Press "Enter" to skip to content

VRIJETIJDSBLOGGER Posts

Even zijn leven leven

Het was ver na mid­der­nacht toen Eric wak­ker schrok. Een tijd­lang bleef hij lig­gen. Op z’n rug en met de ogen wijd open.
Lang­zaam begon de don­ker­te in de kamer enke­le gehei­men prijs te geven. Het luk­te hem om de lamp aan het pla­fond te onder­schei­den. Door z’n hoofd opzij te draai­en kon hij de kast met daar­op de tv rechts­ach­ter het bed zien. Iets dich­ter­bij het nacht­kast­je met de wek­ker­ra­dio. Die gaf 03:52 uur aan.

Met z’n lin­ker­arm voel­de hij naast zich. Het lichaam van zijn vrouw. Voor­zich­tig liet hij z’n hand over haar rug glij­den tot aan haar bil­len. Daar liet hij z’n hand even rus­ten. Hij durf­de niet te knij­pen of ver­der te gaan.

Moei­zaam kwam hij over­eind, kus­te haar zacht in de nek en stap­te uit bed. Ver­beeld­de hij het zich, of hoor­de hij zijn vrouw geluid maken? Even bleef hij staan. Maar liep toen de slaap­ka­mer uit zon­der nog om te kij­ken.
De zol­der­trap liep hij af zon­der het licht aan te doen. Op de over­loop aan­ge­ko­men keek hij voor­zich­tig in bei­de kin­der­ka­mers. Zijn kin­de­ren waren in die­pe slaap. Bij alle­bei liet hij de deur op een kier. Met een van geluk ver­vuld hart liep hij zacht­jes ver­der.
In zijn stu­deer­ka­mer op de bega­ne grond deed hij de deur ach­ter zich dicht. Op een stoel in de hoek lagen zijn kle­ren. Op de eni­ge ande­re stoel in de kamer zat hij. Eric deed het licht aan. Afwe­zig liet Eric z’n blik gaan over zijn naak­te vast­ge­bon­den lichaam. Een dood­ge­woon lichaam. Bleek door te wei­nig zon­licht. Slap door te wei­nig bewe­ging. Nat door teveel zweet. Eric gooi­de zijn kle­ren op de grond en ging in de stoel zit­ten. Naast de stoel stond een tafel­tje met daar­op een aan­tal boe­ken. Zijn boe­ken. Eric pak­te het boven­ste boek en ging wat gemak­ke­lij­ker zit­ten. Hij begon te lezen.

Na een tijd­je leg­de hij het boek weg en keek op zijn hor­lo­ge. Bij­na kwart over vier. Tijd om te ver­trek­ken. Met tegen­zin stond Eric op. Altijd weer was dit het moment waar hij het meest tegen­op zag. Het afscheid nemen. Slechts een kor­te tijd was hem gegund om zijn leven te lei­den. Weken, soms zelfs maan­den voor­be­rei­ding. Alle­maal voor een kort­ston­dig geluks­mo­ment. Het leven van een gezins­le­ven.

Een half uur later sloot Eric de voor­deur ach­ter zich. Onder­weg naar huis zou hij zijn sleu­tels wel ergens in een prul­len­bak gooi­en.

Het begon al licht te wor­den toen Eric de auto voor z’n huis par­keer­de. Nu pas zag hij in de ach­ter­uit­kijk­spie­gel dat er bloed­spatjes op z’n gezicht zaten. Best wel veel, bij nader inzien. Met een zak­doek maak­te hij z’n gezicht schoon. Hij knip­oog­de naar zich­zelf via het spie­gel­tje en stap­te uit.
Een­maal bin­nen liep hij recht­streeks naar de bad­ka­mer en kleed­de zich uit. Na het dou­chen stop­te hij z’n kle­ren in de was­ma­chi­ne en stel­de het juis­te pro­gram­ma in. Op de over­loop bleef hij even staan voor de deur van de slaap­ka­mer. Het was stil. Tot­dat hij het zach­te gesnurk van z’n vrouw hoor­de.

