Bad Sex in Fiction award voor Shakespeare?

Vroe­ge Mid­del­eeu­wen:
Enig over­ge­ble­ven frag­ment uit oer­ver­sie Romeo & Juliet => Rode­wijn & Anita 
Popu­lai­re raam­ver­tel­ling die gewoon­lijk in de late uur­tjes werd voorgedragen: 

Hé meis­je!, zeg meis­je, ben je al een beet­je nat 
rit­sie­pie rit­sie­pa ritsiepoe 
Een har­de lul die is gemaakt om mee te pompen 
fal­de­rie, faldera 

1590–1592:
Sha­ke­spe­a­re is onder de indruk geraakt van de poë­ti­sche schoon­heid en tra­giek in het Rode­wijk & Ani­ta ver­haal, en maakt een eer­ste engel­se ver­sie van Romeo & Juliet: 

Here is the sto­ry of a real cool dude. Romeo’s his label, and he sho’ ain’t crude. 
He went to a par­ty whe­re he wasn’t sup­po­sed to. He fell for a gal that he dan­ced real clo­se to. 
Juliet, Juliet, yeah man. 
The priest and the nur­se, they got the two together. They built ‘em a nest, like bir­ds of a feather. 
The pro­blem was the old man and old lady didn’t want Romeo to be her matey. 
Capu­let, Mon­ta­gue, no man. 
So he got in a fight with a real rough cat He kil­led him dead, and that was that. 
The trou­ble was the dude was Juliet’s kin, And we all know blood’s thic­ker than skin. 
Tybalt, Tybalt, po’ man. 
The priest and the nur­se hat­ched ‘em a plan to fool Ver­o­na; Julie takes a pill, and they think she’s a goner. 
The pro­blem was Romeo’s a loner. He got kick­ed out­ta town by the dudes of Verona. 
Romeo, Romeo, whe­re you be? Yo, Man­tua by the sea. 
He gets a mes­sa­ge the wrong way straight. He rides to Ver­o­na to see his mate. 
When he arri­ves, he thinks he’s late; So he slays the Fren­ch­man and opens the gate. 
Paris, Paris, po’ man. 
He sees his chick taking a nap; He gets real fon­ky and starts to rap. 
He takes out the poi­son and drinks it real quick; He ends his life to be with his chick. 
Romeo, Romeo, po’ man. 
The priest comes in way too late, He sees all the blood near the gate. 
Julie yawns and she sits up straight; She spies the priest and asks for her mate, 
“Romeo, Romeo, whe­re you be?” 
“Lord, Child, can’t you see? Your dude is dead! No mo’ mis­ter! I’ll take you away and make you a sister!” 
Juliet, Juliet, po’ gal. 
She sends him away. She says she won’t go. She picks up the cup and throws it on the flo’. 
She gives her man a lon­ging kiss. She grabs his knife and dies in bliss. 
Juliet, Juliet, po’ gal. 
Now the Mon­ta­gues and Capu­lets, they made their pea­ce; They rai­sed up some sta­tu­es to show their grief. 
For never was a sto­ry of more woe Than this one here of Juliet and Romeo. 

1593:
Sha­ke­spe­a­re besluit de eer­ste ver­sie te bewer­ken nadat hij er niet in slaagt om in de top-10 charts van de hit­pa­ra­de te komen. Hij gooit het over een ande­re boeg om een gro­te­re doel­groep te berei­ken. Het nu vol­gen­de frag­ment is exemplarisch: 

Romeo comes over and pus­hes me gent­ly back down on the fake fur. I try to rise up to kiss him – it’s so love­ly, the kis­sing – but he pus­hes me down, again. He likes to kiss me all over befo­re he does any­thing else. He starts with my eyes, and plants a ten­der kiss on each lid. 
… He moves on to my ears, a kiss that makes my nip­ples stand erect, and me emit litt­le moans that drown out to my own ears the loud, dis­trac­ting sound of Cum­ber­batch swi­ping dock lea­ves and tea­ring nett­les and long gras­ses very clo­se to the ric­ke­ty stoop. Romeo’s hands are cares­sing my bre­asts, now, and I am allo­wed to kiss him back, but not for long, for he breaks off, to give each bre­ast the atten­ti­on it deser­ves. As he nib­bles and pulls with his mouth, his hands find my bush, and with light fin­gers he flut­ters about the­re, as if he is a moth cau­ght insi­de a lampshade. 
Almost screa­ming after five ago­ni­zin­gly plea­su­ra­ble minu­tes, I make a grab, to put him, now angri­ly slap­ping against both our bel­lies, insi­de, but he holds both by arms down, and puts his ton­gue to my core, like a cat lap­ping up a dish of cream so as not to miss a sin­gle drop. I find myself grip­ping his ears and tug­ging at the locks cur­ling over them, besi­de myself, and a stran­ge ani­mal noi­se esca­pes from me as the moun­ting, thun­de­ring cres­cen­do over­ta­kes me.

1594:
Na een span­nen­de eind­strijd wint Sha­ke­spe­a­re the Bad Sex Fic­ti­on award met boven­staan­de scè­ne. Dit is aan­lei­ding voor hem om voor een laat­ste keer essen­ti­ë­le onder­de­len te herschrijven. 

