Stellig

Eer­der deze week las ik bij Jacob Jan Voer­man dat hij voort­aan wat stel­li­ger gaat zijn. Dat is zijn goed recht. En wan­neer hij denkt daar baat bij te heb­ben, dan moet hij dit zeker doen. Zelf vind ik het wel jam­mer. Ik hoor lie­ver de nuan­ce, de twij­fel, dan de met vol­le over­tui­ging uit­ge­spro­ken eigen mening. Niet dat ik twij­fel aan de oprecht­heid van menig mening, maar eer­der van­we­ge het tege­lij­ker­tijd dicht­slaan van de toe­gangs­deur tot een moge­lijk vrucht­ba­re dis­cus­sie. Vrucht­baar in de zin dat er tijd uit­ge­trok­ken wordt om naar elkaars stand­pun­ten te luis­te­ren. En ook vrucht­baar in de zin dat er ruim­te is om de eigen opvat­tin­gen nog eens nader te bezien, nu aan­ge­vuld met de ken­nis van de ander. Mis­schien dat er iets nieuws uit kan groei­en. Een nog steeds eigen mening, maar een­tje die ‘vol­ler van smaak’ is, ‘bre­der van diep­gang’.

De afge­lo­pen maan­den heb ik voor­al door wat beslom­me­rin­gen in de medi­sche wereld gezien hoe mak­ke­lijk het ene stel­li­ge medi­sche advies bin­nen lut­te­le tijd opge­volgd werd door een bij­na haaks er op staand ander stel­lig medisch advies. Niet zel­den door één en dezelf­de hoog opge­lei­de arts gebracht. Natuur­lijk, zolang het niet dui­de­lijk is waar een pati­ënt last van heeft is het moei­lijk een dia­gno­se te stel­len. Maar zeg dat dan. En doe niet als­of het naar aan­lei­ding van een of ande­re test in de och­tend hele­maal dui­de­lijk is, om later op de dag met de resul­ta­ten van een vol­gen­de test te bewe­ren dat deze keer het plaat­je hel­der is. Hel­der, maar wel com­pleet anders dan wat eer­der nog met veel stel­lig­heid beweerd werd.

Zou het voort­ko­men uit een vorm van tun­nel­vi­sie? Dat men op basis van een een­maal gepo­neer­de dia­gno­se auto­ma­tisch alle ver­schijn­se­len in eer­ste instan­tie pro­beert in te pas­sen in het patroon van symp­to­nen wat bij die dia­gno­se pas­send is. En dat men dit doet met de auto­ri­teit die bij het vak hoort. Of om de pati­ënt niet onno­dig in onze­ker­heid te hou­den ter­wijl het onder­zoek nog in vol­le gang is? Als­of die pati­ënt niet juist door alle dras­ti­sche koers­wij­zi­gin­gen in zijn behan­de­ling danig van slag kan raken. Zelfs het ver­trou­wen in de medi­sche bege­lei­ding gelei­de­lijk aan kan ver­lie­zen.

Mijn vader, wiens erva­rin­gen ik voor een gedeel­te heb mee­ge­no­men, kijkt niet op tegen auto­ri­teit. Wat hij wel belang­rijk vindt is ken­nis van zaken en door­tas­tend­heid. Maar die twee die­nen in balans te zijn. Heeft men nog te wei­nig ken­nis ver­za­meld om door­tas­tend te kun­nen zijn, dan moet eerst aan meer ken­nis gewerkt wor­den. Denkt men dat tijd ont­breekt om alles op het gemak uit te zoe­ken, dan dient men door­tas­tend te zijn met de ken­nis die men op dat moment tot de beschik­king heeft. Zaak is het dan om een juis­te risi­co ana­ly­se te ver­rich­ten. En te accep­te­ren dat men het kan mis­heb­ben. Wees daar open in. Ver­hul niet met onge­fun­deer­de door­tas­tend­heid dat men nog niet pre­cies weet wat er loos is. De pati­ënt is mens van vlees en bloed, geen proef­ko­nijn (en zelfs die zijn van vlees en bloed, mocht daar twij­fel over bestaan).

