Zaterdag, 12 januari 2019

Afge­lo­pen maan­dag deed ik mee aan de eer­ste #blog­praat van 2019. Dit was vraag 1:

Wie van jul­lie is van plan om een nieuw ont­werp te zoe­ken voor je blog dit jaar?

Ondanks dat ik na jaren afwe­zig­heid in decem­ber vorig jaar weer ben aan­ge­haakt is mijn gril­lig­heid op het gebied van blog­lay­outs schijn­baar nog niet ver­ge­ten. Want toen ik aan­gaf voor­lo­pig niet van the­ma te ver­an­de­ren werd dat met een zucht van ver­lich­ting ont­van­gen.

Maar wat zij niet weten is dat ik een uit­laat­klep heb in mijn oude blogsite die nu echt dienst doet als test­do­mein voor vanal­les wat ik wil uit­pro­be­ren. Ik kan me daar naar har­te­lust uit­le­ven in het wij­zi­gen van kleu­ren, menu’s, lay­outs, let­ter­ty­pes, hea­ders, en ga zo maar ein­de­loos door. Een ware speel­tuin. En nie­mand die er last van heeft. Ten­min­ste, ik stel me dat zo voor omdat er niets te halen valt op die oude site. Dus nor­maal gespro­ken zou er dan ook nie­mand iets te zoe­ken heb­ben.

Van­daag ben ik aan de slag geweest een soort van ken­nis­bank op te zet­ten met pas­sen­de navi­ga­tie en afge­scherm­de delen voor beta­len­de bezoe­kers. Uit­ein­de­lijk gaat deze ken­nis­bank ergens anders onder­ge­bracht wor­den, maar door er op deze manier mee te expe­ri­men­te­ren kan ik beter voor Inge (want zij is het die zo’n ken­nis­bank nodig heeft) in kaart bren­gen waar zoal aan gedacht moet wor­den wil het een beet­je naar beho­ren wer­ken en tevens een goe­de gebruik­s­er­va­ring geven. En ondanks dat ik niet meer dan een goed­be­doe­len­de ama­teur ben die wei­nig tot geen ver­stand heeft van de ach­ter­lig­gen­de code­ring is het me toch gelukt iets neer te zet­ten wat voor Inge een goed beeld geeft hoe het er uit moe­ten komen te zien.

Erg leuk om te doen (zeg maar gerust ver­sla­vend) en onder­tus­sen heb ik de komen­de tijd geen behoef­te om mijn hui­di­ge (deze dus) site op z’n kop te zet­ten. Blijf dus gerust langs­ko­men om hier te lezen, ik beloof je dat de voor­naams­te upda­tes mijn blog­post betref­fen, niet het ont­werp.

~ ~ ~

In da namid­dag werd het steeds don­ker­der in mijn werk­ka­mer. Bui­ten zag ik hoe een dicht wol­ken­dek laag boven de hori­zon hing. De weer­kun­di­gen zul­len er wel een woord voor heb­ben ver­zon­nen, ik vond het voor­al apart en ook een beet­je inti­mi­de­rend om te zien.

~ ~ ~

Vrijdag, 11 januari 2019

Deze week was het weer raak met de dage­lijk­se avond­fi­les. Zo erg dat ik gis­ter­avond pas tegen zeven uur ver­trok en als­nog er bij­na een uur over deed ter­wijl het nor­maal niet meer dan een half uur hoeft te duren. Voor de zeker­heid check­te ik dus van­avond op goog­le maps hoe het ver­keer er bij (stil)stond. Geluk­kig viel het mee. En tege­lij­ker­tijd viel me iets anders op. Het resul­taat van onze ver­bou­wing aan het huis is nu van boven goed te zien. Bij­voor­beeld het nieu­we dak met door­ge­trok­ken dak­ter­ras met daar­in twee ramen en ook de ver­leng­de schuur. Ver­der natuur­lijk de tuin die flink onder han­den is geno­men en niet te ver­ge­ten de twee vij­vers. Bij­zon­der dat het er zo snel al op staat.

