What does it all mean?

Deze blog­post is deel 19 van 19 in de serie Zen — Robert Pir­sig

[p.127–130]

Ik lees weer ver­der in Zen and the Art of Motor­cy­cle Main­tenan­ce. Eer­lijk gezegd heb ik er de afge­lo­pen tijd wel vaker in gele­zen, maar ik ga nu pro­be­ren (net zoals me dat bij Don Qui­chot gelukt is) om er weer regel­ma­tig over te blog­gen en de ver­haal­lijn van het boek aan te hou­den zodat de serie blog­posts uit­ein­de­lijk het gehe­le boek van begin to eind bestrijkt.

Bij­na een jaar gele­den pak­te ik het boek ook na ruim een jaar weer op toen ik het tegen­kwam bij het uit­pak­ken van dozen vol boe­ken die een tijd lang opge­sla­gen had­den gestaan van­we­ge de ver­hui­zing. Net als nu begon ik er in te lezen met de ver­wach­ting dat ik er ook weer regel­ma­tig over zou gaan blog­gen. Het is er niet van geko­men. Deels had het te maken met de toe­ge­no­men werk­druk op kan­toor waar ik een ande­re rol had gekre­gen, maar terug­kij­kend op die peri­o­de speel­de mis­schien ook wel mee dat ik nog niet echt de rust gevon­den had waar­naar ik op zoek was. Ik pak­te vanal­les op zon­der dat er een gedach­te of struc­tuur ach­ter zat. Iets wat voor mij nood­za­ke­lijk is om niet voor­tij­dig af te haken en met iets anders te begin­nen.

Dat voelt inmid­dels veel beter. Niet alleen heb ik fysiek m’n plek in huis voor elkaar in de vorm van een rede­lijk opge­ruim­de werk­ka­mer, maar daar­naast (of mis­schien wel daar­door) is de onrust in m’n hoofd zo goed als ver­dwe­nen. Op kan­toor is het wel­is­waar nog steeds erg druk, ech­ter er is veel meer over­zicht en dui­de­lijk­heid over wie wat moet doen. Wat helpt is dat er ook enke­le nieu­we collega’s zijn bij­ge­ko­men. Dat scheelt een hoop. Din­gen die ik oppak kan ik ook afma­ken. En thuis begint dat ook te wer­ken met alles wat we op onze to-do lijst heb­ben staan.

Eens zien of ik dat kan door­trek­ken naar de acti­vi­tei­ten waar­mee ik mijn vrije tijd wil vul­len. Het lezen van Zen heb ik altijd graag gedaan omdat de filo­so­fi­sche uit­wei­din­gen in com­bi­na­tie met de motor­tocht mij ener­zijds tel­kens een hoop nieu­we inzich­ten geven en me con­ti­nu aan het den­ken zet­ten, en ander­zijds aller­lei her­in­ne­rin­gen naar boven halen aan de vele keren dat ik zelf in de gele­gen­heid was om door de VS te rei­zen.

Ook nu was dat weer het geval na het lezen van slechts enke­le blad­zij­des. Phaed­rus (het alter ego van de ik-per­soon, tevens ver­tel­ler van het ver­haal) is op het punt aan­ge­ko­men dat hij met een puur weten­schap­pe­lij­ke bena­de­ring niet ver­der komt met het ana­ly­se­ren van het pro­bleem dat hij zelf opge­wor­pen heeft dat elk expe­ri­ment een onein­dig aan­tal hypo­the­ses gene­reert en daar­om dus nooit afge­rond kan wor­den.

He dis­co­ver­ed that the sci­en­ce he’d once thought of as the who­le world of know­led­ge is only a branch of phi­lo­sop­hy, which is far broa­der and far more gene­ral.
[p.128]

Het duurt niet lang voor­dat hij uit­komt bij de vra­gen waar het alle­maal mee begint (en ein­digt): What does it all mean? What’s the pur­po­se of all this?