Wan­neer ik de hui­di­ge poli­tie­ke cam­pag­nes in aan­loop naar de ver­kie­zin­gen van 12 sep­tem­ber volg, dan zie ik daar iets ver­ge­lijk­baars. De mees­te lijst­trek­kers zijn ook hier stel­lig in hun eigen par­tij­po­li­tie­ke oplos­sin­gen voor bij­voor­beeld de hui­di­ge cri­sis. Of weten pre­cies waar het bij hun tegen­stan­ders aan ont­breekt om con­struc­tief te zijn voor Neder­land indien zij aan de macht zou­den komen. Je zou kun­nen den­ken dat met zoveel ken­nis en daad­kracht de cri­sis allang zou zijn opge­lost. Wat zeg ik, nooit in Neder­land voet aan de grond zou heb­ben gekre­gen. Toch zit­ten wij net zo diep in de malai­se gelijk het gros van de Euro­pe­se lan­den.

De hui­di­ge cri­sis is de pati­ënt die gene­zen moet wor­den, en de mees­te par­tij­en zit­ten gevan­gen in hun eigen ide­o­lo­gie (ofte­wel tun­nel­vi­sie) wel­ke hen het zicht kan ont­ne­men op een juis­te dia­gno­se. Het blijft beperkt tot ‘geef mij alle macht en dan maak ik aan al uw pro­ble­men een ein­de’. Zon­der garan­tie op suc­ces. Of erger nog, zon­der dat men op wel­ke wij­ze dan ook kan aan­to­nen dat de eigen gepro­pa­geer­de oplos­sing daad­wer­ke­lijk het won­der­mid­del is waar wij alle­maal zo naar smach­ten.

Doch zien wij eni­ge twij­fel? Wordt ons ver­teld door onze poten­ti­ë­le lei­ders van 13 sep­tem­ber a.s. dat zij mis­schien ergens ook wel weten dat het alle­maal voor een groot deel hoop en geluk is waar zij hun gebak­ken lucht­kas­te­len op gebouwd heb­ben? Nee, zel­den of nooit wor­den wij mee­ge­no­men naar de zwak­ke plek­ken in het par­tij­po­li­tie­ke pro­gram­ma waar men met wei­nig kracht een die­pe scheur kan trek­ken in het aftand­se plak­band wat alles bij elkaar tracht te hou­den. Lie­ver wor­den wij aan het lachen gebracht door humo­ris­ti­sche one-liners tij­dens de diver­se debat­ten die ver­der ook niets toe­voe­gen aan de reeds vele malen gedeel­de opvat­tin­gen. Denkt men. Hoopt men.

Laat ik hier maar zeg­gen dat ik daar niet lan­ger van gediend ben. Geef mij de poli­ti­cus die het ook alle­maal niet weet. Die dui­de­lijk aan­geeft tot hoe­ver de ken­nis van de cri­sis gaat en waar de spe­cu­la­tie met betrek­king tot even­tu­e­le oplos­sin­gen begint. Daar kan ik vre­de mee heb­ben en begrip voor opbren­gen. Of dat ons uit de cri­sis haalt? Ik vraag het me af. Ech­ter het her­bergt niet de zoveel­ste des­il­lu­sie in zich, die bij alle hui­di­ge par­tij­po­li­tie­ke oplos­sin­gen wel op de loer ligt. Die gaan er alleen maar van uit dat het alle­maal goed­komt. En dat zie ik nog niet zo gauw gebeu­ren. Onge­acht wie er na de ver­kie­zin­gen aan het lang­ste eind trekt.

Maar ja, ik heb er dan ook geen ver­stand van. Zoveel durf ik nog wel met eni­ge stel­lig­heid te bewe­ren.

~ ~ ~

Keerpunt

Nog dezelf­de dag dat David ver­nam dat zijn voor­ma­li­ge au-pair was over­le­den wurg­de hij ’s avonds zijn kat.

Zo begint het kor­te ver­haal ‘De regels van het spel’. Wat volgt is een beschrij­ving van een man die zich bevrijd voelt van de kete­nen uit het ver­le­den en daar­door besluit het roer radi­caal om te gooi­en. Met ver­strek­ken­de gevol­gen die niet alleen beperkt blij­ven tot de kat.

Het is een ope­nings­zin, ver­ge­lijk­baar met:

Als altijd keek Wil­fred eerst naar het tafel­kleed.

of:

Ren­nen!

en wel omdat het hier bij alle drie de start bete­kent van een in druk­vorm ver­sche­nen kort ver­haal van mijn hand.
Moch­ten eer­der al ‘Run, rab­bit. Run!’ en ‘Ome Cor’ opge­no­men wor­den in res­pec­tie­ve­lijk de bun­dels ‘Adre­na­li­ne’ en ’30 Open­ba­rin­gen’, deze keer gaat het om de nieuw te ver­schij­nen bun­del ‘Keer­punt’.