Zijn vrouw had niet gesnurkt. Zijn vrouw had har­de ron­de bil­len. Zijn vrouw had alles wat z’n eigen vrouw niet had. Was dat mis­schien de reden dat hij zich iets teveel had laten gaan in zijn stu­deer­ka­mer. Elke keer hield hij zich voor dat een sim­pe­le snee door de keel vol­doen­de was. Maar ook van­nacht was hij daar­toe weer niet in staat geweest. Hij hoop­te maar dat zijn kin­de­ren niet als eer­ste bene­den zou­den komen deze och­tend.
Eric wierp een laat­ste blik in de wand­spie­gel, zag dat hij inmid­dels een erec­tie had en open­de de deur van de slaap­ka­mer. Het licht van de over­loop viel naar bin­nen en wek­te z’n vrouw. Voor­dat ze iets kon zeg­gen sloeg Eric het dek­bed weg en greep haar bij de keel. Woest trok hij haar nacht­ja­pon omhoog en duw­de zich een weg naar bin­nen. Al snel kwam z’n ont­la­ding, waar­na hij zich naar de ande­re kant van het bed liet rol­len.

Z’n laat­ste gedach­te voor­dat hij insliep was of hij zich zor­gen moest maken over het feit dat hij in slaap was geval­len bij die vrouw.
Dat moest natuur­lijk ooit fout gaan.

~ ~ ~

Er was eens een stukje kind in Burundi

Ter­wijl ik ver­der bla­der in de krant, kijkt het kind me aan.

Ik had nog nooit gehoord van Ruvu­mo. Er stond ver­meld dat het een stad is in het noor­den van het land. Dat zal alle­maal wel waar zijn. Is het belang­rijk? Niet zo belang­rijk dat ik het opge­zocht heb.

Dat ver­baast het kind.
Ik was toch zo geschokt? Zo ver­ont­waar­digd?
Ik wil me ver­de­di­gen. Maar besef dat het niet veel indruk zal maken.

Daar­om begin ik over het bij­ge­loof. Dat het ook een vorm van gelo­ven is, en dat alle geloof gevaar­lij­ke trek­jes heeft, zeker als het fana­tiek bele­den wordt. Daar zou hij toch mee moe­ten instem­men? Ik krijg geen ant­woord.

Er hangt een zin in de lucht: “De hele buurt hoor­de zijn geschreeuw.”

Ik ver­volg snel door aan te geven dat zijn dood voor niets is geweest als er niet meer aan­dacht aan gege­ven wordt. Het kind geeft aan dat het toch wat moei­te heeft om zich te laten ver­wer­ken tot een onder­werp van een Ver­haal­Blog voor Sca­ry Cor­ner.

De groep over­val­lers geeft aan dat ze het ver­wer­ken van een kind beter aan hen kun­nen over­la­ten. Voor­dat iemand kan rea­ge­ren, roe­pen ze in koor dat hun opmer­king een onschul­dig grap­je was. Het is maar caba­ret. Moet toch kun­nen…

Omdat ik wil begrij­pen, vraag ik hen hoe ze het gedaan heb­ben.
Omdat ik las: “Ze sne­den het kind levend in stuk­ken.”
Het kind begint te hui­len. Elke keer her­le­zen, bete­kent elke keer weer levend in stuk­ken gesne­den wor­den.
De krant had ik inmid­dels weer open­ge­sla­gen op m’n schoot. Eer­der die dag zat daar m’n klein­zoon. Samen keken we naar Sesam­straat. Alle getal­len voor hem zijn Zes. Wijs een getal aan, en hij zegt Zes­sss!

Ik her­lees het arti­kel en we snij­den het kind opnieuw levend in stuk­ken. Het kind is Zes­sss! En bestaat uit Zes­sss! los­se stuk­ken, of mis­schien wel Zes­sss!, of nog meer.

Nu zit ik op dezelf­de stoel en heb een in stuk­ken gesne­den kind op m’n schoot. Dat is logisch, want de lichaams­de­len zijn waar­de­vol en wor­den naar het bui­ten­land gesmok­keld en ver­kocht aan medi­cijn­man­nen. Hier is geen spra­ke van zin­loos geweld.
Geluk­kig maar, zegt het kind.

De krant wordt ver­van­gen door de lap­top. Hier gaat gru­we­lij­ke fic­tie geschre­ven wor­den, dewel­ke Sca­ry Cor­ner (zie je wel, zegt het kind) tot in haar duis­ter­ste kroch­ten zal doen hui­ve­ren.

Enke­le uren later heb ik de lap­top nog steeds op schoot, maar ben niet ver­der geko­men dan te beschrij­ven dat het kind een albi­no is. (Gebo­ren als albi­no in Afri­ka, dacht ik dat de zon m’n erg­ste vij­and was, zegt het kind.)

