Er schuilt geen echte kok in mij — en daar ben ik blij om!

Ik kan dus niet koken.

Het sta­di­um dat ik water liet aan­bran­den tij­dens eitjes koken ligt wel­is­waar ach­ter mij, maar daar­mee is toch wel een van de belang­rijk­ste wapen­fei­ten met­een bekend gemaakt.

Natuur­lijk lukt het mij nu een een­vou­di­ge maal­tijd samen te stel­len. Zeker wan­neer die gestoeld is op oer­hol­land­se ingre­di­ën­ten zoals aard­ap­pe­len, bloem­kool en stoof­lap­je. Maar ook maca­ro­ni en bami zijn gerech­ten die ik durf te berei­den en te serveren.

Ech­ter, ik kan dus niet koken.

Want een ech­te kok ziet een gerecht voor zich wat nog niet bestaat. Wat nog nooit gemaakt is mis­schien. Er is nog geen recept voor­han­den, slechts het eure­ka gevoel dat met een beet­je van dit en een beet­je van dat er een eind­pro­duct kan ont­staan wat fan­tas­tisch zal sma­ken. En er nog mooi uit­ziet ook. Want het oog wil ook wat.

De ech­te kok kijkt naar een stuk vlees en weet al wel­ke behan­de­ling er nodig is om dit vlees opti­maal te gebrui­ken. Welk stuk­je het bes­te smaakt. Hoe dik of dun er gesne­den moet gaan wor­den. Hoe lang het op het vuur moet staan en met wel­ke krui­den. En zelfs hoe het uit­ein­de­lijk zal sma­ken. Alleen maar door er naar te kijken.

Ik kijk naar een stuk vlees, en zie een stuk vlees.
En pak het kook­boek om te zien wat er moet gebeu­ren. Snij­den, bak­ken of sto­ven, wach­ten, kook­wek­ker­tje erbij. Als de tijd voor­bij is, vol­gen­de han­de­ling. Niet proe­ven of het goed genoeg is, maar pre­cies vol­gens de tijds­re­gels van het recept. Geeft in de mees­te geval­len een goed resul­taat. Hier onder­schei­den zich de ech­te kok en ikzelf sterk van elkaar.

Maar waar we alle­bei het­zelf­de over den­ken is het idee dat we iets berei­den wat met smaak gege­ten kan wor­den. Waar iemand van kan genie­ten. In het geval van de ech­te kok ligt de lat hoog en wordt gestreefd naar een hemel­se smaak­sen­sa­tie, in mijn geval hoop ik dat men het voor­ge­scho­tel­de bord eten met smaak hele­maal op eet. En met een vol­daan gevoel van tafel gaat.

Waar ik niet op hoop.
Dat men een hap­je neemt.
Wat proeft.
Nog wat lan­ger proeft.
En dan alles uitkotst!

Zoals een ech­te kok!

Zoals Gor­don Ramsay!

 

Hier ver­schil­len zich de ech­te kok en ikzelf ono­ver­brug­baar van elkaar.

~ ~ ~

Geschre­ven tij­dens de berei­ding van een heer­lij­ke Chi­li con Car­ne vol­gens het boekje/zakje.

~ ~ ~

Beklemmend speelgoed — een ode aan de fantasie

Bij­na pak­jes­avond en de brie­ven­bus raakt meer en meer ver­stopt met speel­goed­fol­ders. En met elke nieu­we dag die Opa en Oma dich­ter bij 5 decem­ber brengt, raken ze ver­der in de stress over hun geplan­de bij­dra­ge aan het sin­ter­klaas­feest voor hun klein­zoon. Zo jong en modern als ze den­ken te zijn kun­nen ze toch niet ont­ken­nen dat veel van het aan­ge­pre­zen speel­goed hen totaal niets zegt. En weten ze zich slechts met moei­te te ver­plaat­sen in de speel­goed­be­le­vings­we­reld van hun ruim 1,5 jaar oude kleinzoon.