Voor deze bun­del zijn alle door de jury goed­ge­keur­de ver­ha­len inmid­dels gere­di­geerd en aan­ge­past, de boek­lay­out uit­ge­ko­zen en de inhouds­op­ga­ve opge­steld. Ergens eind okto­ber, begin novem­ber zal het boek dan komen te ver­schij­nen bij uit­ge­ve­rij Let­ter­Rijn.

Voor wie nieuws­gie­rig is gewor­den naar deze nieu­we bun­del met ver­ha­len van diver­se auteurs rond­om het the­ma ‘keer­punt’ raad ik aan om regel­ma­tig mijn blog te blij­ven bezoe­ken. Zodra er meer nieuws is met betrek­king tot datum van publi­ca­tie en/of boek­pre­sen­ta­tie zal ik het hier mel­den. Want wie weet ga ik weer eens een poging wagen om een eigen ver­tel­ling publie­ke­lijk voor te dra­gen. Dat schijn je niet te mogen mis­sen.

Ten over­vloe­de ver­meld ik hier nog dat de twee eer­der ver­sche­nen bun­dels nog gewoon te bestel­len zijn. Stuur een email naar peterpellenaars@me.com en een gesig­neerd exem­plaar komt uw kant uit voor de schap­pe­lij­ke prijs van 10,- euro (exclu­sief ver­zend­kos­ten) per stuk.

~ ~ ~

Aanval

Toen van­och­tend de eer­ste reac­ties bin­nen­drup­pel­den op mijn om aan­dacht­vra­gen­de pijntweet, was de reac­tie van Jacob Jan er een­tje die per­fect aan­sloot bij mijn eigen gevoe­lens eer­der die nacht.

Zijn opmer­king refe­reert naar mijn blog van afge­lo­pen zon­dag waar ik blijk geef van een zoveel­ste poging om samen met mijn in spor­tief opzicht nog­al ver­waar­loos­de lichaam wat meer acti­vi­tei­ten te ont­plooi­en. Het blog was geschre­ven in de stijl van een her­nieuw­de ken­nis­ma­king met een oude gelief­de.

Deze och­tend vroeg ik me af of de lief­de niet teveel van één kant komt. De geest wil wel, maar wil het lichaam nog wel? Of is het gewoon­weg de leef­tijd? Wat zegt het dat ter­wijl ik dit schrijf con­ti­nu het deun­tje van ‘Je wordt ouder papa’ van Peter Koe­le­wijn door mijn hoofd speelt?

Voor­als­nog plaats ik deze acu­te nier­steen­aan­val onder de rubriek ‘Kan gebeu­ren’, maar tege­lij­ker­tijd moet ik erken­nen dat het aan­tal gebeur­te­nis­sen het afge­lo­pen jaar, deze rubriek toch wel tot een popu­lai­re maakt. En dat stemt tot naden­ken.

Helaas gaat dat laat­ste op dit moment niet hele­maal vlot­jes. Voor­als­nog plaats ik dit gege­ven onder de rubriek ‘Bij­wer­kin­gen van medi­ca­tie’, want een direc­te con­nec­tie maken v.w.b. mijn denk­pro­ces met een vroeg intre­den­de demen­tie of Alz­hei­mer gaat me toch iets te ver.

Mijn niet hele­maal hel­der van geest zijn zie ik aldus als een direct resul­taat van de gebruik­te medi­cij­nen die ik van­af van­nacht ben gaan inne­men. Aller­eerst 2x para­ce­ta­mol rond mid­der­nacht. Ruim een uur later een eer­ste zet­pil bij de huis­art­sen­post waar we toch maar naar toe zijn gegaan toen de pijn niet meer te har­den was. We had­den ook niet echt een idee wat er aan de hand was. Het scheel­de niet veel of ik was in een soort van hyper­ven­ti­la­tie gescho­ten. Het klam­me zweet droop uit m’n porie­ën en gaan­de­weg gin­gen mijn armen steeds hef­ti­ger tril­len. Op mijn benen kon ik al bij­na niet meer staan.

Wel nog even­tjes snel een scho­ne onder­broek voor­dat we naar de dok­ter ver­trok­ken. Want je weet maar nooit of je in het zie­ken­huis terecht­komt. En dan wil je er wel een beet­je net­jes bij lopen. Dat zei mijn moe­der vroe­ger al, en ik las het onlangs ook nog bij Char­lot­te Roche. Om maar aan te geven dat ik niet de eni­ge ben die dat van huis uit heeft mee­ge­kre­gen.

