Survival of the ARBO fittest

Afge­lo­pen week bracht Emiel mij een bericht­je met als onder­werp ‘Fit­test’.
Emiel? Ja, Emiel. De naam die ik af en toe nog wel eens gebruik voor e‑mail. Niet door mij­zelf ver­zon­nen, maar door een oud-col­le­ga (in de peri­o­de waar­aan ik refe­reer was ze al dicht de pen­si­oen­ge­rech­tig­de leef­tijd gena­derd, dus eigen­lijk eer­der een oude oud-col­le­ga). In haar laat­ste Phi­lips­ja­ren moest ze nog aan de e‑mail, en regel­ma­tig bel­de ze de help­desk dat ze weer eens pro­ble­men had met Emiel.

Emiel dus con­fron­teer­de me met ‘Fit­test’. Wat me deed afvra­gen waar­voor ik bena­derd zou moe­ten wor­den in het kader van ‘Sur­vi­val of the fit­test’. Een niet vreem­de asso­ci­a­tie in dit Dar­win­jaar. Zeker omdat het een dub­bel Dar­win­jaar is: 200 jaar gele­den gebo­ren en 50 jaar later zijn belang­rijk­ste boek, On the ori­gin of spe­cies by means of natu­ral selec­ti­on, or the pre­ser­va­ti­on of favou­red races in the strug­gle for life, gepu­bli­ceerd.

Zou ik ‘natuur­lijk gese­lec­teerd’ zijn voor:

  • het natuur­lij­ke eind­punt van de men­se­lij­ke soort?
  • het natuur­lij­ke eind­punt van de ide­a­le part­ner voor de Rela­tie­pla­net vrouw?
  • het natuur­lij­ke eind­punt van de lezen­de mens?

Aldus droom­de ik mezelf een geva­ri­eer­de reeks van uit­ge­ë­vo­lu­eer­de types toe, wel­ke mij op het natuur­lij­ke lijf geschre­ven waren. Want, had ik deze week gele­zen, in de natuur werkt slechts het toe­val van blin­de natuurkrachten.

Dar­win wil­de zijn evo­lu­tie­ge­dach­te los­kop­pe­len van de meta­fy­si­sche en spe­cu­la­tie­ve idee­ën van eer­de­re filo­so­fen. Het ori­gi­ne­le van zijn bij­dra­ge is dat hij laat zien dat de ont­wik­ke­ling van een bepaal­de dier- of plan­ten­soort in een bepaal­de rich­ting wordt gestuurd, zon­der dat daar meta­fy­si­sche rede­nen voor zijn. Dar­win noem­de dit mecha­nis­me aan­van­ke­lijk ‘natu­ral selec­ti­on’. Deze term staat pro­mi­nent in de titel van zijn boek. Ach­ter­af was hij er onte­vre­den over. ‘Selec­tie’ was te pas­sief. De term liet onvol­doen­de door­klin­ken dat via dit mecha­nis­me ook gecom­pli­ceer­de orga­nis­men kun­nen ont­staan uit een­vou­di­ge levens­vor­men. Later gebruik­te hij bij voor­keur de uit­druk­king ‘sur­vi­val of the fit­test’, een term die hij ont­leen­de aan de filo­soof Her­bert Spencer.

En natuur­lijk zie ik mij­zelf (niet alleen in m’n dro­men) als een gecom­pli­ceerd orga­nis­me wel­ke is ont­staan uit een een­vou­di­ge levens­vorm. Maar in wel­ke hoe­da­nig­heid was men op zoek naar mij? Waar­voor zou ik een Dar­win Award uit­ge­reikt gaan krijgen?

De wer­ke­lijk­heid was (zoals zo vaak) ontnuchterend.

Emiel liet weten dat ik uit­ge­no­digd was voor de Arbo Unie Fittest:

Uw werk­ge­ver stelt u van­uit ‘goed werk­ge­ver­schap’ in de gele­gen­heid om deze gezond­heids­check te onder­gaan. De deel­na­me aan dit onder­zoek is vrij­wil­lig. De indi­vi­du­e­le uit­kom­sten van het onder­zoek zijn strikt ver­trou­we­lijk, val­len onder het medisch geheim en wor­den alleen aan u terug­ge­kop­peld en zijn niet toe­gan­ke­lijk voor uw werkgever.

De fit­test bestaat uit het volgende:

Bio­me­trie door de doktersassistente
— Lengte/gewicht
— Bloeddruk
— Visustest
— Gehoortest
— Bloed­af­na­me voor cho­les­te­rol en glucose

Fit­test door de bedrijfsfysiotherapeut
— Body­Mass Index
— Vetpercentagemeting
— Knijpkrachtmeting
— Lenigheidstest:
— Zit- en reiktest
— Schouderlenigheidtest
— Long­func­tie­test (peak­flow­me­ting)
— Con­di­tie­test (Sub­maxi­ma­le fiets­test van 6 minuten)
— Scan fysie­ke klachten

Pas nu schoot mij te bin­nen dat ik een week eer­der via Emiel te horen had gekre­gen dat ik een vra­gen­lijst dien­de in te vul­len. De ant­woor­den zou­den gebruikt wor­den in de nog te vol­gen gezond­heids­check. In het kort had ik de vra­gen­lijst min of meer waar­heids­ge­trouw als volgt ingevuld:

Ik voel me gezond
want, des­on­danks, mits, maar (door­ha­len wat niet van toe­pas­sing is),
Ik sport niet
Ik rook niet (meer)
Ik drink niet te min niettemin

De uit­no­di­ging is voor over twee weken. Een kor­te peri­o­de die ik hoogst­waar­schijn­lijk ga gebrui­ken om m’n real-life con­di­tie iets meer rich­ting gesug­ge­reer­de con­di­tie te bren­gen. Het zal toch niet zo ver komen dat ik m’n fit­test niet survive?

[upda­te woens­dag­avond 25 febru­a­ri 21:15 uur]
BMI 21,6 (kg/m2)
bloed­druk OK
gehoor OK
zien OK
lenig­heid OK
knijp­kracht OK
long­in­houd OK
con­di­tie.…. Bij­na OK

Advies: meer bewegen!

~ ~ ~

Het bushokje dat geen bushokje was

Ter­wijl ik bezig was met de beklim­ming, had mijn bril reeds de afda­ling inge­zet. Gelijk het zweet gleed het lich­te mon­tuur rich­ting neus­punt­je. Gri­mas­send pro­beer­de ik een hou­vast te bie­den aan de neus­steun­tjes zodat ze zich in hun neer­waart­se baan ergens aan kon­den vast­klam­pen. Mijn han­den zaten vast­ge­klon­ken aan het stuur van de race­fiets waar­op ik zwoe­gend tegen de stroom van smel­tend asfalt mijn weg omhoog zocht. De zon brand­de onbarm­har­tig in mijn nek en op het weg­dek. Met elke vol­gen­de omwen­te­ling van de wie­len werd nieuw asfalt om het fra­me aan­ge­bracht. Ik reed op een fiets van teer en was één met de weg.

Een bus haal­de mij in. De pas­sa­giers keken mij aan. Hun koe­le blik­ken zorg­den voor ver­fris­sing. Dade­lijk, in de afda­ling na de top, zou de bus mijn prooi wor­den. Op mijn gebeeld­houw­de fiets zou ik als een kanons­ko­gel naar bene­den suizen.

Ik staar­de over de gla­zen van mijn bril naar die top waar de bus inmid­dels stond gepar­keerd. Direct ach­ter een reeds aan­we­zi­ge bus. Uit het bus­hok­je begon­nen men­sen te komen. Ze zweef­den de voor­ste bus in. Tien­tal­len. Tot­dat het de bus genoeg was en ver­trok. Bij­na was ik bij de twee­de bus aan­ge­ko­men. Die trok een stuk­je op. Om me te pla­gen. Deu­ren gin­gen open en de pas­sa­giers vloei­den het bus­hok­je binnen.

Alles sloot zich toen ik bij de top kwam. Ik stap­te van mijn fiets die als een sok­kel in het asfalt bleef staan. Mijn bril hing aan één oor. De bus­chauf­feur – een vrouw – knip­oog­de naar me. Met een zucht dook ze de diep­te in.

Het bus­hok­je was geslo­ten als een oes­ter. Ik liet me naast haar val­len in het dro­ge gras. Er klonk geluid uit haar buik. Ze zei: “Ik ben geen bus­hok­je, maar de ingang naar een grot­ten­stel­sel waar je kunt fiet­sen en wan­de­len.” Daar moest ik heel lang over naden­ken. Op zoek naar hou­vast her­haal­de ik wat ze mij toe­ver­trouwd had: “Dus je bent geen bushokje”.
“Nee, ik ben een wiel­ren­ner, en in het dage­lijks leven een account­ma­na­ger. En jij bent ook geen bus­hok­je. En dit is, zoals ik net zei, de ingang naar een grottenstelsel”.

Boven me toren­de de gestal­te van Kees, mijn fiets­vriend. “Je ziet er slecht uit,” zei hij. “Je moet wat meer drin­ken en een pet opzet­ten. Straks krijg je nog een zonnesteek”.

Het bus­hok­je dat geen bus­hok­je was begon gedempt te lachen.

~ ~ ~

Febru­a­ri­op­dracht van Het fan­ta­sie­rijk:
Het is koud, win­de­rig en nat. Maar, met een beet­je geluk pik je een win­ters zon­ne­tje voor de vol­gen­de opdracht.
Trek je jas aan en sluit je pc maar af, we gaan naar buiten!
Dit keer vra­gen we de deel­ne­mers een tijd­je in een bus­hok­je door te bren­gen. Je vraagt je af of er niets inspi­re­ren­ders bestaat? Ja, dat klopt. Pre­cies om die reden valt de keus dan op iets wat min­der erg is dan de brie­ven­bus, maar las­ti­ger dan de plaat­se­lij­ke markt.

~ ~ ~

Indiërs op de Ginkelse Hei

Alweer ruim twee jaar rij ik elke werk­dag over de N224 van Arn­hem naar Ede. En ’s avonds rijd ik net zo braaf weer terug naar huis.

