De schreeuw van de spreeuw

Het gebeur­de in een moment van onop­let­tend­heid. Onver­geef­lijk. Met­een was er het besef dat het gron­dig mis was. Wan­ho­pig om zich heen tas­tend werd al snel dui­de­lijk dat er geen enkel hou­vast was. De val naar bene­den duur­de ech­ter maar kort en de lan­ding was niet al te pijn­lijk. Dui­ze­lig­heid maak­te al snel plaats voor angst. Doods­angst. Angst voor het onbe­ken­de. De tota­le duis­ter­nis hielp niet om deze angst te tem­pe­ren. Ze begon te schreeu­wen. Het was een afschu­we­lijk geluid.

De ijzi­ge kou­de hield nu al enke­le weken aan. De voor­uit­zich­ten gaven aan dat het ook de komen­de peri­o­de niet echt veel beter zou gaan wor­den. Alfred stond voor het raam. Moed te ver­za­me­len om naar bui­ten te gaan. De hout­voor­raad moest aan­ge­vuld wor­den. Er lag nog net vol­doen­de om de dag mee door te komen, maar dan was het ook echt hele­maal op. Alleen al de aan­blik van het onder­ge­sneeuw­de kale erf deed hem over zijn hele lijf hui­ve­ren. Com­pleet ver­la­ten op een gro­te groep vogels na. Dit was dus een van de nade­len van het ach­ter­af wonen. Geen cen­tra­le ver­war­ming maar een een­vou­di­ge hout­ka­chel. Zich­zelf moed inpra­tend trok Alfred ten­slot­te z’n war­me jas aan, zet­te een muts op, trok z’n laar­zen aan en ging op zoek naar z’n hand­schoe­nen. Daar­na pak­te hij de kat op die in die­pe slaap voor de kachel lag, en liep naar bui­ten. Ten­slot­te hoef­de hij het niet in z’n een­tje koud te hebben.

Na enke­le uren zak­te de erg­ste angst weg. De don­ker­te bleef. Er viel niets te zien. Zou men haar al mis­sen? Voor­zich­tig pro­beer­de ze terug te gaan naar de plek waar ze dacht dat haar val gebro­ken was. Slechts enke­le ogen­blik­ken later bleek dat de ruim­te waar­in ze gevan­gen zat daar ophield. Recht boven haar was het gat waar door­heen ze geval­len was. Als ze goed keek kon ze hele­maal boven­aan een streep­je licht zien. Weer sloeg de paniek toe. En met alle ener­gie die in haar zat pro­beer­de ze te ont­snap­pen uit deze naar­gees­ti­ge don­ke­re en toch­ti­ge ruim­te. Door keer op keer te sprin­gen tracht­te ze om ver­der te omhoog te komen. Even­zo vele keren viel ze weer naar bene­den. Het ont­ging haar vol­ko­men dat ze con­ti­nu bleef schreeu­wen. Om hulp. Om aan­dacht. Om de don­ker­te weg te houden.

Bui­ten over­viel de kou Alfred nog meer dan hij ver­wacht had. De kat kroop miau­wend om zijn benen. ‘Samen uit, samen thuis’, dacht Alfred en aai­de de kat over het hoofd. De vogels op het schuur­tje begon­nen flink kabaal te maken toen Alfred hen nader­de over het erf. Wild flad­de­rend vlo­gen ze op om een stuk­je ver­der­op te gaan zit­ten. Alfred’s bedoe­ling was om aller­eerst wat sprok­kel­hout te pak­ken om daar een brand­sta­pel van te maken. Bij dat vuur kon hij zich warm hou­den en wat hout­blok­ken in klei­ne­re stuk­jes hak­ken. Het had ook wel iets gezel­ligs zo’n kamp­vuur­tje. Hij kreeg er bij­na goe­de zin van. De kat ook. Stoer joeg ze ach­ter de vogels aan, die nu hele­maal uit hun dak gin­gen en krij­send op de vlucht sloe­gen. De kat gaf niet op en bleef de vogels ach­ter­vol­gen tot ver op het erf.

De rest van de dag en zowat de hele nacht was ze blij­ven pro­be­ren te ont­snap­pen. Maar ze werd steeds zwak­ker, waar­door haar pogin­gen vruch­te­loos wer­den. Uit­ge­put was ze een tijd­lang blij­ven zit­ten. Uit­ein­de­lijk besloot ze de ande­re kant op te gaan. Ver­der de don­ker­te in. Al heel snel voel­de ze dat de grond onder haar ophield. En bij­na was ze weer naar bene­den geval­len. Voor­zich­tig keek ze over de rand. In de diep­te zag ze een zwak schijn­sel. Wat nu? Opnieuw sloeg de angst haar om het hart.

De wind joeg de vlam­men van het kamp­vuur hoog op. Het knet­ter­de van jewel­ste en de von­ken­re­gen schroei­de soms de war­me kle­ding van Alfred. De bijl lag lek­ker in de hand en hij had de slag te pak­ken. Hout­blok na hout­blok werd in klei­ne stuk­jes gehakt. De vogels zaten inmid­dels weer op de dak­rand. Ze warm­den zich aan het vuur en keken zwij­gend toe. De kat was ner­gens te beken­nen. De grond om Alfred heen raak­te bezaaid met stuk­ken hout. Tijd om het hout te ver­za­me­len en de mand te vul­len. De avond begon te val­len. Het werd al wat kou­der. Opeens zag Alfred iets tus­sen het hout lig­gen wat hem nog niet eer­der was opge­val­len. Het leek een wit­te knik­ker. Met rode aders. Net zoals hij ze vroe­ger had ver­za­meld. Alleen had hij deze kleu­ren­com­bi­na­tie nog niet eer­der gezien. Nieuws­gie­rig raap­te hij het voor­werp op. De vogels begon­nen plots­klaps weer her­rie te maken en even keek hij op. Het viel hem niet op dat de gehe­le dak­rand bezet was door vogels. Z’n aan­dacht werd meer getrok­ken door de vreem­de bal in de palm van z’n hand­schoen. Het bleek dat er niet alleen rode aders door­heen lie­pen, maar dat er ook een zwar­te ron­de vlek op zat. Een aan­tal vogels vloog nu luid schreeu­wend op. Hun geluid was nu bij­na oor­ver­do­vend. Maar dat drong niet tot Alfred door. Wel het besef dat hij hier geen knik­ker in z’n hand had. Waar was z’n kat gebleven?

Op het ein­de van de dag hoor­de ze plots­klaps een geluid. Had­den ze haar gevon­den!? Even was daar een gevoel van vreug­de, tot­dat ze rea­li­seer­de dat het geluid van­uit de diep­te kwam. Voor­zich­tig keek ze over de rand in de diep­te. Een fel licht was daar nu te zien. Wat kon dat zijn? Gebi­o­lo­geerd bleef ze kij­ken. Het licht werd als­maar fel­ler. En het werd ook war­mer. Aan­ge­naam zelfs. Ze ont­span­de zich even. En rek­te haar stram­me, gekneus­de lede­ma­ten. Heen en weer wie­gend kreeg ze ein­de­lijk het gevoel dat alles goed zou komen. Lang­zaam ver­dween de angst uit haar lijf. Als bedwelmd kroop ze ver­der naar de rand en boog omlaag naar de diep­te. Daar bene­den was het licht als­maar hel­der­der gewor­den en nam de warm­te nog steeds toe. Een ver­lan­gen om toe te geven en rust te zoe­ken nam bezit van haar. Niet boven was de uit­gang, maar bene­den moest ze zijn. Dan kon ze terug naar huis, naar haar fami­lie. Waar­om had ze dat niet eer­der gezien? Ein­de­lijk naar huis! Dacht ze, en tui­mel­de voor­over de diep­te in. Zwij­gend deze keer.