Inmid­dels ben ik van­daag over­ge­gaan op zwaar­de­re pijn­stil­lers die ik 3 tot 5 maal daags moet inne­nem. Nu ben ik niet zo’n pil­len­slik­ker (of ‑zet­ter in dit geval) en zelfs van een sim­pe­le para­ce­ta­mol kan ik al flink van slag raken. Zo was ik al met­een de weg kwijt toen ik deze mid­dag een tele­foon­tje kreeg van mijn vader die mij beter­schap wens­te. Beter­schap? Voor mij? Maar hij ligt toch in het zie­ken­huis!?

Het gaan dus inte­res­san­te dagen wor­den. Ik ver­wacht geen hal­lu­ci­na­ties, maar af en toe een vreem­de asso­ci­a­tie of intri­ge­ren­de (dag)droom daar teken ik voor. Wat mis­schien nog een leuk blog kan ople­ve­ren.

En als een ande­re bij­wer­king zou zijn dat het nier­gruis onder­tus­sen pijn­loos wordt afge­voerd dan ben ik hele­maal een blij mens.

~ ~ ~

Geloof

“Alle hoop komt van boven”, zei hij van­af zijn zie­ken­huis­bed.

~ ~ ~

Een foto­blog in het kader van #PHOT (Pho­to on Tues­day).
Heb jij een foto voor dins­dag en een blog, doe mee en zet je link in de reac­tie­box bij Karin Rama­ker uit wiens cre­a­tie­ve koker deze opdracht komt.

~ ~ ~

Verliefd

Het zal ergens mid­den jaren ’90 zijn geweest dat we, zon­der het echt hard­op uit te spre­ken, min­der in elkaar gin­gen inves­te­ren. Althans, ik van mijn kant, deed er geen moei­te meer voor. Ik was van mening dat dat wel kon. Dat je een tijd­je ego­ïs­tisch kon zijn, om daar­na, wan­neer je er weer aan toe was, de draad kon oppak­ken. Als­of er niets aan de hand was. Als­of de klok voor al het ande­re, spe­ci­aal voor jou, even­tjes was blij­ven stil­staan.

Hoe ver­keerd gedacht! Toen ik toe­na­de­ring zocht was het al te laat. Er was hele­maal niet op mij gewacht. Het leven was door­ge­gaan ook zon­der mij. En ik, ik moest accep­te­ren dat die hech­te band die wij ooit had­den gehad, ver­lo­ren was gegaan. Ver­dwe­nen in de tijd. Wat over­bleef was schu­ren­de heim­wee naar een voor altijd onbe­reik­ba­re peri­o­de waar­in wij alles samen deden. In per­fec­te har­mo­nie. Onvoor­stel­baar dat ik dat zo mak­ke­lijk uit han­den had gege­ven.

Natuur­lijk, we zoch­ten elkaar nog wel eens op of kwa­men elkaar soms min of meer toe­val­lig tegen, maar dan bleek al snel dat de klik er niet meer was. Zoals vroe­ger, dat bleek niet zomaar weer op te roe­pen. Het ‘dream­team’ dat wij vorm­den was niet meer. Hoe we op zul­ke momen­ten soms ook tegen beter weten in ons best deden. De her­in­ne­ring leven­dig, maar de poging tot her­le­ving pover.

In zijn roman ‘Onwe­tend­heid’, beschrijft Milan Kun­de­ra de teloor­gang van een eer­ste lief­de als volgt:

Ze ziet een jon­ge­man die zich uit haar leven los­maakt en weg­gaat, voor­goed onbe­reik­baar. Gehyp­no­ti­seerd kan ze haar blik niet afwen­den van dat stuk van haar leven dat zich ver­wij­dert, ze kan haar blik niet afwen­den en lijdt. Ze maakt ken­nis met een geheel nieu­we gewaar­wor­ding, die nos­tal­gie heet.
Die gewaar­wor­ding, dat onbe­dwing­ba­re ver­lan­gen om terug te keren, con­fron­teert haar in één keer met het bestaan van het ver­le­den, de macht van het ver­le­den, van háár ver­le­den; in het huis van haar leven zijn ramen ver­sche­nen, ramen die naar ach­te­ren zijn gericht, naar wat ze heeft mee­ge­maakt; van­af nu zal haar bestaan niet meer denk­baar zijn zon­der die ramen.
[p.54–55]