In de afge­lo­pen uren heb­ben zich ver­schil­len­de scenario’s voor Sca­ry Cor­ner aan­ge­diend, maar allen lopen vast op dezelf­de sleu­telsce­ne. Ik krijg het mes maar niet in dit kind gezet. Eerst moet het dood. Wan­neer het mij aan­kijkt, dan lukt het me niet.
Maar eerst dood­ma­ken kan niet, want het kind kijkt mee en is onver­bid­de­lijk. Het wil alleen mee­doen als het levend aan stuk­ken wordt gesne­den.

Dat krijg ik van­avond niet voor elkaar ver­zon­nen.
Non-fic­tie wint weer eens van fic­tie.
Ik kan niet meer ver­staan wat het kind zegt. Eer­lijk gezegd durf ik nog niet gaan te sla­pen.

~ ~ ~

Ver­bijs­terd door een bericht in NRC van 25 febru­a­ri 2009 op pagi­na 4 Bui­ten­land. Mees­te recht­se kolom hele­maal onder­aan.
De stad heeft een naam. Het kind mis­schien ook. De stad valt nog te bezoe­ken.

Dit is de tekst van het NRC arti­kel:
“Een zes­ja­rig albi­no­jon­ge­tje in Burun­di is levend in stuk­ken gesne­den. Dat heeft een woord­voer­der van de poli­tie in het Afri­kaan­se land gis­te­ren ver­klaard. Een groep over­val­lers viel maan­dag een huis bin­nen in de stad Ruvu­mo, in het noor­den van het land. Ze sne­den het kind levend in stuk­ken. De hele buurt hoor­de zijn geschreeuw, aldus de woord­voer­der. Afge­lo­pen jaar zijn in Burun­di zeker acht albino‘s ver­moord. De lichaams­de­len wor­den ver­moe­de­lijk naar buur­land Tan­za­nia gesmok­keld, waar ze wor­den ver­kocht aan medi­cijn­man­nen.” (dank je Some­o­ne Els)

Hier een link naar een ver­ge­lijk­baar arti­kel bij de Wereld­om­roep (dank je Mari­an­ne)

~ ~ ~

Wat blogde jij tijdens…

Mij wordt zel­den iets gevraagd. Hoog­uit of ik melk en/of sui­ker in de kof­fie wil. Met dit soort vra­gen kan ik goed omgaan, voor­na­me­lijk omdat het juis­te ant­woord bij mij bekend is (nee). En mocht mij om wel­ke duis­te­re reden het juis­te ant­woord niet met­een te bin­nen schie­ten, dan kan ik toch snel alter­na­tie­ven aan­bie­den (ja; een beet­je; kof­fie? ik heb lie­ver thee!). In welk geval ik het voor­ge­scho­tel­de drank­je met wat inge­hou­den weer­zin ach­ter­over sla en er net­jes voor bedank. Zo ben ik.

Ech­ter, juist van­we­ge het feit dat mij zel­den iets gevraagd wordt, ben ik altijd op m’n hoe­de. Voor­al op straat. Want op elke straat­hoek kan zich de beruch­te straat­in­ter­vie­wer ver­schui­len. En je zult zien dat jij juist op dat moment gestraat­in­ter­viewd wordt wan­neer je de actu­a­li­teit een klein beet­je min­der gevolgd hebt. Omdat je bij­voor­beeld te druk bent geweest met het bij­wer­ken van je blogsite. Of met het lezen van blogs. Of met het schrij­ven van blogs. In ieder geval rede­nen genoeg om een ach­ter­stand te heb­ben opge­bouwd in het lezen van kran­ten en het vol­gen van nieuws­ru­brie­ken.

En dan zal daar ineens die straat­in­ter­vie­wer voor je staan. En z’n micro­foon onder je neus duwen. Om je een vraag te stel­len. Over iets uit de actu­a­li­teit. Wat je mening daar­bij is. Zul je net zien.

Daar ben ik dus bang voor. Want ik heb niet zo’n gro­te erva­ring met ant­woor­den. Al hele­maal niet met menin­gen. Ik ben niet zo van de menin­gen. Daar­van lopen er al genoeg rond in Neder­land. Van die wan­de­len­de Menin­kjes­ver­kon­di­gers. Over van alles en nog wat. U vraagt en zij menen. Over­al ver­stand van te heb­ben. Maar de ech­te straat­in­ter­vie­wer her­kent ze al van ver­re. En houdt zich ver­scho­len tot­dat hij z’n ech­te slacht­of­fer ziet. De arge­lo­ze voor­bij­gan­ger die nog snel even een bood­schap doet en met z’n hoofd totaal ergens anders is. Zo zie ik er dus ook uit, arge­loos, maar pro­beer mezelf tot de tan­den te wape­nen met fei­ten (let op: geen menin­gen). Voor het geval dat:

Klik op de afbeel­ding om de video op you­tu­be te bekij­ken.