1597:
Defi­ni­tie­ve publi­ca­tie van Romeo & Juliet: 


Act 1, Sce­ne 5

ROMEO [To JULIET.] 
If I pro­fa­ne with my unwort­hiest hand 
This holy shri­ne, the gent­le sin is this: 
My lips, two blus­hing pil­grims, rea­dy stand 
To smooth that rough touch with a ten­der kiss.
JULIET
Good pil­grim, you do wrong your hand too much, 
Which man­ner­ly devo­ti­on shows in this; 
For saints have hands that pil­grims’ hands do touch, 
And palm to palm is holy pal­mers’ kiss.
ROMEO
Have not saints lips, and holy pal­mers too?
JULIET
Ay, pil­grim, lips that they must use in pray­er.
ROMEO
O, then, dear saint, let lips do what hands do; 
They pray — grant thou, lest faith turn to des­pair.
JULIET
Saints do not move, though grant for pray­ers’ sake.
ROMEO
Then move not, whi­le my prayer’s effect I take.
[Kis­ses her.] 
Thus from my lips, by yours, my sin is pur­ged.
JULIET
Then have my lips the sin that they have took.
ROMEO
Sin from thy lips? O tres­pass sweet­ly urged! 
Give me my sin again.
[Kis­ses her.] 
JULIET
You kiss by th’ book.

~ ~ ~

Geïn­spi­reerd door Rachel John­son, die dit jaar (2008) de Bad Sex in Fic­ti­on Award heeft gewon­nen. Het is haar win­nen­de stuk­je tekst dat hier­bo­ven is gebruikt. 

John Updi­ke heeft trou­wens een eer­vol­le ver­mel­ding voor z’n gehe­le oeu­vre gekregen. 

Voor de vol­le­dig­heid ver­meld ik nog dat Romeo’s Rap geschre­ven is door Pat Alva­ra­do en de oer­ver­sie van Rode­wijn & Ani­ta is natuur­lijk her­ken­baar als een ech­te Hans Teeu­wen tekst. 

~ ~ ~

Er schuilt geen echte kok in mij — en daar ben ik blij om!

Ik kan dus niet koken.

Het sta­di­um dat ik water liet aan­bran­den tij­dens eitjes koken ligt wel­is­waar ach­ter mij, maar daar­mee is toch wel een van de belang­rijk­ste wapen­fei­ten met­een bekend gemaakt.

Natuur­lijk lukt het mij nu een een­vou­di­ge maal­tijd samen te stel­len. Zeker wan­neer die gestoeld is op oer­hol­land­se ingre­di­ën­ten zoals aard­ap­pe­len, bloem­kool en stoof­lap­je. Maar ook maca­ro­ni en bami zijn gerech­ten die ik durf te berei­den en te serveren.

Ech­ter, ik kan dus niet koken.

Want een ech­te kok ziet een gerecht voor zich wat nog niet bestaat. Wat nog nooit gemaakt is mis­schien. Er is nog geen recept voor­han­den, slechts het eure­ka gevoel dat met een beet­je van dit en een beet­je van dat er een eind­pro­duct kan ont­staan wat fan­tas­tisch zal sma­ken. En er nog mooi uit­ziet ook. Want het oog wil ook wat.

De ech­te kok kijkt naar een stuk vlees en weet al wel­ke behan­de­ling er nodig is om dit vlees opti­maal te gebrui­ken. Welk stuk­je het bes­te smaakt. Hoe dik of dun er gesne­den moet gaan wor­den. Hoe lang het op het vuur moet staan en met wel­ke krui­den. En zelfs hoe het uit­ein­de­lijk zal sma­ken. Alleen maar door er naar te kijken.

Ik kijk naar een stuk vlees, en zie een stuk vlees.
En pak het kook­boek om te zien wat er moet gebeu­ren. Snij­den, bak­ken of sto­ven, wach­ten, kook­wek­ker­tje erbij. Als de tijd voor­bij is, vol­gen­de han­de­ling. Niet proe­ven of het goed genoeg is, maar pre­cies vol­gens de tijds­re­gels van het recept. Geeft in de mees­te geval­len een goed resul­taat. Hier onder­schei­den zich de ech­te kok en ikzelf sterk van elkaar.

Maar waar we alle­bei het­zelf­de over den­ken is het idee dat we iets berei­den wat met smaak gege­ten kan wor­den. Waar iemand van kan genie­ten. In het geval van de ech­te kok ligt de lat hoog en wordt gestreefd naar een hemel­se smaak­sen­sa­tie, in mijn geval hoop ik dat men het voor­ge­scho­tel­de bord eten met smaak hele­maal op eet. En met een vol­daan gevoel van tafel gaat.

Waar ik niet op hoop.
Dat men een hap­je neemt.
Wat proeft.
Nog wat lan­ger proeft.
En dan alles uitkotst!

Zoals een ech­te kok!

Zoals Gor­don Ramsay!

 

Hier ver­schil­len zich de ech­te kok en ikzelf ono­ver­brug­baar van elkaar.