En dit wordt met­een gevolgd door een over­gang naar de rea­li­teit waar het reis­ge­zel­schap de top van het hoog­ge­berg­te heeft bereikt en

At a tur­nout on the road we stop, take some record pho­to­graphs to show we have been here […]
[p.128]

Het bracht me terug naar 1993 toen we onder­weg naar Yel­low­sto­ne zelf ook regel­ma­tig de auto aan de kant par­keer­den om een foto van ons­zelf met het over­wel­di­gen­de uit­zicht op de ach­ter­grond te maken. Er was nog geen spra­ke van de sel­fie-cul­tuur zoals die van­daag de dag alom­te­gen­woor­dig is, maar zelfs toen al vroeg ik me gere­geld af als we opnieuw bij een vol­gend ‘vie­w­point’ met veel ande­re toe­ris­ten een foto maak­ten ‘What does it all mean?’ en ‘What’s the pur­po­se of all this?’. Het is al die jaren nooit min­der gewor­den, laat staan dat ik er ook maar enigs­zins een bevre­di­gend ant­woord op gevon­den heb. Er over naden­ken blijft daar­te­gen­over onver­min­derd inte­res­sant.

En zo leg­de ik na het lezen van slechts drie blad­zij­des het boek alweer ter­zij­de om in gedach­ten ver­zon­ken bij het raam te staan zon­der veel mee te krij­gen van wat er zich afspeel­de in de ach­ter­tuin waar het een komen en gaan was van aller­lei soor­ten vogels.

~ ~ ~

0

Hoe meer zielen, hoe meer liefdesverdriet

Deze blog­post is deel 29 van 32 in de serie Don Qui­chot — Cer­van­tes

Eer­ste deel – Acht­en­twin­tig­ste hoofd­stuk:

Het­welk han­delt over het nieuw en ver­kwik­ke­lijk avon­tuur dat de pas­toor en de bar­bier in het­zelf­de geberg­te over­kwam

Niet gehin­derd door eni­ge ken­nis ver­keer­de ik altijd in de ver­on­der­stel­ling dat het boek Don Qui­chot voor­na­me­lijk was opge­bouwd uit vele afge­ron­de hoofd­stuk­ken waar iede­re keer Don Qui­chot en/of zijn knecht San­cho cen­traal ston­den en aller­lei avon­tu­ren beleef­den ter­wijl ze door het Spaan­se land trek­ken. Tot een aan­tal hoofd­stuk­ken gele­den leek mijn lees­er­va­ring over­een te komen met het beeld dat ik ervan had. Ik moet dat ech­ter bij­stel­len.

Zo heel af en toe ging een ver­haal over twee of soms drie hoofd­stuk­ken, maar de hoofd­per­so­nen ble­ven onze twee hel­den. Dat is aan het ver­an­de­ren sinds ze het geberg­te Sier­ra More­na zijn bin­nen­ge­re­den. Diep in het meest onher­berg­za­me gedeel­te komen ze in con­tact met de jon­ge­man Car­de­nio die zich heeft afge­zon­derd van alles en ieder­een om alleen te zijn met zijn lief­des­ver­driet. Wat zich pre­cies heeft voor­ge­val­len krij­gen we we niet in één keer te horen. De infor­ma­tie komt dan weer via de her­ders en dan weer via Car­de­nio zelf.

De lot­ge­val­len van Car­de­nio zijn voor Don Qui­chot reden om zich ook plots op een gelij­ke manier in het lief­des­ver­driet te stor­ten omdat hij paral­le­len ziet met roem­ruch­te rid­der­ver­ha­len uit het ver­le­den. San­cho wordt er opuit gestuurd om beves­ti­ging te zoe­ken bij Dul­ci­nea van El Tobo­so dat zij (die van niets weet) gedu­ren­de de afwe­zig­heid van Don Qui­chot niet op de avan­ces van een ande­re aan­bid­der is inge­gaan. Onder­weg ont­moet San­cho de pas­toor en de bar­bier uit zijn dorp die op zoek zijn naar Don Qui­chot omdat ze er niet gerust op zijn dat hij in staat is voor zich­zelf te zor­gen en hem weer terug wil­len bren­gen naar zijn kas­teel.

