Donderdag, 29 november 2018

Blijkbaar had ik het over mezelf afgeroepen door er maandag aandacht aan te besteden. Deze ochtend kreeg ik een bericht van mijn manager dat hij in plaats van ietsjes beter juist zieker was geworden. En er een ooronstekeing op de koop toe bij had gekregen. Hij besloot dus thuis te blijven. Zou verder niet echt blogwaardig hoeven te zijn behalve dan dat we in de middag een vergadering hadden waarin er een terugkoppeling gegeven moest worden door de verschillende afdelingen hoe zijn een aantal strategische kerntaken voor dit jaar zouden gaan invullen. En je raadt het al, mijn manager stond op de agenda om een presentatie te geven. Niet veel later na zijn ziekmelding kreeg ik een berichtje of ik zo vriendelijk zou kunnen zijn om dit van hem over te nemen. Natuurlijk. Geen probleem. Zei ik vol overtuiging. Gelukkig was het op dezelfde dag en bleven de zenuwen beperkt tot enkele uren voorafgaande aan de vergadering en lag ik er niet nachten van wakker.

~ ~ ~

Nog dezelfde avond vloog ik via Schiphol naar Birmingham. Een andere last minute wijziging in mijn agenda. Voor de verandering vloog ik weer eens met KLM in plaats van met FlyBe. Dat betekende iets meer beenruimte en een gratis drankje met snacks. Omdat het al pikdonker was toen ik vertrok viel er weinig te zien. Het was ook nog eens flink bewolkt. Pas boven Birmingham vlak voor de landing was er iets meer zicht op de omgeving. Het deed me zoals iedere keer opnieuw bedenken om bij een volgende trip toch ook eens te proberen om Birmingham zelf eens te bezoeken.

~ ~ ~

Dinsdag, 27 november 2018

De temperatuur overdag gaat eind van de week weer stijgen zo hoorde ik op de radio onderweg naar de garage. En mijn laatste reisje naar Cluj via Dortmund gaat volgende week niet door. Verschoven naar midden januari. Toch besloot ik mijn afspraak voor de bandenwissel niet te verzetten. Misschien heb ik ze niet meteen nodig, ze kunnen er maar alvast onder zitten die winterbanden. Wat ik wel ter plekke besloot was om de rest van de dag thuis te gaan werken. Ik had in mijn agenda gezien dat de rest van de dag zo goed als leeg was. Een mooie gelegenheid om ongestoord wat van mijn achterstand in mails en acties weg te werken. Zo reed ik niet veel later weer langs de Linge terug naar huis. Op mijn werkkamer bleef ik nog even staan kijken naar de meeuwen die onrustig boven het water bleven cirkelen. Wat er aan de hand was werd me niet duidelijk.

~ ~ ~

Sinds kort vertonen de spotjes op mijn werkkamer kuren. Niet als ik ze aan doe. Dan gaan ze gewoon zoals het hoort alle vier branden.

Maar al heel snel gaat er eentje uit. Welke, dat verschilt nogal zonder dat er een logica in valt te ontdekken. Want als ik de lampen uit en weer aan doe, dan branden ze alle vier weer. Totdat er opnieuw eentje uit gaat. En dan een tweede. En een derde. Kwestie van tijd. Echter nooit alle vier. De linkse lamp gaat niet uit zichzelf uit. Alleen als ik via de schakelaar de stroom uitschakel. Dan zijn ze dus alle vier uit. Schakel ik de stroom weer in, gaan ook alle vier de lampen weer aan. Voor een tijdje althans. Net als ik denk dat het deze keer niet zo’n vaart loopt gaat er weer eentje uit. Heel irritant.

~ ~ ~

Je ziet het misschien niet goed op de foto en zelf viel het me ook niet meteen op, maar mijn drankje dat ik zonder er veel bij na te denken in had geschonken is wel degelijk bloedrood. Helemaal in stijl met het boek dat ik (nog steeds) lees.

~ ~ ~

Maandag, 26 november 2018

In het boek dat ik momenteel lees (The Historian door Elizabeth Kostova) kwam ik bij een passage waar een van de hoofdpersonen een college moet geven aan een groep Hongaarse historici. De tijd waarin zich dit afspeelt is 1954 en het gastcollege is een voorwendsel om op die manier ter plaatse (in Hongarije dus) verder onderzoek te doen naar de geschiedenis van graaf Dracula. Er is echter een klein probleempje. Het thema van de conferentie waar het college onderdeel van uitmaakt heeft weinig raakvlakken met het gebied waarin de spreker is gespecialiseerd. Hij heeft zich in korte tijd laten bijscholen om een fatsoenlijke lezing te kunnen verzorgen maar beheerst de stof verder lang niet goed genoeg om eventuele vragen uit het publiek te kunnen beantwoorden.

Hij ziet er daarom als een berg tegenop en blijft hopen dat er iets gebeurt waardoor zijn lezing alsnog niet kan doorgaan. Bijvoorbeeld een of andere technische storing.