~ ~ ~

Geschre­ven tij­dens de berei­ding van een heer­lij­ke Chi­li con Car­ne vol­gens het boekje/zakje.

~ ~ ~

Beklemmend speelgoed — een ode aan de fantasie

Bij­na pak­jes­avond en de brie­ven­bus raakt meer en meer ver­stopt met speel­goed­fol­ders. En met elke nieu­we dag die Opa en Oma dich­ter bij 5 decem­ber brengt, raken ze ver­der in de stress over hun geplan­de bij­dra­ge aan het sin­ter­klaas­feest voor hun klein­zoon. Zo jong en modern als ze den­ken te zijn kun­nen ze toch niet ont­ken­nen dat veel van het aan­ge­pre­zen speel­goed hen totaal niets zegt. En weten ze zich slechts met moei­te te ver­plaat­sen in de speel­goed­be­le­vings­we­reld van hun ruim 1,5 jaar oude kleinzoon.

Een uit­ge­le­zen kans doet zich voor als klein­zoon­lief een nacht­je komt loge­ren. Sys­te­ma­tisch wordt al het in huis aan­we­zi­ge speel­ge­rei tevoor­schijn gehaald en samen met de klei­ne dreu­mes ‘getest’. Na een klein half uur blijkt dat er bij hem een lich­te voor­keur bestaat voor speel­goed met wiel­tjes, speel­goed dat je kunt sta­pe­len en speel­goed dat geluid maakt. Maar echt veel wij­zer zijn Opa en Oma niet geworden.

Tot­dat het klei­ne man­ne­tje een klein groen mys­te­ri­eus doos­je ont­dekt. Met daarin…
Mini-wasknijpers!

Een nieu­we wereld gaat voor hem als­ook de ver­baas­de groot­ou­ders open. Want wat je al niet met mini-was­knij­pers kunt doen (in wil­le­keu­ri­ge volgorde):

• 16 stuks (let op, dit aan­tal schijnt belang­rijk te zijn, al weet men nog steeds niet waar­om) op de grond leg­gen, en ver­vol­gens wordt elke knij­per uiterst voor­zich­tig opge­pakt door de klein­ste in het gezel­schap en één voor één in de hand gelegd van ofte­wel Opa of Oma; op het moment dat de laat­ste knij­per bij de 15x ande­re gelegd wordt, dan telt men geza­men­lijk tot 3 om daar­na met veel gejoel en gespar­tel van armen en benen alle 16x knij­pers op de grond te laten val­len; en men begint over­nieuw; ad infinitum…

• Men kan een uiterst groe­ne gif­kik­ker nemen en deze ver­sie­ren met knij­pers (waar­bij men wel altijd aan­dacht moet beste­den aan het feit dat dit alleen bij speel­goed­die­ren geoor­loofd is)

• Een­maal ach­ter elkaar ver­bon­den heeft men niet mini-was­knij­pers op een rij­tje (duh), maar een slang, of een toren, of een liaan, of een etc, etc,

• Dezelf­de kik­ker kan zomaar ineens ver­an­de­ren in de wel­be­ken­de maar slechts spo­ra­disch voor­ko­men­de mini-was­knij­per­mon­ster (in de ver­te ver­want aan het koek­jes­mon­ster); dit dier eet vele knij­pers met genoe­gen op, zon­der daar noe­mens­waar­dig last van te hebben.

En zo zijn er nog vele manier te ver­zin­nen om jezelf als kind te ver­ma­ken met mini-wasknijpers.

Dus de momen­teel uiterst relax­te Opa en Oma heb­ben alle speel­goed­fol­ders bij het oud papier gelegd en zijn bezig om een eigen cata­lo­gus samen te stel­len van aller­lei unie­ke vari­an­ten wat je kunt doen met mini-was­knij­pers. En heb­ben hun cadeau al klaar­staan: een star­ters set­je mini-was­knij­pers. Weg met lego!

Iemand nog tips?

~ ~ ~

Geïn­spi­reerd door Noah

~ ~ ~

Rattenvanger in moderne tijden

In het stad­huis was het warm. Over­al stond de ver­war­ming op de hoog­ste stand. Zo ook in de raads­zaal waar de vol­tal­li­ge gemeen­te­raad bij­een was geko­men. Er was slechts één agen­da­punt deze avond: de beta­ling van de rat­ten­van­ger. Want voor de twee­de keer in de geschie­de­nis van het klei­ne stad­je in Neders­ak­sen had men te maken gehad met een rat­ten­plaag. Plot­se­ling waren ze van hein­de en ver­re opge­do­ken. En ook deze keer had alleen een mys­te­ri­eu­ze rat­ten­van­ger uit­komst kun­nen bie­den. Tegen een voor­af over­een­ge­ko­men prijs van één euro per rat, had de rat­ten­van­ger de opdracht aan­vaard en reeds de vol­gen­de dag mil­joe­nen rat­ten met zijn fluit­klan­ken regel­recht de rivier inge­lokt. Alwaar ze allen jam­mer­lijk ver­dron­ken en door het water mee­ge­voerd wer­den. En nu moest er betaald worden.