De ultie­me nacht­mer­rie is dat de gevrees­de straat­in­ter­vie­wer de vol­gen­de vraag voor­legt: “Waar was u toen…”. Op de punt­jes staat dan zoiets als ‘J.F.K. werd ver­moord’ (mijn ant­woord: hoogst­waar­schijn­lijk in bed), of ‘Neder­land 2de werd op het WK’ (mijn tegen­re­ac­tie: tij­dens het WK in Duits­land of Argen­ti­nië?; haha, met­een terug­pak­ken als het kan), of ‘er vlieg­tui­gen in de Twin Towers vlo­gen’ (mijn waar­heid: thuis voor de buis). Afijn, u begrijpt het prin­ci­pe.

Gezien wat er nu alle­maal in het nieuws ver­schijnt met betrek­king tot de kre­diet­cri­sis, zal het niet onwaar­schijn­lijk zijn dat de vraag als volgt zou kun­nen lui­den: “Waar was u toen de kre­diet­cri­sis uit­brak?” En dat wordt moei­lijk. Want wan­neer brak die nou eigen­lijk uit? Is er een moment aan te wij­zen toen dui­de­lijk werd dat hier iets gro­ters, veel­om­vat­ten­ders aan de hand was?
Daar ben ik nog niet uit, dus ben ik maar begon­nen om met terug­wer­ken­de kracht aller­lei tijd­schrif­ten en kran­ten in tegen­ge­stel­de rich­ting (dus back to the past) te lezen om het toen-moment te vin­den. Want dat moet er natuur­lijk zijn. De water­schei­ding tus­sen vóór en ná de kre­diet­cri­sis.

Al lezen­de viel me toen nog iets anders in. Het gege­ven dat we alweer gerui­me tijd mid­den in die eco­no­mi­sche cri­sis van onge­ken­de pro­por­ties zit­ten en tege­lij­ker­tijd ons­zelf al blog­gend een plaats in de geschie­de­nis pro­be­ren te schrij­ven. Dat deed me den­ken aan ver­schil­len­de bio­gra­fie­ën die ik ooit heb gele­zen en waar de bio­graaf wel eens ter­loops vast­stel­de dat de per­soon onder stu­die dag­boe­ken vol schreef. Maar niets over de later als dus­da­nig geken­merk­te his­to­ri­sche gebeur­te­nis­sen. Duits­land valt Polen bin­nen, maar de dag­boek­schrij­ver klaagt over het slech­te weer. De Ber­lijn­se muur valt ter­wijl de dag­boek­schrij­ver ruziet over het een of ander voor­val met de win­ter­schil­der.

Door­ge­re­de­neerd zou de gewe­tens­vraag aldus wor­den: “Wat blog­de jij tij­dens de kre­diet­cri­sis?” En daar sta je dan met je blogs vol tri­via. Over een con­cert­be­zoek hier, een bus­hok­je daar, en een zwerm wraak­zuch­ti­ge spreeu­wen. Ja, de actu­a­li­teit is diep door­ge­dron­gen in de werk­ka­mer van deze onre­gel­ma­ti­ge blog­ger. Maar niet heus. Of toch? Jaze­ker! Met een beet­je goe­de wil is er wel dege­lijk in dit ver­ha­lend blogje een direc­te lijn te trek­ken van een gemo­der­ni­seer­de rat­ten­van­ger van Hame­len naar de kre­diet­cri­sis. Toen al! Ik was er dus toch rede­lijk vroeg bij.
En nu natuur­lijk weer met dit blog.

Nu alleen nog zien uit te vin­den wan­neer die ver­dom­de kre­diet­cri­sis pre­cies uit­brak!

Want ze gaan komen. Die twee vra­gen:

Waar was jij toen de kre­diet­cri­sis uit­brak?”
“Wat blog­de jij tij­dens de kre­diet­cri­sis?”

Be pre­pa­red!