Omdat de pas­toor een idee heeft hoe ze Don Qui­chot kun­nen mis­lei­den om hem uit het geberg­te te lok­ken wijst San­cho hen de weg waar zijn mees­ter zich ver­schanst heeft. Op hun tocht ont­moe­ten ze Car­de­nio en krij­gen ze van hem uit de eer­ste hand meer details te horen over zijn tries­te geschie­de­nis, waar­van San­cho al het een en ander uit de doe­ken heeft gedaan. Bij aan­vang van dit hoofd­stuk horen ze plots een ander per­soon zich bekla­gen over hoe onrecht­vaar­dig en hard het nood­lot een onschul­dig iemand kan tref­fen:

O, mijn God! Heb ik dan wer­ke­lijk de plaats gevon­den voor het een­zaam graf waar­in de zwa­re last van dit lichaam, die ik zo node mee­draag ein­de­lijk rus­ten kan? Als de stil­te dezer ber­gen mij niet bedriegt, is het waar. Ach ik arme, wee mij, hoe­veel wel­ko­mer gezel­schap dan enig men­se­lijk wezen zul­len mij deze rot­sen en strui­ken zijn die mij toe­staan met mijn klach­ten mijn onge­luk ten hemel te sla­ken, want geen ster­ve­ling ter aar­de biedt mij raad in twij­fel, troost in leed of hulp in nood!”
[p.202]

Het onher­berg­za­me gebied blijkt een druk­ke ver­za­mel­plek te zijn voor vele slacht­of­fers van menig nood­lot­ti­ge gebeur­te­nis waar het de lief­de betreft, want ook hier is daar spra­ke van zo leert het gezel­schap wan­neer zij con­tact maken met de per­soon die bij een kab­be­lend rivier­tje druk doen­de is de voe­ten te was­sen en hen niet had zien aan­ko­men. Wat zij ech­ter niet zien aan­ko­men is dat de onge­luk­ki­ge aan het water geen jon­ge­man is maar een zeer knap­pe jon­ge­da­me. Na enig aan­drin­gen doet zij haar ver­haal en het wordt voor Car­de­nio al heel snel dui­de­lijk wie zij is.

Daar­voor moe­ten we terug naar hoofd­stuk 24 waar hij ver­tel­de hoe zijn gelief­de Luscin­da nog even moest wach­ten voor­dat zij zich in de echt kon­den ver­e­ni­gen omdat Car­de­nio door zijn vader naar de her­tog gestuurd werd om daar een tijd aan het hof te ver­blij­ven. Een­maal aan het hof raakt Car­de­nio bevriend met Don Fer­nan­do, de jong­ste zoon van de her­tog. Deze is op zijn beurt tot over de oren ver­liefd op de doch­ter van een rij­ke boer en heeft zijn zin­nen op haar gezet ondanks dat zijn vader de her­tog, indien dit hem ter ore zou komen geen toe­stem­ming zou geven voor een huwe­lijk omdat de boe­ren­fa­mi­lie, hoe rijk ook geen par­tij voor zijn zoon zou zijn. Don Fer­nan­do weet ech­ter het boe­ren­meis­je in bed te pra­ten met de belof­te haar te huwen. Na geda­ne (sek­su­e­le) zaken maakt hij zich ech­ter uit de voe­ten, het meis­je met een gebro­ken hart en ont­eerd ach­ter­la­tend.

Wel­nu, laat dat nu juist de beval­li­ge jon­ge­da­me aan de oever zijn die zij hier bij toe­val ont­moet heb­ben. Haar naam is Doro­tea en nadat zij heeft ver­teld hoe Don Fer­nan­do haar op slink­se wij­ze bedro­gen heeft en ver­vol­gens ver­dwe­nen is, ont­vlucht zij met hulp van een boe­ren­knecht haar ouder­lijk huis op zoek naar haar gevlo­gen ver­lei­der. Enke­le dagen later komt zij aan in het stad­je waar ze hoort dat Don Fer­nan­do inmid­dels in het huwe­lijk is getre­den met Luscin­da, de aan­staan­de bruid van Car­de­nio. Ook weet ze te ver­tel­len wat er in de brief stond die Don Fer­nan­do bij toe­val in han­den kreeg toen Luscin­da in kat­zwijm viel. De inhoud was voor hem reden om aller­eerst Luscin­da aan te val­len ter­wijl ze nog bui­ten bewust­zijn was en toen hij hier­van weer­hou­den werd door de omstan­ders zijn kers­ver­se bruid ach­ter te laten en te ver­dwij­nen. Ook Luscin­da ver­trok in het geniep een­maal zij weer bij ken­nis was, dit tot wan­hoop van haar ouders.