Bui­ten op het stad­huis­plein was het koud. Ijs­koud. Het was ten­slot­te al bij­na decem­ber en de eer­ste sneeuw al enke­le dagen gele­den geval­len. De rat­ten­van­ger liep rond­jes op het plein om zich warm te hou­den. Al enke­le uren wacht­te hij nu op z’n geld, maar nog steeds was er nie­mand uit het stad­huis naar bui­ten geko­men om hem z’n recht­ma­ti­ge beta­ling te over­han­di­gen. Wel kwa­men er steeds weer ande­re men­sen van­uit de stad naar het stad­huis en ver­dwe­nen naar bin­nen, om voor­als­nog niet weer naar bui­ten te komen.

Een eind bui­ten de stad was het druk. Hier had­den zich de rat­ten ver­za­meld die eer­der die dag mas­saal in de rivier waren gespron­gen, als schijn­baar daar­toe aan­ge­zet door de beto­ve­ren­de muziek van de rat­ten­van­ger. Ze waren onrus­tig, want al weer te lang bui­ten hun vei­li­ge en ver­trouw­de onder­ko­men diep in de inge­wan­den van de heu­vels rond­om Hame­len. Slechts spo­ra­disch kwa­men ze naar bui­ten, en dan alleen als de nood aller­hoogst was. En zover was het nu weer. Het was cri­sis. Door wan­be­leid waren ze door hun gehe­le voor­raad voed­sel en geld heen. En opnieuw moesten ze de alou­de truc met de rat­ten­van­ger uit­voe­ren. Een truc die altijd van suc­ces ver­ze­kerd was. Een­der geld of kin­de­ren was de belo­ning van het gehei­me samen­spel tus­sen de rat­ten en de rat­ten­van­ger. En bei­de kon­den ze deze keer goed gebruiken.

De rat­ten­van­ger keek voor de zoveel­ste keer op z’n hor­lo­ge. Ruim vier uren lie­ten ze hem nu wach­ten. Geld alleen zou al bij­na niet meer vol­doen­de com­pen­sa­tie zijn voor de tijd die ze hem hier bui­ten in de kou lie­ten door­bren­gen. Het zou hem wei­nig moei­te kos­ten om in het don­ker op zijn terug­weg rich­ting heu­vels, ergens enke­le klei­ne kin­de­ren mee te lok­ken. De gedach­te aan wat hij een­maal terug in z’n eigen grot met deze kin­de­ren zou kun­nen doen, deed de kou wat ver­dwij­nen. En de rat­ten zou­den op een mak­ke­lij­ke manier hun erg­ste hon­ger kun­nen stillen.

Ergens hoop­te hij dat de bewo­ners van het stad­je het geld niet beschik­baar zou­den hebben.

De bur­ge­mees­ter had inmid­dels alle bemid­del­de stads­ge­no­ten bij zich geroe­pen om te zien of ze geza­men­lijk het ver­schul­dig­de bedrag com­pleet kon­den krij­gen. Maar tot nu toe waren ze nog niet op de helft. De wan­hoop werd gro­ter bij elke nieu­we bin­nen­ko­mer die zijn spaar­geld op de gro­te ver­ga­der­ta­fel leg­de. En ook niet in staat was om het gat te dichten.

Ter­wijl het angst­zweet in dun­ne straal­tjes over het voor­hoofd van de bur­ger­va­der liep, pro­beer­de de wet­hou­der van finan­ci­ën tegen beter weten in opnieuw in te log­gen op de schijn­baar geblok­keer­de spaar­re­ke­ning bij de Ice­Sa­ve Bank.

~ ~ ~

Geschre­ven onder het genot van ette­lij­ke gla­zen rode wijn.
Geïn­spi­reerd door het vol­gen­de nieuwsbericht:

Hame­len kampt met rattenplaag
18-11-2008 Door: NU.NL

(Hameln) — De Duit­se stad Hameln (Hame­len), bekend van het sprook­je van de Rat­ten­van­ger van Hame­len, kampt met een gro­te rat­ten­plaag. Dat heeft een woord­voer­der van de stad Hameln in Neders­ak­sen laten weten.
De zegs­man stel­de dat het aan­tal rat­ten in een gebied van volks­tuin­tjes aan de rand van de stad explo­sief is gegroeid. Hameln kan de die­ren niet op effec­tie­ve wij­ze bestrij­den, omdat er ondui­de­lijk­heid is over de eigen­doms­ver­hou­din­gen in het gebied.

Wil je nog eens nale­zen hoe het ech­te ver­haal van de Rat­ten­van­ger ook al weer ging, neem dan hier een kijk­je. Of kijk hier op Wiki­pe­dia voor ande­re interpretaties.

