site van de Maand van de Geschie­de­nis rond het the­ma van 2020: Oost/West.

~ ~ ~