Doro­tea, die nog eni­ge hoop had Don Fer­nan­do te vin­den en hem mis­schien over te halen als­nog met haar in het huwe­lijk te tre­den nu de hele cere­mo­nie met Luscin­da op een fias­co was uit­ge­lo­pen, moest helaas onder­dui­ken omdat de stads­om­roe­per mel­ding maak­te van een belo­ning voor wie haar kon vin­den. Ook zij trok zich terug in het Sier­ra Moreno geberg­te waar ze aller­eerst las­tig geval­len werd door de boe­ren­knecht die al die tijd haar trouw ver­ge­zeld had maar nu zijn kans zag om van de situ­a­tie mis­bruik te maken. In de wor­ste­ling die onstond wist Doro­tea met al haar kracht hem van zich af te duwen recht een afgrond in waar ze hem aan zijn lot over­liet. Daar­na zocht ze, ver­kleed als jon­ge­man emplooi bij een vee­boer die helaas voor haar op een gege­ven moment ach­ter haar ware geslacht kwam en het ook niet kon laten zijn hand­jes thuis te hou­den. Opnieuw nam ze de vlucht en trok ver­der het geberg­te in alwaar zij zich vei­lig waan­de tot­dat zij ont­dekt werd tij­dens het was­sen van haar voe­ten.

Het is mooi hoe je door deze ver­an­de­rin­gen van per­so­na­ges die ieder op zich hun deel van het ver­haal ver­tel­len gaan­de­weg het tota­le plaat­je en al wie erbij betrok­ken was van­uit wis­se­lend per­spec­tief mee­krijgt. Ik had dat zoals gezegd niet ver­wacht toen ik dit boek ging lezen en het maakt de lees­er­va­ring alleen maar rij­ker. Het lijkt me dat er nog geen ein­de geko­men is aan deze geschie­de­nis die begon bij Car­de­nio en ik ben benieuwd hoe het ver­der gaat en wat voor rol deze nieu­we per­so­na­ges in het ver­de­re ver­loop van het boek gaan spe­len.

~ ~ ~

0

Voorjaarsenergie

Twee jaar gele­den begon­nen we met de ver­bou­wing van het huis dat we enke­le maan­den eer­der gekocht had­den maar waar we pas in febru­a­ri de sleu­tel van kre­gen. De hele ver­bou­wing ver­liep op zich voor­spoe­dig met natuur­lijk ook onze por­tie tegen­slag die je op de koop toe moet nemen als je aan zo’n megak­lus begint. Er was alleen één ding waar we con­ces­sies moesten doen. Het plan om de bestaan­de schuur een heel stuk door te trek­ken en dicht te maken kon niet hele­maal tot uit­voer wor­den gebracht. Wegens bud­ge­taan­pas­sin­gen om de ver­bou­wing van het huis wel op sche­ma te hou­den waren we genood­zaakt het bene­den­ge­deel­te van de schuur uit te stel­len. Alleen het dak en de zol­der werd opge­le­verd.

Nu zijn we een jaar ver­der en heb­ben we door­ge­re­kend of er mis­schien finan­ci­ë­le ruim­te is om deze uit­ge­stel­de klus als­nog uit te (laten) voe­ren. Daar­om zijn we dit week­end begon­nen om in ieder geval de erg­ste rom­mel op te rui­men. Al snel werd dui­de­lijk dat dit niet in een keer gedaan kon wor­den. We heb­ben inmid­dels al zoveel hout en ande­re spul­len ver­za­meld die eerst uit­ge­zocht moe­ten wor­den voor­dat we ze ergens kun­nen opslaan of in de ver­koop kun­nen zet­ten dat we nog wel enke­le week­en­den nodig heb­ben. Ook lig­gen er over­al sta­pels dak­pan­nen, ste­nen, tegels en grint wat we apart heb­ben gezet omdat het waar­schijn­lijk van pas komt bij de ver­bou­wing zodat we de kos­ten kun­nen druk­ken. Dat moet ook gesor­teerd wor­den en ver­plaatst wor­den zodat het niet in de weg ligt.

Kort­om, het mooie weer heeft ons naar bui­ten gelokt en met­een aan het werk gezet. Omdat ik me nog steeds niet hele­maal fit voel heb­ben we rus­tig aan gedaan en ook mor­gen zul­len we op ons gemak een aan­tal uur­tjes hier­mee aan de slag gaan. En ’s avonds blijft het alweer wat lan­ger licht dus zo lang­za­mer­hand kun­nen we ook na het werk een beet­je aan­rom­me­len. Het voelt als­of we uit onze win­ter­slaap zijn ont­waakt.