~ ~ ~

20081109

“… vroe­ger … voor­goed … met roken …”
Van­we­ge een aan­hou­den­de hoest­bui kreeg ie slechts enke­le woor­den mee.
“Wat zei je?”
“Ik zei dus, dat ze vroe­ger bij ons in ’t dorp altijd zei­den dat iemand voor­goed gestopt was met roken. Wan­neer ie dus over­le­den was. Dat zei­den ze bij ons. Voor­al de oud­jes.”
Hij keek nog eens naar bene­den. Deze man zou dus gestopt zijn met roken. Als ie al rook­te. Of beter, gerookt had. Dat zou trou­wens nu nog maar moei­zaam gaan. Een gedeel­te van de onder­kaak was uit het gezicht van de man ver­dwe­nen. Daar­door had je nu vrij­uit zicht tot diep in de mond. Wat opviel was dat een hoop tan­den ont­bra­ken. Ook de tong van de man was op het eer­ste gezicht niet geheel com­pleet. En alles zat onder de bla­ren. Brandblaren.

“Vol­gens mij wist ie echt niets.”
“Par­don?”
“Over de deal. Bedoel ik. Dat ie niks wist. Anders had ie heus wel iemand ver­linkt. Dus. Ik bedoel. Met wat er alle­maal met ‘m is gedaan. Jezus! Ik dacht dat ie de twee­de dag al te ver heen was. Met die strijk­bout. Dus. Hoe ver­zin je ‘t. Had je dat al ooit eer­der gedaan? Wat een brand­lucht! Ik dacht nog, dalijk komt de brand­weer bin­nen­val­len in plaats van de poli­tie. Haha­ha­ha. Snap je ‘m? De brand­weer.”
Nog steeds staar­de hij naar het lichaam dat daar bene­den aan z’n voe­ten lag. Bij­na had z’n eer­ste schot doel gemist omdat een plot­se­lin­ge hoest­bui hem over­val­len had. In plaats van keu­rig tus­sen de ogen was de kogel inge­sla­gen in de onder­kaak van de man. En was een twee­de schot nodig. Dat was ‘m nog nooit overkomen.

“Kun je ‘m een stuk­je deze kant opdu­wen?”
Pein­zend keek hij naar de bran­den­de siga­ret in z’n hand. Hele­maal opro­ken, of een sym­bo­lisch laat­ste trek­je, of gewoon met­een hele­maal stop­pen?
“Je hoeft ‘m echt maar een stuk­je te rol­len of zo. Met je voe­ten. Dan wor­den je han­den niet vuil. Laat het vui­le werk maar aan mij over. Da’s mijn spe­ci­a­li­teit. Ieder het zij­ne. Zeg ik altijd. Ik ben niet in de wieg gelegd voor dat gemar­tel en zo. Met al die instru­men­ten. Laat mij maar gewoon op de uit­kijk staan. Of rond­rij­den. Of een stuk­je gra­ven zoals hier. Da’s goed voor de con­di­tie. Kan dat luie zweet er uit. Haha­ha.”
Een flin­ke duw met de punt van z’n schoen was vol­doen­de om het lijk bin­nen het bereik van de man in de kuil te bren­gen. Ter­wijl die ver­der ging met het lijk hele­maal in de kuil te trek­ken, nam hij toch nog een trek van z’n siga­ret. Wat ‘m met­een weer een hoest­bui opleverde.

Zeker van z’n zaak gooi­de hij de smeu­len­de siga­ret het lijk ach­ter­na de kuil in.
Z’n besluit stond vast. Van­daag zou hij stop­pen met roken.
Hij had nog zoveel te doen. Zoveel werk wat op hem wachtte.


Dag winterzon, welkom winterslaap

06:05 uur
Ver­baasd staar ik van­uit de slaap­ka­mer naar het laag­je ijs op de car­port. Nu al? De tuin­set is nog niet eens opgeborgen!
Het zol­der­raam heeft op een kier gestaan en er komt een wolk­je uit m’n mond wan­neer ik uitadem.

06:50 uur
Met ver­kleum­de han­den sta ik het ijs van de auto­ruit te krab­ben. Een­maal geze­ten in de auto zijn bin­nen kor­te tijd de rui­ten en ach­ter­uit­kijk­spie­gel besla­gen. Het stuur voelt aan als koud ijzer in plaats van kunst­stof. De cd spe­ler wei­gert dienst.

06:55 uur
Vloe­kend par­keer ik de auto aan de rand van de straat en stap uit. In de kof­fer­bak vind ik uit­ein­de­lijk een zeem om de besla­gen ramen defi­ni­tief schoon te maken. Een­maal weer aan het rij­den schijnt de laag­han­gen­de zon recht in m’n gezicht. Op de radio klinkt het weer­be­richt. Voor­als­nog de komen­de dagen meer van het­zelf­de (dus nachtvorst).

07:45 uur
De pc is opge­start en een kop­je kof­fie staat klaar. Alleen schijnt de zon recht in het scherm. Geïr­ri­teerd doe ik de luxa­flex dicht. Het kop­je kof­fie voelt lek­ker warm aan in m’n han­den. Ande­re collega’s komen bin­nen en de mees­ten kla­gen over de plot­se­lin­ge koude.

09:00 uur
Het afde­lings­over­leg begint met terug­kop­pe­ling uit het MT. Iemand klaagt dat de zon te fel naar bin­nen schijnt en dat het ook nog te warm wordt. Of ook hier de luxa­flex niet dicht kan.