Ste­ken­de pijn­scheu­ten in z’n benen deden Alfred wan­ke­len. Hij keek naar bene­den en zag dat een aan­tal vogels om hem heen ver­za­meld op de grond zaten. Om beur­ten spron­gen ze op en pik­ten hem in z’n benen. Ver­schrikt deins­de Alfred terug. De vogels ach­ter­volg­den hem. Nu vlo­gen ze op hem af en pro­beer­den hem in ’t gezicht te raken. Alfred buk­te en hield bei­de han­den voor z’n gezicht om zich­zelf te bescher­men. Hij wist nu waar­toe deze vogels in staat waren. De bloe­de­ri­ge oog­bal van de kat had hij inmid­dels laten val­len. Een klei­ne vijf­tig meter was het tot aan het huis. De schuur was geen optie want van­af die plek kwa­men de vogels nu in zwer­men aan­vlie­gen. Het leek of ze hem een bepaal­de plek op dwon­gen. Rich­ting kamp­vuur. De eni­ge ver­lich­te plek op het ver­der don­ke­re erf. Niet lan­ger ver­la­ten, maar bevolkt door dui­zen­den vogels. Spreeu­wen. Die hem ver­der aan­vie­len. Zodat hij strom­pe­lend niet anders kon dan die kant opgaan waar de spreeu­wen hem de ruim­te lie­ten. Een nau­we tun­nel rich­ting het vuur. Alfred begon te schreeu­wen. Maar ver­scho­len ach­ter zijn armen klonk het geschreeuw slechts gedempt. En ach, wie zou hem kun­nen horen. Zo ver ach­ter­af en zo over­stemd door het geschreeuw van de spreeu­wen. In zijn rug voel­de Alfred nu dat de vlam­men hem al begon­nen te schroei­en. Zijn vol­gen­de stap ach­ter­uit bracht hem uit het even­wicht. Hij was op de oog­bal gaan staan. En tui­mel­de ach­ter­over het vuur in.
Ein­de­lijk kon hij zich­zelf nu horen schreeu­wen. Het klonk afschuwelijk.
De spreeu­wen keken dood­stil toe.

Toen ze in het vuur van de hout­ka­chel viel was ze plots­klaps weer bij haar posi­tie­ven. De ver­zen­gen­de hit­te deed haar opvlie­gen en uit alle macht pro­beer­de ze te ont­snap­pen. Voor zich zag ze een uit­weg! Met een har­de klap die haar het bewust­zijn bij­na deed ver­lie­zen vloog ze tegen de raam­pje van de kachel­deur. Haar staart stond in brand. Ze begon opnieuw te schreeu­wen. Door het raam­pje zag ze een man en een kat. Die ston­den toe te kij­ken, maar deden niets. Ach­ter hen zag ze een gro­ter raam. Daar­ach­ter zag ze haar fami­lie. Die had­den haar gevon­den. Maar had­den niets kun­nen doen.
Met alle kracht die ze nog in zich had vloog ze keer op keer tegen het raam­pje. Ze schreeuw­de naar haar fami­lie. De pijn van haar bran­den­de vleu­gels was ver­schrik­ke­lijk. Ten­slot­te zak­te ze in elkaar. Bewus­te­loos door de rook. Bran­dend als een fakkel.
Ein­de­lijk ging het kachel­deur­tje open. Alfred gooi­de nog wat hout naar bin­nen. De kat keek nieuws­gie­rig toe. Het deur­tje ging weer dicht.
De spreeu­wen bui­ten keken dood­stil toe.

~ ~ ~

OK, geen echte kok, maar schuilt er dan wel een echte vader in mij?

En toen was daar Ietje Hey­broek. Fami­lie­the­ra­peu­te en spe­ci­a­list op het gebied van het stiefgezin.

Waar­om kom ik met haar aan­zet­ten? Omdat het vakan­tie is. Een voor mij uiterst geschikt moment om oude kran­ten door te bla­de­ren. Kran­ten die in hoge sta­pels mijn werk­ka­mer bevol­ken, net­jes gerang­schikt op datum. Elke dag neem ik de onge­le­zen nieuw ver­sche­nen exem­pla­ren en plaats die boven­op hun voor­gan­gers van de vori­ge dag. Soms lukt het mij om nog dezelf­de dag de nieu­we krant te lezen en dan ver­dwijnt de geluk­ki­ge op een ande­re sta­pel, name­lijk bij de alles­bran­der. Waar ze uit­ein­de­lijk alle­maal zul­len eindigen.

Sinds kort han­teer ik een nieuw sys­teem. Maar ik ben er nog niet uit of dit een blij­vend sys­teem gaat wor­den. Het heeft te maken met de manier waar­op ik m’n oude kran­ten weg­werk. Al heel lang bena­der ik de sta­pel als volgt: onge­le­zen exem­pla­ren boven­op bij­vul­len, maar van onder uit weg­le­zen. Ofte­wel FiFo: First in, First out. Dus in slech­te tij­den (hoge sta­pels) zit ik kran­ten te lezen van maan­den geleden.

Het gro­te voor­deel is dat je veel waan-van-de-dag nieuws over kunt slaan. Weet je totaal niet waar het over gaat, zal het ook wel niet echt belang­rijk zijn geweest, en kun je jezelf tijd bespa­ren door het niet te lezen. Een ander voor­deel is dat je her­ken­ba­re nieuws­fei­ten anders leest, omdat je de ken­nis van van­daag met je mee­draagt. En is het soms hila­risch de nieuws­dui­ders met terug­wer­ken­de kracht hun gelijk of onge­lijk te zien uit­dra­gen. Het groot­ste voor­deel in mijn ogen is gele­gen in het feit dat je nu vaak wat meer tijd hebt om de lan­ge­re arti­ke­len te lezen. Je hebt het koren van het kaf kun­nen scheiden.

Maar elk niet-ide­aal sys­teem draagt ook nade­len met zich mee. En één van de belang­rijk­ste was dat ik in veel geval­len te laat ver­wij­zin­gen met beperk­te houd­baar­heids­da­tum zag. Zo liep ik vaak con­cer­ten, aan­bie­din­gen, expo­si­ties, en soort­ge­lijks mis.

Tijd om eens van sys­teem te ver­an­de­ren. En een geschikt tijd­stip om daar­mee te begin­nen was de hui­di­ge vakan­tie. Voort­aan gaan we de LiFo bena­de­ring toe­pas­sen: Last in, First Out. En zodoen­de zat ik afge­lo­pen week al in de krant van 24 decem­ber ver­diept. Een krant waar ik anders pas over maan­den aan toe zou zijn geko­men (gezien de hoog­te van de NTL krantenstapel).

