Press "Enter" to skip to content

VRIJETIJDSBLOGGER Posts

Voer voor psychologen

[04:00 uur] Git­zwart water klotst tegen geslo­ten sluis­deu­ren. Dode vis­sen heb­ben een tij­de­lij­ke rust­plaats gevon­den en dei­nen op hun zij zacht­jes daar waar de stro­ming geen vat op hen heeft. Her en der dek­ken dik­ke vlok­ken schuim de erg­ste troep toe. Mis­se­lijk­ma­ken­de put­lucht voor­ziet het gehe­le tafe­reel van een bij­pas­send aro­ma.

Een zit­bank­je, ooit hier neer­ge­zet in een tijd dat de sluis nog een func­tie had en dage­lijks vele boten voor­bij kwa­men, staat op de kade. Genie­tend van een siga­ret kijkt Eric uit over de deso­la­te plek. Het geli­ge licht van de dim­lich­ten van z’n auto werpt lan­ge scha­du­wen. Af en toe klinkt de roep van een nacht­vo­gel. Het zal nog wel even duren voor­dat de dage­raad aan­breekt.

Vroe­ger, toen dit kanaal nog de door­gaan­de vaart was, ging ik wel eens met m’n vader een stuk ver­der­op vis­sen. Ik was nog erg jong de eer­ste keer dat ik met ‘m mee mocht. De wek­ker had ik op vier uur ’s och­tends gezet om toch maar wak­ker te zijn wan­neer hij me kwam roe­pen. De hele nacht kon ik bij­na niet sla­pen van de span­ning. In de ver­te hoor­de ik de nacht­trein rij­den. Af en toe kwam er een auto door onze straat gere­den en dan sche­nen de lam­pen door m’n kamer. Heel even werd dan m’n hen­gel ver­licht die al stond te wach­ten tegen de deur­post. Daar­na werd het weer don­ker en stil.’

Eric inha­leer­de diep om ver­vol­gens de siga­ret op de grond te gooi­en. Hij draai­de zich naar z’n slacht­of­fer naast hem op het bank­je.
‘Ging jij ook ooit met je vader uit vis­sen? ‘ Zon­der het ant­woord af te wach­ten stond Eric op en liep naar de rand van het kanaal. Er klonk een zach­te plons. Als­of er een nat was­hand­je in het water werd gegooid. Heel even meen­de Eric iets in het water te ont­wa­ren. Een rat? Of een paling?

Any­way. Natuur­lijk viel ik tegen de och­tend uit­ge­put in slaap, en heeft m’n vader ver­schil­len­de keren moe­ten roe­pen voor­dat ik wak­ker was. Op weg naar onze vis­plek ben ik in de auto opnieuw in slaap gesuk­keld. Aan­ge­ko­men bij het kanaal was het nog aar­de­don­ker en voor mijn gevoel ijs­koud. Het was hele­maal niet wat ik me ervan had voor­ge­steld. De teleur­stel­ling en ver­moeid­heid droop van m’n gezicht. Maar m’n vader liet niets mer­ken en bleef pra­ten en maak­te m’n hen­gel in orde. We zoch­ten een mooi plek­je op en wier­pen aas in het water om vis­sen te lok­ken. Om ons heen begon­nen de vogels te ont­wa­ken en het eer­ste och­tend­licht gaf de laag­han­gen­de mist op het water iets onwer­ke­lijks. Het is een heer­lij­ke dag gewor­den.’

Eric staar­de voor zich uit. Al die tijd had hij staan pra­ten zon­der zich tot z’n slacht­of­fer te wen­den. Even was hij weer die klei­ne jon­gen die met z’n vader ging vis­sen. Ach­ter zich wist hij het bank­je met het slacht­of­fer. Het werd tijd om afscheid te nemen.

Wist je dat m’n vader de eigen­aar­dig­heid had om z’n leg­kip­pen een twee­de kans te geven?’
Eric liep terug naar de zit­bank. Voor z’n slacht­of­fer geko­men kniel­de hij en keek hem in de wijd­open ogen. ‘Wan­neer een kip niet vol­doen­de eie­ren leg­de, dan werd die kip apart gezet. De hak­bijl lag naast het hok, goed zicht­baar. De kip had haar lot in eigen hand.’
Er volg­de geen reac­tie. Eric ging weer staan en til­de z’n slacht­of­fer op.
‘Voor ons was het om ’t even. Leg­de de kip naar beho­ren, dan aten we eie­ren. Zo niet, tsjak, kop er af en had­den we ’s avonds kip­pe­soep. En omdat m’n vader goed kon koken, was het altijd smul­len.’