09:48 uur
Het laat­ste agen­da­punt betreft de inter­ne ver­hui­zing. Verhuizing?
Ja, naar een tij­de­lij­ke plek ergens diep in het gebouw. En. Oja. Een ruim­te zon­der bui­ten­licht. Wel ramen. Maar die kij­ken uit op de productievloer.
Geen buitenlicht?
Nee, geen buitenlicht.

Mag de luxa­flex nog even open aub?

 

~ ~ ~

The girl next door — Jack Ketchum

Chap­ter Forty-Two

“I’m not going to tell you about this. 
I refu­se to. 
The­re are things you know you’ll die befo­re tel­ling, things you know you should have died befo­re ever having seen. 
I wat­ched and saw.”

Aan het woord is de jon­ge David, de 12-jari­ge ver­tel­ler in de roman The girl next door. Het boek is dan inmid­dels gevor­derd tot pagi­na 291 en we nade­ren de eind­fa­se van het ver­haal. En op dat moment weet ik niet wat erger is; het niet wil­len ver­tel­len door David wat er op dat moment te gebeu­ren staat zodat ikzelf (met de hele aan­loop naar deze sce­ne nog vers in het geheu­gen) over­spoeld wordt door alle gru­we­lijk­he­den die (vol­gens mijn ‘dir­ty mind’) gaan plaats­vin­den, of toch een plas­ti­sche beschrij­ving door de ik-per­soon die tot nu toe óók aan­kwa­men als opeen­vol­gen­de stom­pen in de maag.

Uit­ein­de­lijk maakt het niet uit. Na dit kor­te hoofd­stuk gaat het ver­haal ver­der nadat dat­ge­ne heeft plaats­ge­von­den wat David niet wil beschrij­ven. En wordt blad­zij­de na blad­zij­de dui­de­lijk tot wat voor extreem geweld kin­de­ren en een vol­was­se­ne in staat zijn, en of je voor­stel­lings­ver­mo­gen in staat was om dit kun­nen (wil­len?) voor­spel­len. Ter­gend lang­zaam ont­rolt zich de ont­kno­ping die je ziet aan­ko­men, maar die je pro­beert te ont­ken­nen. Want dat mag niet, dat kan niet, dat hoort niet, dat wil je niet. Maar gebeurt toch.

Ondanks dat Jack Ket­chum het roman-ein­de iet­wat heeft aan­ge­past met een heel klein beet­je recht­vaar­dig­heid er in, gaan m’n gedach­ten tel­kens naar de meis­jes Syl­via en Jen­ny Likens die model heb­ben gestaan voor dit ver­haal geba­seerd op ware gebeurtenissen.

The girl next door is het relaas van de jon­ge David die eind jaren ’50 ergens aan de bui­ten­gren­zen van New Jer­sey woont en mee­ge­zo­gen wordt in een draai­kolk van geweld. Geweld gericht tegen twee wees­kin­de­ren die in de zomer van 1958 plot­se­ling hun intre­de doen in de bij­na geslo­ten gemeen­schap van enke­le gezin­nen aan het eind van een dood­lo­pen­de straat. De meis­jes komen te wonen in het buur­ge­zin van David, wel­ke bestaat uit een alleen­staan­de moe­der en haar drie zonen.

Ruth, de alleen­staan­de moe­der, is een vrouw waar­van bij­na ieder­een er ook wel een kent uit vroe­ger tij­den. Een moe­der waar­bij je altijd iets meer mocht dan thuis. Lan­ger tv kij­ken, een bier­tje drin­ken, een siga­re­tje roken, vloe­ken. Als jon­gen kijk je daar met bewon­de­ring naar, net zoals David uit het ver­haal. En voor­al in het begin van de roman krijgt o.a. dit aspect veel aan­dacht. Het lijkt een coming-of-age ver­haal van David, zich afspe­lend in een lan­ge zomer­va­kan­tie, en gevuld met alle beken­de nos­tal­gi­sche details die we ken­nen uit ver­ge­lijk­ba­re films die zich afspe­len in die tijd.

Maar er slui­mert al drei­ging voor­dat de wees­kin­de­ren hun intre­de heb­ben gedaan. Net­jes wor­den door Jack Ket­chum de ingre­di­ën­ten klaar­ge­zet voor het hui­ve­ring­wek­ken­de ver­haal wat zich later zal gaan vol­trek­ken. Elke beschre­ven gebeur­te­nis her­bergt een detail wat later terug­komt, en waar­van je dan denkt “zie je wel, ik zag het al van ver­re aan­ko­men”, zon­der dat het te gemaakt wordt. Want ten­slot­te is het David die als ik-per­soon terug­blikt op deze trau­ma­ti­sche epi­so­de uit zijn leven en daar­bij zoe­ken­de is naar antwoorden/tekens/verklaringen voor dat­ge­ne waar­van hij getui­ge is geweest.