In deze krant kwam ik Ietje tegen. En zij had een (voor mij) intri­ge­ren­de vraag: “Hoe stel ik mijn hart open voor deze vreem­de kin­de­ren?” Het ging hier over stief­ou­ders en stief­groot­ou­ders. En bei­de ben ik. Stief­va­der van twee kin­de­ren en stief­opa van één klein­kind. Mijn vrien­din zo’n 13 jaar gele­den leren ken­nen toen zij al twee kin­de­ren had, en mee mogen maken hoe een van hen onder­tus­sen haar eigen kind op de wereld heeft gezet. In de ogen van Ietje een rela­tief een­vou­di­ge stief­si­tu­a­tie. In de ogen van Peter een gewel­dig mooie gezins­si­tu­a­tie met alle bij­be­ho­ren­de complexiteit.

Maar OK, een een­vou­di­ge stief­si­tu­a­tie mede moge­lijk gemaakt door het ont­bre­ken van eigen kin­de­ren. Want ik ben dus geen ech­te vader. Dien­ten­ge­vol­ge zal ik ook nooit een ech­te opa wor­den. En hoef ik me niet te bui­gen over de over­tref­fen­de trap van een niet-te-beant­woor­den vraag: “Moet ik even­veel hou­den van mijn stief­klein­kin­de­ren als van mijn eigen ‘klein­kroost’?” Dat schijnt name­lijk de ham­vraag te zijn waar alle stief­groot­ou­ders zich mee bezig­hou­den. Getui­ge in ieder geval de stroom vra­gen die bin­nen komen bij de onli­ne help­desk van de Stich­ting Stief­moe­ders (let wel, stief­moe­ders, niet –ouders of –vader).

Geluk­kig heeft Ietje daar­voor een nieu­we web­si­te geo­pend onder de naam www.stiefgrootouders.nl (niet kieskeurig.nl of eigenkleinkroosteerst.nl wat meer voor de hand had gele­gen). En die kon ik nu dus met­een bezoe­ken! De krant was ten­slot­te slechts enke­le dagen oud. Maar wat schetst mijn ver­ba­zing. Dit is wat ik zag:

En blijf ik met al mijn vra­gen zit­ten. Vra­gen die ik nooit had gehad zon­der Ietje.

Ietje die ik nooit had gele­zen indien ik m’n oude sys­teem nog had gevolgd.

Omdat over enke­le maan­den, wan­neer Ietje nor­maal gespro­ken aan de beurt zou zijn om gele­zen te wor­den, ik hoogst­waar­schijn­lijk voor de twee­de keer stief­opa ga wor­den. En dan hele­maal geen tijd heb om kran­ten te lezen. Dan loop ik zo trots als een stief­pauw met een stief­klein­kind aan de stief­hand en een ander in m’n stie­farm te para­de­ren. Een arti­kel over de pro­ble­men die stief­groot­ou­ders zou­den heb­ben, zal niet snel de roze stief­wolk berei­ken waar­op ik me dan zal bevin­den. Ietje en de krant van 24 decem­ber zul­len eer­der ken­nis­ma­ken met de poep­lui­er van nieuw stiefkleinkroost!

Stief­opa! Again!
M’n bloed­ei­gen stief­klein­kin­de­ren! Jazeker!

De sys­te­men die ik han­teer om oude tijd­schrif­ten te lezen ver­schil­len trou­wens wezen­lijk van die van oude kran­ten. Maar daar­over een vol­gen­de keer.

~ ~ ~

Geïr­ri­teerd Geïn­spi­reerd door een arti­kel in Trouw 24 decem­ber 2008

[upda­te 14:50 uur:] De eer­lijk­heid gebiedt mij te zeg­gen dat bij nade­re lezing van het arti­kel, er staat dat de site pas vol­gend jaar beschik­baar komt. Nog meer reden om m’n oude sys­teem te handhaven.

[upda­te 29 janu­a­ri 2009:] inmid­dels is de web­si­te van Ietje beschik­baar. Natuur­lijk was ik erg nieuws­gie­rig naar haar advies m.b.t. stief­groot­ou­ders. Hier een stuk­je wat ik geco­pi­eerd heb van haar site:

[…] U begrijpt zo kan ik nog wel even door­gaan met vra­gen waar­mee ik bestookt word nu er steeds meer stief­groot­ou­ders bij­ko­men. (in 2016 ver­wach­ten ze dat er meer stief­ge­zin­nen zijn dan “gewo­ne gezin­nen”. Het stief­groot­ou­der­schap zal steeds meer voorkomen)
Een stief­ge­zin is com­plex en die com­plexi­teit kan je niet weg­ne­men. Stief­groot­ou­der­schap is ook com­plex. Veel stief­groot­ou­ders wil­len het als oude wij­ze men­sen goed doen en mis­schien wel net als stief­ou­ders te goed doen. Loop niet te hard van sta­pel, zou ik wil­len aan­ra­den. Ver­lang niet teveel van u zelf en blijf voor­al u zelf, hoe­wel er ook iets van flexi­bi­li­teit van u ver­wacht wordt.
Wat belang­rijk is om te besef­fen is dat de stief­klein­kin­de­ren abso­luut niet om u gevraagd heb­ben en mis­schien ook niet goed weten hoe ze u kun­nen bena­de­ren. Het zou fijn zijn als u als oud­ste en wijs­te daar­over met de stief­klein­kin­de­ren kan praten.
Ver­tel gewoon eer­lijk dat u het moei­lijk vindt om met de stief­klein­kin­de­ren om te gaan.
Het kan raad­zaam zijn om eerst maar eens de kat uit de boom te kij­ken. en niet met­een te oor­de­len of veroordelen[…]

~ ~ ~

De vet­ge­druk­te gedeel­tes heb ikzelf aan­ge­bracht. Ze val­len mij op omdat ik mezelf er hele­maal niet in herken.
En zo staan er wel meer vreem­de din­gen (in mijn ogen althans) op de site van Ietje.
Neem een kijk­je en oor­deel zelf op:
www.oudersenkinderen.nl

~ ~ ~

Opkomst van de Movel

Een Movel is een ver­haal op je mobiel, je down­load het ver­haal een­ma­lig, opent het en begint met lezen. Na het eer­ste hoofd­stuk wordt je gevraagd of je het ver­haal wilt kopen. Zo, ja dan klik op je op de koop knop en kun je het hele ver­haal op je gemak uit­le­zen, als het niet bevalt (het lezen op de mobiel of het ver­haal) dan lees je niet ver­der en koop je het ver­haal niet.
[bron]

Vaak sta ik voor mijn boe­ken­kast en neem de boekrug­gen in ogen­schouw. De dik­ke romans waar de titel hori­zon­taal op past sprin­gen vaak als eer­ste in het oog. Ze vra­gen nadruk­ke­lijk om aan­dacht. Maar die gaat net zo mak­ke­lijk naar de iets dun­ne­re broe­ders en zus­ters die rond­om hen heen ver­za­meld staan. Allen zijn indi­vi­du­e­le bouw­ste­nen die ik door de jaren heen tot mij heb geno­men om mijn ken­nis te verrijken.
Ik kijk naar mijn boe­ken­kast maar zie geen boek en kast. Ontel­ba­re werel­den waar ik (soms nog nooit) geweest ben zwe­ven voor mijn gees­tes­oog en nodi­gen mij uit voor een (her)nieuw(d) bezoek. De boe­ken­kast is geen dood­lo­pen­de muur in mijn kamer maar een raam naar buiten.