~ ~ ~

Woensdag, 9 januari 2019

Het was op blad­zij­de 326, nog zo’n klei­ne veer­tig blad­zij­des ver­wij­derd van het ein­de dat ik de vol­gen­de pas­sa­ge las:

Ofschoon ik dit geschrift niet als een roman beschouw, aar­zel ik om in dit sta­di­um van het schrijf­pro­ces, op drie­kwart van het beoog­de boek, nog nieu­we per­so­na­ges te intro­du­ce­ren, al zul­len ze niet meer dan figu­ran­ten zijn bij een rechts­zaak, dus in het geheel geen karak­ters.
[Mooi dood­lig­gen, A.F.Th. van der Heij­den]

En ik dacht:

Ofschoon ik dit boek wel dege­lijk als een roman beschouw, geschre­ven door een van mijn lie­ve­lings­schrij­vers, aar­zel ik om in dit sta­di­um van het leespro­ces, op 90% van het ver­haal, toe te geven dat de opge­voer­de hoofd­per­so­na­ges in het geheel niet weten te over­tui­gen, en slechts karak­ters blij­ven.
[Mooi door­le­zen, Peter Pel­le­naars]

Jam­mer, maar helaas. Het kan niet altijd raak zijn. Even heb ik nog getwij­feld met­een door te pak­ken met een ander boek van hem. Om het goe­de gevoel terug te krij­gen. Maar uit­ein­de­lijk is het Pnin gewor­den. Door Nabok­ov.

~ ~ ~

Wat me voor­al stoor­de was dat de Rus­si­sche hoofd­per­soon, van­we­ge zijn con­tac­ten met een Neder­land­se vriend con­ti­nu voor­beel­den gebruikt die uit de Neder­land­se cul­tuur komen. De eer­ste keer is het nog wel grap­pig. Daar­na wordt het onge­loof­waar­dig en ging ik me afvra­gen waar­om dit nodig is. Hij is toch een Rus? En heeft een eigen geschie­de­nis bin­nen de Rus­si­sche cul­tuur. Daar valt genoeg over te ver­mel­den. Ik was daar juist wel nieuws­gie­rig naar.

Tot­dat ik begon te ver­moe­den dat Van der Heij­den waar­schijn­lijk gewoon te wei­nig tijd heeft gesto­ken in onder­zoek naar de ach­ter­grond van de belang­rijk­ste figuur in zijn ver­haal. Daar­door leek voor mij het op een gege­ven moment als­of een Neder­land­se acteur deze rol speel­de. Ver­vol­gens moest ik den­ken aan Jeroen Krab­bé als KGB offi­cier in de James Bond film The Living Day­lights. Tja, toen had ik het wel gehad…

~ ~ ~

Dinsdag, 8 januari 2019

Het eer­ste boek in 2019 is uit­ge­le­zen: Mooi dood­lig­gen door A.F.Th. van der Heij­den. In de kerst­va­kan­tie had ik bedacht om de refe­ren­ties naar ande­re boe­ken op te schrij­ven die in de tekst ver­meld wor­den of die te bin­nen schie­ten tij­dens het lezen. Bij deze in wil­le­keu­ri­ge volg­or­de:

  • Romeo en Julia — Sha­ke­spe­a­re
  • Bio­gra­fie over Tol­stoj (en zijn vrouw)
  • Geschie­de­nis van de Rus­si­sche lite­ra­tuur — Karel van het Reve
  • Pnin — Vla­di­mir Nabok­ov
  • Dood in Vene­tië — Tho­mas Mann
  • Hit­ler — Joa­chim Fest
  • Mada­me Bova­ry — Gusta­ve Flau­bert
  • Fif­ty sha­des of Grey — E.L. James
  • Dode zie­len — Gogol
  • Mos­kou op sterk water — Vene­dikt Jer­o­fe­jev
  • Een schoon­heid uit Mos­kou — Vik­tor Jer­o­fe­jev
  • Kwaad­schiks — A.F.Th. van der Heij­den

Toch nog een flink lijst­je. Waar­bij het idee is om uit deze titels er een­tje te kie­zen die ik hier­na wil gaan lezen, met de restric­tie dat ik het boek al in mijn bezit moet heb­ben omdat ik dit jaar zoveel moge­lijk boe­ken uit mijn eigen bibli­o­theek wil gaan lezen en de aan­koop van nieu­we boe­ken beperkt wil hou­den. Omdat ik maxi­maal twee boe­ken tege­lijk lees (één fic­tie en één non-fic­tie) sta ik mezelf toe om twee titels te kie­zen. Een fic­tie die ik na Mooi dood­lig­gen ga lezen, en een non-fic­tie die ik na SPQR ga lezen. Dit is mijn keu­ze:

  • Fic­tie => Pnin — Vla­di­mir Nabok­ov
  • Non-fic­tie => Geschie­de­nis van de Rus­si­sche lite­ra­tuur — Karel van het Reve

Wordt ver­volgd.