Zo gle­den de jaren voor­bij. En ik denk dat we ons­zelf er al onbe­wust mee had­den ver­zoend dat het hoog­te­punt in onze rela­tie ver ach­ter ons lag. Terug­blik­kend zag het er zeker prach­tig uit, maar helaas had­den we er op het moment zelf niet veel van geno­ten. We had­den er niet vol­doen­de oog voor gehad. Alles was als van­zelf gegaan. Zon­der noe­mens­waar­di­ge inspan­ning. Waar­door je niet beseft hoe bij­zon­der dat dat was. Er had ook zeker veel meer inge­ze­ten. Als we er har­der voor had­den gewerkt toen het wat moei­za­mer ging. In plaats daar­van was ik sim­pel­weg weg­ge­lo­pen.

Tot­dat we elkaar enke­le jaren gele­den opnieuw tegen­kwa­men. Dit­maal sloeg de vonk met­een over toen we elkaar in de ogen keken. Onmid­del­lijk was daar het idee dat we oude tij­den kon­den doen her­le­ven. Zelfs nadat we een hele mid­dag met elkaar waren opge­trok­ken leek het anders dan vori­ge keren. We gin­gen ervoor. Eerst nog in het geniep. Hui­ve­rig als we waren dat bij een even­tu­eel nieuw déba­cle we de schaam­te niet kon­den ver­dra­gen om publie­ke­lijk een zoveel­ste keer te beken­nen dat we blijk­baar niet voor elkaar bestemd waren. Later durf­den we er in klei­ne kring voor uit te komen dat we het weer eens seri­eus gin­gen pro­be­ren. Niet al te seri­eus. Maar toch.

Maar toch. Maar toch was het het net niet. We voel­den elkaar niet meer blin­de­lings aan. De van­zelf­spre­kend­heid waar­mee we vroe­ger alles deden kwam niet terug. De rol­ver­de­ling klop­te niet meer.  Er sloop erger­nis in onze bro­ze rela­tie en we gin­gen elkaar over en weer van alles ver­wij­ten. In een laat­ste ultie­me poging om te red­den wat er te red­den viel, gaf ik ruim een maand gele­den alles wat ik in mij had. Om te laten zien dat ik het nog kon. Om te laten zien dat ik tot het uiter­ste wil­de gaan. Om te laten zien dat ik kos­te wat kost het deze keer niet wil­de laten kapot gaan. Maar kapot ging het. En hoe.

Hui­lend van pijn en frus­tra­tie lag ik ’s avonds in bed. Alles en ieder­een ver­vloe­kend. Waar­om toch? Waar­om kan het nooit meer zijn zoals het ooit was? De oneer­lijk­heid! En ik dacht dat alles nu defi­ni­tief ver­lo­ren was. Dat ik meer ver­nield had dan me lief was. Geluk­kig viel dat mee. Mijn onbe­suis­de actie had wel­is­waar veel pijn gedaan, maar het was niet tot een breuk geko­men. De afge­lo­pen weken zijn we met elkaar in con­tact geble­ven. We heb­ben veel gepraat over wat er nu pre­cies voor­ge­val­len was en waar­om ik had gedaan wat ik dacht wat nodig was.

Van­daag zijn we een stuk­je gaan lopen. Onder­weg heb­ben we afge­spro­ken dat we nog meer moe­ten com­mu­ni­ce­ren. Nog meer naar elkaar moe­ten luis­te­ren. Het is ondoen­lijk om te ver­wach­ten dat de een wel zal begrij­pen wat de ander voelt zon­der dit expli­ciet aan te geven. Mis­schien dat dit vroe­ger ooit kon, maar we moe­ten accep­te­ren dat we nu in ande­re tij­den leven. Onze rela­tie zal een nieu­we zijn. Niet een ver­leng­stuk van de geï­de­a­li­seer­de vroe­ge­re. Dat is een prach­ti­ge her­in­ne­ring die we mogen koes­te­ren. Meer niet.

En nu zit­ten we ver­moeid maar vol­daan te genie­ten van een super­zoet ener­gie­drank­je. We proos­ten op het gedeel­de geloof in een mooie lan­ge toe­komst die we nog voor de boeg heb­ben. Een­tje met nieu­we spor­tie­ve hoog­te­pun­ten als het aan ons ligt.
Want we zijn weer samen. Mijn lichaam en ik.

~ ~ ~

Gebruikt citaat komt uit:
Onwe­tend­heid, door Milan Kun­de­ra 

~ ~ ~