De bittere smaak van troost

Deze blogpost is deel 5 van 14 in de serie De Reünie - Fictie

Halverwege de herdenkingsdienst voor Gio ben ik stilletjes opgestaan en heb de kerk verlaten. De aanblik van een hysterische juf Carla was teveel.
Er waren een aantal mensen die me verstoord aankeken. Voornamelijk ouders van leerlingen. Anderen keken me zelfs beschuldigend aan. In dit geval merendeels leerlingen. Maar dat kon me niet schelen.
Moest ik soms uitleggen dat mijn broer zichzelf niet expres voor de auto had gegooid? Dat punt was ik al voorbij. Ik hield het gewoon niet meer uit in die afgeladen ruimte.

Het leek wel of alle leerlingen die ooit op onze school hadden gezeten van heinde en ver gekomen waren om de overleden gymleraar de laatste eer te bewijzen. Had het te maken met zijn populariteit of dat het de eerste keer sinds tijden was dat een leerkracht door een ongeluk om het leven was gekomen?
Hoe het ook zij, de emotionele taferelen die zich in het kerkgebouw afspeelden stonden in schril contrast tot de aandacht die mijn broer in het ziekenhuis kreeg.

Hier geen hordes huilende jonge meisjes bij zijn bed. Of jongens die stoer probeerden hun tranen binnen te houden. Terwijl toch ook bij hem al snel duidelijk was dat hij het leven gegeven had bij dit ongeluk. Het zou alleen nog enkele jaren duren voordat hij zich daarbij kon neerleggen.
Nee, mijn broer moest het doen zonder al deze belangstelling. Hij lag eenzaam op zijn ziekenkamer.
Vader was niet in staat te komen want had zich voor de verandering zowat bewusteloos gezopen. En moeder moest voorlopig ook bed houden. In shocktoestand geraakt de ochtend dat de politie het treurige nieuws kwam brengen.

Dus viel de zware taak op mijn smalle schouders om gedurende die eerste kritieke dagen een permanente wake aan mijn broers’ bed te houden. Ik smeekte god en iedereen dat hij het zou overleven en vervloekte degene die dit ongeluk veroorzaakt had.

Dat het onze gymleraar Gio was die achter het stuur gezeten mijn broer omver gereden had, hoorde ik pas later. Echter tijdig genoeg om te overwegen of ik naar de herdenkingsdienst zou gaan.
‘Waarom zou ik?’, was mijn eerste reactie.
‘Om er even tussenuit te kunnen na enkele doorwaakte nachten’, zeiden de verpleegsters in het ziekenhuis.
Min of meer gedwongen verliet ik voor het eerst sinds tijden het ziekenhuis om thuis te gaan douchen en frisse kleren aan te trekken.

Buiten werd ik overvallen door het felle licht. Alles duizelde me. De zon straalde. Huizen hadden hun ramen opengegooid. Vogels huppelden door de lucht. Met volle teugen inhaleerde ik de energierijke lucht over de longen. Het deed mijn fiets voortrazen over hetzelfde asfalt welke mijn broer zulk een klap in het gezicht had gegeven. Eén gelukzalig moment was ik vrij van alles.

Totdat ik ons huis zag.

Het leek duisternis uit te ademen. Alle gordijnen waren dicht. Zonnestralen werden niet weerkaatst, maar geabsorbeerd.

Ik parkeerde de fiets tegen het raamkozijn en ging naar binnen.
Op de deurmat lag voor enkele dagen post. Ik maakte een stapeltje wat ik op het kastje in de hal legde.
In de keuken zag ik vader. Gekleed in slechts een ruimzittende ooit witte onderbroek en bijpassend vlekkerig hemd zat hij als vanouds aan de keukentafel. Grijs borsthaar krioelde over de rand van zijn hemd. Tot spleetjes dichtgeknepen ogen in een ongeschoren gezicht. Een plakkerige lok haar hing in zijn nek. In betere tijden werd dit naar voren gekamd om kaalslag op zijn voorhoofd te verbergen.

Tegen beter weten in.

“Goeiemorgen pa. Goed geslapen?”
“Kan ’t jou wat schelen?”
“Waar is ma? Nog in bed?”
“Wat dacht je zelf? Wijsneus.”
“In het ziekenhuis is alles rustig en hetzelfde. Daarom dacht ik straks even…”
“Joh, lul niet zoveel en pak ’n pilsje voor me. Ik krijg koppijn van dat gezeur van jou.”
“Ja pa.”

Op de overloop keek ik naar binnen bij de slaapkamer van mijn ouders. Moeder was nog in diepe rust of verdoving van de slaapmiddelen. Haar ademhaling poogde piepend en zwoegend een uitweg te vinden uit de verzuurde atmosfeer die in de kamer hing. Het beeld van opzij geschoven dekens en omhoog getrokken nachtjapon was voldoende om snel te keren. Ik liet de deur op een kier staan.

De korte euforie van die mooie ochtend was allang verdwenen. De smerige stank van ons treurige gezinsleven kreeg ik zelfs na een uur douchen niet weg.

Eenmaal buiten de kerk ging ik op een bankje zitten. Spijt overviel me dat ik was gegaan. Al die mensen die bijeen waren gekomen om de laatste eer te bewijzen aan iemand die verantwoordelijk was voor het feit dat mijn broer in het ziekenhuis lag. En dan ook nog die verwijtende blikken. Alsof mijn broer. Alsof ik.
Ik werd alsmaar kwader en kwader daar op dat bankje.
Plotsklaps het besef dat ik wraak wilde nemen maar niet kon. De dader was overleden. Ons toch al ontspoorde gezin in verdere staat van ontreddering achtergelaten. De genadeklap gegeven.
Tranen van frustratie sprongen in mijn ogen.