~ ~ ~

0

Helemaal niets

Soms ver­dwijnt de tijd waar je bij staat. Ik werd ziek (griep­je) op woens­dag ruim een week gele­den en bracht de don­der­dag, vrij­dag en zater­dag in bed door. Op zon­dag zat ik de mees­te tijd half ver­suft op de bank, net te doen als­of ik her­steld was ter­wijl dat dui­de­lijk nog niet het geval was. De maan­dag bleef ik zeker­heids­hal­ve thuis maar log­de wel in op mijn lap­top om wat emails te lezen en soms te beant­woor­den. Aan het eind van de dag at ik een hap­je en kroop op tijd onder de wol.

Natuur­lijk kon ik het niet laten om op dins­dag weer naar kan­toor te gaan. Ik hield het vol tot vier uur. Een­maal thuis had ik al mijn ener­gie ver­bruikt. Er zat niets anders op dan opnieuw tij­dig mijn bed op te zoe­ken. Die­zelf­de nacht werd ik wak­ker. Ik voel­de me beroerd. Had hoofd­pijn en wat tem­pe­ra­tuur­ver­ho­ging. Toch ging ik de vol­gen­de och­tend naar kan­toor. De para­ce­ta­mol had z’n werk gedaan.

Zo ging het ook de rest van de week. Hoe­wel ik afge­lo­pen nacht ein­de­lijk geen koorts meer had. Ook over­dag hield ik het iets lan­ger vol. Maar nu, het is tien uur, begin ik weer aar­dig ver­moeid te raken. We zijn ander­hal­ve week ver­der en het eni­ge wat ik heb gedaan is in bed (of soms op de bank) gele­gen en op kan­toor geze­ten. Voor de rest heb ik hele­maal niets gedaan, anders dan de momen­ten dat ik op de bank hing een beet­je naar de tele­vi­sie gestaard. Maar ver­der echt hele­maal niets.

Ik hoop dat het van­af mor­gen wat beter gaat.

~ ~ ~

 

0

Een onverwachts ja-woord

Deze blog­post is deel 28 van 32 in de serie Don Qui­chot — Cer­van­tes

Eer­ste deel – Zeven­en­twin­tig­ste hoofd­stuk:

Hoe de pas­toor en de bar­bier hun zin door­dre­ven, en ande­re gebeur­te­nis­sen waar­dig in deze scho­ne his­to­rie ver­haald te wor­den

Ergens hal­ver­we­ge het onder­ha­vi­ge hoofd­stuk valt het ver­haal even stil voor een onder­bre­king door de ver­tel­ler van dienst die voor hij ver­der gaat wil weten of hij niet al te uit­voe­rig zijn lij­dens­weg uit de doe­ken doet:

Ik hoop, mij­ne heren, dat ik u niet ver­moei met deze uit­wei­din­gen; mijn ver­driet is niet van dien aard dat ik het in een paar woor­den ter­loops zou kun­nen of wil­len ver­ha­len; iede­re klei­nig­heid lijkt mij een lan­ge rede waard.
[p.199]

Ondanks de tegen­wer­pin­gen van de toe­hoor­ders ‘dat de bij­zon­der­he­den die hij ver­tel­de hun zeer behaag­den, omdat ze zo belang­wek­kend waren dat ze niet ver­dien­den stil­zwij­gend te wor­den voor­bij­ge­gaan en even­zeer de aan­dacht waard waren als de kern van het ver­haal’, ga ik als­nog een poging wagen in enke­le woor­den te schet­sen wat Car­de­nio, want hij is het die zo omstan­dig zijn ver­haal doet, is over­ko­men.

Maar eerst even terug naar de pas­toor en de bar­bier die San­cho bij toe­val heeft ont­moet bij de Jonas-her­berg en die hem weten te over­tui­gen dat het beter is niet ver­der te rei­zen naar de scho­ne Dul­ci­nea (de woor­den van Don Qui­chot) maar terug te keren naar het deso­la­te geberg­te waar hij zijn mees­ter heeft ach­ter­ge­la­ten in stij­gen­de waan­zin. Zij heb­ben name­lijk een list. De pas­toor zal als jonk­vrouw ver­momd op het gemoed van Don Qui­chot inpra­ten en hope­lijk zoda­nig zijn rid­der­lij­ke eer weten te raken dat hij bereid is met ‘haar’ mee te gaan naar de stad. Aldaar den­ken zij hem de gewens­te hulp te kun­nen bie­den.