Toen mijn hui­di­ge werk­ge­ver van Veen­en­daal naar Ede ver­huis­de was het even zoe­ken naar een geschik­te rou­te naar de nieu­we werk­plek. Zou het de kort­ste weg wor­den via de snel­we­gen A50 en A12? Of lek­ker rus­tig bin­nen­door over de reeds ver­mel­de N224? Voor wie elke dag de file-berich­ten beluis­terd en voor wie ook nog weet dat ik een broer­tje-dood heb aan het gejak­ker en gejaag op de Neder­land­se snel­we­gen, hoeft het geen ver­ras­sing te zijn dat het de rus­ti­ge bin­nen­weg is gewor­den. Aldus rij ik zoals gezegd elke och­tend heer­lijk op m’n gemak over de Gin­kel­se Hei voor­dat ik m’n autootje in de par­keer­ga­ra­ge ach­ter­laat en enke­le uren op kan­toor ga doorbrengen.

Niets bij­zon­ders, toch?

Afge­zien van het feit dat het uit­zicht ook die och­tend weer adem­be­ne­mend was, pas­seer­de ik de Gin­kel­se Hei afge­lo­pen maan­dag in gedach­ten ver­zon­ken over het pro­gram­ma van de twee­de week van de work­shop die ik geor­ga­ni­seerd had. De eer­ste week was goed ver­lo­pen ondanks dat ikzelf niet hele­maal fit was. Voor­af­gaand aan de work­shop had ik het hele week­end met koorts in bed gele­gen. Op maan­dag met veel moei­te en de nodi­ge medi­cij­nen de eer­ste dag door­ge­ko­men. Elke vol­gen­de dag ging iets beter, en op het eind van de eer­ste week voel­de ik mezelf wel­is­waar flink uit­ge­put maar ook erg vol­daan. De aftrap van het pro­ject was ach­ter de rug en de eer­ste resul­ta­ten van de work­shop waren hoop­ge­vend. Op vrij­dag­mid­dag kon ik dan ook de bei­de Ame­ri­ka­nen bedan­ken voor hun bij­dra­ge en ze een vei­li­ge reis wen­sen terug naar de VS. De twee Indi­ërs die ook over waren geko­men zou­den het week­end beste­den aan toe­ris­ti­sche trips in ons mooie land en nog een week blij­ven om het ver­za­mel­de mate­ri­aal ver­der met mij uit te wer­ken. Over dat laat­ste zat ik na te den­ken die maandagochtend.

Op het werk trof ik de indi­ërs in opper­bes­te stem­ming aan. De zater­dag had­den ze in Amster­dam (waar anders?) door­ge­bracht en zon­dag waren ze naar Arn­hem gegaan. Arn­hem? Ja, Arn­hem! Waar voor­al Nage­sh op had aan­ge­dron­gen. De reden dat hij naar Arn­hem wil­de had te maken met ope­ra­tie Mar­ket Gar­den. Het bleek dat hij goed op de hoog­te was van wat zich tij­dens WO-II in Euro­pa en Neder­land had afge­speeld. Res­pect­vol wist hij te ver­tel­len over de pogin­gen van de geal­li­eer­den om hal­ver­we­ge 1944 ons land te bevrij­den van de Duit­se bezet­ter. In Arn­hem had­den ze plek­ken en musea bezocht die hij tot nu toe alleen maar uit boe­ken en films ken­de. Hij was diep onder de indruk geraakt. Ajay was intus­sen meer en meer aan­ge­sto­ken door het enthou­si­as­me van Nage­sh en wist inmid­dels ook een hoop te ver­tel­len van wat er alle­maal voor­ge­val­len was in deze omge­ving. En bracht op een gege­ven moment het Air­bor­ne monu­ment op de Gin­kel­se Hei ter sprake.

Een monu­ment dat ik iede­re werk­dag twee keer pas­seer. Maar dat hele­maal niet wist. Nooit gezien had.

Om mijn onwe­tend­heid te ver­ber­gen bood ik spon­taan aan om nog die­zelf­de week het monu­ment ’s mid­dags tij­dens lunch­tijd met hen te gaan bezoe­ken. Het is ten­slot­te hoog­uit een minuut of 10 rij­den. De afspraak werd vast­ge­legd voor de vol­gen­de dag. Wat mij gele­gen­heid gaf om me te ver­die­pen in wat zich had afge­speeld op de Gin­kel­se Hei in 1944. Die­zelf­de avond begon ik te lezen op internet.

Ik las over John Jeffreys:

John is een Mar­ket Gar­den-vete­raan, en inmid­dels 87 jaren oud.

We schrij­ven zon­dag 17 sep­tem­ber 1944. De bezet­ters heb­ben de Gin­kel­se Hei­de in han­den en daar­mee 1 van de belang­rij­ke aan­voer­rou­tes naar Arn­hem. De Geal­li­eer­den heb­ben een ver­ras­sings­aan­val (Mar­ket Gar­den) voor­be­reid en rond een uur of 3 ’s mid­dags vlie­gen er onge­veer 120 vlieg­tui­gen boven de Gin­kel­se Hei­de waar­uit een klei­ne 1000 para­troop­ers sprin­gen. Dit geeft enor­me gevech­ten en uit­ein­de­lijk krij­gen de bezet­ters het groot­ste gedeel­te van de hei­de weer in han­den. Ze ste­ken hier­na de hei­de in brand. De Engel­sen vlucht­ten rich­ting Ede.

Maan­dag 18 sep­tem­ber 1944, weer een ver­ras­sings­aan­val. Ech­ter, de bezet­ters zijn nu voor­be­reid. Ze heb­ben zwaar afweer­ge­schut in de bos­sen langs de N224 geplaatst. John is één van de para­troop­ers op deze dag. Boven de hei­de ziet hij “a pre­lu­de of hell”, een voor­por­taal van de hel. Het groot­ste gedeel­te van de hei­de staat in brand, kogels vlie­gen dwars door de vlieg­tui­gen heen, dode kame­ra­den lig­gen in het vlieg­tuig of han­gen dood aan hun para­chu­te. Met vol­le muni­tie­be­pak­king en zon­der aar­ze­ling springt John. Hal­ver­we­ge het vlieg­tuig en de hei­de wordt hij geraakt door afweer­ge­schut. De kogel gaat via z’n lin­ker­dij­been z’n rech­ter­zij weer uit. John komt zwaar­ge­wond neer en hij ziet leven­de, gewon­de en dode collega’s in de gro­te brand terecht­ko­men. Uit alle macht pro­beert hij bui­ten de vlam­men te blij­ven en uit­ein­de­lijk heb­ben Pool­se collega’s hem in vei­lig­heid kun­nen bren­gen. Ope­ra­tie Mar­ket Gar­den is, zoals bekend mis­lukt. John is her­steld in een hos­pi­taal in Oos­ter­beek en is hier­na naar Duits­land getrok­ken om ver­der te vech­ten voor de bevrij­ding. Hier is hij nog gevan­gen geno­men en in een kamp geplaatst. Tot de bevrijding.

In totaal is John 14 maal naar de her­den­kin­gen geko­men. Al die jaren daar­voor durf­de hij niet. Hij was bang dat de Neder­lan­ders de Engel­sen kwa­lijk zou­den nemen dat Mar­ket Gar­den was mislukt.

Ik las nog veel meer. Het bezoek aan het monu­ment en de Gin­kel­se Hei was hier­na voor zowel Nage­sh en Ajay als­ook voor mij een bij­zon­de­re gebeur­te­nis. Mijn gede­tail­leer­de fei­ten­ken­nis (in kor­te tijd er in gestampt zoals ik me vroe­ger voor­be­reid­de voor een proef­werk) zorg­de er voor dat ik vol­doen­de te ver­tel­len had ter­wijl we een stuk­je over het ver­la­ten en win­de­ri­ge hei­de­land­schap wan­del­den. Nadat we nog wat foto’s had­den geno­men zijn we weer terug gere­den naar kantoor.

De rest van de week bleef dit uit­stap­je een terug­ke­rend gespreks­on­der­werp. Voor­al toen ik de vol­gen­de dag de foto’s liet zien die ik geno­men had. Eén ervan vat­te vol­gens Nage­sh het gevoel wat hij op die plek had gehad goed samen. Op de foto staan Nage­sh en Ajay samen met onze IT mana­ger onder een een­za­me kale boom. Er hangt een troos­te­loos­heid over het beeld wat vol­gens hem sym­bo­lisch was voor de plek. Er zit wel iets in.

Van­daag zijn ze terug­ge­vlo­gen naar India. Ajay via Parijs en Nage­sh via Frank­furt. Toe­val? Want Ajay spreekt een aar­dig mond­je Frans sinds hij daar een tijd­je heeft gewerkt. Gedu­ren­de zijn ver­blijf is hij zich gaan ver­die­pen in de Euro­pe­se cul­tuur. Z’n spaar­za­me vrije tijd heeft hij gebruikt om diver­se plaat­sen te bezoe­ken. En Nage­sh ver­baas­de me toen hij plot­se­ling Duits begon te spre­ken. Een vijf­tal jaar gele­den gaan leren omdat hij in een pro­ject voor een Duit­se fir­ma ging wer­ken. Wie weet, mis­schien ging hij wel naar Duits­land. Een­maal met Duits begon­nen was ook bij hem al snel de inte­res­se gewekt om meer te weten over onze Wes­ter­se cultuur.

Inmid­dels spra­ken ze bei­den al enke­le zin­nen Nederlands.

Bij het afscheid nemen vroeg Nage­sh mij of ik dit jaar in sep­tem­ber foto’s wil­de maken op de Gin­kel­se Hei. Niet alleen van de her­den­king, maar om te laten zien hoe de hei er in sep­tem­ber bij ligt. Hij hoop­te dat het dan niet zo’n treu­rig beeld zou zijn. Dat de para­troop­ers, ter­wijl ze aan hun onbe­stuur­ba­re para­chu­tes han­gend lang­zaam in de vuur­zo­ne van de duit­sers terecht­kwa­men, een zeke­re dood tege­moet, nog een stuk­je troost kon­den vin­den in het beeld van een bloei­en­de hei. Daar zat hij name­lijk echt mee.