Professor Sándor and his assistant were fiddling with the microphone again, and it occurred to me that perhaps the audience wouldn’t be able to hear me, in which case I had little to worry about.
[p.349]

Het deed me denken aan vergelijkbare situaties in mijn werkzaam leven dat ik in een zaal of vergaderruimte een presentatie moest geven over onderwerpen die ik (nog) niet geheel in de vingers had. Zo’n eerste keer bezorgde me dan vaak slapeloze nachten en het koude angstzweet vooraf aan mijn optreden. In plaats van als eerste aan bod te zijn (en er dan meteen vanaf te zijn) stond ik vaak wat later op de agenda en was de eerste helft van de dag een ware martelgang. In mijn hoofd eindigden alle mogelijke scenarios van hoe de presentatie zou verlopen even desastreus. De enige mogelijke redding was dat er iets tussen zou komen waardoor mijn plek op de agenda zou komen te vervallen.

Een recent voorbeeld was toen we slechts enkele uren tot onze beschikking hadden, er een compleet nieuw videoconferentiessysteem op ons stond te wachten dat nog niet eerder gebruikt was en ik als laatste op de agenda stond voor een update van een project waar ik zelf niet echt bij betrokken was geweest. De projectleider was verhinderd en men had mij gevraagd om het over te nemen. Ook nu weer de nodige zenuwen bij mij maar ook bij het IT personeel dat opgeroepen werd omdat niemand van de aanwezigen het systeem in werking kon krijgen. Op de achtergrond stond ik volop te duimen dat ook hen het niet zou lukken om contact te leggen met enkele andere videoconferentieruimtes binnen ons bedrijf. Toen dat eindelijk wel lukte was mijn volgende hoop op een narrow escape dat de audio dan maar een hoop problemen zou geven. Helaas.

All too soon, however, the equipment was working and the kind professor was introducing me, bobbing his white head enthusiastically over some notes.
[p.349]

Uiteindelijk bleek er dan helemaal niet zo heel veel tijd verloren te zijn gegaan en was ik in veel gevallen gewoon op de geplande tijd aan de beurt. In de meeste gevallen verliep de presentatie vervolgens ook nog eens redelijk probleemloos. En ik nam me iedere keer opnieuw voor om mezelf niet meer zo gek te maken.

~ ~ ~

Schapen zijn de nieuwe windmolens

Eerste deel – achttiende hoofdstuk
Gaande over de gesprekken die Sancho Panza voerde met zijn meester Don Quichot, benevens andere avonturen die wel waard zijn verhaald te worden

Ik haalde het al eerder aan. Van de episode dat Don Quichot het gevecht aangaat met de windmolens had ik veel meer verwacht. In mijn beleving zou het een sleutelscène behoren te zijn in de vertelling over de dolende ridder. Maar het was voorbij voordat ik het in de gaten had.

Ook in latere hoofdstukken wordt er (tot nu toe) verder niet naar terugverwezen. Waarom is dit specifieke voorval dan zo typerend geworden voor het verhaal van Don Quichot? Het zal toch niet zo zijn omdat het toevalligerwijs al in één van de eerste hoofdstukken aan bod komt? Dat zou wel heel gemakzuchtig zijn.

Natuurlijk weet ik niet wat de meer dan 600 bladzijden die ik nog moet lezen in het verschiet hebben voor onze verdwaasde held maar in hoofdstuk achttien is hij slachtoffer van een vergelijkbare zinsbegoocheling als met de windmolens. De hier beschreven gebeurtenis zou net zo goed in aanmerking kunnen komen als voorbeeld hoever Don Quichot verstrikt is geraakt in zijn ‘weergaloze waanzin’.

Nadat de jonassers uiteindelijk Sancho Panza hebben laten gaan reizen de twee verder op weg naar nieuwe avonturen. Hoewel voor Sancho het stillaan welletjes is. Het vooruitzicht van eeuwige roem en misschien wel een eigen eiland kan hem steeds minder motiveren om nieuwe tegenslagen te trotseren. Hij vraagt zich af waarom ze niet huiswaarts kunnen keren:

Als ik het eens zeggen mag met mijn domme hersens dan zou het maar het beste zijn om naar huis te gaan, vooral omdat het nou toch oogsttijd is, en ons voortaan te vermaken in eigen huis en hof, in plaats van zoals men zegt van het kastje naar de muur en van hot naar haar te sjouwen.
[p.121]

Don Quichot wil daar vanzelfsprekend niets van weten. Met de hem kenmerkende breedsprakigheid houdt hij Sancho voor dat het slechts een kwestie van tijd en een nieuw zwaard is voordat het geluk hen zal toelachen. Hij heeft deze woorden nog niet uitgesproken of hij ontwaart aan de horizon een stofwolk. Ook achter hen verschijnt er eentje. Voor Don Quichot is het duidelijk. Hier trekken twee legers ten strijde die in de vlakte elkaar zullen ontmoeten om met elkaar in gevecht te gaan.