Opnieuw bij de water­kant aan­ge­ko­men stond Eric weer stil.
‘Ja, ik weet wat je wil zeg­gen. Je hebt geen twee­de kans gehad. Eigen­lijk heb je hele­maal geen kans gehad. Dat is waar. Maar jij bent dan ook geen kip, niet­waar?’
Stil­te.
‘En ik heb geen slech­te jeugd gehad’, zo ver­volg­de hij, als­of om zich­zelf gerust te stel­len. ‘Alle­maal voer voor psy­cho­lo­gen.’

Maar voor­lo­pig ben jij voer voor vis­sen’, grin­nik­te hij zelf­vol­daan en liet z’n slacht­of­fer in het water val­len. Het geluid van de plons deed wat vogels opschrik­ken. Uit­dij­en­de krin­gen ver­wij­der­den zich om gelei­de­lijk op te gaan in de natuur­lij­ke dei­ning van het water. Terug­lo­pend naar z’n auto bedacht Eric dat hier een mooi voe­der­plek­je voor vis­sen was ont­staan.

[ergens anders, maar rond dezelf­de tijd]
Een vrouw ont­waakt vroeg in de och­tend. Het duurt even voor ze beseft dat haar man niet bij haar in bed ligt. Wat vreemd is, omdat zij altijd dege­ne is die als eer­ste opstaat. Ze besluit te gaan kij­ken waar hij is omdat de stil­te in huis onna­tuur­lijk aan­voelt. Als haar man al opge­staan was, dan had ze iets moe­ten horen. Bad­ka­mer­ge­lui­den. Keu­ken­ge­lui­den. Niets van dat alles.

Ze kijkt even naar bin­nen in de kin­der­ka­mer. Daar is hun zoon­tje in die­pe slaap. Zijn pie­pen­de adem­ha­ling is goed te horen en hij heeft een nieu­we lui­er nodig.

Omdat ze haar man ner­gens ziet, besluit ze naar bene­den te gaan. Op de trap komen flar­den van haar nach­te­lij­ke droom langs. Of was het geen droom geweest? Had er iemand naast haar bed gestaan? En foto’s gemaakt? Een ang­stig gevoel over­valt haar.

De trap komt uit in de hal. De vrouw haalt diep adem en opent de deur naar de keu­ken.

Haar man zit aan de keu­ken­ta­fel, niet lan­ger ‘hoofd’ van het gezin.
Dat er een hak­bijl op de tafel ligt, is een detail dat ze niet meer mee­krijgt als ze luid­keels gil­lend het huis uit­rent.

~ ~ ~

Opkomst, ondergang en terugkeer van een oude vriend

Waar en wan­neer ik het bericht onder ogen kreeg is me ont­scho­ten, maar niet de sen­sa­tie die het teweeg­bracht. Eerst onge­loof.
Ging het wel over dezelf­de per­soon als waar­aan ik auto­ma­tisch moest den­ken?
Toen scep­sis.
Hij zou dus in janu­a­ri 2009 weer ver­sche­nen zijn? Yeah, right!?

Want hij was name­lijk ergens in ’85 uit mijn leven ver­dwe­nen.
Net zo abrupt als hij in ’75 was komen bin­nen­stap­pen. Onmid­del­lijk waren we dik­ke vrien­den gewor­den en naar zijn komst werd de hele week door mij uit­ge­ke­ken.

Mijn toen­ma­li­ge vriend was Eppo, een nieuw strip­week­blad wat voort­kwam uit de samen­voe­ging van Sjors en Pep.
In ’75 met een opla­ge van 250.000 stuks de wereld in gestuurd, wat al snel opliep naar 300.000 in ’76. Onge­kend voor een strip­blad voor­na­me­lijk gevuld met strips van Neder­land­se bodem.