[…] the brain never evol­ved to read. Rather, rea­ding reveals how the brain “rear­ran­ges older struc­tu­res devo­t­ed to lin­guis­tic, per­cep­tu­al and cog­ni­ti­ve regi­ons to make some­thing new.”
[bron]

Op deze plek ga ik niet bewe­ren dat ik alle boe­ken in mijn ver­za­me­ling (al) heb gele­zen. Wel meer dan de helft, en de rest gaat zeker gele­zen wor­den. Dat heb ik mezelf altijd voor­ge­hou­den. Of het nu gaat gebeu­ren tij­dens mijn werk­za­me leven of nadat ik gepen­si­o­neerd zal zijn. Dat is mij om het even. Alleen zal ik de komen­de jaren mezelf ver­plich­ten om vol­doen­de ‘trai­nings­uren’ in te bou­wen. Want vol­gens ont­wik­ke­lings­psy­cho­lo­ge Mary­an­ne Wolf behoort lezen niet tot de basis­vaar­dig­he­den van onze soort, zoals lopen en ade­men. We moe­ten het leren, dat wil zeg­gen we moe­ten er in onze her­se­nen neu­ra­le cir­cuits voor aan­leg­gen. En als we die niet onder­hou­den door ze vaak genoeg te gebrui­ken, wor­den ze afge­bro­ken en ver­van­gen door andere.

Vol­gens het Tijd­be­ste­dings­on­der­zoek 2008 van SPOT (Stich­ting Pro­mo­tie Tele­vi­sie­re­cla­me) beste­den Neder­lan­ders gemid­deld 13 minu­ten per dag aan het lezen van boe­ken. Dit is 3 minu­ten meer dan in 2006. Het zijn voor­al vrou­wen, oude­ren en alleen­staan­de 40-plus­sers die boe­ken lezen; rela­tief wei­nig wordt er gele­zen door full time wer­ken­den en door jon­ge­ren tot 20 jaar.
[bron]

Als lezen dus te maken heeft met leren, en we tege­lij­ker­tijd mogen con­clu­de­ren dat juist jon­ge­ren min­der gaan lezen, dan zal hun lees­vaar­dig­heid gestaag afne­men. En zul­len zij in de toe­komst ver­vreemd raken van in ieder geval het medi­um Boek in al z’n hoe­da­nig­he­den. Daar­voor in de plaats zul­len zij meer uren door­bren­gen op inter­net en daar hun ont­span­ning vin­den en ken­nis opdoen. Sur­fend over de gol­ven van een als­maar uit­dij­end stuw­meer aan onge­struc­tu­reer­de data, beper­ken zij zich tot het inne­men van klei­ne por­ties ‘info­tain­ment’ (ken­nis in hap­kla­re brok­ken; het nieuws in 60 seconden).

Dat ‘lot’ zal hoogst­waar­schijn­lijk ook mijn aller­lief­ste dier­ba­re klein­zoon ten deel val­len. Hoe­veel moei­te ik mij­zelf ook zal getroos­ten om het niet zo (heel) ver te laten komen.
Er kan een dag komen dat hij voor mijn boe­ken­kast zal staan en niet méér zal zien dan een blin­de muur opge­bouwd uit kleur­rij­ke bouw­ste­nen. Ik ver­heug mij niet op die dag.

De stel­ling:
Het is een goe­de zaak dat boek en boek­druk­kunst lang­zaam maar zeker zul­len ver­dwij­nen. Het zijn media­vor­men die hun bes­te tijd heb­ben gehad.

~ ~ ~

His­to­ri­ans still unborn will appre­ci­a­te your coo­p­e­ra­ti­on in the futu­re, Sonmi-451.
We archi­vists thank you in the pre­sent. […] Now, this sil­ver egg-sha­ped devi­ce is cal­l­ed an ori­son. It records both an ima­ge of your face and your words. Once we’re finis­hed, the ori­son will be archi­ved at the Mini­stry of Testaments.

Cloud Atlas, David Mit­chell (2003)

~ ~ ~

“Om een bescha­ving te ver­nie­ti­gen, moet je geen boe­ken ver­bran­den. Over­tuig gewoon de men­sen om er geen meer te lezen.” 
Ray Brad­bu­ry; Ame­ri­kaans sci­en­ce-fic­ti­on schrij­ver (1920-)

~ ~ ~

“Het is beter een mijl te rei­zen dan om dui­zend boe­ken te lezen.” 
Con­fu­ci­us; Chi­nees filo­soof (551 v.C. — 479 v.C.)

~ ~ ~

Alter Ego in Second Hyves – Wie ben ik?

Wat een f*cking kl*te dag was het tot nu toe! En ’t was nog maar vroeg in de avond. Nog zeker enke­le uren te gaan. Enke­le uren die hem scheid­den van de rust in z’n stu­deer­ka­mer. Van rust en, nog veel belang­rij­ker, het alleen kun­nen zijn. Geen gezeur aan z’n hoofd daar in z’n kamer­tje. Lek­ker alleen. Alleen met z’n pc en z’n inter­net ver­bin­ding. En ver­vol­gens inlog­gen. Inlog­gen met z’n fake use­rid. Met z’n onlangs aan­ge­maak­te alter ego. En dan con­tact zoe­ken met ech­te men­sen. Van vlees en bloed. Om door hun foto’s te bla­de­ren en hun krab­bels en blogs te lezen. Foto’s van vakan­tie trip­jes. Krab­bels over uit­stap­jes met vrien­den. Blogs over sport­da­gen. Wha­te­ver. Alle­maal din­gen die hij moest mis­sen, maar wel naar hunkerde.
En dus keek en las hij dit alles avond na avond met een voy­eu­ris­ti­sche gul­zig­heid. En typ­te zijn reac­ties bij deze en gene. In de vei­lig­heid van z’n pseudo-profiel.

Helaas nog enke­le uren voor­dat hij van die rand­de­bie­len om zich heen ver­lost was. Per­so­neel dat het vaak liet afwe­ten. Klan­ten die zich gedroe­gen als­of ze koning zelf waren. En dank­baar­heid was ver te zoe­ken. Even had hij gedacht dat het dit jaar met de plot­se­ling opko­men­de kre­diet­cri­sis wel rus­ti­ger zou wor­den. Maar het leek wel of de bran­che waar­in hij werk­zaam was geen cri­sis ken­de. Cri­sis? Wel­ke cri­sis! Com­ple­te koop­gek­te zag hij. Gek­te die hij niet mee naar huis wil­de nemen. Bui­ten z’n stu­deer­ka­mer­tje wil­de hou­den. Wat ech­ter steeds moei­lij­ker werd. Alleen z’n alter ego bood nog rust. Deed nog niet mee aan die gek­te. Daar kon hij nog zich­zelf zijn. Of was dat het begin van gekte?