~ ~ ~

Jess en Sabrina Starke in Theater Cultura Ede

Groot was m’n ver­ba­zing enke­le weken gele­den toen ik een krab­bel kreeg van Mild­red Cai­ro. Zij is van het mana­ge­ment van Sabri­na Star­ke en liet me weten dat ik vrij­kaart­jes had gewon­nen voor een con­cert in Ede.
Nou doe ik niet vaak mee aan prijs­vra­gen of iets der­ge­lijks, maar in dit geval had ik het niet erva­ren als zoda­nig.

Van Sabri­na had ik de eer­ste keer muziek gehoord in het pro­gram­ma wat ik altijd op zon­dag­och­tend pro­beer te luis­te­ren (en nu ook weer aan­staat ter­wijl ik dit blogje zit te tik­ken) => De Sand­wich op Radio 2. Het film­pje van haar eer­ste sin­gle Do for love stond op de Sand­wich hyves, en had ik al vele keren beluis­terd toen ik via haar eigen hyves hoor­de dat ze een cd in eigen beheer had uit­ge­ge­ven. Deze heb ik toen met­een aan­ge­schaft. En inmid­dels al ‘grijs­ge­draaid’.

Met Sabri­na ging het tege­lij­ker­tijd erg hard. Zeker na haar optre­den bij de De wereld draait door:

Klik op de afbeel­ding om de video op you­tu­be te bekij­ken

Hier werd voor de eer­ste keer gebro­ken met de (stomp­zin­ni­ge) regel dat de muzi­ka­le onder­bre­king niet lan­ger dan één minuut mag duren. Op voor­spraak van Jan Mul­der werd beslo­ten dat zij het hele num­mer mocht bren­gen.

Kort daar­na werd ze bena­derd door het befaam­de Blue Note label, waar ze nu onder con­tract staat.
Rond die tijd kreeg ik ook te lezen dat ze met haar tour­nee was begon­nen en dat per optre­den er enke­le vrij­kaart­jes ver­deeld wer­den. Het eni­ge wat je moest doen was een krab­bel ach­ter­la­ten indien je geïn­te­res­seerd was. Dat was ik.

Maar dat was ik ook weer ver­ge­ten. Tot het bericht­je dat de kaart­jes klaar lagen voor het con­cert in Ede.

Gis­ter­avond dus de schoe­nen gepoetst en op weg naar Ede. Waar we enke­le minu­ten vóór het voor­pro­gram­ma bin­nen kwa­men val­len. Snel de kaart­jes opge­haald en onze plaat­sen opge­zocht. De zaal zat al vol en het podi­um was nog leeg.

Het wach­ten was op Jess. Maar dat duur­de niet lang. Ineens kwam daar een groep­je stu­den­ten? jon­ge­ren? the­a­ter­me­de­wer­kers? het podi­um opge­lo­pen. Ze pak­ten hun instru­ment op, en de front­girl van het geheel nam plaats ach­ter haar key­board. Ze zei iets onsa­men­han­gends, begon te lachen, en de band begon met het eer­ste num­mer.

Gewel­dig! Een heer­lijk swin­gend num­mer dat goed in elkaar zat. Ver­vol­gens weer een cha­o­tisch tus­sen­door­tje door Jess, dit keer over het feit dat ze niet nat gegooid werd met bier en dat het publiek zo gecon­cen­treerd zat te luis­te­ren. En op naar het vol­gen­de up-tem­po num­mer.

In het half uur dat hen gege­ven werd, speel­den ze een mooie set van vro­lij­ke pop­songs die geen minuut gin­gen ver­ve­len. Jess wist met ont­wa­pe­nen­de char­me een goed con­tact met het publiek te krij­gen. Na afloop stond ze samen met Sabri­na in een stand haar cd’s te ver­ko­pen en te sig­ne­ren. Ook haar cd’s wer­den goed ver­kocht. Een mooi com­pli­ment voor een heer­lijk voor­pro­gram­ma.

Na Jess was het tijd voor een kor­te pau­ze voor­dat het con­cert van Sabri­na Star­ke begon.
Ook nu weer was het even wach­ten voor­dat de band het podi­um opkwam. De band­le­den begon­nen het optre­den met het intro “She is” waar­mee ook haar cd opent. De stem van Zuli­le (een gespro­ken tekst) werd via de com­pu­ter afge­speeld, ter­wijl de band het num­mer live speel­de. Hier­na kwam Sabri­na het podi­um op en begon met­een het num­mer Romeo & Juliet te zin­gen, het twee­de num­mer van de cd.