Natuur­lijk ga ik die foto’s maken.

Elke werk­dag zal ik daar aan her­in­nerd wor­den wan­neer ik over de Gin­kel­se Hei rij.

Wat ik ver­der ook ga doen?
Mezelf wat meer ver­die­pen in India.

~ ~ ~

De jongen in de gestreepte pyjama — John Boyne

Van­daag las ik een uit­spraak van Joe Biden (vice-pre­si­dent naast Barack Oba­ma). Het schijnt dat hij het vol­gen­de ooit heeft gezegd: “We heb­ben ons laten aflei­den van het wer­ke­lij­ke gevaar, dat per schip, per vlieg­tuig of in een rug­zak het land bin­nen­komt.” Het was een waar­schu­wing die hij uit­sprak als voor­zit­ter van het Foreign Rela­ti­ons Com­mit­tee, en was gericht tegen Geor­ge W. Bush. Niet bij­zon­der opval­lend en niet bij­zon­der drei­gend. Tot­dat we de timing erbij betrek­ken. Hij zei dit name­lijk op 10 sep­tem­ber 2001. En plot­se­ling krijgt de uit­spraak meer lading, omdat we alle­maal weten wat er een dag later gebeur­de. Zon­der deze ken­nis is het een waar­schu­wing zoals zove­len. Is het moge­lijk dat je zo’n zin kunt lezen ter­wijl je pro­beert de gebeur­te­nis van een dag later er niet bij te betrek­ken? Dat lijkt me moeilijk.

Zo is het ook met het boek van John Boy­ne, De jon­gen in de gestreep­te pyja­ma. In dit jeugd­boek, wat pri­ma gele­zen kan wor­den door vol­was­se­nen, krij­gen we de bele­ve­nis­sen voor­ge­scho­teld van de 9‑jarige Bru­no. En het is Bru­no zelf die ver­haal doet. Door zijn ogen zien we de wereld om hem heen. En zijn ver­haal begint op het moment dat hij op een mid­dag van school komt en men bezig is om alle huis­raad in te pak­ken voor een gro­te ver­hui­zing. Dat ver­baast Bru­no ten zeer­ste, want hij is erg gehecht aan het gro­te huis wat ze bewo­nen. Ergens in een mooie rus­ti­ge wijk van Ber­lijn. De ver­hui­zing is ech­ter defi­ni­tief en dient op kor­te ter­mijn te gebeu­ren. Het heeft alles te maken met de nieu­we baan van Bruno’s vader. Zijn vader waar hij best wel trots op is, en die altijd van die mooie uni­for­men draagt. Dus ver­huist het hele gezin naar de nieu­we werk­plek van Bruno’s vader. Waar het gro­te avon­tuur begint.

“Toen ik klein was, “ zei Bru­no tegen zich­zelf, “vond ik het leuk om op ont­dek­kings­reis te gaan. En dat was in Ber­lijn, waar ik alles ken­de en met mijn ogen dicht over­al de weg kon vin­den. Hier ben ik nog niet echt op ont­dek­kings­reis geweest. Mis­schien moet ik daar eens mee beginnen.”
Voor hij van mening kon ver­an­de­ren sprong hij van zijn bed en zocht in zijn kle­ren­kast naar een over­jas en een paar oude laar­zen – het soort kle­ren waar­van hij dacht dat een ech­te ont­dek­kings­rei­zi­ger ze zou dra­gen – en maak­te zich gereed om het huis uit te gaan.
[blz. 95]

Op zijn eer­ste ont­dek­kings­reis komt Bru­no een jon­ge­tje tegen waar­mee hij later vriend­schap sluit. Het is Schmu­el, die aan de ande­re kant van het hek woont. Een hek dat Bru­no al op de eer­ste dag van­uit zijn slaap­ka­mer­raam ziet, maar waar­van hij (en zijn zus­je) niet de bete­ke­nis kun­nen door­gron­den. Zo ver als ze kun­nen zien loopt het hek door en aan de ande­re kant van het hek leven men­sen. Oude men­sen, jon­ge men­sen, vrou­wen, man­nen. En die dra­gen alle dezelf­de kle­ren. Een soort gestreep­te pyjama’s.
Afijn, een goed ver­staan­der heeft slechts genoeg aan een half woord. Maar voor die­ge­nen die het nog niet vat­ten legt de schrij­ver Bru­no nog een aan­tal kin­der­lij­ke ver­spre­kin­gen in de mond. Zo krijgt de vader van Bru­no zijn nieu­we baan aan­ge­bo­den nadat een belang­rijk iemand, de Furie genaamd, bij hen op bezoek is geweest. En de plaats waar het gezin naar­toe ver­huist heet Oud­wis. Tsja.

Kort­om, het wordt er nog­al dui­men­dik boven­op gelegd dat Bru­no pal tegen­over het kamp Auschwitz is komen te wonen. En dat zijn vader daar een nieu­we func­tie als kamp­com­man­dant heeft betrok­ken. Dat zet de vriend­schap tus­sen Schmu­el en Bru­no natuur­lijk in geheel ander dag­licht. Een wrang dag­licht, omdat Bru­no de naï­vi­teit ten top is, en maar niet kan begrij­pen waar­om de men­sen aan de ande­re kant van het hek er zo slecht bij lopen. Zelfs de gewel­da­di­ge acties van de sol­da­ten in zijn omge­ving kan Bru­no niet plaat­sen of ver­dringt hij. Schmu­el bezit meer levens­er­va­ring, maar slaagt er ook niet de ernst (of treur­nis zo men wil) van de situ­a­tie aan Bru­no over te bren­gen. Zie hier een typi­sche dialoog:

“De trein was ver­schrik­ke­lijk,” zei Schmu­el. “Om te begin­nen zaten we met veel te veel men­sen in de wagons. En je kon bij­na geen lucht krij­gen. En het stonk afschuwelijk.”
“Dat komt omdat jul­lie met z’n allen in dezelf­de trein gin­gen,” zei Bru­no, die dacht aan de twee trei­nen die hij op het sta­ti­on had gezien toen hij uit Ber­lijn ver­trok. “Toen wij hier­naar­toe kwa­men stond er nog een trein aan de ande­re kant van het per­ron maar het leek wel of nie­mand die zag. Dat was de trein waar wij mee gin­gen. Daar had je ook in moe­ten stappen.”
“Ik denk niet dat we dat had­den gemo­gen,” zei Schmu­el met zijn hoofd schud­dend. “We kon­den niet uit onze wagon komen.”
“De deu­ren zit­ten aan het eind,” leg­de Bru­no uit.
“Er waren geen deu­ren,” zei Schmuel.
[blz. 123]

Aldus blij­ven we gevan­gen in het wereld­beeld van Bru­no alhoe­wel we uiter­aard heel goed besef­fen dat de vriend­schap tus­sen hem en Schmu­el niet goed kan aflo­pen. En dat doet het dan ook niet. Maar wel com­pleet anders dan ver­wacht. Het slot­ak­koord in het voor­laat­ste hoofd­stuk doet je de keel dicht­knij­pen. Wat Bru­no over­komt wordt sym­bool voor het onnoem­ba­re leed de joden in Auschwitz aan­ge­daan. En het is aan de vader van Bru­no om in het laat­ste hoofd­stuk uit te zoe­ken wat er pre­cies is gebeurt. Dat lukt hem, en het is tevens het laat­ste wat hij bij zijn vol­le ver­stand heeft gedaan. Daar­na is het afgelopen.

Maar bleef ik over met de vraag: “Stel je hebt nooit gehoord van WO-II en de End­lö­sung? Wat denk je dan gele­zen te heb­ben?” Want het is ten­slot­te een jeugd­boek. En niet elke jon­ge­re is vol­le­dig op de hoog­te van wat in de Twee­de Wereld­oor­log de Joden is over­ko­men. Toch!? Mocht dat zo zijn, dan hou je een ver­haal over wat rede­lijk recht­lij­nig is en in sim­pe­le bewoor­din­gen de ver­hui­zing van een klei­ne jon­gen naar een nieu­we woon­plaats beschrijft. Het ein­de zal dan bevreem­dend aan­doen en het zal mis­schien moei­lijk te plaat­sen zijn of het goed of slecht met Bru­no en Schmu­el afloopt. Er zit wel een drei­gen­de toon in het voor­laat­ste hoofd­stuk, maar het hoop­vol­le gevoel van Bru­no zou kun­nen klop­pen. Pas in het laat­ste hoofd­stuk zou men besef­fen dat er iets gron­dig mis is, gezien de reac­tie van Bruno’s vader. Maar men blijft in het onge­wis­se over de exac­te toedracht.
Daar­voor heeft men dus de con­text nodig. En alleen daar­door krijgt het boek z’n extra lading. De tra­giek wordt ver­zorgd door het levens­ech­te decor van alle ver­dwe­nen Joden in kamp Auschwitz die in hun gestreep­te pyjama’s ooit van­uit Bruno’s slaap­ka­mer­raam te zien waren. Op weg naar hun indi­vi­du­e­le voor­laat­ste hoofdstuk.

Natuur­lijk gebeur­de dit alle­maal heel lang gele­den en kan zoiets nu niet meer gebeuren.
Niet in onze tijd.
[blz. 204]

~ ~ ~

Notulen Evaluatie Vlucht AZ454

Notu­len: Nr. 2009–001044 Vlucht­ha­ven Anchorage
Onder­werp: Eva­lu­a­tie m.b.t. inci­den­ten rond­om Vlucht AZ454
Datum: Janu­a­ri 13, 2009
Tijd: 21.00 – 22.00 uur
Aan­we­zig: X [Team­ma­na­ger], Y [super­vi­sor Ver­keers­to­ren], Z [super­vi­sor Onder­houd], A [super­vi­sor Aan­komst & Ver­trek], B [super­vi­sor Pro­ce­du­res en Kwa­li­teit], PP [mede­wer­ker Pro­ce­du­res en Kwaliteit]
Voor­zit­ter: X
Notu­list: PP
Clas­si­fi­ca­tie: BEDRIJFSGEHEIM

De voor­zit­ter opent de ver­ga­de­ring en heet de aan­we­zi­gen welkom.