~ ~ ~

De man in de bergen

Deze blog­post is deel 24 van 25 in de serie Don Qui­chot — Cer­van­tes

Eer­ste deel – Drie­ën­twin­tig­ste hoofd­stuk:
Over het­geen de ver­maar­de Don Qui­chot over­kwam in de Sier­ra More­na, het­wel­ke een der zon­der­ling­ste avon­tu­ren is geweest die in deze ware en waar­ach­ti­ge geschie­de­nis wor­den ver­haald

Voor de ver­an­de­ring laat Don Qui­chot zich over­ha­len door zijn knecht om net als de ondank­ba­re boe­ven die zij bevrijd had­den beter ook de komst van de Her­man­dad niet af te wach­ten. Maar niet nadat San­cho heeft moe­ten belo­ven dat hij ‘nooit ofte nim­mer, levend of dood, tegen enig mens zult zeg­gen, dat ik (Don Qui­chot dus) dit gevaar ont­week en ver­meed uit angst en vre­ze; dit geschied­de alleen van­we­ge je smeek­be­den.’ Het is San­cho om het even, als ze maar weg kun­nen.

Om zeker te zijn dat ze uit han­den van de poli­tie zul­len blij­ven kie­zen ze ervoor om een schuil­plaats te zoe­ken in een nabij gele­gen geberg­te. Met de pro­vi­and die San­cho enke­le hoofd­stuk­ken gele­den heeft weten te ont­fut­se­len van de gees­te­lij­ken kun­nen ze nog wel een aan­tal dagen voor­uit. En zo trek­ken ze als­maar die­per het geberg­te in tot­dat ze een plek heb­ben gevon­den die uiter­ma­te geschikt is om de nacht door te bren­gen. Toe­val­li­ger­wij­ze is het ook de plek waar de boe­ven­ben­de rond­dwaalt om niet opnieuw opge­pakt te wor­den. En weder­om tonen ze hun ware aard door hei­me­lijk de ezel van San­cho te ste­len daar het paard Ros­si­nant in hun ogen, vel over been dat het was, geen enke­le waar­de ver­te­gen­woor­dig­de.

Zo kon het zijn dat bij het aan­bre­ken van de dag een van onze twee hel­den nood­ge­dwon­gen de reis te voet moest voort­zet­ten. Don Qui­chot wist niets anders te doen dan een schen­kings­brief te schrij­ven waar­mee San­cho recht had op drie van de vijf ezels die Don Qui­chot in bezit had. Thuis wel­te­ver­staan.

Het geluk lacht San­cho even­wel later die dag toe. Op hun tocht door de ber­gen vin­den ze een door weer en wind ver­ga­ne reis­kof­fer. Blijk­baar lang gele­den ach­ter­ge­la­ten door een rei­zi­ger die zich inmid­dels alweer in ande­re ver­re oor­den zou bevin­den of mis­schien zelf half ver­gaan op de bodem van een ravijn de laat­ste adem had uit­ge­bla­zen. Voor San­cho maak­te het niet uit want bui­ten enke­le scho­ne kle­ding­stuk­ken en een dag­boek ont­dek­te hij ook een ver­za­me­ling gou­den mun­ten. Dat com­pen­seer­de in zijn ogen ruim­schoots de ellen­de die hem tot nu toe ten deel was geval­len. Vol geest­drift zocht hij ver­der naar meer waar­de­vol­le spul­len.