Na dit num­mer gaf ze aan dat ze ook nog een ande­re ver­sie van R&J in haar reper­toi­re heeft. En dat werd ver­vol­gens inge­zet. Ook dit num­mer kwam goed over in de klei­ne knus­se zaal. En dat was iets wat Sabri­na zelf ook aan­gaf.

Nu het er op lijkt dat ze mis­schien wel inter­na­ti­o­naal kan gaan door­bre­ken en er bin­nen­kort gro­te­re zalen voor haar optre­dens geboekt gaan wor­den, liet ze dui­de­lijk blij­ken hoe fijn ze het vind om in deze wat klei­ne­re zalen te mogen spe­len.
En zo bleef ze gedu­ren­de haar hele optre­den tus­sen de num­mers door op een pret­ti­ge manier wat ver­tel­len over het hoe en waar­om van haar muziek.

De num­mers zelf wer­den met afwij­ken­de arran­ge­men­ten gespeeld als op de cd. Dus niet het stan­daard afspe­len als­of je gewoon de cd op het staan, waar ik zelf zo’n hekel aan heb. Ook werd regel­ma­tig gevraagd aan het publiek om mee te doen.
Dan weer eens om aan­ste­kers, mobiel­tjes, e.d. te gebrui­ken voor wat sfeer­ver­lich­ting, dan weer om als ach­ter­grond­koor te fun­ge­ren, of om met z’n allen op te staan (het was een zaal met zit­plaat­sen) en mee te swin­gen met de muziek. De meer­der­heid van het publiek deed vro­lijk mee.

De band speel­de in mijn ogen gewel­dig. Zon­der pre­cies te weten wie de band­le­den waren (dat moet ik nog een keer opzoe­ken) spron­gen voor mij de drum­mer, bas­sist en pia­nist er in posi­tie­ve zin uit. Zon­der de rest van de band tekort te doen.
Het samen­spel in de band zelf was fan­tas­tisch, als­ook met Sabri­na. Het kwam mij over als een per­fect inge­speeld geheel wel­ke zowel in de up-tem­po als lang­za­me­re num­mers de juis­te timing had.

In totaal duur­de het optre­den een uur, waar­in alleen num­mers van de cd gespeeld wer­den. De toe­gift was weg­ge­legd voor Yel­low Brick Road. Een per­soon­lijk num­mer waar­in ze de moei­za­me weg beschrijft van de afge­lo­pen jaren. Het gaat over door­zet­ten wan­neer je in iets gelooft:

I’ve made some miles but I am here
Didn’t think I would make it fro­zen by fear
The­re was a time a few years ago in my life
That I felt so lost didn’t see no way out
Cau­se I’ve been through love
Through pain
Down the val­ley and up again
After all this time I under­stand
So I stand befo­re you this woman

Cho­rus:
The­se yel­low bricks have brought me this far
Can’t belie­ve it but I’m final­ly here
Been wal­king down this road like a lost child
Fee­ling so alo­ne but now I found my home

Sabri­na,
bedankt voor een gewel­dig optre­den!

~ ~ ~

Survival of the ARBO fittest

Afge­lo­pen week bracht Emiel mij een bericht­je met als onder­werp ‘Fit­test’.
Emiel? Ja, Emiel. De naam die ik af en toe nog wel eens gebruik voor e‑mail. Niet door mij­zelf ver­zon­nen, maar door een oud-col­le­ga (in de peri­o­de waar­aan ik refe­reer was ze al dicht de pen­si­oen­ge­rech­tig­de leef­tijd gena­derd, dus eigen­lijk eer­der een oude oud-col­le­ga). In haar laat­ste Phi­lips­ja­ren moest ze nog aan de e‑mail, en regel­ma­tig bel­de ze de help­desk dat ze weer eens pro­ble­men had met Emiel.

Emiel dus con­fron­teer­de me met ‘Fit­test’. Wat me deed afvra­gen waar­voor ik bena­derd zou moe­ten wor­den in het kader van ‘Sur­vi­val of the fit­test’. Een niet vreem­de asso­ci­a­tie in dit Dar­win­jaar. Zeker omdat het een dub­bel Dar­win­jaar is: 200 jaar gele­den gebo­ren en 50 jaar later zijn belang­rijk­ste boek, On the ori­gin of spe­cies by means of natu­ral selec­ti­on, or the pre­ser­va­ti­on of favou­red races in the strug­gle for life, gepu­bli­ceerd.