Ik was er hele­maal weg van. Reeds van­af het eer­ste num­mer had ik een abon­ne­ment van m’n ouders (dank je Pa & Ma) gekre­gen. Elk nieuw num­mer las ik in één ruk dezelf­de dag hele­maal uit. De rest van de week wer­den alle strips nog­maals meer­de­re keren gele­zen en wer­den vele uren besteedt aan het nauw­keu­rig bestu­de­ren van de los­se teke­nin­gen. Som­mi­ge blon­ken uit door een vir­tu­o­ze teken­stijl, ter­wijl ande­re prop­vol (veel­al komi­sche) details zaten die bij eer­ste lezing vaak over het hoofd gezien wer­den.

De lief­de voor het strip­ver­haal was gebo­ren!

Gewel­di­ge strips kwa­men aan mijn oog voor­bij:
Eppo; Oli­vier Blun­der; Fran­ka; Engel­bert; Aste­rix; Luc­ky Luke; Flip­pie Flink; Agent 327; Blue­ber­ry; Luc Orient; Joh­n­ny Good­bye; De Gene­raal; Bil­lie Turf; Bol­lie en Bil­lie; Lowietje; Sjors en Sjim­mie; Tinus Tro­tyl; Stef Ardoba; Opkomst en onder­gang van het kei­zer­rijk Tri­gië; Com­man­dant Grek; Storm; Roel Dijkstra; Klei­ne Pier; Opa; Laben Tall; Ste­ven Seve­rijn; De Part­ners; De Par­ti­za­nen; Pro­fes­sor Palm­boom; Stam­pe­de; Tok-Tok; Wil­lem Peper; Leo­nar­do.

Al die jaren ben ik het blad trouw blij­ven lezen.
Tege­lij­ker­tijd begon ik ook een eigen smaak te ont­wik­ke­len. Daar­voor toog ik regel­ma­tig naar Eind­ho­ven om daar in enke­le strip­win­kels een geheel eigen ver­za­me­ling op te bou­wen.
Gelei­de­lijk werd dui­de­lijk dat het meren­deel van de strips die in Eppo gepu­bli­ceerd wer­den niet meer samen­vie­len met de strips waar mijn voor­lief­de naar uit­ging.

Het was dus voor de hand lig­gend om het abon­ne­ment op te zeg­gen toen Eppo in ’85 wegens terug­lo­pen­de belang­stel­ling over­ging in Eppo Wordt Ver­volgd. Dat het blad later nog enke­le keren van naam ver­an­der­de (’88 Sjors en Sjim­mie Strip­blad; ’95 SjoSji) voor­dat het in ’98 ten onder ging na slechts 8x num­mers onder de naam Stri­pa­raz­zi, heb ik alle­maal niet meer mee­ge­kre­gen.

Eind jaren tach­tig was het tijd voor één van die onver­geef­lij­ke fou­ten die ieder­een regel­ma­tig moet maken om door scha­de en schan­de iet­wat wij­zer te wor­den. In dit geval vond ik het een geschikt tijd­stip om al m’n strips (inclu­sief Eppo) aan een neef­je te schen­ken.
Het was tijd voor het Gro­te Men­sen Bestaan, en daar hoor­den geen strips bij. Dacht ik toen.
De spijt kwam snel. Maar te laat voor m’n ver­za­me­ling. Die was inmid­dels al weer ver­der door­ge­ge­ven aan ande­re ver­de­re fami­lie­le­den, vrien­den en vage beken­den. Ik bleek het ver­keer­de neef­je uit­ge­zocht te heb­ben.

Strips las ik voort­aan alleen nog maar tij­dens bezoek­jes aan m’n ouders (in hun lees­map) en bij de tand­arts en/of dok­ter.

En zo werd Eppo jeugd­sen­ti­ment.

Tot­dat ik het bericht las dat Eppo weer ging ver­schij­nen!

De Eppo? Ja, inder­daad, hij van die strips!
Zeker weten? Ja, de eer­ste num­mers zijn al in janu­a­ri 2009 ver­sche­nen!

En dus heb ik als­nog met terug­wer­ken­de kracht een jaar­abon­ne­ment geno­men en lig­gen de eer­ste num­mers, inclu­sief wel­komst­ge­schenk, nu te pron­ken op m’n lees­ta­fel. Tus­sen al die Gro­te Men­sen Boe­ken.

Ik heb de krie­bels in m’n buik en weet niet waar te begin­nen met lezen.

Een goe­de jeugd­vriend is weer­ge­keerd, en oude tij­den her­le­ven!