Nee, ieder­een om hem heen was gek gewor­den. Of hield zich in ieder geval van de dom­me. Want dacht alleen in eigen­be­lang. Zolang men in hem geloof­de kon hij over­al komen opdra­ven. In aller­lei gedaan­tes. Want stan­daar­di­sa­tie dat was natuur­lijk weer teveel gevraagd. Kon hij hier in Neder­land zich hul­len in een rode man­tel en bij­pas­sen­de mij­ter, moest hij in Noord-Frank­rijk z’n wit­te baard inrui­len voor een rood exem­plaar. In Zwit­ser­land zagen ze ‘m ver­vol­gens weer lie­ver op een ezel dan op een wit­te schim­mel. Zo was ’t in elke streek wel weer anders. Gek werd hij er van.

Het leek wel of elke dag een gro­te­re beproe­ving werd. Als­of hij zich steeds moei­za­mer naar het eind van een werk­dag toe moest sle­pen. Zo was het ‘m ook van­daag weer ver­gaan. Ten dode ver­moeid gooi­de hij z’n streek­ge­bon­den klof­je op de grond en sloot de deur ach­ter zich. Met een zucht liet hij zich in z’n bureau­stoel val­len. Met een rou­ti­neus gebaar klik­te hij de pc aan. Ter­wijl de pc opstar­te leek het of hij nieu­we ener­gie kreeg. Alle frusta­tie van de dag ver­dween uit z’n gestel. Met iets van afkeer typ­te hij z’n win­dows log-in gegevens
Gebrui­kers­naam: SantaKlaas
Wachtwoord: ***********

Nadat de inter­net­ver­bin­ding tot stand was gebracht zocht hij onder favo­rie­ten naar de hyves pagi­na. De pagi­na van z’n alter ego. Zorg­vul­dig door een daar­toe gespe­ci­a­li­seerd bedrijf gecon­stru­eerd. Com­pleet met fake pro­fielfo­to, familiefoto’s, ach­ter­grond­in­for­ma­tie, om het maar zo echt moge­lijk te laten lij­ken. Al enke­le weken hyve­de hij nu met dit alter ego. En voel­de zich er steeds meer in thuis. Z’n pagi­na werd steeds vaker bezocht, de krab­bels en R&R’s stroom­den bin­nen. De vrien­den­lijst groei­de met de dag. Nu eerst maar eens inlog­gen om te zien hoe­veel reac­ties hij bin­nen had gekre­gen. Zien of ze z’n blogjes kon­den waarderen.
Gebrui­kers­naam: peterpellenaars
Wachtwoord: **********

Ha, 12x nieu­we berich­ten in m’n inbox

~ ~ ~

Bad Sex in Fiction award voor Shakespeare?

Vroe­ge Mid­del­eeu­wen:
Enig over­ge­ble­ven frag­ment uit oer­ver­sie Romeo & Juliet => Rode­wijn & Anita 
Popu­lai­re raam­ver­tel­ling die gewoon­lijk in de late uur­tjes werd voorgedragen: 

Hé meis­je!, zeg meis­je, ben je al een beet­je nat 
rit­sie­pie rit­sie­pa ritsiepoe 
Een har­de lul die is gemaakt om mee te pompen 
fal­de­rie, faldera 

1590–1592:
Sha­ke­spe­a­re is onder de indruk geraakt van de poë­ti­sche schoon­heid en tra­giek in het Rode­wijk & Ani­ta ver­haal, en maakt een eer­ste engel­se ver­sie van Romeo & Juliet: 

Here is the sto­ry of a real cool dude. Romeo’s his label, and he sho’ ain’t crude. 
He went to a par­ty whe­re he wasn’t sup­po­sed to. He fell for a gal that he dan­ced real clo­se to. 
Juliet, Juliet, yeah man. 
The priest and the nur­se, they got the two together. They built ‘em a nest, like bir­ds of a feather. 
The pro­blem was the old man and old lady didn’t want Romeo to be her matey. 
Capu­let, Mon­ta­gue, no man. 
So he got in a fight with a real rough cat He kil­led him dead, and that was that. 
The trou­ble was the dude was Juliet’s kin, And we all know blood’s thic­ker than skin. 
Tybalt, Tybalt, po’ man. 
The priest and the nur­se hat­ched ‘em a plan to fool Ver­o­na; Julie takes a pill, and they think she’s a goner. 
The pro­blem was Romeo’s a loner. He got kick­ed out­ta town by the dudes of Verona. 
Romeo, Romeo, whe­re you be? Yo, Man­tua by the sea. 
He gets a mes­sa­ge the wrong way straight. He rides to Ver­o­na to see his mate. 
When he arri­ves, he thinks he’s late; So he slays the Fren­ch­man and opens the gate. 
Paris, Paris, po’ man. 
He sees his chick taking a nap; He gets real fon­ky and starts to rap. 
He takes out the poi­son and drinks it real quick; He ends his life to be with his chick. 
Romeo, Romeo, po’ man. 
The priest comes in way too late, He sees all the blood near the gate. 
Julie yawns and she sits up straight; She spies the priest and asks for her mate, 
“Romeo, Romeo, whe­re you be?” 
“Lord, Child, can’t you see? Your dude is dead! No mo’ mis­ter! I’ll take you away and make you a sister!” 
Juliet, Juliet, po’ gal. 
She sends him away. She says she won’t go. She picks up the cup and throws it on the flo’. 
She gives her man a lon­ging kiss. She grabs his knife and dies in bliss. 
Juliet, Juliet, po’ gal. 
Now the Mon­ta­gues and Capu­lets, they made their pea­ce; They rai­sed up some sta­tu­es to show their grief. 
For never was a sto­ry of more woe Than this one here of Juliet and Romeo. 

1593:
Sha­ke­spe­a­re besluit de eer­ste ver­sie te bewer­ken nadat hij er niet in slaagt om in de top-10 charts van de hit­pa­ra­de te komen. Hij gooit het over een ande­re boeg om een gro­te­re doel­groep te berei­ken. Het nu vol­gen­de frag­ment is exemplarisch: 

Romeo comes over and pus­hes me gent­ly back down on the fake fur. I try to rise up to kiss him – it’s so love­ly, the kis­sing – but he pus­hes me down, again. He likes to kiss me all over befo­re he does any­thing else. He starts with my eyes, and plants a ten­der kiss on each lid. 
… He moves on to my ears, a kiss that makes my nip­ples stand erect, and me emit litt­le moans that drown out to my own ears the loud, dis­trac­ting sound of Cum­ber­batch swi­ping dock lea­ves and tea­ring nett­les and long gras­ses very clo­se to the ric­ke­ty stoop. Romeo’s hands are cares­sing my bre­asts, now, and I am allo­wed to kiss him back, but not for long, for he breaks off, to give each bre­ast the atten­ti­on it deser­ves. As he nib­bles and pulls with his mouth, his hands find my bush, and with light fin­gers he flut­ters about the­re, as if he is a moth cau­ght insi­de a lampshade. 
Almost screa­ming after five ago­ni­zin­gly plea­su­ra­ble minu­tes, I make a grab, to put him, now angri­ly slap­ping against both our bel­lies, insi­de, but he holds both by arms down, and puts his ton­gue to my core, like a cat lap­ping up a dish of cream so as not to miss a sin­gle drop. I find myself grip­ping his ears and tug­ging at the locks cur­ling over them, besi­de myself, and a stran­ge ani­mal noi­se esca­pes from me as the moun­ting, thun­de­ring cres­cen­do over­ta­kes me.