Een uit­ge­le­zen kans doet zich voor als klein­zoon­lief een nacht­je komt loge­ren. Sys­te­ma­tisch wordt al het in huis aan­we­zi­ge speel­ge­rei tevoor­schijn gehaald en samen met de klei­ne dreu­mes ‘getest’. Na een klein half uur blijkt dat er bij hem een lich­te voor­keur bestaat voor speel­goed met wiel­tjes, speel­goed dat je kunt sta­pe­len en speel­goed dat geluid maakt. Maar echt veel wij­zer zijn Opa en Oma niet geworden.

Tot­dat het klei­ne man­ne­tje een klein groen mys­te­ri­eus doos­je ont­dekt. Met daarin…
Mini-wasknijpers!

Een nieu­we wereld gaat voor hem als­ook de ver­baas­de groot­ou­ders open. Want wat je al niet met mini-was­knij­pers kunt doen (in wil­le­keu­ri­ge volgorde):

• 16 stuks (let op, dit aan­tal schijnt belang­rijk te zijn, al weet men nog steeds niet waar­om) op de grond leg­gen, en ver­vol­gens wordt elke knij­per uiterst voor­zich­tig opge­pakt door de klein­ste in het gezel­schap en één voor één in de hand gelegd van ofte­wel Opa of Oma; op het moment dat de laat­ste knij­per bij de 15x ande­re gelegd wordt, dan telt men geza­men­lijk tot 3 om daar­na met veel gejoel en gespar­tel van armen en benen alle 16x knij­pers op de grond te laten val­len; en men begint over­nieuw; ad infinitum…

• Men kan een uiterst groe­ne gif­kik­ker nemen en deze ver­sie­ren met knij­pers (waar­bij men wel altijd aan­dacht moet beste­den aan het feit dat dit alleen bij speel­goed­die­ren geoor­loofd is)

• Een­maal ach­ter elkaar ver­bon­den heeft men niet mini-was­knij­pers op een rij­tje (duh), maar een slang, of een toren, of een liaan, of een etc, etc,

• Dezelf­de kik­ker kan zomaar ineens ver­an­de­ren in de wel­be­ken­de maar slechts spo­ra­disch voor­ko­men­de mini-was­knij­per­mon­ster (in de ver­te ver­want aan het koek­jes­mon­ster); dit dier eet vele knij­pers met genoe­gen op, zon­der daar noe­mens­waar­dig last van te hebben.

En zo zijn er nog vele manier te ver­zin­nen om jezelf als kind te ver­ma­ken met mini-wasknijpers.

Dus de momen­teel uiterst relax­te Opa en Oma heb­ben alle speel­goed­fol­ders bij het oud papier gelegd en zijn bezig om een eigen cata­lo­gus samen te stel­len van aller­lei unie­ke vari­an­ten wat je kunt doen met mini-was­knij­pers. En heb­ben hun cadeau al klaar­staan: een star­ters set­je mini-was­knij­pers. Weg met lego!

Iemand nog tips?

~ ~ ~

Geïn­spi­reerd door Noah

~ ~ ~

Rattenvanger in moderne tijden

In het stad­huis was het warm. Over­al stond de ver­war­ming op de hoog­ste stand. Zo ook in de raads­zaal waar de vol­tal­li­ge gemeen­te­raad bij­een was geko­men. Er was slechts één agen­da­punt deze avond: de beta­ling van de rat­ten­van­ger. Want voor de twee­de keer in de geschie­de­nis van het klei­ne stad­je in Neders­ak­sen had men te maken gehad met een rat­ten­plaag. Plot­se­ling waren ze van hein­de en ver­re opge­do­ken. En ook deze keer had alleen een mys­te­ri­eu­ze rat­ten­van­ger uit­komst kun­nen bie­den. Tegen een voor­af over­een­ge­ko­men prijs van één euro per rat, had de rat­ten­van­ger de opdracht aan­vaard en reeds de vol­gen­de dag mil­joe­nen rat­ten met zijn fluit­klan­ken regel­recht de rivier inge­lokt. Alwaar ze allen jam­mer­lijk ver­dron­ken en door het water mee­ge­voerd wer­den. En nu moest er betaald worden.