Wat volgt is een gedetailleerde opsomming door Don Quichot van alle belangrijke edellieden die in beide kampen partij hebben gekozen en wie de aanvoerders zijn. Ook hier weer valt het conflict terug te voeren op een private kwestie waar de dochter van de ene heer aanbeden wordt door de andere heer die echter een heiden is en eerst zijn geloof moet afzweren voordat hij in aanmerking komt om de hand te vragen van zijn geliefde.

Echter.

Het is zijn verbeelding die Don Quichot niet voor de eerste keer, en waarschijnlijk ook niet voor de laatste keer parten speelt. De stofwolken worden niet opgeworpen door een grote legerschare maar door twee kuddes schapen die bij elkaar komen in het dal. Hoe Sancho ook zijn best doet om Don Quichot van het tegendeel te overtuigen, de met de dag waanzinniger wordende en strijdlustige ridder heeft maar één doel voor ogen, namelijk zich in het strijdgewoel mengen om te vechten tegen de heidense heer.

En net zoals tegen de windmolens stormt Don Quichot nu in vol ornaat en volle overtuiging van zijn eigen onoverwinnelijkheid de schapen tegemoet om er onmiddellijk enkele met zijn lans dodelijk te verwonden voordat de schaapsherders doorhebben wat er aan de hand is. Daarna duurt het niet lang voordat ze hem met hun slingers vol stenen en pitten uit het zadel weten te gooien en hij ernstig gewond ter aarde stort. De herders die het idee hebben dat hij hierbij gedood is maken zich schielijk met de schapen uit de voeten voordat Sancho ter plaatse is. Hem rest niet meer dan zijn meester wat op te lappen en hem uit te horen of hij echt niet had gezien dat het hier schapen betrof.

Don Quichot blijft echter bij zijn verhaal en verwijt zijn knecht dat juist hij de dingen niet ziet zoals ze zijn. Kwam dat voor de aanval omdat Sancho vooral bang was:

‘De angst zit jou zo onder de leden, Sancho’, sprak Don Quichot, ‘dat je slecht hoort en ziet; een van de gevolgen der vreesachtigheid is immers dat ze de zinnen verwart en ons de dingen in anderen dan den waren schijn vertoont […]’
[p.124]

Naderhand had dit te maken met de toverkunsten van de legeraanvoerders die in staat zouden zijn ‘om de dingen zo te doen verschijnen en verdwijnen’ als zij willen om hun tegenstanders zand in de ogen te doen strooien. Don Quichot adviseert Sancho de verdwijnende kudde schapen te volgen ‘en je zult zien dat zij op korte afstand van hier hun oorspronkelijke gedaante weer zullen aannemen, en niet langer schapen , maar werkelijke mensen zijn’.

Sancho kiest er voor om bij zijn meester te blijven aangezien die zijn hulp hard nodig heeft na de aanval door de herders. Niet veel later ontdekt hij dat zijn zadeltas ontvreemd is en ontspint zich dezelfde conversatie als aan het begin van dit hoofdstuk over of het niet de hoogste tijd is om nu dan echt naar huis te gaan. Maar zelfs in zijn huidige belabberde toestand wil Don Quichot daar niets van weten:

Al deze stormen die ons over het hoofd gaan zijn tekenen dat de lucht spoedig zal opklaren en dat het ons beter zal gaan; want kwaad noch goed kunnen eeuwiglijk duren, waaruit volgt dat indien de tegenspoed langdurig was, de voorspoed niet veraf kan zijn.
[p.126]

Aldus trekken zij niet veel later verder op zoek naar onderdak voor de nacht. En vraag ik mij af waarom de klap van de windmolens zoveel meer aanspreekt dan deze clash met de schapen.

~ ~ ~

Zondag, 25 november 2018

Al vroeg deze ochtend was ik wakker en begon de dag met lezen in Don Quichot. Ik wil proberen om er wekelijks op de zondag weer een blogpost uit te persen want anders krijg ik dat boek nooit uitgelezen. Vandaag was hoofdstuk 18 aan de beurt en later deze dag kun je er een verslag van lezen. Nu al wil ik kwijt dat mijn oog viel op de zinsnede ‘een flinke mik brood’ en daardoor in andere sferen kwam.

Mik.

Dat herkende ik meteen als een woord gebruikt voor brood in een lang vervlogen tijd toen ik nog als kleine jongen bij mijn ouders woonde en de bakker aan huis kwam met zijn bakfiets vol brood. We zeiden dus niet ‘mik brood’ maar gewoon mik als we brood bedoelden. Misschien zelfs wel speciaal wit brood, hoewel ik me dat niet meer precies herinner.

Wat ook meteen terugkwam bij dit woord was de geur van versgebakken brood. Want de bakker kwam niet alleen langs, hij had natuurlijk ook een bakkerij met winkel. Zijn zoon zat bij mij in de klas op de lagere school en soms spraken we af om na schooltijd samen bij hem te gaan spelen. Dan liepen we achterom via de bakkerij naar de huiskamer. Dwars door al die heerlijke geuren van allerlei verschillende soorten brood. Meestal kreeg ik een ‘kontje’ brood aangereikt wat zo uit de oven kwam. Hemels.

~ ~ ~