X:
Con­sta­teert dat hij nog nooit zoveel heeft zien fout gaan als bij Vlucht AZ454. Is teleur­ge­steld in alle betrok­ken afde­lin­gen. Wil deze mee­ting niet gebrui­ken om zon­de­bok­ken aan te wij­zen, maar ver­wacht een actie­plan hoe dit in de toe­komst te voorkomen. 

Y:
Beschrijft hoe en wan­neer Vlucht AZ454 van de radar ver­dween. Via check­list bleek dat een essen­ti­eel onder­deel tij­de­lijk (58 sec.) niet gefunc­ti­o­neerd had. Het bewus­te onder­deel is in ieder geval tij­dens de laat­ste twee onder­houds­beur­ten niet gecontroleerd. 

Z:
Geeft toe dat de laat­ste twee onder­houds­beur­ten niet vol­le­dig zijn uit­ge­voerd. Heeft geen excuus anders dan werk­druk. Neemt de actie op zich om een onder­zoek naar de radar­in­stal­la­tie asap af te ron­den. Als­ook de actie om aan­dacht te beste­den aan de rol en ver­ant­woor­de­lijk­heid die de onder­houds­mon­teurs hebben. 

X:
Stelt voor om over te gaan naar het onder­werp van de fou­tie­ve passagierslijst. 

A:
Hoogst­waar­schijn­lijk heeft het te maken met de gedeel­te­lijk over­lap­pen­de vlucht­num­mers (AZ454 vs ZA544). Maar er zou­den vol­doen­de checks in het com­pu­ter­sys­teem moe­ten zit­ten om dit te voor­ko­men. Sug­ge­reert dat er mis­schien een bug in het sys­teem zit. 

B:
Is het hier niet mee eens. Zij heeft het ver­moe­den dat de pro­ce­du­res niet cor­rect zijn gevolgd. 

A:
Geeft aan dat de pro­ce­du­res con­ti­nu wijzigen. 

B:
Ver­wijt A dat ze haar per­so­neel niet tij­dig aan­meldt voor nieu­we trainingen. 

X:
Grijpt in. Vraagt zich af waar­om er dan geen fout­mel­ding ver­schijnt i.p.v. een (fou­tie­ve) passagierslijst. 

B:
[geen ant­woord]
Krijgt de actie voor een uit­ge­brei­de sys­teem­test en alle docu­men­ta­tie te updaten. 

X:
Wil van A weten waar­om er zo stug is vast­ge­hou­den aan de fou­tie­ve pas­sa­giers­lijst en er totaal niet geluis­terd is naar de pas­sa­giers van Vlucht AZ454. 

A:
Was op de hoog­te van het feit dat de vlucht van de radar was ver­dwe­nen, maar niet dat dit aan een defec­te radar had gele­gen. Men was voor­be­reid op de aan­komst van een groep jon­ge­ren die een excur­sie kwa­men doen. Groot was de ver­ba­zing toen er uit het vlieg­tuig een aan­tal hoog­zwan­ge­re vrou­wen plus lang­be­baar­de man­nen ver­scheen. De pas­sa­giers wer­den met­een apart gezet en gron­dig verhoord. 

X:
Is erg benieuwd of het inwen­dig onder­zoek bij de zwan­ge­re vrou­wen als­ook het onbe­hol­pen gedoe om de echt­heid van de baar­den te con­tro­le­ren daad­wer­ke­lijk nodig was. En of A snapt dat het door de pas­sa­giers als zeer ver­ne­de­rend is ervaren… 

A:
[geen ant­woord]

X:
…en of hij de klach­ten­stroom die inmid­dels op gang is geko­men linea rec­ta kan door­stu­ren naar A, en of hij de hoogst­waar­schijn­lijk gigan­ti­sche scha­de­claims op haar kan verhalen… 

A:
[loopt weg]

B:
Stelt voor om de mee­ting even te onder­bre­ken voor een kor­te pauze.

X:
Roept dat het hele zooi­tje onge­re­geld eerst maar eens de puin­hoop moet oplos­sen voor­dat ze aan een pau­ze mogen den­ken en loopt woe­dend het kan­toor uit om niet meer voor een ver­volg van deze mee­ting terug te keren.

Beslo­ten wordt om een ver­volg­mee­ting op kor­te ter­mijn te laten uit­schrij­ven door B.

~ ~ ~

Geschre­ven voor het Fan­ta­sie­rijk:
Opdracht voor Januari:
“In de buurt van de Ale­oe­ten ver­dwijnt vlucht AZ 454 van de radar­scher­men. De ver­keers­lei­ders staan op het punt om alarm te slaan als het toe­stel plot­se­ling weer opduikt. Later zal onder­zoek leren dat het slechts 58 secon­den uit beeld is geweest. Toch blij­ken alle man­ne­lij­ke beman­nings­le­den en pas­sa­giers bij aan­komst in Ancho­ra­ge lan­ge baar­den te heb­ben. Vier van de vijf ste­war­des­sen en twaalf van de vrou­we­lij­ke pas­sa­giers aan boord zijn zwan­ger. De zwar­te doos regi­streert alleen de laat­ste der­tig minu­ten van een vlucht en kan ons dus niets wij­zer maken. Dat­zelf­de geldt helaas voor de beman­ning en de pas­sa­giers. Zij kun­nen zich niets bij­zon­ders herinneren.” 

Rara, wat is er gebeurd tij­dens vlucht 454? (Be)schrijf het in maxi­maal 500 woor­den en plaats het voor 1 febru­a­ri op het Fan­ta­sie­rijk. O ja, aliens zijn niet toegestaan.

~ ~ ~

De schaduw van de wind — Carlos Ruiz Zafon

“Nog steeds her­in­ner ik me de och­tend dat mijn vader me voor het eerst mee­nam naar het Kerk­hof der Ver­ge­ten Boe­ken. De eer­ste dagen van de zomer van 1945 regen zich aan­een en we wan­del­den door de stra­ten van een Bar­cel­o­na gevan­gen onder een asgrij­ze hemel, met een wate­rig zon­ne­tje dat over de Ram­bla de San­ta Móni­ca stroom­de als een guir­lan­de van vloei­baar koper.”

Ruim een half jaar nadat ik ermee begon­nen was heb ik tij­dens de kerst­va­kan­tie ein­de­lijk de best­sel­ler van Car­los Ruiz Zafón uit­ge­le­zen. Ik doel hier natuur­lijk op De scha­duw van de wind uit 2001. Het feit dat het zo lang heeft geduurd voor­dat ik dit boek kon afstre­pen van de lijst NTL (nog te lezen) kent meer­de­re rede­nen. Daar­om aller­eerst een sum­mie­re uit­wij­ding van rede­nen waar­om boe­ken bij mij soms in het ver­geet­hoek­je terechtkomen:

  1. Ik begin eraan maar het boek weet me totaal niet te boeien;
  2. Ik begin eraan maar het boek wordt inge­haald door ande­re NTL boe­ken waar­aan ik ook begon­nen was en die me meer weten te boeien;
  3. Ik begin eraan maar druk­te op werk of in pri­véle­ven krij­gen de over­hand en van uit­stel komt afstel;
  4. Ik begin eraan maar raak het boek kwijt.

Reden nr. 1 komt geluk­kig niet zo vaak voor. In de loop van de jaren heb ik een gevoel ont­wik­keld voor boe­ken die me wel zul­len aan­spre­ken. Via een beet­je ori­ën­ta­tie voor­af in com­bi­na­tie met reeds opge­da­ne lees­er­va­ring kan ik al snel voor mezelf het kaf van het koren onder­schei­den. Natuur­lijk tref ik nog wel eens een boek dat tegen­valt. Van een auteur waar­van je het niet ver­wacht. Of van een betrouw­ba­re bron die blijk­baar in een bepaald spec­trum van smaak toch ergens anders zit dan je tot zover had aan­ge­no­men. In de mees­te geval­len zet ik het boek dan (gedeel­te­lijk onge­le­zen) in m’n boe­ken­kast. Daar mag het dan hopen op een twee­de kans.

Wat veel vaker gebeurd is dat een boek bij mij een (veel te) lan­ge door­loop­tijd heeft van­we­ge Reden nr. 2. Zoals zo veel fana­tie­ke lezers heb ook ik de (voor niet-lezers vreem­de) gewoon­te om in meer­de­re boe­ken tege­lijk te lezen. Som­mi­ge boe­ken sjouw ik met me mee, ande­re lig­gen op vas­te plek­ken (nacht­kast­je slaap­ka­mer zol­der, bureau stu­deer­ka­mer eer­ste ver­die­ping, lees­stoel woon­ka­mer bene­den) om gele­zen te wor­den. Deze boe­ken lees ik zoals het uit­komt. Zo kan ik bezig zijn in een boek wat me rede­lijk boeit en lijkt het als­of ik het op kor­te ter­mijn uit zal lezen, tot­dat ik plot­se­ling gefas­ci­neerd raak door een ander boek wat op stel en sprong uit­ge­le­zen moet wor­den. Als dat boek uit is, dan kan het zijn dat ik een bepaal­de stem­ming ben geraakt waar­door het niet ‘logisch’ is om het vori­ge boek weer op te pak­ken en in ver­der te gaan. Dus pak ik een ander boek. Waar­door de sta­pel dus con­ti­nu zich aan­past aan m’n stem­min­gen en inte­res­ses van dat moment.

Terug­ko­mend op De scha­duw van de wind speelt in ieder geval Reden nr. 2 een gro­te rol. Vóór de zomer­va­kan­tie ermee begon­nen, werd het tij­dens de zomer­va­kan­tie ver­dron­gen door The girl next door van Jack Ket­chum. Een op ware fei­ten geba­seerd hor­ror-ach­tig ver­haal over een wees­kind dat werd opge­slo­ten en mis­bruikt. Hier­na ver­loor ik mezelf in ande­re thriller‑, hor­ror- en detec­ti­ve­lec­tuur. Het was ten­slot­te vakan­tie. En na die vakan­tie was er weer werk. Veel werk. En kon Reden nr. 3 als excuus die­nen voor een groei­en­de sta­pel NTL boe­ken (inclu­sief De scha­duw van de wind). Het schoot niet echt op. Tot­dat een nieu­we vakan­tie zich aan­dien­de. En ik onbe­van­gen de NTL sta­pel aan­schouw­de en De scha­duw mij een logi­sche keu­ze leek (geba­seerd op min­ste aan­tal blad­zij­des nog te lezen, zo de groot­ste kans lopend dat ik het boek tij­dens de vakan­tie zou uit­krij­gen). En aldus geschiedde.