Na wat gesteg­gel onder­weg over wie als wie ver­kleed zal gaan (de pas­toor krijgt twij­fels of hij als gods­dien­stig per­soon wel de juis­te keu­ze heeft gemaakt om als vrouw te gaan) berei­ken ze na een dag rei­zen de plek die San­cho gemar­keerd heeft waar hij Don Qui­chot terug kan vin­den. Opnieuw beslui­ten ze tot een klei­ne aan­pas­sing van hun plan van aan­pak. Het lijkt hun beter dat San­cho aller­eerst voor­uit zal rij­den om Don Qui­chot te ver­tel­len dat zijn Dul­ci­nea die wel­is­waar schoon en aan­bid­de­lijk is (zijn woor­den) het lezen en schrij­ven niet mach­tig is, en dat zij hem daar­om ‘op straf­fe van in onge­na­de te val­len, beval op staan­de voet voor haar te ver­schij­nen’. Dat zou mis­schien al vol­doen­de zijn voor hem om het geberg­te te ver­la­ten zon­der dat het tot een ver­kleed­par­tij hoeft te komen.

In afwach­ting zoe­ken de pas­toor en de bar­bier een ver­koe­lend plek­je in de scha­duw op omdat het ook in die tijd al ver­schrik­ke­lijk heet kon zijn in augus­tus. Nog voor­dat zij goed en wel geze­ten zijn horen ze de klan­ken van een instru­ment dat een tries­ti­ge melo­die speelt. Niet veel later gevolgd door min­stens even droef­gees­tig gezang. Als zij op zoek gaan naar wie daar zo mooi zingt, vin­den zij een jon­ge­man waar­in de pas­toor onmid­del­lijk Car­de­nio her­kent, daar San­cho al veel over hem heeft ver­teld tij­dens hun tocht terug naar de Sier­ra More­na. Car­de­nio, die zich wel­is­waar ver­won­der­de over het feit dat deze toe­val­li­ge voor­bij­gan­gers zoveel wis­ten over zijn lot laat zich des­on­danks over­ha­len zijn ver­haal ver­der te ver­tel­len daar waar Don Qui­chot het enke­le hoofd­stuk­ken gele­den zo abrupt onder­brak en dat ik nu zoals beloofd ga pogen in het kort te beschrij­ven.

Het is de val­se Don Fer­nan­do die Car­de­nio beloofd te zul­len hel­pen door te vra­gen of de vader van Car­de­nio gene­gen is tege­moet te komen aan de wens van de vader van Luscin­da. Hij wil name­lijk niet dat Car­de­nio zelf om de hand van zijn doch­ter vraagt, maar dat zijn vader dat komt doen. Don Fer­nan­do stelt voor dat het beter is voor Car­de­nio om even­tjes de stad uit is en geld op te halen voor een aan­koop die Don Fer­nan­do van plan is en die de vader van Car­de­nio gun­stig kan stem­men. Een goed ver­staan­der begrijpt al waar dit naar­toe gaat. Enke­le dagen later ont­vangt Car­de­nio een brief van Luscin­da die zij iemand hei­me­lijk heeft weten te over­han­di­gen dat Don Fer­nan­do inmid­dels zelf om haar hand heeft gevraagd en dat hij niet alleen toe­stem­ming had gekre­gen om met haar in het huwe­lijk te tre­den, maar dat dat ook op zeer kor­te ter­mijn en in beslo­ten kring zou plaats­vin­den.

Car­de­nio reist als een speer terug en treft zijn gelief­de Luscin­dan aan op het bal­kon van haar ouder­lijk huis net voor­af aan de huwe­lijks­vol­trek­king. Zij deelt hem mee dat zij een dolk onder haar jurk ver­bor­gen houdt die zij niet zal aar­ze­len te gebrui­ken wan­neer de omstan­dig­he­den haar daar­toe dwin­gen door een ein­de aan haar leven te maken ‘en u bewij­zen hoe ik u van den begin­nen heb lief­ge­had en nog steeds lief heb’. Hier­na wordt zij naar bin­nen geroe­pen. Car­de­nio weet hei­me­lijk bin­nen te gera­ken en van­ach­ter de wand­ta­pij­ten in de gro­te zaal krijgt hij mee hoe de cere­mo­nie vol­trok­ken wordt zon­der dat hij zich laat zien of van zich laat horen.