1594:
Na een span­nen­de eind­strijd wint Sha­ke­spe­a­re the Bad Sex Fic­ti­on award met boven­staan­de scè­ne. Dit is aan­lei­ding voor hem om voor een laat­ste keer essen­ti­ë­le onder­de­len te herschrijven. 

1597:
Defi­ni­tie­ve publi­ca­tie van Romeo & Juliet: 


Act 1, Sce­ne 5

ROMEO [To JULIET.] 
If I pro­fa­ne with my unwort­hiest hand 
This holy shri­ne, the gent­le sin is this: 
My lips, two blus­hing pil­grims, rea­dy stand 
To smooth that rough touch with a ten­der kiss.
JULIET
Good pil­grim, you do wrong your hand too much, 
Which man­ner­ly devo­ti­on shows in this; 
For saints have hands that pil­grims’ hands do touch, 
And palm to palm is holy pal­mers’ kiss.
ROMEO
Have not saints lips, and holy pal­mers too?
JULIET
Ay, pil­grim, lips that they must use in pray­er.
ROMEO
O, then, dear saint, let lips do what hands do; 
They pray — grant thou, lest faith turn to des­pair.
JULIET
Saints do not move, though grant for pray­ers’ sake.
ROMEO
Then move not, whi­le my prayer’s effect I take.
[Kis­ses her.] 
Thus from my lips, by yours, my sin is pur­ged.
JULIET
Then have my lips the sin that they have took.
ROMEO
Sin from thy lips? O tres­pass sweet­ly urged! 
Give me my sin again.
[Kis­ses her.] 
JULIET
You kiss by th’ book.

~ ~ ~

Geïn­spi­reerd door Rachel John­son, die dit jaar (2008) de Bad Sex in Fic­ti­on Award heeft gewon­nen. Het is haar win­nen­de stuk­je tekst dat hier­bo­ven is gebruikt. 

John Updi­ke heeft trou­wens een eer­vol­le ver­mel­ding voor z’n gehe­le oeu­vre gekregen. 

Voor de vol­le­dig­heid ver­meld ik nog dat Romeo’s Rap geschre­ven is door Pat Alva­ra­do en de oer­ver­sie van Rode­wijn & Ani­ta is natuur­lijk her­ken­baar als een ech­te Hans Teeu­wen tekst. 

~ ~ ~

Er schuilt geen echte kok in mij — en daar ben ik blij om!

Ik kan dus niet koken.

Het sta­di­um dat ik water liet aan­bran­den tij­dens eitjes koken ligt wel­is­waar ach­ter mij, maar daar­mee is toch wel een van de belang­rijk­ste wapen­fei­ten met­een bekend gemaakt.

Natuur­lijk lukt het mij nu een een­vou­di­ge maal­tijd samen te stel­len. Zeker wan­neer die gestoeld is op oer­hol­land­se ingre­di­ën­ten zoals aard­ap­pe­len, bloem­kool en stoof­lap­je. Maar ook maca­ro­ni en bami zijn gerech­ten die ik durf te berei­den en te serveren.

Ech­ter, ik kan dus niet koken.

Want een ech­te kok ziet een gerecht voor zich wat nog niet bestaat. Wat nog nooit gemaakt is mis­schien. Er is nog geen recept voor­han­den, slechts het eure­ka gevoel dat met een beet­je van dit en een beet­je van dat er een eind­pro­duct kan ont­staan wat fan­tas­tisch zal sma­ken. En er nog mooi uit­ziet ook. Want het oog wil ook wat.

De ech­te kok kijkt naar een stuk vlees en weet al wel­ke behan­de­ling er nodig is om dit vlees opti­maal te gebrui­ken. Welk stuk­je het bes­te smaakt. Hoe dik of dun er gesne­den moet gaan wor­den. Hoe lang het op het vuur moet staan en met wel­ke krui­den. En zelfs hoe het uit­ein­de­lijk zal sma­ken. Alleen maar door er naar te kijken.

Ik kijk naar een stuk vlees, en zie een stuk vlees.
En pak het kook­boek om te zien wat er moet gebeu­ren. Snij­den, bak­ken of sto­ven, wach­ten, kook­wek­ker­tje erbij. Als de tijd voor­bij is, vol­gen­de han­de­ling. Niet proe­ven of het goed genoeg is, maar pre­cies vol­gens de tijds­re­gels van het recept. Geeft in de mees­te geval­len een goed resul­taat. Hier onder­schei­den zich de ech­te kok en ikzelf sterk van elkaar.

Maar waar we alle­bei het­zelf­de over den­ken is het idee dat we iets berei­den wat met smaak gege­ten kan wor­den. Waar iemand van kan genie­ten. In het geval van de ech­te kok ligt de lat hoog en wordt gestreefd naar een hemel­se smaak­sen­sa­tie, in mijn geval hoop ik dat men het voor­ge­scho­tel­de bord eten met smaak hele­maal op eet. En met een vol­daan gevoel van tafel gaat.

Waar ik niet op hoop.
Dat men een hap­je neemt.
Wat proeft.
Nog wat lan­ger proeft.
En dan alles uitkotst!

Zoals een ech­te kok!

Zoals Gor­don Ramsay!

 

Hier ver­schil­len zich de ech­te kok en ikzelf ono­ver­brug­baar van elkaar.

~ ~ ~

Geschre­ven tij­dens de berei­ding van een heer­lij­ke Chi­li con Car­ne vol­gens het boekje/zakje.

~ ~ ~

Beklemmend speelgoed — een ode aan de fantasie

Bij­na pak­jes­avond en de brie­ven­bus raakt meer en meer ver­stopt met speel­goed­fol­ders. En met elke nieu­we dag die Opa en Oma dich­ter bij 5 decem­ber brengt, raken ze ver­der in de stress over hun geplan­de bij­dra­ge aan het sin­ter­klaas­feest voor hun klein­zoon. Zo jong en modern als ze den­ken te zijn kun­nen ze toch niet ont­ken­nen dat veel van het aan­ge­pre­zen speel­goed hen totaal niets zegt. En weten ze zich slechts met moei­te te ver­plaat­sen in de speel­goed­be­le­vings­we­reld van hun ruim 1,5 jaar oude kleinzoon.

Een uit­ge­le­zen kans doet zich voor als klein­zoon­lief een nacht­je komt loge­ren. Sys­te­ma­tisch wordt al het in huis aan­we­zi­ge speel­ge­rei tevoor­schijn gehaald en samen met de klei­ne dreu­mes ‘getest’. Na een klein half uur blijkt dat er bij hem een lich­te voor­keur bestaat voor speel­goed met wiel­tjes, speel­goed dat je kunt sta­pe­len en speel­goed dat geluid maakt. Maar echt veel wij­zer zijn Opa en Oma niet geworden.

Tot­dat het klei­ne man­ne­tje een klein groen mys­te­ri­eus doos­je ont­dekt. Met daarin…
Mini-wasknijpers!