Voor die­ge­nen die niet weten waar het boek over gaat, hier een kor­te samenvatting:

In het oude cen­trum van Bar­cel­o­na ligt het Kerk­hof der Ver­ge­ten Boe­ken. Hoofd­per­soon Daniel Sem­pe­re wordt door zijn vader, weduw­naar en boek­han­de­laar, mee­ge­no­men naar deze geheim­zin­ni­ge, ver­bor­gen wereld van ver­ha­len. Van­af dat moment neemt Daniels leven een wen­ding die hij niet had kun­nen voor­zien. Hij mag een boek uit­zoe­ken en kiest De scha­duw van de wind, geschre­ven door een zeke­re Julián Carax. Het boek laat hem niet meer los, ook al schudt de wereld tij­dens het grau­we Fran­co-regime om hem heen op zijn grond­ves­ten. Hij wil alles weten over het boek en de schrij­ver. En merk­waar­di­ger­wijs lij­ken alle men­sen die hij ont­moet, ook de vrou­wen op wie hij ver­liefd wordt, deel uit te maken van het gro­te spel waar­van het boek het mid­del­punt vormt.

Het was deze beschrij­ving (en dan voor­al het feno­meen van het Kerk­hof der Ver­ge­ten Boe­ken) dat me aan­sprak. Soms, wan­neer ik voor mijn boe­ken­kast sta, dan over­valt mij de gedach­te dat al die boe­ken hier hun laat­ste rust­plaats heb­ben gevon­den. Door mij zul­len ze nog wel gele­zen wor­den, maar wie zal ze na mijn ver­schei­den nog eens vast­pak­ken (om te lezen en te koes­te­ren, niet om ze in een doos op te ber­gen en naar de stort te bren­gen). Mij­me­rin­gen die ik ook gepro­beerd heb te omschrij­ven in de Opkomst van de Movel. In de boek­han­del nam ik aldus het boek ter hand en zocht naar een pas­sa­ge over het Kerk­hof der Ver­ge­ten Boe­ken. En die was al gauw gevonden:

“Deze plaats is een mys­te­rie, Daniel, een hei­lig­dom. Elk boek, elke band die je ziet, is bezield. Bezield door dege­ne die het schreef, bezield door dege­nen die het lazen en door­leef­den en ervan droom­den. Tel­kens als een boek in ande­re han­den over­gaat, tel­kens als iemand zijn blik over de blad­zij­den laat gaan, groeit zijn geest en wordt sterk. Vele jaren gele­den al, toen mijn vader me hier voor de eer­ste keer naar­toe bracht, was dit een oude plek. Mis­schien wel net zo oud als de stad zelf. Nie­mand weet met zeker­heid te zeg­gen hoe lang dit al bestaat of wie het gemaakt heb­ben. Als een bibli­o­theek ver­dwijnt, als een boek­han­del haar deu­ren sluit, of als een boek in de ver­ge­tel­heid raakt, dan zor­gen wij, de bewa­kers die deze plek ken­nen, ervoor dat het hier terecht­komt. Hier wonen de boe­ken die nie­mand zich meer her­in­nert, de boe­ken die met­ter­tijd in de ver­ge­tel­heid zijn geraakt, wach­tend op de dag dat ze over­gaan in de han­den van een nieu­we lezer, een nieu­we geest. In de win­kel ver­ko­pen en kopen wij ze, maar eigen­lijk heb­ben boe­ken geen eige­naar. Elk boek dat je hier ziet, is de bes­te vriend geweest van íemand. Nu heb­ben ze alleen ons nog, Daniel. Denk je dat je dit geheim zult kun­nen bewaren?”

Woor­den uit­ge­spro­ken door de vader van Daniel. En ze had­den direct effect op me. Een tijd­lang ben ik in de boek­han­del blij­ven staan en ben door het boek blij­ven bla­de­ren. Her en der een pas­sa­ge gele­zen. Het boek aan­ge­schaft. Uit­ein­de­lijk in de Engel­se ver­sie omdat ik bij ver­ge­lij­king de Neder­land­se ver­ta­ling op de een of ande­re manier te gekun­steld vond. Daar lie­pen de zin­nen niet altijd (voor mijn gevoel) vlot­jes door, wat ik bij de Engel­se ver­ta­ling veel min­der had. Thuis­ge­ko­men heeft het boek een aan­tal dagen lig­gen wach­ten voor­dat het aan de beurt was, maar een­maal begon­nen was het moei­lijk om het boek weg te leggen.

Het eer­ste gedeel­te waar­in Daniel ken­nis­maakt met het Kerk­hof, daar een boek uit­kiest (van Juli­an Carax) en gaan­de­weg geob­se­deerd raakt door de schrij­ver, was goed te lezen. Zafón gaat uiterst zorg­vul­dig te werk in het oproe­pen van de juis­te sfeer, en het mys­te­rie rond­om Juli­an Carax wordt beet­je bij beet­je com­plexer gemaakt door een gesta­ge stroom aan nieu­we per­so­nen en ver­wik­ke­lin­gen. Op een der­de van de roman aan­ge­ko­men merk­te ik ech­ter dat het ver­der lezen me steeds moei­za­mer afging. Tel­kens een klein stuk­je en dan weer enke­le dagen niets. Tot­dat ik het boek ver­gat. Ach­ter­af kan ik con­clu­de­ren dat voor­al de wijs­neu­ze­rig­heid van Daniel me tegen begon te staan. Zijn taal­ge­bruik en manier van den­ken leken me vol­strekt niet natuur­lijk voor een jon­gen van zijn leef­tijd. Ik begon een hekel aan hem te krij­gen en kon geen inte­res­se meer opbren­gen voor zijn zoek­tocht en belevenissen.

Ergens in novem­ber begon ik weer klei­ne stuk­jes te lezen voor het sla­pen gaan. Maar het leek meer op een ver­plich­te oefe­ning. Zowel het lezen van mij als de zoek­tocht van Daniel. Het wil­de maar niet leven­dig wor­den. Ter­wijl de con­struc­tie van de roman, Daniel als een soort van spie­gel van Juli­an toch echt wel goed in elkaar zat. Alleen de figuur van Fer­mín Rome­ro de Tor­res, een zwer­ver die door Daniel en zijn vader onder hun hoe­de wordt geno­men, zorg­de ervoor dat ik weer zin had om door te lezen. Deze wel­be­spraak­te fan­tast met onbe­dwing­ba­re eet­lust bracht iede­re keer humor en vaart in het ver­haal. Hij kon op m’n sym­pa­thie reke­nen, en voor hem pak­te ik het boek toch elke keer weer op.

En zo werd het kerst­va­kan­tie en besloot ik De scha­duw een laat­ste kans te geven voor­dat het boek onder Reden nr. 1 in de kast zou wor­den gezet. Inmid­dels had Daniel (gelijk Juli­an) een uit de hand gelo­pen nacht door­ge­bracht met de lief­de van z’n leven. En werd het dui­de­lijk dat hij een even fataal(?) ein­de tege­moet zou gaan als Juli­an (geba­seerd op alle infor­ma­tie zoals die tot nu toe in de roman was ont­huld). Het tem­po werd lang­zaam opge­schroefd en de span­ning nam per blad­zij­de toe. Mis­schien had het te maken met de rela­tie­ve rust die ik had in de kerst­va­kan­tie, maar ook anders zou ik wel door zijn blij­ven lezen, ver­moed ik.

Bin­nen de kort­ste keren was ik op pagi­na 294 aan­be­land (van de 400) en kon ik begin­nen aan het gedeel­te beschre­ven van­uit de figuur van Nuria Mon­fort. Pas toen bleek hoe ver­nuf­tig Zafón deze roman had opge­zet. Alle idee­ën die ik had over hoe het mys­te­rie in elkaar zat, ble­ken vol­le­dig fout te zijn. Begrij­pe­lij­ker­wijs ga ik hier natuur­lijk niet ont­hul­len wat de crux in de levens­ge­schie­de­nis van Juli­an is, en wel­ke rol Nuria hier­in speelt. Daar­voor ver­wijs ik naar het boek zelf. Want ondanks mijn lees­er­va­ring met hin­der­nis­sen ga ik dit boek toch aan­be­ve­len om te lezen. De irri­ta­tie die ikzelf onder­vond t.o.v. de figuur Daniel (en die niet is weg­ge­gaan) valt weg te stre­pen tegen de dui­ze­ling­wek­ken­de com­plexi­teit van het mys­te­rie rond­om Juli­an Carax. Dat Zafón daar­voor regel­ma­tig de toe­vlucht neemt tot ver­ge­zoch­te toe­val­lig­he­den en een boven­men­se­lij­ke vol­har­ding bij enke­le van zijn sleu­tel­fi­gu­ren, neem ik ook op de koop toe.

Dit boek krijgt een plaats­je in m’n boe­ken­kast en wordt zeker in de toe­komst nog wel eens door mij opnieuw gele­zen. Wat er daar­na mee gaat gebeu­ren is ook voor mij een vraag.

Oh ja, Reden nr. 4 komt zel­den voor. Zeker nu ik niet meer met de trein reis…

~ ~ ~

De schreeuw van de spreeuw

Het gebeur­de in een moment van onop­let­tend­heid. Onver­geef­lijk. Met­een was er het besef dat het gron­dig mis was. Wan­ho­pig om zich heen tas­tend werd al snel dui­de­lijk dat er geen enkel hou­vast was. De val naar bene­den duur­de ech­ter maar kort en de lan­ding was niet al te pijn­lijk. Dui­ze­lig­heid maak­te al snel plaats voor angst. Doods­angst. Angst voor het onbe­ken­de. De tota­le duis­ter­nis hielp niet om deze angst te tem­pe­ren. Ze begon te schreeu­wen. Het was een afschu­we­lijk geluid.