Bui­ten op het stad­huis­plein was het koud. Ijs­koud. Het was ten­slot­te al bij­na decem­ber en de eer­ste sneeuw al enke­le dagen gele­den geval­len. De rat­ten­van­ger liep rond­jes op het plein om zich warm te hou­den. Al enke­le uren wacht­te hij nu op z’n geld, maar nog steeds was er nie­mand uit het stad­huis naar bui­ten geko­men om hem z’n recht­ma­ti­ge beta­ling te over­han­di­gen. Wel kwa­men er steeds weer ande­re men­sen van­uit de stad naar het stad­huis en ver­dwe­nen naar bin­nen, om voor­als­nog niet weer naar bui­ten te komen.

Een eind bui­ten de stad was het druk. Hier had­den zich de rat­ten ver­za­meld die eer­der die dag mas­saal in de rivier waren gespron­gen, als schijn­baar daar­toe aan­ge­zet door de beto­ve­ren­de muziek van de rat­ten­van­ger. Ze waren onrus­tig, want al weer te lang bui­ten hun vei­li­ge en ver­trouw­de onder­ko­men diep in de inge­wan­den van de heu­vels rond­om Hame­len. Slechts spo­ra­disch kwa­men ze naar bui­ten, en dan alleen als de nood aller­hoogst was. En zover was het nu weer. Het was cri­sis. Door wan­be­leid waren ze door hun gehe­le voor­raad voed­sel en geld heen. En opnieuw moesten ze de alou­de truc met de rat­ten­van­ger uit­voe­ren. Een truc die altijd van suc­ces ver­ze­kerd was. Een­der geld of kin­de­ren was de belo­ning van het gehei­me samen­spel tus­sen de rat­ten en de rat­ten­van­ger. En bei­de kon­den ze deze keer goed gebruiken.

De rat­ten­van­ger keek voor de zoveel­ste keer op z’n hor­lo­ge. Ruim vier uren lie­ten ze hem nu wach­ten. Geld alleen zou al bij­na niet meer vol­doen­de com­pen­sa­tie zijn voor de tijd die ze hem hier bui­ten in de kou lie­ten door­bren­gen. Het zou hem wei­nig moei­te kos­ten om in het don­ker op zijn terug­weg rich­ting heu­vels, ergens enke­le klei­ne kin­de­ren mee te lok­ken. De gedach­te aan wat hij een­maal terug in z’n eigen grot met deze kin­de­ren zou kun­nen doen, deed de kou wat ver­dwij­nen. En de rat­ten zou­den op een mak­ke­lij­ke manier hun erg­ste hon­ger kun­nen stillen.

Ergens hoop­te hij dat de bewo­ners van het stad­je het geld niet beschik­baar zou­den hebben.

De bur­ge­mees­ter had inmid­dels alle bemid­del­de stads­ge­no­ten bij zich geroe­pen om te zien of ze geza­men­lijk het ver­schul­dig­de bedrag com­pleet kon­den krij­gen. Maar tot nu toe waren ze nog niet op de helft. De wan­hoop werd gro­ter bij elke nieu­we bin­nen­ko­mer die zijn spaar­geld op de gro­te ver­ga­der­ta­fel leg­de. En ook niet in staat was om het gat te dichten.

Ter­wijl het angst­zweet in dun­ne straal­tjes over het voor­hoofd van de bur­ger­va­der liep, pro­beer­de de wet­hou­der van finan­ci­ën tegen beter weten in opnieuw in te log­gen op de schijn­baar geblok­keer­de spaar­re­ke­ning bij de Ice­Sa­ve Bank.