~ ~ ~

De stille kracht van het snoephuisje

Opnieuw zijn ze ach­ter­ge­la­ten in het don­ke­re bos.

Hans slaat zijn arm bescher­mend om Griet­je.
“Wees maar gerust. Weet je nog van die vori­ge keer? Met die kie­zel­steen­tjes? Nu heb ik brood­krui­mels gebruikt. Kijk! Daar zie ik er al een­tje lig­gen. We hoe­ven alleen maar het spoor terug te vol­gen.”

Hui­lend tegen zijn schou­der zegt Griet­je: “Maar wat nu als papa ons mor­gen weer mee­neemt en ons ach­ter­laat? Gaan we dan elke keer alleen naar huis? Hou­den we papa niet van zijn werk als hij ons steeds eerst ver weg moet bren­gen? En thuis­blij­ven wil ik ook niet!”

Van­uit zijn bin­nen­zak haalt Hans een zak­doek en geeft die aan Griet­je.
“Kom, droog je tra­nen, en zeg niet van die rare din­gen. Je zult zien hoe blij papa en, euh…, mama zijn om ons weer te zien. Wil je dan niet graag naar huis?”

Ja, natuur­lijk.” Griet­je droogt haar tra­nen en even lijkt het kind in haar ver­dwe­nen en plaats te maken voor een ver­moei­de vol­was­se­ne. “Nee. Ik wil heel graag naar papa terug, maar mis­schien wil papa niet dat we thuis­ko­men. Hoe kan hij ons nou twee keer ver­ge­ten, Hans? Heeft hij het gewoon zo druk?”

Papa heeft veel aan zijn hoofd. Hij moet hard wer­ken om elke dag weer eten voor ons te kun­nen kopen. En onze nieu­we mama heeft het te druk met van alles om papa te kun­nen hel­pen. Zoals mama vroe­ger wel altijd deed.” Bij­na onmid­del­lijk heeft Hans spijt van deze woor­den.

Bij het horen noe­men van mama krijgt Griet­je iets dro­me­rigs in haar ogen. Mama. Wat lijkt het lang gele­den, maar wat voelt het dicht­bij. “Oh, Hans, kijk, zie je dat klei­ne konijn­tje daar? Aah, het kijkt ach­ter­om. Kom, ik wil hem een stuk­je vol­gen.” En Griet­je rent in de rich­ting van het konijn­tje.

Griet­je! Je gaat de ver­keer­de kant op!” Maar Griet­je is al ver­dwe­nen.
Het zon­licht wat zo over­vloe­dig de open plek in het bos ver­licht, lijkt net als Hans te aar­ze­len voor de geslo­ten rij woud­reu­zen waar­tus­sen Griet­je de don­ker­te is inge­rend. Een paniek­ge­voel over­valt Hans. Dan neemt hij een besluit.

Zig­zag­gend schiet het konijn­tje tus­sen de bomen door. Af en toe lijkt hij als een veer­tje recht op en neer te sprin­gen. Als een beweg­wij­ze­r­aar die de rou­te aan­geeft. De zon aar­zelt nog steeds, maar Griet­je lijkt met een onzicht­baar draad­je ver­bon­den aan de sprin­gen­de veer. Plot­se­ling knapt de draad. De span­ning is weg. Het konijn­tje ook. Griet­je wordt over­mand door een gevoel van een­zaam­heid. Hans, waar is Hans? “HANS…!”

GRIETJE! WAAR BEN JE?” Moei­zaam baant Hans zich een weg door de dich­te begroei­ing. Hij heeft geen idee wel­ke kant Griet­je is opge­gaan. Dan ziet ook Hans een konijn­tje weg­glip­pen ach­ter een boom. Zon­der zich te beden­ken zet Hans de ach­ter­vol­ging in. Die­per in het woud klinkt een schril gelach.”

Ja, bes­te duo-schrij­vers, jul­lie kun­nen wel het sprook­je wil­len aan­pas­sen, maar denk je nu echt dat ik mij de kans laat ont­zeg­gen om deze tor­tels te spek­ken, bra­den en nut­ti­gen? AAHAHAAAAAA…”

~ ~ ~

Van­daag heeft Anja Bek­ke­ma een sprook­je op het Fan­ta­sie­rijk geplaatst in het kader van de Maart­op­dracht.
Het is geti­teld => De stil­le kracht van het snoep­huis­je.