De ijzi­ge kou­de hield nu al enke­le weken aan. De voor­uit­zich­ten gaven aan dat het ook de komen­de peri­o­de niet echt veel beter zou gaan wor­den. Alfred stond voor het raam. Moed te ver­za­me­len om naar bui­ten te gaan. De hout­voor­raad moest aan­ge­vuld wor­den. Er lag nog net vol­doen­de om de dag mee door te komen, maar dan was het ook echt hele­maal op. Alleen al de aan­blik van het onder­ge­sneeuw­de kale erf deed hem over zijn hele lijf hui­ve­ren. Com­pleet ver­la­ten op een gro­te groep vogels na. Dit was dus een van de nade­len van het ach­ter­af wonen. Geen cen­tra­le ver­war­ming maar een een­vou­di­ge hout­ka­chel. Zich­zelf moed inpra­tend trok Alfred ten­slot­te z’n war­me jas aan, zet­te een muts op, trok z’n laar­zen aan en ging op zoek naar z’n hand­schoe­nen. Daar­na pak­te hij de kat op die in die­pe slaap voor de kachel lag, en liep naar bui­ten. Ten­slot­te hoef­de hij het niet in z’n een­tje koud te hebben.

Na enke­le uren zak­te de erg­ste angst weg. De don­ker­te bleef. Er viel niets te zien. Zou men haar al mis­sen? Voor­zich­tig pro­beer­de ze terug te gaan naar de plek waar ze dacht dat haar val gebro­ken was. Slechts enke­le ogen­blik­ken later bleek dat de ruim­te waar­in ze gevan­gen zat daar ophield. Recht boven haar was het gat waar door­heen ze geval­len was. Als ze goed keek kon ze hele­maal boven­aan een streep­je licht zien. Weer sloeg de paniek toe. En met alle ener­gie die in haar zat pro­beer­de ze te ont­snap­pen uit deze naar­gees­ti­ge don­ke­re en toch­ti­ge ruim­te. Door keer op keer te sprin­gen tracht­te ze om ver­der te omhoog te komen. Even­zo vele keren viel ze weer naar bene­den. Het ont­ging haar vol­ko­men dat ze con­ti­nu bleef schreeu­wen. Om hulp. Om aan­dacht. Om de don­ker­te weg te houden.

Bui­ten over­viel de kou Alfred nog meer dan hij ver­wacht had. De kat kroop miau­wend om zijn benen. ‘Samen uit, samen thuis’, dacht Alfred en aai­de de kat over het hoofd. De vogels op het schuur­tje begon­nen flink kabaal te maken toen Alfred hen nader­de over het erf. Wild flad­de­rend vlo­gen ze op om een stuk­je ver­der­op te gaan zit­ten. Alfred’s bedoe­ling was om aller­eerst wat sprok­kel­hout te pak­ken om daar een brand­sta­pel van te maken. Bij dat vuur kon hij zich warm hou­den en wat hout­blok­ken in klei­ne­re stuk­jes hak­ken. Het had ook wel iets gezel­ligs zo’n kamp­vuur­tje. Hij kreeg er bij­na goe­de zin van. De kat ook. Stoer joeg ze ach­ter de vogels aan, die nu hele­maal uit hun dak gin­gen en krij­send op de vlucht sloe­gen. De kat gaf niet op en bleef de vogels ach­ter­vol­gen tot ver op het erf.

De rest van de dag en zowat de hele nacht was ze blij­ven pro­be­ren te ont­snap­pen. Maar ze werd steeds zwak­ker, waar­door haar pogin­gen vruch­te­loos wer­den. Uit­ge­put was ze een tijd­lang blij­ven zit­ten. Uit­ein­de­lijk besloot ze de ande­re kant op te gaan. Ver­der de don­ker­te in. Al heel snel voel­de ze dat de grond onder haar ophield. En bij­na was ze weer naar bene­den geval­len. Voor­zich­tig keek ze over de rand. In de diep­te zag ze een zwak schijn­sel. Wat nu? Opnieuw sloeg de angst haar om het hart.

De wind joeg de vlam­men van het kamp­vuur hoog op. Het knet­ter­de van jewel­ste en de von­ken­re­gen schroei­de soms de war­me kle­ding van Alfred. De bijl lag lek­ker in de hand en hij had de slag te pak­ken. Hout­blok na hout­blok werd in klei­ne stuk­jes gehakt. De vogels zaten inmid­dels weer op de dak­rand. Ze warm­den zich aan het vuur en keken zwij­gend toe. De kat was ner­gens te beken­nen. De grond om Alfred heen raak­te bezaaid met stuk­ken hout. Tijd om het hout te ver­za­me­len en de mand te vul­len. De avond begon te val­len. Het werd al wat kou­der. Opeens zag Alfred iets tus­sen het hout lig­gen wat hem nog niet eer­der was opge­val­len. Het leek een wit­te knik­ker. Met rode aders. Net zoals hij ze vroe­ger had ver­za­meld. Alleen had hij deze kleu­ren­com­bi­na­tie nog niet eer­der gezien. Nieuws­gie­rig raap­te hij het voor­werp op. De vogels begon­nen plots­klaps weer her­rie te maken en even keek hij op. Het viel hem niet op dat de gehe­le dak­rand bezet was door vogels. Z’n aan­dacht werd meer getrok­ken door de vreem­de bal in de palm van z’n hand­schoen. Het bleek dat er niet alleen rode aders door­heen lie­pen, maar dat er ook een zwar­te ron­de vlek op zat. Een aan­tal vogels vloog nu luid schreeu­wend op. Hun geluid was nu bij­na oor­ver­do­vend. Maar dat drong niet tot Alfred door. Wel het besef dat hij hier geen knik­ker in z’n hand had. Waar was z’n kat gebleven?

Op het ein­de van de dag hoor­de ze plots­klaps een geluid. Had­den ze haar gevon­den!? Even was daar een gevoel van vreug­de, tot­dat ze rea­li­seer­de dat het geluid van­uit de diep­te kwam. Voor­zich­tig keek ze over de rand in de diep­te. Een fel licht was daar nu te zien. Wat kon dat zijn? Gebi­o­lo­geerd bleef ze kij­ken. Het licht werd als­maar fel­ler. En het werd ook war­mer. Aan­ge­naam zelfs. Ze ont­span­de zich even. En rek­te haar stram­me, gekneus­de lede­ma­ten. Heen en weer wie­gend kreeg ze ein­de­lijk het gevoel dat alles goed zou komen. Lang­zaam ver­dween de angst uit haar lijf. Als bedwelmd kroop ze ver­der naar de rand en boog omlaag naar de diep­te. Daar bene­den was het licht als­maar hel­der­der gewor­den en nam de warm­te nog steeds toe. Een ver­lan­gen om toe te geven en rust te zoe­ken nam bezit van haar. Niet boven was de uit­gang, maar bene­den moest ze zijn. Dan kon ze terug naar huis, naar haar fami­lie. Waar­om had ze dat niet eer­der gezien? Ein­de­lijk naar huis! Dacht ze, en tui­mel­de voor­over de diep­te in. Zwij­gend deze keer.

Ste­ken­de pijn­scheu­ten in z’n benen deden Alfred wan­ke­len. Hij keek naar bene­den en zag dat een aan­tal vogels om hem heen ver­za­meld op de grond zaten. Om beur­ten spron­gen ze op en pik­ten hem in z’n benen. Ver­schrikt deins­de Alfred terug. De vogels ach­ter­volg­den hem. Nu vlo­gen ze op hem af en pro­beer­den hem in ’t gezicht te raken. Alfred buk­te en hield bei­de han­den voor z’n gezicht om zich­zelf te bescher­men. Hij wist nu waar­toe deze vogels in staat waren. De bloe­de­ri­ge oog­bal van de kat had hij inmid­dels laten val­len. Een klei­ne vijf­tig meter was het tot aan het huis. De schuur was geen optie want van­af die plek kwa­men de vogels nu in zwer­men aan­vlie­gen. Het leek of ze hem een bepaal­de plek op dwon­gen. Rich­ting kamp­vuur. De eni­ge ver­lich­te plek op het ver­der don­ke­re erf. Niet lan­ger ver­la­ten, maar bevolkt door dui­zen­den vogels. Spreeu­wen. Die hem ver­der aan­vie­len. Zodat hij strom­pe­lend niet anders kon dan die kant opgaan waar de spreeu­wen hem de ruim­te lie­ten. Een nau­we tun­nel rich­ting het vuur. Alfred begon te schreeu­wen. Maar ver­scho­len ach­ter zijn armen klonk het geschreeuw slechts gedempt. En ach, wie zou hem kun­nen horen. Zo ver ach­ter­af en zo over­stemd door het geschreeuw van de spreeu­wen. In zijn rug voel­de Alfred nu dat de vlam­men hem al begon­nen te schroei­en. Zijn vol­gen­de stap ach­ter­uit bracht hem uit het even­wicht. Hij was op de oog­bal gaan staan. En tui­mel­de ach­ter­over het vuur in.
Ein­de­lijk kon hij zich­zelf nu horen schreeu­wen. Het klonk afschuwelijk.
De spreeu­wen keken dood­stil toe.

Toen ze in het vuur van de hout­ka­chel viel was ze plots­klaps weer bij haar posi­tie­ven. De ver­zen­gen­de hit­te deed haar opvlie­gen en uit alle macht pro­beer­de ze te ont­snap­pen. Voor zich zag ze een uit­weg! Met een har­de klap die haar het bewust­zijn bij­na deed ver­lie­zen vloog ze tegen de raam­pje van de kachel­deur. Haar staart stond in brand. Ze begon opnieuw te schreeu­wen. Door het raam­pje zag ze een man en een kat. Die ston­den toe te kij­ken, maar deden niets. Ach­ter hen zag ze een gro­ter raam. Daar­ach­ter zag ze haar fami­lie. Die had­den haar gevon­den. Maar had­den niets kun­nen doen.
Met alle kracht die ze nog in zich had vloog ze keer op keer tegen het raam­pje. Ze schreeuw­de naar haar fami­lie. De pijn van haar bran­den­de vleu­gels was ver­schrik­ke­lijk. Ten­slot­te zak­te ze in elkaar. Bewus­te­loos door de rook. Bran­dend als een fakkel.
Ein­de­lijk ging het kachel­deur­tje open. Alfred gooi­de nog wat hout naar bin­nen. De kat keek nieuws­gie­rig toe. Het deur­tje ging weer dicht.
De spreeu­wen bui­ten keken dood­stil toe.