~ ~ ~

Geschre­ven onder het genot van ette­lij­ke gla­zen rode wijn.
Geïn­spi­reerd door het vol­gen­de nieuwsbericht:

Hame­len kampt met rattenplaag
18-11-2008 Door: NU.NL

(Hameln) — De Duit­se stad Hameln (Hame­len), bekend van het sprook­je van de Rat­ten­van­ger van Hame­len, kampt met een gro­te rat­ten­plaag. Dat heeft een woord­voer­der van de stad Hameln in Neders­ak­sen laten weten.
De zegs­man stel­de dat het aan­tal rat­ten in een gebied van volks­tuin­tjes aan de rand van de stad explo­sief is gegroeid. Hameln kan de die­ren niet op effec­tie­ve wij­ze bestrij­den, omdat er ondui­de­lijk­heid is over de eigen­doms­ver­hou­din­gen in het gebied.

Wil je nog eens nale­zen hoe het ech­te ver­haal van de Rat­ten­van­ger ook al weer ging, neem dan hier een kijk­je. Of kijk hier op Wiki­pe­dia voor ande­re interpretaties.

~ ~ ~

20081109 — zondag

“… vroe­ger … voor­goed … met roken …”
Van­we­ge een aan­hou­den­de hoest­bui kreeg ie slechts enke­le woor­den mee.
“Wat zei je?”
“Ik zei dus, dat ze vroe­ger bij ons in ’t dorp altijd zei­den dat iemand voor­goed gestopt was met roken. Wan­neer ie dus over­le­den was. Dat zei­den ze bij ons. Voor­al de oud­jes.”
Hij keek nog eens naar bene­den. Deze man zou dus gestopt zijn met roken. Als ie al rook­te. Of beter, gerookt had. Dat zou trou­wens nu nog maar moei­zaam gaan. Een gedeel­te van de onder­kaak was uit het gezicht van de man ver­dwe­nen. Daar­door had je nu vrij­uit zicht tot diep in de mond. Wat opviel was dat een hoop tan­den ont­bra­ken. Ook de tong van de man was op het eer­ste gezicht niet geheel com­pleet. En alles zat onder de bla­ren. Brandblaren.

“Vol­gens mij wist ie echt niets.”
“Par­don?”
“Over de deal. Bedoel ik. Dat ie niks wist. Anders had ie heus wel iemand ver­linkt. Dus. Ik bedoel. Met wat er alle­maal met ‘m is gedaan. Jezus! Ik dacht dat ie de twee­de dag al te ver heen was. Met die strijk­bout. Dus. Hoe ver­zin je ‘t. Had je dat al ooit eer­der gedaan? Wat een brand­lucht! Ik dacht nog, dalijk komt de brand­weer bin­nen­val­len in plaats van de poli­tie. Haha­ha­ha. Snap je ‘m? De brand­weer.”
Nog steeds staar­de hij naar het lichaam dat daar bene­den aan z’n voe­ten lag. Bij­na had z’n eer­ste schot doel gemist omdat een plot­se­lin­ge hoest­bui hem over­val­len had. In plaats van keu­rig tus­sen de ogen was de kogel inge­sla­gen in de onder­kaak van de man. En was een twee­de schot nodig. Dat was ‘m nog nooit overkomen.

“Kun je ‘m een stuk­je deze kant opdu­wen?”
Pein­zend keek hij naar de bran­den­de siga­ret in z’n hand. Hele­maal opro­ken, of een sym­bo­lisch laat­ste trek­je, of gewoon met­een hele­maal stop­pen?
“Je hoeft ‘m echt maar een stuk­je te rol­len of zo. Met je voe­ten. Dan wor­den je han­den niet vuil. Laat het vui­le werk maar aan mij over. Da’s mijn spe­ci­a­li­teit. Ieder het zij­ne. Zeg ik altijd. Ik ben niet in de wieg gelegd voor dat gemar­tel en zo. Met al die instru­men­ten. Laat mij maar gewoon op de uit­kijk staan. Of rond­rij­den. Of een stuk­je gra­ven zoals hier. Da’s goed voor de con­di­tie. Kan dat luie zweet er uit. Haha­ha.”
Een flin­ke duw met de punt van z’n schoen was vol­doen­de om het lijk bin­nen het bereik van de man in de kuil te bren­gen. Ter­wijl die ver­der ging met het lijk hele­maal in de kuil te trek­ken, nam hij toch nog een trek van z’n siga­ret. Wat ‘m met­een weer een hoest­bui opleverde.