Het bij­zon­de­re van het sprook­je is dat we het samen heb­ben geschre­ven.
Al in Febru­a­ri met de bus­hok­jes­op­dracht was het idee ont­staan, maar uit­ein­de­lijk pas in Maart van de grond geko­men en tot uit­voe­ring gebracht. En het was een heel leu­ke en apar­te erva­ring. Die naar meer smaakt (toch Anja?).

We laten nog even in het mid­den hoe dit sprook­je tot stand is geko­men, en ook wie wat heeft geschre­ven.

~ ~ ~

Schatje

Een stuip­trek­king die door heel z’n lijf golft doet Eric met een schok ont­wa­ken. Het voel­de als­of hij een trap­tree mis­te. Eén tree die­per te gaan ter­wijl je denkt dat je de bega­ne grond hebt bereikt. De illu­sie dat de bodem onder je van­daan wordt getrok­ken.

Gedes­o­ri­ën­teerd tast hij met bei­de han­den om zich heen. Z’n lin­ker vindt de ver­trouw­de koel­te van een mes, rechts stuit hij op de warm­te van een lichaam. Hij ver­schuift een stuk­je naar links, grijpt het mes bij het hand­vat en heft z’n arm omhoog. Klaar om toe te ste­ken. Z’n ogen begin­nen gewend te raken aan de duis­ter­nis.

Eer­der dan dat hij de con­tou­ren van het vorm­lo­ze lichaam van z’n vrouw her­kent, was daar al het erger­nis­wek­ken­de zach­te gesnurk van haar. Lang­zaam laat hij z’n arm zak­ken. Aar­ze­ling besluipt hem. Waar­om nu niet met­een ook haar afma­ken? Deze vrouw waar hij zo van walgt, en die het tegen­over­ge­stel­de is van alles waar hij naar op zoek is.

Even laat hij het lem­met rus­ten op de plek in haar hals waar hij de belang­rijk­ste levens­aders ver­moedt. Los­jes lig­gend in z’n hand gaat het mes mee op de dei­ning van haar adem­ha­ling. Hij voelt zich mach­tig. Heer en mees­ter van de situ­a­tie. Totaal ver­he­ven boven dit schep­sel in haar bela­che­lij­ke nacht­kle­dij.

Tot­dat de ver­moeid­heid in hem daalt. Z’n oog­le­den wor­den zwaar.
Het was een lan­ge nacht geweest. Een­tje waar­in het man­ne­lij­ke slacht­of­fer vol­gens plan­ning was, en de onge­plan­de razer­nij niet meer ver­ras­send te noe­men. De rit naar huis ging maar net goed.

erschei­de­ne keren was hij bij­na in slaap gedom­meld. Met moei­te had hij z’n kle­ren in de was­ma­chi­ne gegooid en gedoucht. Het dou­chen had hem enigs­zins opge­frist maar de aan­blik van z’n vrouw maak­te dat onge­daan. Woe­dend had hij zich op haar gewor­pen. De ont­la­ding was uit­ge­ble­ven. Het mor­mel had het niet eens in de gaten gehad.
‘Deze keer heb je geluk, schat­je’, mom­pelt hij nog ter­wijl hij zich weer omdraait. Het mes duwt hij onder het matras. Daar­na valt Eric in een die­pe slaap.

Moniek ont­waakt enke­le secon­den later. Reeds een tijd­je lag ze in een soort van half­slaap. Af en toe meen­de ze haar man te voe­len of te horen. De laat­ste tijd sliep hij erg onrus­tig. Waar­schijn­lijk pro­ble­men op het werk. Ook van­nacht was hij weer laat thuis­ge­ko­men.

Maar hoe laat hij ook terug­keer­de van zulk nach­te­lijk over­werk, altijd nam hij tijd voor haar. Ook deze keer was hij bij het bin­nen­ko­men van de slaap­ka­mer bij haar gaan lig­gen en had­den ze seks gehad. Vaak sliep ze nog als hij ’s nachts naar bed ging, deze keer was ze ech­ter wak­ker. Ze had gezien hoe hij aar­ze­lend op haar toe was gelo­pen om haar niet met­een wak­ker te maken. Vol pas­sie had hij haar geno­men, en ze was blij met haar nieu­we nacht­ja­pon die ze eer­der die week gekocht had. De schat was alleen niet klaar­ge­ko­men. Te moe van het over­werk waar­schijn­lijk. Wij­se­lijk had ze daar niets over gezegd maar gedaan of ze het niet merk­te.