~ ~ ~

OK, geen echte kok, maar schuilt er dan wel een echte vader in mij?

En toen was daar Ietje Hey­broek. Fami­lie­the­ra­peu­te en spe­ci­a­list op het gebied van het stiefgezin.

Waar­om kom ik met haar aan­zet­ten? Omdat het vakan­tie is. Een voor mij uiterst geschikt moment om oude kran­ten door te bla­de­ren. Kran­ten die in hoge sta­pels mijn werk­ka­mer bevol­ken, net­jes gerang­schikt op datum. Elke dag neem ik de onge­le­zen nieuw ver­sche­nen exem­pla­ren en plaats die boven­op hun voor­gan­gers van de vori­ge dag. Soms lukt het mij om nog dezelf­de dag de nieu­we krant te lezen en dan ver­dwijnt de geluk­ki­ge op een ande­re sta­pel, name­lijk bij de alles­bran­der. Waar ze uit­ein­de­lijk alle­maal zul­len eindigen.

Sinds kort han­teer ik een nieuw sys­teem. Maar ik ben er nog niet uit of dit een blij­vend sys­teem gaat wor­den. Het heeft te maken met de manier waar­op ik m’n oude kran­ten weg­werk. Al heel lang bena­der ik de sta­pel als volgt: onge­le­zen exem­pla­ren boven­op bij­vul­len, maar van onder uit weg­le­zen. Ofte­wel FiFo: First in, First out. Dus in slech­te tij­den (hoge sta­pels) zit ik kran­ten te lezen van maan­den geleden.

Het gro­te voor­deel is dat je veel waan-van-de-dag nieuws over kunt slaan. Weet je totaal niet waar het over gaat, zal het ook wel niet echt belang­rijk zijn geweest, en kun je jezelf tijd bespa­ren door het niet te lezen. Een ander voor­deel is dat je her­ken­ba­re nieuws­fei­ten anders leest, omdat je de ken­nis van van­daag met je mee­draagt. En is het soms hila­risch de nieuws­dui­ders met terug­wer­ken­de kracht hun gelijk of onge­lijk te zien uit­dra­gen. Het groot­ste voor­deel in mijn ogen is gele­gen in het feit dat je nu vaak wat meer tijd hebt om de lan­ge­re arti­ke­len te lezen. Je hebt het koren van het kaf kun­nen scheiden.

Maar elk niet-ide­aal sys­teem draagt ook nade­len met zich mee. En één van de belang­rijk­ste was dat ik in veel geval­len te laat ver­wij­zin­gen met beperk­te houd­baar­heids­da­tum zag. Zo liep ik vaak con­cer­ten, aan­bie­din­gen, expo­si­ties, en soort­ge­lijks mis.

Tijd om eens van sys­teem te ver­an­de­ren. En een geschikt tijd­stip om daar­mee te begin­nen was de hui­di­ge vakan­tie. Voort­aan gaan we de LiFo bena­de­ring toe­pas­sen: Last in, First Out. En zodoen­de zat ik afge­lo­pen week al in de krant van 24 decem­ber ver­diept. Een krant waar ik anders pas over maan­den aan toe zou zijn geko­men (gezien de hoog­te van de NTL krantenstapel).

In deze krant kwam ik Ietje tegen. En zij had een (voor mij) intri­ge­ren­de vraag: “Hoe stel ik mijn hart open voor deze vreem­de kin­de­ren?” Het ging hier over stief­ou­ders en stief­groot­ou­ders. En bei­de ben ik. Stief­va­der van twee kin­de­ren en stief­opa van één klein­kind. Mijn vrien­din zo’n 13 jaar gele­den leren ken­nen toen zij al twee kin­de­ren had, en mee mogen maken hoe een van hen onder­tus­sen haar eigen kind op de wereld heeft gezet. In de ogen van Ietje een rela­tief een­vou­di­ge stief­si­tu­a­tie. In de ogen van Peter een gewel­dig mooie gezins­si­tu­a­tie met alle bij­be­ho­ren­de complexiteit.

Maar OK, een een­vou­di­ge stief­si­tu­a­tie mede moge­lijk gemaakt door het ont­bre­ken van eigen kin­de­ren. Want ik ben dus geen ech­te vader. Dien­ten­ge­vol­ge zal ik ook nooit een ech­te opa wor­den. En hoef ik me niet te bui­gen over de over­tref­fen­de trap van een niet-te-beant­woor­den vraag: “Moet ik even­veel hou­den van mijn stief­klein­kin­de­ren als van mijn eigen ‘klein­kroost’?” Dat schijnt name­lijk de ham­vraag te zijn waar alle stief­groot­ou­ders zich mee bezig­hou­den. Getui­ge in ieder geval de stroom vra­gen die bin­nen komen bij de onli­ne help­desk van de Stich­ting Stief­moe­ders (let wel, stief­moe­ders, niet –ouders of –vader).

Geluk­kig heeft Ietje daar­voor een nieu­we web­si­te geo­pend onder de naam www.stiefgrootouders.nl (niet kieskeurig.nl of eigenkleinkroosteerst.nl wat meer voor de hand had gele­gen). En die kon ik nu dus met­een bezoe­ken! De krant was ten­slot­te slechts enke­le dagen oud. Maar wat schetst mijn ver­ba­zing. Dit is wat ik zag:

En blijf ik met al mijn vra­gen zit­ten. Vra­gen die ik nooit had gehad zon­der Ietje.

Ietje die ik nooit had gele­zen indien ik m’n oude sys­teem nog had gevolgd.

Omdat over enke­le maan­den, wan­neer Ietje nor­maal gespro­ken aan de beurt zou zijn om gele­zen te wor­den, ik hoogst­waar­schijn­lijk voor de twee­de keer stief­opa ga wor­den. En dan hele­maal geen tijd heb om kran­ten te lezen. Dan loop ik zo trots als een stief­pauw met een stief­klein­kind aan de stief­hand en een ander in m’n stie­farm te para­de­ren. Een arti­kel over de pro­ble­men die stief­groot­ou­ders zou­den heb­ben, zal niet snel de roze stief­wolk berei­ken waar­op ik me dan zal bevin­den. Ietje en de krant van 24 decem­ber zul­len eer­der ken­nis­ma­ken met de poep­lui­er van nieuw stiefkleinkroost!

Stief­opa! Again!
M’n bloed­ei­gen stief­klein­kin­de­ren! Jazeker!

De sys­te­men die ik han­teer om oude tijd­schrif­ten te lezen ver­schil­len trou­wens wezen­lijk van die van oude kran­ten. Maar daar­over een vol­gen­de keer.

~ ~ ~

Geïr­ri­teerd Geïn­spi­reerd door een arti­kel in Trouw 24 decem­ber 2008

[upda­te 14:50 uur:] De eer­lijk­heid gebiedt mij te zeg­gen dat bij nade­re lezing van het arti­kel, er staat dat de site pas vol­gend jaar beschik­baar komt. Nog meer reden om m’n oude sys­teem te handhaven.

[upda­te 29 janu­a­ri 2009:] inmid­dels is de web­si­te van Ietje beschik­baar. Natuur­lijk was ik erg nieuws­gie­rig naar haar advies m.b.t. stief­groot­ou­ders. Hier een stuk­je wat ik geco­pi­eerd heb van haar site:

[…] U begrijpt zo kan ik nog wel even door­gaan met vra­gen waar­mee ik bestookt word nu er steeds meer stief­groot­ou­ders bij­ko­men. (in 2016 ver­wach­ten ze dat er meer stief­ge­zin­nen zijn dan “gewo­ne gezin­nen”. Het stief­groot­ou­der­schap zal steeds meer voorkomen)
Een stief­ge­zin is com­plex en die com­plexi­teit kan je niet weg­ne­men. Stief­groot­ou­der­schap is ook com­plex. Veel stief­groot­ou­ders wil­len het als oude wij­ze men­sen goed doen en mis­schien wel net als stief­ou­ders te goed doen. Loop niet te hard van sta­pel, zou ik wil­len aan­ra­den. Ver­lang niet teveel van u zelf en blijf voor­al u zelf, hoe­wel er ook iets van flexi­bi­li­teit van u ver­wacht wordt.
Wat belang­rijk is om te besef­fen is dat de stief­klein­kin­de­ren abso­luut niet om u gevraagd heb­ben en mis­schien ook niet goed weten hoe ze u kun­nen bena­de­ren. Het zou fijn zijn als u als oud­ste en wijs­te daar­over met de stief­klein­kin­de­ren kan praten.
Ver­tel gewoon eer­lijk dat u het moei­lijk vindt om met de stief­klein­kin­de­ren om te gaan.
Het kan raad­zaam zijn om eerst maar eens de kat uit de boom te kij­ken. en niet met­een te oor­de­len of veroordelen[…]

~ ~ ~

De vet­ge­druk­te gedeel­tes heb ikzelf aan­ge­bracht. Ze val­len mij op omdat ik mezelf er hele­maal niet in herken.
En zo staan er wel meer vreem­de din­gen (in mijn ogen althans) op de site van Ietje.
Neem een kijk­je en oor­deel zelf op:
www.oudersenkinderen.nl

~ ~ ~

Opkomst van de Movel

Een Movel is een ver­haal op je mobiel, je down­load het ver­haal een­ma­lig, opent het en begint met lezen. Na het eer­ste hoofd­stuk wordt je gevraagd of je het ver­haal wilt kopen. Zo, ja dan klik op je op de koop knop en kun je het hele ver­haal op je gemak uit­le­zen, als het niet bevalt (het lezen op de mobiel of het ver­haal) dan lees je niet ver­der en koop je het ver­haal niet.
[bron]

Vaak sta ik voor mijn boe­ken­kast en neem de boekrug­gen in ogen­schouw. De dik­ke romans waar de titel hori­zon­taal op past sprin­gen vaak als eer­ste in het oog. Ze vra­gen nadruk­ke­lijk om aan­dacht. Maar die gaat net zo mak­ke­lijk naar de iets dun­ne­re broe­ders en zus­ters die rond­om hen heen ver­za­meld staan. Allen zijn indi­vi­du­e­le bouw­ste­nen die ik door de jaren heen tot mij heb geno­men om mijn ken­nis te verrijken.
Ik kijk naar mijn boe­ken­kast maar zie geen boek en kast. Ontel­ba­re werel­den waar ik (soms nog nooit) geweest ben zwe­ven voor mijn gees­tes­oog en nodi­gen mij uit voor een (her)nieuw(d) bezoek. De boe­ken­kast is geen dood­lo­pen­de muur in mijn kamer maar een raam naar buiten.