Don Qui­chot ech­ter was alleen geïn­te­res­seerd in het dag­boek. Nadat hij het van voor naar ach­ter en weer terug had door­ge­le­zen, was hij helaas niet veel wij­zer gewor­den ‘behal­ve dat hij (de oor­spron­ke­lij­ke eige­naar van de reis­kof­fer) een afge­we­zen min­naar schijnt te zijn.’ Wan­neer ze ver­der trek­ken zien ze niet veel later een half­naak­te man hoger in de ber­gen van rots naar rots sprin­gen en zich snel uit de voe­ten maken. Het lijkt Don Qui­chot dat dit de man van het dag­boek en de reis­kof­fer is. Van­zelf­spre­kend wil hij de man ach­ter­na om te ach­ter­ha­len wie hij is en wat hem is over­ko­men. San­cho is daar om ande­re rede­nen niet hap­pig op:

Het zou veel beter zijn maar niet naar hem te zoe­ken; want als wij hem vin­den en hij is wer­ke­lijk de eige­naar van het geld, dan moet ik dat natuur­lijk terug­ge­ven; en daar­om lijkt het mij beter dat ik het zon­der al die onno­di­ge romp­slomp als eer­lij­ke vin­der houd tot de ware eige­naar gewoon­weg en zon­der rarig­he­den komt opda­gen; mis­schien gebeurt dat wel eerst als ik het al heb uit­ge­ge­ven, en waar niet is ver­liest de kei­zer zijn recht.’
[p.162]

Omdat Don Qui­chot het als hun ver­plich­ting ziet de man op te spo­ren en het geld terug te geven om elk ver­moe­den van dief­stal te ver­mij­den zit er ook voor San­cho niets anders op dan zijn mees­ter te vol­gen. Via een her­der die ze nog dezelf­de dag ont­moe­ten leren ze hoe een zes­tal maan­den terug er plots een knap­pe jon­ge­man ver­scheen die wil­de weten waar ‘het geberg­te het wildst en onbe­gaan­baarst was.’ Sinds­dien zwerft hij daar rond, steeds meer ver­wil­derd en bij tijd en wij­le komt hij tevoor­schijn om dan weer om eten te vra­gen en een ande­re keer om het met geweld te ont­fut­se­len. Voor de her­der staat vast dat de jon­ge­man aan vla­gen van razer­nij leed en ze had­den onlangs het plan opge­vat hem te over­mees­te­ren en naar de dichts­bij­zijn­de stad te bren­gen waar hij mis­schien gehol­pen kon wor­den.

Laat nu toch juist op dat ogen­blik de jon­ge­man opda­gen waar zij naar op zoek waren. Schijn­baar in een goe­de bui maak­te hij zich niet uit de voe­ten maar kwam nader­bij alwaar hij zich bij het gezel­schap voeg­de en zijn ver­haal deed dat ver­der beschre­ven wordt in het vol­gen­de hoofd­stuk.

~ ~ ~

Zondag, 6 januari 2019

Van­daag ren­de ik het­zelf­de rond­je als eer­der deze week op woens­dag. Het ging 2 minu­ten snel­ler. Ik had daar­na daar­te­gen­over ook wel zo’n 2 minu­ten lan­ger nodig om op adem te komen.

Tij­dens het half uur­tje (inclu­sief war­ming up en coo­ling down) speel­de de nieuws­brief van Elja door mijn hoofd1. Het ging over het ver­schil tus­sen ‘voor­ne­mens’ en ‘plan­nen’. Plan­nen zou­den min­der ver­plich­tend zijn, ook leu­ker. Voor­ne­mens of doe­len zijn dat niet. Ze voe­len meer aan als ‘moe­ten’.

Ik kan me daar wel bij aan­slui­ten. Een doel zie ik zelf als een stip aan de hori­zon. Het plan is de weg naar dat gestel­de doel. Vaak is iemand geneigd om nog­al snel voor zich­zelf een doel te stel­len zon­der een dui­de­lijk beeld te heb­ben of het wel rea­lis­tisch is. Of, nog belang­rij­ker, wat er voor nodig is om dat doel te rea­li­se­ren. ‘Ik ga stop­pen met roken!’ ‘2019 wordt het jaar dat ik ein­de­lijk 10 kilo ga afval­len!’ ‘Mara­thon van Rot­ter­dam, Here I Come!’ Wie her­kent het niet?

Maar dan?

Een plan is ver­vol­gens nodig om ervoor te zor­gen dat je je doel ook daad­wer­ke­lijk weet te halen. Zon­der plan is het niet meer dan als een kip zon­der kop begin­nen en maar zien waar het zal ein­di­gen. Lukt het uit­ein­de­lijk niet, dan kun je altijd nog zeg­gen dat je het in ieder geval gepro­beerd hebt. En je gaat over tot de orde van de dag.