En over dat­ge­ne wat zich heeft afge­speeld kan ook ik hier kort zijn. Want wat heb je met alles wat tegen­woor­dig in de krant bij­na dage­lijks aan gru­we­lijk nieuws te lezen is, nog meer nodig dan de vol­gen­de aanwijzingen:

  • 2x onge­wens­te wees­meis­jes in een gezin van moe­der met 3x zonen;
  • een vrouw die lang­zaam­aan de grip op de rea­li­teit ver­liest en al haar frusta­tie richt op de meisjes;
  • een kel­der die oor­spron­ke­lijk bedoeld was als schuil­kel­der tegen een nucle­ai­re aanval;
  • buurt­kin­de­ren die de kans krij­gen om onge­stoord en aan­ge­moe­digd door een vol­was­se­ne hun wre­de onder­lin­ge spel­le­tjes te mogen bot­vie­ren op deze meisjes;
  • een dood­lo­pen­de straat.

Uit­ein­de­lijk valt alles samen te vat­ten in het hier­bo­ven reeds beschre­ven hoofd­stuk 42. Wil je toch met eigen ogen lezen wat er in die kel­der gebeurt is, aar­zel dan niet en schaf dit boek aan.

Maar zeg niet dat ik je niet gewaar­schuwd heb.

Sub­ur­bia. Sha­dy, tree-lined streets, well-ten­ded lawns and cozy homes. A nice, qui­et pla­ce to grow up. Unless you are teen­a­ge Meg or her crip­pled sis­ter, Susan. On a dead-end street, in the dark, damp base­ment of the Chand­ler hou­se, Meg and Susan are left cap­ti­ve to the sava­ge whims and rages of a dis­tant aunt who is rapid­ly des­cen­ding into mad­ness. It is a mad­ness that infects all three of her sons — and final­ly the enti­re neigh­bor­hood. Only one trou­b­led boy stands hesi­tant­ly bet­ween Meg and Susan and their cru­el, tor­tu­rous dea­ths. A boy with a very adult deci­si­on to make.

Jack Ket­chum
The girl next door
Uit­ge­ver Lei­su­re Fiction
ISBN 9780843960976

~ ~ ~

NOW A MAJOR MOTION PICTURE

~ ~ ~

20080620

The Poe Sha­dow — Mat­thew Pearl 

Dit is de twee­de his­to­ri­sche thril­ler geschre­ven door Mat­thew Pearl, die z’n debuut maak­te met The Dan­te Club.

Deze keer ver­diept hij zich in de mys­te­ri­eu­ze omstan­dig­he­den rond­om de dood van de Ame­ri­kaan­se dich­ter en schrij­ver Edgar Allan Poe in okto­ber 1849. Deze kwam te over­lij­den in de stad Bal­ti­mo­re (waar hij ook gebo­ren was) zon­der dat de mees­ten van zijn fami­lie en vrien­den wis­ten dat hij daar ver­toef­de. Hij ver­keer­de toen al in een deplo­ra­be­le staat en over­leed enke­le dagen later. Men hield het op over­ma­tig gebruik van drank en ver­do­ven­de mid­de­len. Maar al snel ver­sche­nen er ook ande­re ver­ha­len met betrek­king tot zijn laat­ste dagen in de loka­le en lan­de­lij­ke kran­ten. Het feit dat Poe tij­dens zijn leven een nog­al tur­bu­lent leven leid­de, plus de aard van de ver­ha­len die hij schreef (mys­te­rie, hor­ror, thril­ler, etc.) gaf genoeg voe­dings­bo­dem voor aller­lei speculaties.

Pearl heeft voor zijn boek een hoop research gedaan en komt in zijn boek met nieu­we ont­dek­kin­gen en bewijs­last voor een alter­na­tie­ve uit­leg van Poe’s dood. In zijn ver­haal voert hij een hoop his­to­ri­sche per­so­na­ges op die betrok­ken waren bij de gebeur­te­nis­sen in deze jaren. Maar het ver­haal wordt ver­teld door een niet-his­to­ri­sche per­soon. Het is een jon­ge­man van rij­ke afkomst, Quen­tin Clark genaamd, die bij toe­val getui­ge is van de sobe­re begra­fe­nis van Poe. Omdat hij een fer­vent lezer en bewon­de­raar is van Poe, als­ook het feit dat hij een cor­res­pon­den­tie gestart was met hem, vat hij het idee op om de ware toe­dracht te ont­hul­len over de laat­ste dagen van Edgar Allan Poe. Zeker wan­neer er (in zijn ogen) onjuis­te ver­ha­len over Poe in de krant verschijnen.

Het ori­gi­ne­le in het ver­loop van deze zoek­tocht, is dat Clark op zoek gaat naar de per­soon die model heeft gestaan voor de super-detec­ti­ve die Poe opvoer­de in enke­le van zijn ver­ha­len (de illus­te­re C. August Dupin uit The Mur­ders in the Rue Mor­gue). Deze per­soon weet hij uit­ein­de­lijk te vin­den in Parijs, maar deze man heeft in eer­ste instan­tie geen zin om mee te wer­ken aan het onder­zoek van Clark. Hier­na neemt het ver­haal een vol­gen­de wen­ding wan­neer er zich een nieu­we gega­dig­de aan­dient die beweert model te heb­ben gestaan voor C. August Dupin. Op dat moment begint het ver­haal wat meer vaart te krij­gen en raakt tege­lij­ker­tijd Quen­tin Clark de grip op de gebeur­te­nis­sen kwijt. In de strijd die er ont­staat tus­sen de twee riva­len, dreigt Clark het onder­spit te moe­ten del­ven en staan het voort­be­staan van zijn goe­de naam en toe­komst op het spel.