[…] the brain never evol­ved to read. Rather, rea­ding reveals how the brain “rear­ran­ges older struc­tu­res devo­t­ed to lin­guis­tic, per­cep­tu­al and cog­ni­ti­ve regi­ons to make some­thing new.”
[bron]

Op deze plek ga ik niet bewe­ren dat ik alle boe­ken in mijn ver­za­me­ling (al) heb gele­zen. Wel meer dan de helft, en de rest gaat zeker gele­zen wor­den. Dat heb ik mezelf altijd voor­ge­hou­den. Of het nu gaat gebeu­ren tij­dens mijn werk­za­me leven of nadat ik gepen­si­o­neerd zal zijn. Dat is mij om het even. Alleen zal ik de komen­de jaren mezelf ver­plich­ten om vol­doen­de ‘trai­nings­uren’ in te bou­wen. Want vol­gens ont­wik­ke­lings­psy­cho­lo­ge Mary­an­ne Wolf behoort lezen niet tot de basis­vaar­dig­he­den van onze soort, zoals lopen en ade­men. We moe­ten het leren, dat wil zeg­gen we moe­ten er in onze her­se­nen neu­ra­le cir­cuits voor aan­leg­gen. En als we die niet onder­hou­den door ze vaak genoeg te gebrui­ken, wor­den ze afge­bro­ken en ver­van­gen door andere.

Vol­gens het Tijd­be­ste­dings­on­der­zoek 2008 van SPOT (Stich­ting Pro­mo­tie Tele­vi­sie­re­cla­me) beste­den Neder­lan­ders gemid­deld 13 minu­ten per dag aan het lezen van boe­ken. Dit is 3 minu­ten meer dan in 2006. Het zijn voor­al vrou­wen, oude­ren en alleen­staan­de 40-plus­sers die boe­ken lezen; rela­tief wei­nig wordt er gele­zen door full time wer­ken­den en door jon­ge­ren tot 20 jaar.
[bron]

Als lezen dus te maken heeft met leren, en we tege­lij­ker­tijd mogen con­clu­de­ren dat juist jon­ge­ren min­der gaan lezen, dan zal hun lees­vaar­dig­heid gestaag afne­men. En zul­len zij in de toe­komst ver­vreemd raken van in ieder geval het medi­um Boek in al z’n hoe­da­nig­he­den. Daar­voor in de plaats zul­len zij meer uren door­bren­gen op inter­net en daar hun ont­span­ning vin­den en ken­nis opdoen. Sur­fend over de gol­ven van een als­maar uit­dij­end stuw­meer aan onge­struc­tu­reer­de data, beper­ken zij zich tot het inne­men van klei­ne por­ties ‘info­tain­ment’ (ken­nis in hap­kla­re brok­ken; het nieuws in 60 seconden).

Dat ‘lot’ zal hoogst­waar­schijn­lijk ook mijn aller­lief­ste dier­ba­re klein­zoon ten deel val­len. Hoe­veel moei­te ik mij­zelf ook zal getroos­ten om het niet zo (heel) ver te laten komen.
Er kan een dag komen dat hij voor mijn boe­ken­kast zal staan en niet méér zal zien dan een blin­de muur opge­bouwd uit kleur­rij­ke bouw­ste­nen. Ik ver­heug mij niet op die dag.

De stel­ling:
Het is een goe­de zaak dat boek en boek­druk­kunst lang­zaam maar zeker zul­len ver­dwij­nen. Het zijn media­vor­men die hun bes­te tijd heb­ben gehad.

~ ~ ~

His­to­ri­ans still unborn will appre­ci­a­te your coo­p­e­ra­ti­on in the futu­re, Sonmi-451.
We archi­vists thank you in the pre­sent. […] Now, this sil­ver egg-sha­ped devi­ce is cal­l­ed an ori­son. It records both an ima­ge of your face and your words. Once we’re finis­hed, the ori­son will be archi­ved at the Mini­stry of Testaments.

Cloud Atlas, David Mit­chell (2003)

~ ~ ~

“Om een bescha­ving te ver­nie­ti­gen, moet je geen boe­ken ver­bran­den. Over­tuig gewoon de men­sen om er geen meer te lezen.” 
Ray Brad­bu­ry; Ame­ri­kaans sci­en­ce-fic­ti­on schrij­ver (1920-)

~ ~ ~

“Het is beter een mijl te rei­zen dan om dui­zend boe­ken te lezen.” 
Con­fu­ci­us; Chi­nees filo­soof (551 v.C. — 479 v.C.)

~ ~ ~

Alter Ego in Second Hyves – Wie ben ik?

Wat een f*cking kl*te dag was het tot nu toe! En ’t was nog maar vroeg in de avond. Nog zeker enke­le uren te gaan. Enke­le uren die hem scheid­den van de rust in z’n stu­deer­ka­mer. Van rust en, nog veel belang­rij­ker, het alleen kun­nen zijn. Geen gezeur aan z’n hoofd daar in z’n kamer­tje. Lek­ker alleen. Alleen met z’n pc en z’n inter­net ver­bin­ding. En ver­vol­gens inlog­gen. Inlog­gen met z’n fake use­rid. Met z’n onlangs aan­ge­maak­te alter ego. En dan con­tact zoe­ken met ech­te men­sen. Van vlees en bloed. Om door hun foto’s te bla­de­ren en hun krab­bels en blogs te lezen. Foto’s van vakan­tie trip­jes. Krab­bels over uit­stap­jes met vrien­den. Blogs over sport­da­gen. Wha­te­ver. Alle­maal din­gen die hij moest mis­sen, maar wel naar hunkerde.
En dus keek en las hij dit alles avond na avond met een voy­eu­ris­ti­sche gul­zig­heid. En typ­te zijn reac­ties bij deze en gene. In de vei­lig­heid van z’n pseudo-profiel.

Helaas nog enke­le uren voor­dat hij van die rand­de­bie­len om zich heen ver­lost was. Per­so­neel dat het vaak liet afwe­ten. Klan­ten die zich gedroe­gen als­of ze koning zelf waren. En dank­baar­heid was ver te zoe­ken. Even had hij gedacht dat het dit jaar met de plot­se­ling opko­men­de kre­diet­cri­sis wel rus­ti­ger zou wor­den. Maar het leek wel of de bran­che waar­in hij werk­zaam was geen cri­sis ken­de. Cri­sis? Wel­ke cri­sis! Com­ple­te koop­gek­te zag hij. Gek­te die hij niet mee naar huis wil­de nemen. Bui­ten z’n stu­deer­ka­mer­tje wil­de hou­den. Wat ech­ter steeds moei­lij­ker werd. Alleen z’n alter ego bood nog rust. Deed nog niet mee aan die gek­te. Daar kon hij nog zich­zelf zijn. Of was dat het begin van gekte?

Nee, ieder­een om hem heen was gek gewor­den. Of hield zich in ieder geval van de dom­me. Want dacht alleen in eigen­be­lang. Zolang men in hem geloof­de kon hij over­al komen opdra­ven. In aller­lei gedaan­tes. Want stan­daar­di­sa­tie dat was natuur­lijk weer teveel gevraagd. Kon hij hier in Neder­land zich hul­len in een rode man­tel en bij­pas­sen­de mij­ter, moest hij in Noord-Frank­rijk z’n wit­te baard inrui­len voor een rood exem­plaar. In Zwit­ser­land zagen ze ‘m ver­vol­gens weer lie­ver op een ezel dan op een wit­te schim­mel. Zo was ’t in elke streek wel weer anders. Gek werd hij er van.

Het leek wel of elke dag een gro­te­re beproe­ving werd. Als­of hij zich steeds moei­za­mer naar het eind van een werk­dag toe moest sle­pen. Zo was het ‘m ook van­daag weer ver­gaan. Ten dode ver­moeid gooi­de hij z’n streek­ge­bon­den klof­je op de grond en sloot de deur ach­ter zich. Met een zucht liet hij zich in z’n bureau­stoel val­len. Met een rou­ti­neus gebaar klik­te hij de pc aan. Ter­wijl de pc opstar­te leek het of hij nieu­we ener­gie kreeg. Alle frusta­tie van de dag ver­dween uit z’n gestel. Met iets van afkeer typ­te hij z’n win­dows log-in gegevens
Gebrui­kers­naam: SantaKlaas
Wachtwoord: ***********

Nadat de inter­net­ver­bin­ding tot stand was gebracht zocht hij onder favo­rie­ten naar de hyves pagi­na. De pagi­na van z’n alter ego. Zorg­vul­dig door een daar­toe gespe­ci­a­li­seerd bedrijf gecon­stru­eerd. Com­pleet met fake pro­fielfo­to, familiefoto’s, ach­ter­grond­in­for­ma­tie, om het maar zo echt moge­lijk te laten lij­ken. Al enke­le weken hyve­de hij nu met dit alter ego. En voel­de zich er steeds meer in thuis. Z’n pagi­na werd steeds vaker bezocht, de krab­bels en R&R’s stroom­den bin­nen. De vrien­den­lijst groei­de met de dag. Nu eerst maar eens inlog­gen om te zien hoe­veel reac­ties hij bin­nen had gekre­gen. Zien of ze z’n blogjes kon­den waarderen.
Gebrui­kers­naam: peterpellenaars
Wachtwoord: **********

Ha, 12x nieu­we berich­ten in m’n inbox

~ ~ ~