Ze staat op en loopt naar de bad­ka­mer. Op de over­loop ver­mijdt ze het in de wand­spie­gel te kij­ken. Met haar blo­te voet duwt ze een hand­doek die op de grond lag tot voor de wc. Zo houdt ze haar voe­ten warm voor als ze dade­lijk weer in bed zal stap­pen. Haar han­den plaatst ze onder haar bil­len op de wc-bril. Lek­ker warm. De nieu­we tatoe­a­ges op haar onder­arm hoeft ze op deze manier ook niet te zien.

Ter­wijl ze uri­neert kijkt ze naar de patro­nen in de don­ker­brui­ne vloer­te­gels. Iets wat ze al doet zolang ze kan her­in­ne­ren. Een aan­tal vas­te figuur­tjes doemt op uit de wir­war van lijn­tjes en punt­jes. Altijd zijn ze daar voor haar. Zo ver­trouwd en zo betrouw­baar. Alleen lij­ken som­mi­ge deze keer iet­wat anders van vorm.

Moniek buigt zich wat voor­over en ziet enke­le klei­ne spatjes. Ze tilt haar bil op. Met haar rech­ter­wijs­vin­ger strijkt ze door één zo’n vlek­je. Het voelt plak­ke­rig. Ze houdt de vin­ger dich­ter bij haar ogen om beter te kun­nen zien wat het nu pre­cies is. Het lijkt wel bloed.

Even kijkt ze gedach­te­loos voor zich uit. Enke­le woor­den die ze had gehoord tij­dens haar ont­wa­ken, drin­gen zich aan haar op: ‘geluk…’ en ‘schat­je…’. Reso­luut staat ze op, trekt haar slip omhoog en pakt een spons en schuur­mid­del. Op het dou­che­gor­dijn en de dou­che­te­gel­tjes zaten ook bloed­spatjes, zo ziet ze nu. Haar schat zal zich wel bezeerd heb­ben tij­dens z’n over­werk van­nacht, denkt Moniek, en begint te boe­nen.

Een kwar­tier­tje later stapt ze weer in bed. Haar man ligt met de rug naar haar toe. Ze kust hem op ’t ach­ter­hoofd en dekt hem iets ver­der toe.
Haar man. Haar lie­ve schat.

~ ~ ~

Eric scoort een bloody hattrick

Met van bloed drui­pen­de vin­gers trok Eric voor­zich­tig de kin­der­te­ke­ning van de muur.
Het was een geel stuk papier waar­op met gro­te vegen in ver­schil­len­de kleu­ren een bont patroon was geschil­derd waar­uit niets viel op te maken. Als je heel goed keek dan kon je onder de dik­ke laag verf een clowns­ge­zicht her­ken­nen. Hele­maal onder­aan stond in net­te let­ters geschre­ven: Voor Papa
Eric kreeg een brok in z’n keel. Dat had zijn kind toch maar mooi gemaakt.
Het ver­baas­de Eric dat een kind van amper twee jaar al zoiets prach­tigs kon maken. Elke week zo’n teke­ning te krij­gen! Gewel­dig!

De teke­ning voor­zich­tig oprol­lend liep Eric de keu­ken uit, daar­bij omzich­tig het geha­ven­de naak­te lichaam ont­wij­kend wat op de tegel­vloer lag. Nog steeds had Eric last van een soort brok in z’n keel en rochel­de enke­le malen luid­ruch­tig tot er iets los­schoot. Bij­na kok­hal­zend spuw­de hij in z’n hand en door z’n tra­nen heen bestu­deer­de hij het voor­werp van dich­ter­bij. Het leek wel een stuk rauw vlees. Vol wal­ging gooi­de hij het van zich af.

Zorg­vul­dig sloot Eric de bui­ten­deur van zijn huis en liep naar z’n auto. Nog steeds hield hij de teke­ning in z’n hand.