Een nieu­we wereld gaat voor hem als­ook de ver­baas­de groot­ou­ders open. Want wat je al niet met mini-was­knij­pers kunt doen (in wil­le­keu­ri­ge volgorde):

• 16 stuks (let op, dit aan­tal schijnt belang­rijk te zijn, al weet men nog steeds niet waar­om) op de grond leg­gen, en ver­vol­gens wordt elke knij­per uiterst voor­zich­tig opge­pakt door de klein­ste in het gezel­schap en één voor één in de hand gelegd van ofte­wel Opa of Oma; op het moment dat de laat­ste knij­per bij de 15x ande­re gelegd wordt, dan telt men geza­men­lijk tot 3 om daar­na met veel gejoel en gespar­tel van armen en benen alle 16x knij­pers op de grond te laten val­len; en men begint over­nieuw; ad infinitum…

• Men kan een uiterst groe­ne gif­kik­ker nemen en deze ver­sie­ren met knij­pers (waar­bij men wel altijd aan­dacht moet beste­den aan het feit dat dit alleen bij speel­goed­die­ren geoor­loofd is)

• Een­maal ach­ter elkaar ver­bon­den heeft men niet mini-was­knij­pers op een rij­tje (duh), maar een slang, of een toren, of een liaan, of een etc, etc,

• Dezelf­de kik­ker kan zomaar ineens ver­an­de­ren in de wel­be­ken­de maar slechts spo­ra­disch voor­ko­men­de mini-was­knij­per­mon­ster (in de ver­te ver­want aan het koek­jes­mon­ster); dit dier eet vele knij­pers met genoe­gen op, zon­der daar noe­mens­waar­dig last van te hebben.

En zo zijn er nog vele manier te ver­zin­nen om jezelf als kind te ver­ma­ken met mini-wasknijpers.

Dus de momen­teel uiterst relax­te Opa en Oma heb­ben alle speel­goed­fol­ders bij het oud papier gelegd en zijn bezig om een eigen cata­lo­gus samen te stel­len van aller­lei unie­ke vari­an­ten wat je kunt doen met mini-was­knij­pers. En heb­ben hun cadeau al klaar­staan: een star­ters set­je mini-was­knij­pers. Weg met lego!

Iemand nog tips?

~ ~ ~

Geïn­spi­reerd door Noah

~ ~ ~

Rattenvanger in moderne tijden

In het stad­huis was het warm. Over­al stond de ver­war­ming op de hoog­ste stand. Zo ook in de raads­zaal waar de vol­tal­li­ge gemeen­te­raad bij­een was geko­men. Er was slechts één agen­da­punt deze avond: de beta­ling van de rat­ten­van­ger. Want voor de twee­de keer in de geschie­de­nis van het klei­ne stad­je in Neders­ak­sen had men te maken gehad met een rat­ten­plaag. Plot­se­ling waren ze van hein­de en ver­re opge­do­ken. En ook deze keer had alleen een mys­te­ri­eu­ze rat­ten­van­ger uit­komst kun­nen bie­den. Tegen een voor­af over­een­ge­ko­men prijs van één euro per rat, had de rat­ten­van­ger de opdracht aan­vaard en reeds de vol­gen­de dag mil­joe­nen rat­ten met zijn fluit­klan­ken regel­recht de rivier inge­lokt. Alwaar ze allen jam­mer­lijk ver­dron­ken en door het water mee­ge­voerd wer­den. En nu moest er betaald worden.

Bui­ten op het stad­huis­plein was het koud. Ijs­koud. Het was ten­slot­te al bij­na decem­ber en de eer­ste sneeuw al enke­le dagen gele­den geval­len. De rat­ten­van­ger liep rond­jes op het plein om zich warm te hou­den. Al enke­le uren wacht­te hij nu op z’n geld, maar nog steeds was er nie­mand uit het stad­huis naar bui­ten geko­men om hem z’n recht­ma­ti­ge beta­ling te over­han­di­gen. Wel kwa­men er steeds weer ande­re men­sen van­uit de stad naar het stad­huis en ver­dwe­nen naar bin­nen, om voor­als­nog niet weer naar bui­ten te komen.

Een eind bui­ten de stad was het druk. Hier had­den zich de rat­ten ver­za­meld die eer­der die dag mas­saal in de rivier waren gespron­gen, als schijn­baar daar­toe aan­ge­zet door de beto­ve­ren­de muziek van de rat­ten­van­ger. Ze waren onrus­tig, want al weer te lang bui­ten hun vei­li­ge en ver­trouw­de onder­ko­men diep in de inge­wan­den van de heu­vels rond­om Hame­len. Slechts spo­ra­disch kwa­men ze naar bui­ten, en dan alleen als de nood aller­hoogst was. En zover was het nu weer. Het was cri­sis. Door wan­be­leid waren ze door hun gehe­le voor­raad voed­sel en geld heen. En opnieuw moesten ze de alou­de truc met de rat­ten­van­ger uit­voe­ren. Een truc die altijd van suc­ces ver­ze­kerd was. Een­der geld of kin­de­ren was de belo­ning van het gehei­me samen­spel tus­sen de rat­ten en de rat­ten­van­ger. En bei­de kon­den ze deze keer goed gebruiken.

De rat­ten­van­ger keek voor de zoveel­ste keer op z’n hor­lo­ge. Ruim vier uren lie­ten ze hem nu wach­ten. Geld alleen zou al bij­na niet meer vol­doen­de com­pen­sa­tie zijn voor de tijd die ze hem hier bui­ten in de kou lie­ten door­bren­gen. Het zou hem wei­nig moei­te kos­ten om in het don­ker op zijn terug­weg rich­ting heu­vels, ergens enke­le klei­ne kin­de­ren mee te lok­ken. De gedach­te aan wat hij een­maal terug in z’n eigen grot met deze kin­de­ren zou kun­nen doen, deed de kou wat ver­dwij­nen. En de rat­ten zou­den op een mak­ke­lij­ke manier hun erg­ste hon­ger kun­nen stillen.

Ergens hoop­te hij dat de bewo­ners van het stad­je het geld niet beschik­baar zou­den hebben.

De bur­ge­mees­ter had inmid­dels alle bemid­del­de stads­ge­no­ten bij zich geroe­pen om te zien of ze geza­men­lijk het ver­schul­dig­de bedrag com­pleet kon­den krij­gen. Maar tot nu toe waren ze nog niet op de helft. De wan­hoop werd gro­ter bij elke nieu­we bin­nen­ko­mer die zijn spaar­geld op de gro­te ver­ga­der­ta­fel leg­de. En ook niet in staat was om het gat te dichten.

Ter­wijl het angst­zweet in dun­ne straal­tjes over het voor­hoofd van de bur­ger­va­der liep, pro­beer­de de wet­hou­der van finan­ci­ën tegen beter weten in opnieuw in te log­gen op de schijn­baar geblok­keer­de spaar­re­ke­ning bij de Ice­Sa­ve Bank.

~ ~ ~

Geschre­ven onder het genot van ette­lij­ke gla­zen rode wijn.
Geïn­spi­reerd door het vol­gen­de nieuwsbericht:

Hame­len kampt met rattenplaag
18-11-2008 Door: NU.NL

(Hameln) — De Duit­se stad Hameln (Hame­len), bekend van het sprook­je van de Rat­ten­van­ger van Hame­len, kampt met een gro­te rat­ten­plaag. Dat heeft een woord­voer­der van de stad Hameln in Neders­ak­sen laten weten.
De zegs­man stel­de dat het aan­tal rat­ten in een gebied van volks­tuin­tjes aan de rand van de stad explo­sief is gegroeid. Hameln kan de die­ren niet op effec­tie­ve wij­ze bestrij­den, omdat er ondui­de­lijk­heid is over de eigen­doms­ver­hou­din­gen in het gebied.