Zeker van z’n zaak gooi­de hij de smeu­len­de siga­ret het lijk ach­ter­na de kuil in.
Z’n besluit stond vast. Van­daag zou hij stop­pen met roken.
Hij had nog zoveel te doen. Zoveel werk wat op hem wachtte.


Dag winterzon, welkom winterslaap

06:05 uur
Ver­baasd staar ik van­uit de slaap­ka­mer naar het laag­je ijs op de car­port. Nu al? De tuin­set is nog niet eens opgeborgen!
Het zol­der­raam heeft op een kier gestaan en er komt een wolk­je uit m’n mond wan­neer ik uitadem.

06:50 uur
Met ver­kleum­de han­den sta ik het ijs van de auto­ruit te krab­ben. Een­maal geze­ten in de auto zijn bin­nen kor­te tijd de rui­ten en ach­ter­uit­kijk­spie­gel besla­gen. Het stuur voelt aan als koud ijzer in plaats van kunst­stof. De cd spe­ler wei­gert dienst.

06:55 uur
Vloe­kend par­keer ik de auto aan de rand van de straat en stap uit. In de kof­fer­bak vind ik uit­ein­de­lijk een zeem om de besla­gen ramen defi­ni­tief schoon te maken. Een­maal weer aan het rij­den schijnt de laag­han­gen­de zon recht in m’n gezicht. Op de radio klinkt het weer­be­richt. Voor­als­nog de komen­de dagen meer van het­zelf­de (dus nachtvorst).

07:45 uur
De pc is opge­start en een kop­je kof­fie staat klaar. Alleen schijnt de zon recht in het scherm. Geïr­ri­teerd doe ik de luxa­flex dicht. Het kop­je kof­fie voelt lek­ker warm aan in m’n han­den. Ande­re collega’s komen bin­nen en de mees­ten kla­gen over de plot­se­lin­ge koude.

09:00 uur
Het afde­lings­over­leg begint met terug­kop­pe­ling uit het MT. Iemand klaagt dat de zon te fel naar bin­nen schijnt en dat het ook nog te warm wordt. Of ook hier de luxa­flex niet dicht kan.

09:48 uur
Het laat­ste agen­da­punt betreft de inter­ne ver­hui­zing. Verhuizing?
Ja, naar een tij­de­lij­ke plek ergens diep in het gebouw. En. Oja. Een ruim­te zon­der bui­ten­licht. Wel ramen. Maar die kij­ken uit op de productievloer.
Geen buitenlicht?
Nee, geen buitenlicht.

Mag de luxa­flex nog even open aub?

 

~ ~ ~

The girl next door — Jack Ketchum

Chap­ter Forty-Two

“I’m not going to tell you about this. 
I refu­se to. 
The­re are things you know you’ll die befo­re tel­ling, things you know you should have died befo­re ever having seen. 
I wat­ched and saw.”

Aan het woord is de jon­ge David, de 12-jari­ge ver­tel­ler in de roman The girl next door. Het boek is dan inmid­dels gevor­derd tot pagi­na 291 en we nade­ren de eind­fa­se van het ver­haal. En op dat moment weet ik niet wat erger is; het niet wil­len ver­tel­len door David wat er op dat moment te gebeu­ren staat zodat ikzelf (met de hele aan­loop naar deze sce­ne nog vers in het geheu­gen) over­spoeld wordt door alle gru­we­lijk­he­den die (vol­gens mijn ‘dir­ty mind’) gaan plaats­vin­den, of toch een plas­ti­sche beschrij­ving door de ik-per­soon die tot nu toe óók aan­kwa­men als opeen­vol­gen­de stom­pen in de maag.