Een­maal op de snel­weg kwa­men de beel­den van de afge­lo­pen uren terug. Eric pro­beer­de zich te con­cen­tre­ren op deze beel­den. Natuur­lijk om er van te kun­nen leren voor een vol­gen­de keer. Maar ook omdat hij weder­om het idee had som­mi­ge momen­ten in een roes te heb­ben gehan­deld zon­der pre­cies te besef­fen wat hij had gedaan. Mis­schien kwa­men ook die beel­den nu terug.

En ter­wijl Eric over de snel­weg zoef­de ervaar­de hij opnieuw hoe hij bij het bed had gestaan van zijn vrouw. Na een poos­je was hij geknield om haar in het sla­pen­de gezicht te kun­nen kij­ken. Hij zag hoe ze rus­tig adem­haal­de. Lang­zaam trok hij een stuk­je dek­bed van haar schou­der weg. Enke­le ogen­blik­ken staar­de hij naar haar naak­te arm en keek haar toen weer in het gezicht.

En zag twee wijd­open ogen die naar hem terug­staar­den.

In een reflex sprong hij omhoog en stak met een vloei­en­de bewe­ging het mes diep in de geo­pen­de mond van zijn vrouw. Nog steeds staar­den haar ogen hem aan. Uit haar keel kwam een roche­lend geluid. Haar han­den klauw­den ver­vaar­lijk naar hem maar kre­gen niet echt hou­vast op z’n glad­de body­war­mer. Het duur­de niet lang tot­dat ze stil werd en haar armen slap langs haar lichaam vie­len.

Eric trok het mes terug en zag hoe z’n hand hef­tig beef­de. Het leek of z’n hart bon­kend een weg naar bui­ten zocht.

Na een tijd­je kwam hij tot rust. Hij sloeg het dek­bed nu hele­maal terug en bekeek haar van top tot teen. De over­tol­li­ge nacht­kle­ding ver­wij­der­de hij door het met z’n mes stuk te snij­den. Sexu­e­le lust streed om voor­rang met opko­men­de bloed­dorst. Uit­ein­de­lijk won de bloed­dorst het. Lang­zaam begon hij in het nog war­me lichaam van zijn vrouw te snij­den. Al snel ver­loor hij de con­tro­le over zich­zelf.

Eric min­der­de vaart en nam de afrit van de snel­weg. Hij was nu bij­na thuis. Op de weg was een gro­te 8 en 0 geschil­derd. Onwil­le­keu­rig begon hij zacht­jes te lachen. Wat een toe­val. Acht slacht­of­fers had hij nu in totaal gemaakt, bedacht hij zich. En nul kans om gepakt te wor­den.

Slacht­of­fer zeven bevond zich in de keu­ken waar hij hem had ach­ter­ge­la­ten voor­dat hij zijn vrouw boven ging opzoe­ken. Eric had hem ste­vig vast­ge­bon­den op één van de keu­ken­stoe­len.
Hij kon zich niet meer her­in­ne­ren waar­om hij enke­le mes­sen uit het mes­sen­blok in de boven­be­nen van de man had gesto­ken. Maar omdat ze daar nu toch zaten kon hij ze goed gebrui­ken om van daar­uit ver­der te wer­ken aan de ont­la­ding van de woe­de die hij nog steeds in zich voel­de. Omdat zijn vrouw gebro­ken had met de regels. Omdat zijn vrouw wak­ker was gewor­den. Omdat zijn vrouw hem recht had aan­ge­ke­ken. Daar­om. Daar­om moest hij nu boe­ten. Ver­schrik­ke­lijk boe­ten.

Eric par­keer­de z’n auto op de oprit.
De beel­den van slacht­of­fer acht onder­druk­te hij door de teke­ning op te pak­ken en uit te rol­len.
Hij zag dat zich wat bloed­ve­gen had­den ver­mengd met de verf. Niet dat het daar­door lelijk was gewor­den.

Deze teke­ning zou een spe­ci­a­le plaats krij­gen op z’n werk­ka­mer.

~ ~ ~

You can leave your roodkapje on

Waar is dit voor?
Fan­ta­sie­rijk?
Nooit van gehoord, maar dat doet er niet toe. Ik ben blij dat er eens iemand de moei­te neemt om mijn, nee, beter, de eni­ge ech­te ver­sie op te teke­nen.