Hoe anders is dit wan­neer je met een plan­ning aan de slag gaat. Je wordt dan gedwon­gen naar het totaal­plaat­je te kij­ken waar­bin­nen je de ruim­te moet cre­ëe­ren om je doel te ver­we­zen­lij­ken. Een mara­thon lopen? Dat bete­kent veel kilo­me­ters maken. Hoe ga je dat com­bi­ne­ren met werk en thuis­si­tu­a­tie? Afval­len? Dan zul je toch echt inzicht moe­ten krij­gen in wat je zoal van­daag de dag eet en via wel­ke metho­de je denkt te gaan afval­len. Via bewe­ging, dieet, ande­re manier van koken? Of een com­bi­na­tie? En wat als je een­maal je streef­ge­wicht hebt gehaald? Hoe blijf je dan op dat gewicht?

Is plan­nen leuk? Dat durf ik niet te zeg­gen. Wel dat het je met de neus op de fei­ten drukt voor wat betreft een soms ondoor­dach­te uit­spraak dat je het komen­de jaar wel eens even dit of dat wilt gaan ver­an­de­ren. Als je dan de moei­te neemt om dat tra­ject van plan­ning seri­eus aan te pak­ken zul je mer­ken dat het in ieder geval een stuk mak­ke­lij­ker is om ermee bezig te blij­ven. Want je hebt de con­se­quen­ties beter door­dacht, en mis­schien zelfs wel je doel voor­lo­pig wat aan­ge­past aan de omstan­dig­he­den. Dat moti­vi­eert.

Zelf heb ik als voor­ne­men om dit jaar op spor­tief gebied mini­maal één lan­ge run op de weg (15 tot 21 km) of onver­hard pad (trail­run) of met hin­der­nis­sen (obsta­cle run, maar geen sur­vi­val­run) te lopen. Het plan is om de eer­ste drie maan­den via de drie dagen regel mijn con­di­tie en duur­ver­mo­gen gelei­de­lijk op te bou­wen. Gaat dat goed dan ga ik van­af april pro­be­ren de fre­quen­tie (indien nodig) te ver­ho­gen. Mocht ik op deze manier bles­su­re­vrij door de eer­ste helft van het jaar komen, dan pas ga ik op zoek naar een geschik­te run in het najaar waar ik dan spe­ci­fiek voor kan gaan trai­nen.

En toen zat mijn rond­je ren­nen er alweer op. Dank voor de inspi­ra­tie Elja!

~ ~ ~

Bij toe­val kwam ik van­daag bij mijn Ouder­lijk huis terecht, een blog­post die ik drie jaar gele­den heb geschre­ven. Het ging over een bezoek aan mijn ouders die toen alweer enke­le jaren in hun nieu­we huis­je woon­den. Elke keer dat ik er op bezoek ben voel ik iets van heim­wee naar het vori­ge huis waar ik mijn jeugd heb door­ge­bracht maar waar ik niet meer terecht kan. Afge­sne­den van mijn jeugd, zo voelt het. Onder de blog­post bij de reac­tie schreef ik dat op twit­ter iemand het vol­gen­de citaat had gedeeld naar aan­lei­ding van deze blog­post:

Het treu­rig­ste gevoel dat ik ken, is de weg weten in een huis dat niet meer bestaat.’ — Rudy Kous­broek

Zojuist las ik in Mooi dood­lig­gen van A.F.Th. van der Heij­den de vol­gen­de opmer­king:

Een Neder­land­se schrij­ver zei ooit: ‘niets treu­ri­ger dan de weg te weten in het huis van je jeugd… als het al lang afge­bro­ken is. Het zou een argu­ment voor Unes­co moe­ten zijn tegen de sloop van door­leef­de woon­hui­zen.’
‘Jawel, maar de plat­te­grond zit ste­vig in je kop ver­an­kerd. Je hoort de stem­men van de bewo­ners en bezoe­kers nog, com­pleet met ver­an­de­ren­de akoes­tiek van kamer tot kamer… de echo van een leren bal stui­te­rend door de hoge gang. Het gemis maakt con­tou­ren en gelui­den scher­per, omdat ze niet lan­ger afhan­ke­lijk zijn van bak­steen, hout, stuck­werk.’
[p.268]