Uit­ein­de­lijk maakt het niet uit. Na dit kor­te hoofd­stuk gaat het ver­haal ver­der nadat dat­ge­ne heeft plaats­ge­von­den wat David niet wil beschrij­ven. En wordt blad­zij­de na blad­zij­de dui­de­lijk tot wat voor extreem geweld kin­de­ren en een vol­was­se­ne in staat zijn, en of je voor­stel­lings­ver­mo­gen in staat was om dit kun­nen (wil­len?) voor­spel­len. Ter­gend lang­zaam ont­rolt zich de ont­kno­ping die je ziet aan­ko­men, maar die je pro­beert te ont­ken­nen. Want dat mag niet, dat kan niet, dat hoort niet, dat wil je niet. Maar gebeurt toch.

Ondanks dat Jack Ket­chum het roman-ein­de iet­wat heeft aan­ge­past met een heel klein beet­je recht­vaar­dig­heid er in, gaan m’n gedach­ten tel­kens naar de meis­jes Syl­via en Jen­ny Likens die model heb­ben gestaan voor dit ver­haal geba­seerd op ware gebeurtenissen.

The girl next door is het relaas van de jon­ge David die eind jaren ’50 ergens aan de bui­ten­gren­zen van New Jer­sey woont en mee­ge­zo­gen wordt in een draai­kolk van geweld. Geweld gericht tegen twee wees­kin­de­ren die in de zomer van 1958 plot­se­ling hun intre­de doen in de bij­na geslo­ten gemeen­schap van enke­le gezin­nen aan het eind van een dood­lo­pen­de straat. De meis­jes komen te wonen in het buur­ge­zin van David, wel­ke bestaat uit een alleen­staan­de moe­der en haar drie zonen.

Ruth, de alleen­staan­de moe­der, is een vrouw waar­van bij­na ieder­een er ook wel een kent uit vroe­ger tij­den. Een moe­der waar­bij je altijd iets meer mocht dan thuis. Lan­ger tv kij­ken, een bier­tje drin­ken, een siga­re­tje roken, vloe­ken. Als jon­gen kijk je daar met bewon­de­ring naar, net zoals David uit het ver­haal. En voor­al in het begin van de roman krijgt o.a. dit aspect veel aan­dacht. Het lijkt een coming-of-age ver­haal van David, zich afspe­lend in een lan­ge zomer­va­kan­tie, en gevuld met alle beken­de nos­tal­gi­sche details die we ken­nen uit ver­ge­lijk­ba­re films die zich afspe­len in die tijd.

Maar er slui­mert al drei­ging voor­dat de wees­kin­de­ren hun intre­de heb­ben gedaan. Net­jes wor­den door Jack Ket­chum de ingre­di­ën­ten klaar­ge­zet voor het hui­ve­ring­wek­ken­de ver­haal wat zich later zal gaan vol­trek­ken. Elke beschre­ven gebeur­te­nis her­bergt een detail wat later terug­komt, en waar­van je dan denkt “zie je wel, ik zag het al van ver­re aan­ko­men”, zon­der dat het te gemaakt wordt. Want ten­slot­te is het David die als ik-per­soon terug­blikt op deze trau­ma­ti­sche epi­so­de uit zijn leven en daar­bij zoe­ken­de is naar antwoorden/tekens/verklaringen voor dat­ge­ne waar­van hij getui­ge is geweest.

En over dat­ge­ne wat zich heeft afge­speeld kan ook ik hier kort zijn. Want wat heb je met alles wat tegen­woor­dig in de krant bij­na dage­lijks aan gru­we­lijk nieuws te lezen is, nog meer nodig dan de vol­gen­de aanwijzingen:

  • 2x onge­wens­te wees­meis­jes in een gezin van moe­der met 3x zonen;
  • een vrouw die lang­zaam­aan de grip op de rea­li­teit ver­liest en al haar frusta­tie richt op de meisjes;
  • een kel­der die oor­spron­ke­lijk bedoeld was als schuil­kel­der tegen een nucle­ai­re aanval;
  • buurt­kin­de­ren die de kans krij­gen om onge­stoord en aan­ge­moe­digd door een vol­was­se­ne hun wre­de onder­lin­ge spel­le­tjes te mogen bot­vie­ren op deze meisjes;
  • een dood­lo­pen­de straat.