Laat ik maar met­een toe­ge­ven dat ik wel die oma van Rood­kap­je heb opge­ge­ten.
Het waren bar­re tij­den en ik had al een heel tijd­je niets fat­soen­lijks gege­ten. En tij­dens een van m’n stroop­toch­ten zag ik haar deur open staan. Dus ik naar bin­nen, en voor­dat ze het door had was ze al ver­slon­den. Als je eens wist hoe mager dat oude mens was zul je begrij­pen dat ik echt wan­ho­pig was. Het was meer been dan vel.
Lig ik lek­ker even uit te bui­ken, wordt er plot­se­ling aan de deur geklopt.

Rood­kap­je natuur­lijk. Ik bedenk me geen moment en duik in bed en begin een beet­je te kreu­nen zoals oude vrouw­tjes dat doen. Dat wicht komt bin­nen en begint daar een par­tij wazig tegen mij te pra­ten. Over m’n gro­te oren, over m’n gro­te mond. Vol­gens mij had ze onder­weg teveel van de ver­keer­de pad­de­stoe­len gege­ten. Dus ik mom­pel een beet­je terug in de hoop dat ze niet door heeft dat ik het ben, maar het Sto­ned­kap­je ratelt maar door over m’n gro­te han­den en m’n gro­te voe­ten.

Tot­dat ze de dekens weg­trekt en met haar klei­ne hand­jes plots­klaps in m’n kruis grijpt en uit­roept dat ik toch zo’n gro­te, euh ja, jeweet­wel, heb. Voor­dat ik het door heb heeft ze niets anders meer aan dan haar naam en klimt boven op mij. Ik lig ver­stijfd van schrik haar als­nog met gro­te ogen aan te kij­ken en weet totaal niet wat te doen.

Hier­na gaat opnieuw de deur open en stormt de jager naar bin­nen. De bruut rukt Bloot­kap­je van mij af en richt z’n jacht­ge­weer op mij. Dan valt hem de lich­te bol­ling van m’n buik op. Rood­kap­je, die door dit alles weer bij haar posi­tie­ven is geko­men, begint te hui­len en roept om haar oma. De jager aar­zelt geen moment en snijdt met één haal van z’n mes m’n buik open en haalt oma tevoor­schijn. Zon­der par­don gooit hij mij daar­na naar bui­ten. Voor dood ach­ter­la­tend.

Maar dit is niet alles.
Zoals je ziet heb ik het over­leefd. Zo groot was die snee uit­ein­de­lijk niet. En wij wol­ven zijn taaie jon­gens.
Wat nie­mand weet is dat de jager door dit voor­val Rood­kap­je is gaan chan­te­ren. Ze was zo blij met de red­ding van haar oma, en zo beschaamd voor haar pad­de­stoel- en sex­ver­sla­ving, dat de jager haar vol­ko­men in zijn macht had. Samen heb­ben ze het ver­haal ver­zon­nen zoals ieder­een het kent. De jager was de held, Rood­kap­je het onschul­di­ge meis­je.

Een tijd­je later zijn ze ver­trok­ken rich­ting gro­te stad, waar de jager flink geld heeft ver­diend aan zijn ‘onschul­di­ge’ meis­je. Er was schijn­baar een gro­te markt voor klei­ne gewil­li­ge geü­ni­for­meer­de meis­jes.

Alleen een maagd was ze niet meer…

Heb je alles goed geno­teerd? Mooi zo!
Nog een pils­je?”

~ ~ ~

Geschre­ven in opdracht van Het Fan­ta­sie­rijk:

Alle­maal Sprook­jes. Deze maand gaan we naar Sprook­jes­land. De gebroe­ders Grimm had­den een gru­we­lij­ke, maar rij­ke fan­ta­sie. Als je de ori­gi­ne­le sprook­jes bij de hand hebt ben je een bof­kont. Hier­on­der vind je drie bestaan­de sprook­jes. Het is niet alleen de bedoe­ling dat je één van de sprook­jes her­schrijft, ook is er iets ver­an­derd. Hoe een com­po­nent een ver­haal kan beïn­vloe­den zul je mer­ken als je met deze opdracht aan de slag gaat.
Rood­kap­je: Schrijf het ver­haal van­uit de Wolf.
Hans en Griet­je: De brood­krui­mels zijn niet opge­ge­ten, ze vin­den de weg terug.
Sneeuw­wit­je: Het is een lelijk lui mok­kel.

~ ~ ~