Het ver­schil met mijn ouder­lijk huis is dat het nog wel dege­lijk bestaat. Alleen kan ik er niet meer bij. Het is niet meer van ons. Dus het gevoel is gro­ten­deels gelijk. Je moet het doen met de her­in­ne­rin­gen die je hebt die wat mij betreft nooit kun­nen tip­pen aan hoe het echt was. Alleen besef je dat op dat moment nooit. Altijd pas ach­ter­af.

~ ~ ~


  1. Je kunt ‘m hier in z’n geheel zelf lezen. 

Zaterdag, 5 januari 2019

Ik houd niet zo van los­se eind­jes. Van­daar dat ik in de kerst­va­kan­tie begon­nen ben een aan­tal Net­flix-series waar ik ooit hal­ver­we­ge mee gestopt ben toch ver­der af te kij­ken. De reden dat ik afge­haakt ben is name­lijk niet alleen maar te her­lei­den tot het feit dat ik ze heel slecht vond. Veel vaker was het zo dat zich een mooiere/nieuwere serie aan­dien­de, of dat Inge iets was begon­nen wat ik zelf ver­der wil­de afkij­ken. Of ik had even geen zin meer in de serie na een heel sei­zoen geke­ken te heb­ben ter­wijl het vol­gen­de sei­zoen alweer klaar stond. Afijn, vol­doen­de aan­lei­ding om zo’n afge­bro­ken serie als­nog een vol­gen­de kans te geven.

Hoe ik trou­wens een beeld kreeg bij wat ik zoal de afge­lo­pen jaren op Net­flix beke­ken heb, kun je hier lezen. De infor­ma­tie heb ik gebruikt om een hand­zaam over­zicht te maken. Of het veel of wei­nig is mag ieder­een zelf over oor­de­len. Het eni­ge wat ik erover kan zeg­gen is dat ik naast Net­flix ver­der geen TV kijk met een inci­den­te­le uit­zon­de­ring voor een docu­men­tai­re of het avond­jour­naal.

Deze avond heb ik de laat­ste drie afle­ve­rin­gen uit het der­de sei­zoen van Black Mir­ror geke­ken. Een serie die ik ieder­een kan aan­ra­den wan­neer je je afvraagt wat bij­voor­beeld soci­al media of ‘the inter­net of things’ voor ons in pet­to heeft in de nabije toe­komst. Veel­al niet echt iets om blij van te wor­den. Van sei­zoen drie vond ik de vol­gen­de afle­ve­rin­gen eruit sprin­gen:

In Shut Up and Dan­ce wordt een tie­ner gechan­teerd door­dat via een virus zijn web­cam is gehackt. Om te voor­ko­men dat er beel­den open­baar wor­den gemaakt van zijn kijk­ge­drag (ieder­een kan raden wat dat is, maar het blijkt op ‘t eind toch net iets­jes anders te zijn) moet hij opdrach­ten uit­voe­ren die steeds extre­mer wor­den. En hij blijkt niet de eni­ge te zijn. Het mooie aan deze afle­ve­ring vond ik het tem­po dat steeds ver­der opge­voerd werd waar­door je als van­zelf mee­gaat in de wan­ho­pi­ge pogin­gen van de tie­ner om te red­den wat er te red­den valt, ter­wijl hij steeds ver­der de grip op de rea­li­teit ver­liest. En de afloop is ook nog eens veel desa­streu­zer dan je voor­af zou ver­wach­ten.

San Juni­pe­ro heeft ook een iet­wat nare twist aan het ein­de die je toch wat vraag­te­kens laat zet­ten bij de ver­der hoop­vol­le bood­schap waar­van je dacht dat die al die tijd ver­scho­len zat in het ver­haal. Ja, er is lief­de en de twee gelief­den vin­den elkaar, maar echt vro­lijk kun je (ik althans) er niet hele­maal van wor­den ondanks alle mooie eind goed, al goed beel­den. Een afle­ve­ring waar­over je nog een tijd­je blijft door­som­be­ren over het nu en het hier­na­maals.

~ ~ ~