Zo beschre­ven lijkt het een vlot en span­nend ver­haal te zijn, maar in de prak­tijk was zeker de eer­ste helft van het boek een tame­lijk lang­zaam voort­kab­be­lend geheel. Wel­is­waar mooie sfeer­beel­den van de tijd en gewoon­tes in 1849 en later, maar voor een thril­ler valt er niet veel span­nends te bele­ven. Pas met de intro­duc­tie van de twee­de gega­dig­de voor C. Augist Dupin (een flam­boy­an­te man met schul­den en een dievegge/moordenares als vrouw) komt het ver­haal los en vol­gen de gebeur­te­nis­sen zich wat snel­ler op. En toch blijft het ver­haal hier en daar toch weer ste­ken in lan­ge­re uit­wei­din­gen of te lang­zaam opge­bouw­de aan­lo­pen naar een vol­gen­de gebeurtenis.

En daar­om blijf ik dan ook met een onbe­stemd en onbe­vre­di­gend gevoel ach­ter. Het ein­de is wel­is­waar span­nend beschre­ven en de mees­te lij­nen komen net­jes bij elkaar, maar het over­tuigd niet helemaal.

Kort­om, een rui­me vol­doen­de voor het his­to­ri­sche aspect van deze roman als­ook de nieu­we ont­hul­lin­gen door Pearl. Maar als thril­ler net niet span­nend genoeg naar mijn zin.

Plus­punt: het sti­mu­leert wel om weer eens de oor­spron­ke­lij­ke ver­ha­len van Poe op te pak­ken en te (her)lezen!

Bal­ti­mo­re, 1849. The body of Edgar Allan Poe has been buried in an unmar­ked gra­ve. The con­clu­si­on that Poe was a second-rate wri­ter who died a drun­kard is accep­ted by all. But none of this deters Quen­tin Clark, an ardent admi­rer who risks his own career and reputa­ti­on in a pas­si­o­na­te crus­a­de to sal­va­ge Poe’s.

The Poe Shadow
Mat­thew Pearl
Vin­ta­ge Books
ISBN 978–0‑099–47822‑5


20080618

Eitje: 

Sor­ry Tristan.

Sor­ry dat ik het stom vond dat je de eier­snij­der gebruik­te om bij­voor­beeld ook cham­pig­nons te snij­den (en zo dat nut­ti­ge keu­ken­ge­reed­schap naar z’n mal­le­moer hielp).

Het is alweer een tijd­je gele­den dat dit gebeur­de, maar ik zag van­daag een adver­ten­tie1 voor IT per­so­neel in een tijd­schrift en zag dat je eigen­lijk je tijd ver voor­uit was. Je kunt er zo gaan solliciteren.



  1. De oor­spron­ke­lij­ke foto met de IT con­sul­tan­cy recla­me ben ik helaas kwijt­ge­raakt… 

Shanghai – 26 oktober 2003

Nadat we gis­ter de Bund bezocht had­den beslo­ten we van­daag op goed geluk naar de bin­nen­stad te gaan. Ondanks dat ieder­een goed gesla­pen had waren we best wel moe van de vlieg­reis en het plan was om gewoon wat door het cen­trum te slen­te­ren op zoek naar sou­ve­nirs en lek­ker eten.

De sou­ve­nirs heb­ben we gekocht in een gro­te markt­hal waar het de kunst was om zoveel moge­lijk af te din­gen op de prijs zon­der dat we wis­ten of de uit­ge­stal­de pro­duk­ten echt of namaak waren. Daar­na kwa­men we bij toe­val terecht op een plein waar een rond­rei­zend the­a­ter­ge­zel­schap een voor­stel­ling gaf. Hoe­wel er geen woord van te ver­staan was heb­ben we onze ogen uitgekeken.

In een megagroot res­tau­rant waar je zo’n beet­je elke inheem­se dier­soort kon eten zon­der te weten wat het nu pre­cies was omdat ze al gevild en wel in de vitri­ne lagen wil­den we wat gaan eten, maar uit­ein­de­lijk heb­ben we toch maar geko­zen voor een eet­tent­je waar ze voor­tref­fe­lij­ke noe­delsoep ser­veer­den. Nooit eer­der zo lek­ker gegeten.

De rest van de mid­dag heb­ben we door­ge­bracht in een soort van open­lucht­mu­se­um voor­dat we de metro terug naar het hotel namen om op tijd te gaan rus­ten. Mor­gen mogen we weer aan het werk.

DSCN0854 DSCN0855 DSCN0857 DSCN0858 DSCN0861 DSCN0863 DSCN0864 DSCN0865 DSCN0866 DSCN0867 DSCN0868 DSCN0869 DSCN0870 DSCN0871 DSCN0873 DSCN0876 DSCN0880 DSCN0885 DSCN0886 DSCN0888 DSCN0889 DSCN0892 DSCN0895 DSCN0896 DSCN0898 DSCN0899

~ ~ ~