Wil je nog eens nale­zen hoe het ech­te ver­haal van de Rat­ten­van­ger ook al weer ging, neem dan hier een kijk­je. Of kijk hier op Wiki­pe­dia voor ande­re interpretaties.

~ ~ ~

Stoppen met roken goed voor iedereen?

“… vroe­ger … voor­goed … met roken …”
Van­we­ge een aan­hou­den­de hoest­bui kreeg ie slechts enke­le woor­den mee.
“Wat zei je?”
“Ik zei dus, dat ze vroe­ger bij ons in ’t dorp altijd zei­den dat iemand voor­goed gestopt was met roken. Wan­neer ie dus over­le­den was. Dat zei­den ze bij ons. Voor­al de oudjes.”
Hij keek nog eens naar bene­den. Deze man zou dus gestopt zijn met roken. Als ie al rook­te. Of beter, gerookt had. Dat zou trou­wens nu nog maar moei­zaam gaan. Een gedeel­te van de onder­kaak was uit het gezicht van de man ver­dwe­nen. Daar­door had je nu vrij­uit zicht tot diep in de mond. Wat opviel was dat een hoop tan­den ont­bra­ken. Ook de tong van de man was op het eer­ste gezicht niet geheel com­pleet. En alles zat onder de bla­ren. Brandblaren.

“Vol­gens mij wist ie echt niets.”
“Par­don?”
“Over de deal. Bedoel ik. Dat ie niks wist. Anders had ie heus wel iemand ver­linkt. Dus. Ik bedoel. Met wat er alle­maal met ‘m is gedaan. Jezus! Ik dacht dat ie de twee­de dag al te ver heen was. Met die strijk­bout. Dus. Hoe ver­zin je ‘t. Had je dat al ooit eer­der gedaan? Wat een brand­lucht! Ik dacht nog, dalijk komt de brand­weer bin­nen­val­len in plaats van de poli­tie. Haha­ha­ha. Snap je ‘m? De brandweer.”
Nog steeds staar­de hij naar het lichaam dat daar bene­den aan z’n voe­ten lag. Bij­na had z’n eer­ste schot doel gemist omdat een plot­se­lin­ge hoest­bui hem over­val­len had. In plaats van keu­rig tus­sen de ogen was de kogel inge­sla­gen in de onder­kaak van de man. En was een twee­de schot nodig. Dat was ‘m nog nooit overkomen.

“Kun je ‘m een stuk­je deze kant opduwen?”
Pein­zend keek hij naar de bran­den­de siga­ret in z’n hand. Hele­maal opro­ken, of een sym­bo­lisch laat­ste trek­je, of gewoon met­een hele­maal stoppen?
“Je hoeft ‘m echt maar een stuk­je te rol­len of zo. Met je voe­ten. Dan wor­den je han­den niet vuil. Laat het vui­le werk maar aan mij over. Da’s mijn spe­ci­a­li­teit. Ieder het zij­ne. Zeg ik altijd. Ik ben niet in de wieg gelegd voor dat gemar­tel en zo. Met al die instru­men­ten. Laat mij maar gewoon op de uit­kijk staan. Of rond­rij­den. Of een stuk­je gra­ven zoals hier. Da’s goed voor de con­di­tie. Kan dat luie zweet er uit. Hahaha.”
Een flin­ke duw met de punt van z’n schoen was vol­doen­de om het lijk bin­nen het bereik van de man in de kuil te bren­gen. Ter­wijl die ver­der ging met het lijk hele­maal in de kuil te trek­ken, nam hij toch nog een trek van z’n siga­ret. Wat ‘m met­een weer een hoest­bui opleverde.

Zeker van z’n zaak gooi­de hij de smeu­len­de siga­ret het lijk ach­ter­na de kuil in.
Z’n besluit stond vast. Van­daag zou hij stop­pen met roken.
Hij had nog zoveel te doen. Zoveel werk wat op hem wachtte.

~ ~ ~
Geschre­ven onder het genot van ette­lij­ke kop­pen kof­fie, maar géén sigaretten.
Geïn­spi­reerd door het vol­gen­de nieuwsbericht:
Roe­meen gemar­teld wegens mis­luk­te drugsdeal
06-11-2008 Door: NOVUM
Een Roe­meen is vori­ge week gegij­zeld en een aan­tal dagen gemar­teld in een woning in Amster­dam-Zuid­oost. Ver­moe­de­lijk heeft de Roe­meen een bepaal­de par­tij hard­drugs niet geleverd.
Zijn fami­lie werd onder druk gezet om los­geld te beta­len, meldt de poli­tie don­der­dag. Fami­lie­le­den kre­gen via inter­net film­pjes aan­ge­le­verd, waar­op was te zien dat het slacht­of­fer ern­stig werd gemar­teld. De Roe­meen werd gesla­gen, geschopt, en bedreigd met een hete strijk­bout. Nade­re details over de mar­te­ling wil de poli­tie niet vrijgeven.

~ ~ ~

Dag winterzon, welkom winterslaap

06:05 uur
Ver­baasd staar ik van­uit de slaap­ka­mer naar het laag­je ijs op de car­port. Nu al? De tuin­set is nog niet eens opgeborgen!
Het zol­der­raam heeft op een kier gestaan en er komt een wolk­je uit m’n mond wan­neer ik uitadem.

06:50 uur
Met ver­kleum­de han­den sta ik het ijs van de auto­ruit te krab­ben. Een­maal geze­ten in de auto zijn bin­nen kor­te tijd de rui­ten en ach­ter­uit­kijk­spie­gel besla­gen. Het stuur voelt aan als koud ijzer in plaats van kunst­stof. De cd spe­ler wei­gert dienst.

06:55 uur
Vloe­kend par­keer ik de auto aan de rand van de straat en stap uit. In de kof­fer­bak vind ik uit­ein­de­lijk een zeem om de besla­gen ramen defi­ni­tief schoon te maken. Een­maal weer aan het rij­den schijnt de laag­han­gen­de zon recht in m’n gezicht. Op de radio klinkt het weer­be­richt. Voor­als­nog de komen­de dagen meer van het­zelf­de (dus nachtvorst).

07:45 uur
De pc is opge­start en een kop­je kof­fie staat klaar. Alleen schijnt de zon recht in het scherm. Geïr­ri­teerd doe ik de luxa­flex dicht. Het kop­je kof­fie voelt lek­ker warm aan in m’n han­den. Ande­re collega’s komen bin­nen en de mees­ten kla­gen over de plot­se­lin­ge koude.

09:00 uur
Het afde­lings­over­leg begint met terug­kop­pe­ling uit het MT. Iemand klaagt dat de zon te fel naar bin­nen schijnt en dat het ook nog te warm wordt. Of ook hier de luxa­flex niet dicht kan.

09:48 uur
Het laat­ste agen­da­punt betreft de inter­ne ver­hui­zing. Verhuizing?
Ja, naar een tij­de­lij­ke plek ergens diep in het gebouw. En. Oja. Een ruim­te zon­der bui­ten­licht. Wel ramen. Maar die kij­ken uit op de productievloer.
Geen buitenlicht?
Nee, geen buitenlicht.

Mag de luxa­flex nog even open aub?

 

~ ~ ~