Zou ik ‘natuur­lijk gese­lec­teerd’ zijn voor:

  • het natuur­lij­ke eind­punt van de men­se­lij­ke soort?
  • het natuur­lij­ke eind­punt van de ide­a­le part­ner voor de Rela­tie­pla­net vrouw?
  • het natuur­lij­ke eind­punt van de lezen­de mens?

Aldus droom­de ik mezelf een geva­ri­eer­de reeks van uit­ge­ë­vo­lu­eer­de types toe, wel­ke mij op het natuur­lij­ke lijf geschre­ven waren. Want, had ik deze week gele­zen, in de natuur werkt slechts het toe­val van blin­de natuur­krach­ten.

Dar­win wil­de zijn evo­lu­tie­ge­dach­te los­kop­pe­len van de meta­fy­si­sche en spe­cu­la­tie­ve idee­ën van eer­de­re filo­so­fen. Het ori­gi­ne­le van zijn bij­dra­ge is dat hij laat zien dat de ont­wik­ke­ling van een bepaal­de dier- of plan­ten­soort in een bepaal­de rich­ting wordt gestuurd, zon­der dat daar meta­fy­si­sche rede­nen voor zijn. Dar­win noem­de dit mecha­nis­me aan­van­ke­lijk ‘natu­ral selec­ti­on’. Deze term staat pro­mi­nent in de titel van zijn boek. Ach­ter­af was hij er onte­vre­den over. ‘Selec­tie’ was te pas­sief. De term liet onvol­doen­de door­klin­ken dat via dit mecha­nis­me ook gecom­pli­ceer­de orga­nis­men kun­nen ont­staan uit een­vou­di­ge levens­vor­men. Later gebruik­te hij bij voor­keur de uit­druk­king ‘sur­vi­val of the fit­test’, een term die hij ont­leen­de aan de filo­soof Her­bert Spen­cer.

En natuur­lijk zie ik mij­zelf (niet alleen in m’n dro­men) als een gecom­pli­ceerd orga­nis­me wel­ke is ont­staan uit een een­vou­di­ge levens­vorm. Maar in wel­ke hoe­da­nig­heid was men op zoek naar mij? Waar­voor zou ik een Dar­win Award uit­ge­reikt gaan krij­gen?

De wer­ke­lijk­heid was (zoals zo vaak) ont­nuch­te­rend.

Emiel liet weten dat ik uit­ge­no­digd was voor de Arbo Unie Fit­test:

Uw werk­ge­ver stelt u van­uit ‘goed werk­ge­ver­schap’ in de gele­gen­heid om deze gezond­heids­check te onder­gaan. De deel­na­me aan dit onder­zoek is vrij­wil­lig. De indi­vi­du­e­le uit­kom­sten van het onder­zoek zijn strikt ver­trou­we­lijk, val­len onder het medisch geheim en wor­den alleen aan u terug­ge­kop­peld en zijn niet toe­gan­ke­lijk voor uw werk­ge­ver.

De fit­test bestaat uit het vol­gen­de:

Bio­me­trie door de dok­ters­as­sis­ten­te
— Lengte/gewicht
— Bloed­druk
— Visus­test
— Gehoor­test
— Bloed­af­na­me voor cho­les­te­rol en glu­co­se

Fit­test door de bedrijfs­fy­si­o­the­ra­peut
— Body­Mass Index
— Vet­per­cen­ta­ge­me­ting
— Knijp­kracht­me­ting
— Lenig­heids­test:
— Zit- en reik­test
— Schou­der­le­nig­heid­test
— Long­func­tie­test (peak­flow­me­ting)
— Con­di­tie­test (Sub­maxi­ma­le fiets­test van 6 minu­ten)
— Scan fysie­ke klach­ten

Pas nu schoot mij te bin­nen dat ik een week eer­der via Emiel te horen had gekre­gen dat ik een vra­gen­lijst dien­de in te vul­len. De ant­woor­den zou­den gebruikt wor­den in de nog te vol­gen gezond­heids­check. In het kort had ik de vra­gen­lijst min of meer waar­heids­ge­trouw als volgt inge­vuld:

Ik voel me gezond
want, des­on­danks, mits, maar (door­ha­len wat niet van toe­pas­sing is),
Ik sport niet
Ik rook niet (meer)
Ik drink niet te min niet­te­min

De uit­no­di­ging is voor over twee weken. Een kor­te peri­o­de die ik hoogst­waar­schijn­lijk ga gebrui­ken om m’n real-life con­di­tie iets meer rich­ting gesug­ge­reer­de con­di­tie te bren­gen. Het zal toch niet zo ver komen dat ik m’n fit­test niet sur­vi­ve?