Dan is het zover dat het ja-woord gege­ven dient te wor­den.

De pas­toor stond dan te wach­ten op het ant­woord van Luscin­da, die lang schroom­de het te geven, en juist toen ik dacht dat zij de dolk te voor­schijn zou halen om haar woord gestand te doen, of haar mond zou ope­nen om de waar­heid te spre­ken en het gezel­schap uit de droom te hel­pen zó dat het te mij­nen voor­de­le uit­viel, hoor­de ik dat zij met zwak­ke stem zei­de: ‘Ja, ik wil’, en Don Fer­nan­do zei­de het­zelf­de.
[p.199]

Hier­na viel ze in kat­zwijm. En Car­de­nio? Hij is vol­ko­men van slag door deze onver­wach­te wen­ding die hij niet zag aan­ko­men. Woe­de en lief­des­ver­driet over­heer­sen zon­der dat hij weet wat te doen. En zon­der op te mer­ken dat Don Fer­nan­do een brief ont­dekt die Luscin­da heeft laten val­len. Nadat hij die gele­zen heeft zakt hij neer in een stoel en blijft voor zich uit sta­ren. Car­de­nio ver­laat het toneel en vindt zich­zelf dagen later terug in het geberg­te waar hij geteis­terd wordt door terug­ke­ren­de vla­gen van waan­zin niets anders weet te doen dan te wach­ten op zijn ein­de onder­wijl zijn eens zo aan­be­den Luscin­da te ver­vloe­ken voor het ver­raad hem aan­ge­daan.

~ ~ ~

0

Rondje aarzelend begin

Deze blog­post is deel 3 van 5 in de serie Free­dom Trail 14/9/2019

Toen de klein­kin­de­ren opge­haald waren door hun vader mocht ik het dak op. We had­den het ver­moe­den dat de goot ver­stopt zat met bla­de­ren omdat gere­geld bij hevi­ge regen­val het water over de dak­rand naar bene­den gutst in plaats van via de daar­voor bestem­de afvoer­pijp te ver­dwij­nen. Wat schetst mijn ver­ba­zing dat het voor­al wal­no­ten waren die voor een opstop­ping zorg­den. De lege hul­zen wel­te­ver­staan.

Gere­geld zien we van­uit de tuin eksters en vlaam­se gaai­en met een noot in hun bek weg­vlie­gen. Nu weten we dat ze in veel geval­len hun toe­vlucht zoe­ken op ons dak en daar de lek­ker­nij oppeu­ze­len. Het ver­klaart tevens het druk­ke getrip­pel dat we vaak hoor­den. Soms leek het als­of de zol­der ver­ge­ven was van mui­zen, maar omdat we aan de ene kant van ons huis geen zol­der heb­ben leek dat ver­ge­zocht. We wis­ten dus dat het vogels waren, en we weten nu ook wat ze daar zoal uit­spo­ken.

Nadat ik het klus­je geklaard had om de dak­goot wal­noot- en bla­der­vrij te maken kon ik dan ein­de­lijk mijn hard­loop­kle­ren voor de dag halen en sinds tij­den (4 febru­a­ri dus) weer eens te gaan lopen. De lucht begon lang­zaam dicht te trek­ken met zwar­te wol­ken en zo nu en dan viel er al een drup regen, maar het was voor­al de storm­ach­ti­ge wind die me slechts moei­zaam voor­uit deed komen. Omdat mijn benen ook nog eens rede­lijk ver­moeid waren door in gehurk­te hou­ding een uur­tje over het dak te heb­ben gekro­pen hield ik het al snel voor gezien. Mijn idee om 10 kilo­me­ter te gaan ren­nen moest ik opschor­ten. In ieder geval ben ik weer begon­nen. Deze keer voor de ‘echt’.

~ ~ ~

Wat: Air­bor­ne Free­dom Trail
Wan­neer: 14 sep­tem­ber 2019
Afstand: 28 kilo­me­ter

~ ~ ~

0