Uit­ein­de­lijk valt alles samen te vat­ten in het hier­bo­ven reeds beschre­ven hoofd­stuk 42. Wil je toch met eigen ogen lezen wat er in die kel­der gebeurt is, aar­zel dan niet en schaf dit boek aan.

Maar zeg niet dat ik je niet gewaar­schuwd heb.

Sub­ur­bia. Sha­dy, tree-lined streets, well-ten­ded lawns and cozy homes. A nice, qui­et pla­ce to grow up. Unless you are teen­a­ge Meg or her crip­pled sis­ter, Susan. On a dead-end street, in the dark, damp base­ment of the Chand­ler hou­se, Meg and Susan are left cap­ti­ve to the sava­ge whims and rages of a dis­tant aunt who is rapid­ly des­cen­ding into mad­ness. It is a mad­ness that infects all three of her sons — and final­ly the enti­re neigh­bor­hood. Only one trou­b­led boy stands hesi­tant­ly bet­ween Meg and Susan and their cru­el, tor­tu­rous dea­ths. A boy with a very adult deci­si­on to make.

Jack Ket­chum
The girl next door
Uit­ge­ver Lei­su­re Fiction
ISBN 9780843960976

~ ~ ~

NOW A MAJOR MOTION PICTURE

~ ~ ~

20080620

The Poe Sha­dow — Mat­thew Pearl 

Dit is de twee­de his­to­ri­sche thril­ler geschre­ven door Mat­thew Pearl, die z’n debuut maak­te met The Dan­te Club.

Deze keer ver­diept hij zich in de mys­te­ri­eu­ze omstan­dig­he­den rond­om de dood van de Ame­ri­kaan­se dich­ter en schrij­ver Edgar Allan Poe in okto­ber 1849. Deze kwam te over­lij­den in de stad Bal­ti­mo­re (waar hij ook gebo­ren was) zon­der dat de mees­ten van zijn fami­lie en vrien­den wis­ten dat hij daar ver­toef­de. Hij ver­keer­de toen al in een deplo­ra­be­le staat en over­leed enke­le dagen later. Men hield het op over­ma­tig gebruik van drank en ver­do­ven­de mid­de­len. Maar al snel ver­sche­nen er ook ande­re ver­ha­len met betrek­king tot zijn laat­ste dagen in de loka­le en lan­de­lij­ke kran­ten. Het feit dat Poe tij­dens zijn leven een nog­al tur­bu­lent leven leid­de, plus de aard van de ver­ha­len die hij schreef (mys­te­rie, hor­ror, thril­ler, etc.) gaf genoeg voe­dings­bo­dem voor aller­lei speculaties.

Pearl heeft voor zijn boek een hoop research gedaan en komt in zijn boek met nieu­we ont­dek­kin­gen en bewijs­last voor een alter­na­tie­ve uit­leg van Poe’s dood. In zijn ver­haal voert hij een hoop his­to­ri­sche per­so­na­ges op die betrok­ken waren bij de gebeur­te­nis­sen in deze jaren. Maar het ver­haal wordt ver­teld door een niet-his­to­ri­sche per­soon. Het is een jon­ge­man van rij­ke afkomst, Quen­tin Clark genaamd, die bij toe­val getui­ge is van de sobe­re begra­fe­nis van Poe. Omdat hij een fer­vent lezer en bewon­de­raar is van Poe, als­ook het feit dat hij een cor­res­pon­den­tie gestart was met hem, vat hij het idee op om de ware toe­dracht te ont­hul­len over de laat­ste dagen van Edgar Allan Poe. Zeker wan­neer er (in zijn ogen) onjuis­te ver­ha­len over Poe in de krant verschijnen.