[upda­te woens­dag­avond 25 febru­a­ri 21:15 uur]
BMI 21,6 (kg/m2)
bloed­druk OK
gehoor OK
zien OK
lenig­heid OK
knijp­kracht OK
long­in­houd OK
con­di­tie.…. Bij­na OK

Advies: meer bewe­gen!

~ ~ ~

Het bushokje dat geen bushokje was

Ter­wijl ik bezig was met de beklim­ming, had mijn bril reeds de afda­ling inge­zet. Gelijk het zweet gleed het lich­te mon­tuur rich­ting neus­punt­je. Gri­mas­send pro­beer­de ik een hou­vast te bie­den aan de neus­steun­tjes zodat ze zich in hun neer­waart­se baan ergens aan kon­den vast­klam­pen. Mijn han­den zaten vast­ge­klon­ken aan het stuur van de race­fiets waar­op ik zwoe­gend tegen de stroom van smel­tend asfalt mijn weg omhoog zocht. De zon brand­de onbarm­har­tig in mijn nek en op het weg­dek. Met elke vol­gen­de omwen­te­ling van de wie­len werd nieuw asfalt om het fra­me aan­ge­bracht. Ik reed op een fiets van teer en was één met de weg.

Een bus haal­de mij in. De pas­sa­giers keken mij aan. Hun koe­le blik­ken zorg­den voor ver­fris­sing. Dade­lijk, in de afda­ling na de top, zou de bus mijn prooi wor­den. Op mijn gebeeld­houw­de fiets zou ik als een kanons­ko­gel naar bene­den sui­zen.

Ik staar­de over de gla­zen van mijn bril naar die top waar de bus inmid­dels stond gepar­keerd. Direct ach­ter een reeds aan­we­zi­ge bus. Uit het bus­hok­je begon­nen men­sen te komen. Ze zweef­den de voor­ste bus in. Tien­tal­len. Tot­dat het de bus genoeg was en ver­trok. Bij­na was ik bij de twee­de bus aan­ge­ko­men. Die trok een stuk­je op. Om me te pla­gen. Deu­ren gin­gen open en de pas­sa­giers vloei­den het bus­hok­je bin­nen.

Alles sloot zich toen ik bij de top kwam. Ik stap­te van mijn fiets die als een sok­kel in het asfalt bleef staan. Mijn bril hing aan één oor. De bus­chauf­feur – een vrouw – knip­oog­de naar me. Met een zucht dook ze de diep­te in.

Het bus­hok­je was geslo­ten als een oes­ter. Ik liet me naast haar val­len in het dro­ge gras. Er klonk geluid uit haar buik. Ze zei: “Ik ben geen bus­hok­je, maar de ingang naar een grot­ten­stel­sel waar je kunt fiet­sen en wan­de­len.” Daar moest ik heel lang over naden­ken. Op zoek naar hou­vast her­haal­de ik wat ze mij toe­ver­trouwd had: “Dus je bent geen bus­hok­je”.
“Nee, ik ben een wiel­ren­ner, en in het dage­lijks leven een account­ma­na­ger. En jij bent ook geen bus­hok­je. En dit is, zoals ik net zei, de ingang naar een grot­ten­stel­sel”.

Boven me toren­de de gestal­te van Kees, mijn fiets­vriend. “Je ziet er slecht uit,” zei hij. “Je moet wat meer drin­ken en een pet opzet­ten. Straks krijg je nog een zon­ne­steek”.

Het bus­hok­je dat geen bus­hok­je was begon gedempt te lachen.

~ ~ ~

Febru­a­ri­op­dracht van Het fan­ta­sie­rijk:
Het is koud, win­de­rig en nat. Maar, met een beet­je geluk pik je een win­ters zon­ne­tje voor de vol­gen­de opdracht.
Trek je jas aan en sluit je pc maar af, we gaan naar bui­ten!
Dit keer vra­gen we de deel­ne­mers een tijd­je in een bus­hok­je door te bren­gen. Je vraagt je af of er niets inspi­re­ren­ders bestaat? Ja, dat klopt. Pre­cies om die reden valt de keus dan op iets wat min­der erg is dan de brie­ven­bus, maar las­ti­ger dan de plaat­se­lij­ke markt.

~ ~ ~