Het ori­gi­ne­le in het ver­loop van deze zoek­tocht, is dat Clark op zoek gaat naar de per­soon die model heeft gestaan voor de super-detec­ti­ve die Poe opvoer­de in enke­le van zijn ver­ha­len (de illus­te­re C. August Dupin uit The Mur­ders in the Rue Mor­gue). Deze per­soon weet hij uit­ein­de­lijk te vin­den in Parijs, maar deze man heeft in eer­ste instan­tie geen zin om mee te wer­ken aan het onder­zoek van Clark. Hier­na neemt het ver­haal een vol­gen­de wen­ding wan­neer er zich een nieu­we gega­dig­de aan­dient die beweert model te heb­ben gestaan voor C. August Dupin. Op dat moment begint het ver­haal wat meer vaart te krij­gen en raakt tege­lij­ker­tijd Quen­tin Clark de grip op de gebeur­te­nis­sen kwijt. In de strijd die er ont­staat tus­sen de twee riva­len, dreigt Clark het onder­spit te moe­ten del­ven en staan het voort­be­staan van zijn goe­de naam en toe­komst op het spel.

Zo beschre­ven lijkt het een vlot en span­nend ver­haal te zijn, maar in de prak­tijk was zeker de eer­ste helft van het boek een tame­lijk lang­zaam voort­kab­be­lend geheel. Wel­is­waar mooie sfeer­beel­den van de tijd en gewoon­tes in 1849 en later, maar voor een thril­ler valt er niet veel span­nends te bele­ven. Pas met de intro­duc­tie van de twee­de gega­dig­de voor C. Augist Dupin (een flam­boy­an­te man met schul­den en een dievegge/moordenares als vrouw) komt het ver­haal los en vol­gen de gebeur­te­nis­sen zich wat snel­ler op. En toch blijft het ver­haal hier en daar toch weer ste­ken in lan­ge­re uit­wei­din­gen of te lang­zaam opge­bouw­de aan­lo­pen naar een vol­gen­de gebeurtenis.

En daar­om blijf ik dan ook met een onbe­stemd en onbe­vre­di­gend gevoel ach­ter. Het ein­de is wel­is­waar span­nend beschre­ven en de mees­te lij­nen komen net­jes bij elkaar, maar het over­tuigd niet helemaal.

Kort­om, een rui­me vol­doen­de voor het his­to­ri­sche aspect van deze roman als­ook de nieu­we ont­hul­lin­gen door Pearl. Maar als thril­ler net niet span­nend genoeg naar mijn zin.

Plus­punt: het sti­mu­leert wel om weer eens de oor­spron­ke­lij­ke ver­ha­len van Poe op te pak­ken en te (her)lezen!

Bal­ti­mo­re, 1849. The body of Edgar Allan Poe has been buried in an unmar­ked gra­ve. The con­clu­si­on that Poe was a second-rate wri­ter who died a drun­kard is accep­ted by all. But none of this deters Quen­tin Clark, an ardent admi­rer who risks his own career and reputa­ti­on in a pas­si­o­na­te crus­a­de to sal­va­ge Poe’s.

The Poe Shadow
Mat­thew Pearl
Vin­ta­ge Books
ISBN 978–0‑099–47822‑5


20080618

Eitje: 

Sor­ry Tristan.

Sor­ry dat ik het stom vond dat je de eier­snij­der gebruik­te om bij­voor­beeld ook cham­pig­nons te snij­den (en zo dat nut­ti­ge keu­ken­ge­reed­schap naar z’n mal­le­moer hielp).

Het is alweer een tijd­je gele­den dat dit gebeur­de, maar ik zag van­daag een adver­ten­tie1 voor IT per­so­neel in een tijd­schrift en zag dat je eigen­lijk je tijd ver voor­uit was. Je kunt er zo gaan solliciteren.



  1. De oor­spron­ke­lij­ke foto met de IT con­sul­tan­cy recla­me ben ik helaas kwijt­ge­raakt…