“Volgens mij kun jij wel wat troost gebruiken”.
Een arm werd om mij heen geslagen.
Ik keek opzij, in de bloeddoorlopen ogen van Van der Kwaak.

Ook dit keer was een uur douchen later die dag niet voldoende om de bittere smaak van troost uit mijn mond te spoelen.

En zo sta ik dan te wachten totdat Enzo zijn telefoongesprek gaat beëindigen.
Enzo, die dus de broer van Gio is.
Gio, oftewel de onheilsbrenger in ons gezin.
Gio, die dood is.
Gio, die deze avond nog tegen mij zei: “Ik zat niet achter het stuur. Doe mijn broer geen pijn, zoals ook ik jouw broer geen pijn heb willen doen.”

Waarom zou ik?

~ ~ ~

Geschreven voor De Reünie

Voor de volledigheid:
Ik is niet Peter.
Hans is Ik.
Fictief is Hans.

~ ~ ~

Dans met mij

Deze blogpost is deel 4 van 14 in de serie De Reünie - Fictie

Met de uitnodiging voor de reünie loop ik naar mijn boekenkast. Een speciale plek is gereserveerd voor de boeken van Mikado. Ik pak een willekeurig exemplaar en open het bij de eerste pagina. In een gracieus handschrift staat er geschreven:
“Ik heb je gevonden
Nu jij mij nog
Mikado”

Het is hetzelfde handschrift als van de uitnodiging. Alsof ik nog bevestiging nodig had.

Ik wist allang dat ik Karin teruggevonden had.
Op die mooie dag.

Wandelend door de binnenstad voelde ik zoals wel vaker alsof ik gadegeslagen werd. Karin was me altijd bijgebleven en heel af en toe had ik me wel eens omgedraaid, me afvragend wat ik zou doen als ik haar dan zou zien staan. Deze keer was het gevoel intenser dan anders. Een warme gloed trok door mijn rug. Aarzelend bleef ik stilstaan. Besmuikt keek ik om me heen.
Niemand te zien.
Tot ik in de etalage van een boekwinkel het logo van Mikado zag. Ik herkende het onmiddellijk van haar schetsboeken.
Ik had Karin gevonden! Of zij mij?

Sindsdien ben ik haar blijven volgen en lezen. Ik kocht haar boeken en vroeg aan willekeurige voorbijgangers om die te laten signeren wanneer zij ergens een signeersessie gaf.
En van een opdracht te laten voorzien. Altijd dezelfde.

Toenadering zocht ik niet. Daar was ik nog niet aan toe. De schaamte voor mijn harteloze daad was te groot.

Toen de uitnodiging voor de reünie arriveerde, wist ik dat het tijd was.

En nu sta ik dan voor het schoolgebouw uit mijn jeugd. De meesten zijn al naar binnen. De deur staat op een kier. Ik weet dat teruggaan in de tijd niet mogelijk is. Wel dat ik iets kan herstellen wat lange tijd onmogelijk leek.

Ik haal diep adem, duw de deur open en loop naar binnen.

Eenmaal in de aula word ik overweldigd door de grote hoeveelheid mensen. Ik besluit aan de bar te gaan zitten om wat overzicht te krijgen. De eerste persoon die ik herken is de docente Nederlands, juf Carla. Ze staat te praten met een man die ik pas met veel moeite herken als meester Michel.
Een stukje verder aan de bar zit Linda. Ze is in gesprek met Frank. Ik wil ik me bij hen aansluiten maar de gelegenheid gaat voorbij als ze beiden opstaan en weglopen. Linda richting Angus. Verbazend hoe de namen en gezichten als vanzelf blijven komen. Ik dacht ze zo diep weggestopt te hebben.

Eerder dan dat ik haar zie, voel ik de aanwezigheid van Karin.

Ik kijk rond en zie haar voordat zij mij ziet. Een elegante verschijning die zelfbewust in de mensenmenigte staat. Ze is mooier dan ik mij durfde voorstellen. Onze blikken vangen elkaar en ik loop op haar toe. Met elke pas een verloren jaar dichterbij. Totdat we tegenover elkaar staan. Daar waar het ooit had kunnen zijn.
“Hallo Hans”
“Hallo Mikadootje”

Wanneer er iemand voorbij komt voor de drankjes, neem ik het halfvolle glas uit Karin’s hand en plaats het op het dienblad. Karin kijkt me vragend aan. Ik leg een vinger op haar lippen en gebaar richting de dansvloer. Zonder iets te zeggen draait ze zich om. Mijn ene hand leg ik op de blote huid van haar schouder, met de ander houd ik haar hand vast. Zo lopen we langs onze oud-klasgenoten zonder ze daadwerkelijk te zien. Op de dansvloer aangekomen ga ik voor haar staan en vraag of ze met mij wil dansen. Ze knikt bevestigend. Ik leg mijn hand op haar rug. Kus haar zacht op het voorhoofd. Loop niet weg.

Als we later dansen, houd ik de ogen gesloten. Haar hoofd rust lichtjes op mijn schouder. De geur van haar haar speelt door mijn neus. Mijn handen glijden over haar rug. Voelen toestemming om de aanzet van haar billen te verkennen. Ze drukt zich verder tegen mij aan. De wrijving van haar zachte warme buik vult mijn lichaam met een weldadige hitte. Het stroomt naar binnen. Ontdooit mijn hart en stijgt naar mijn hoofd. Het volgende moment stijg ik zelf op. Beter, ik ontstijg mezelf en zie ons beiden staan. Toen en nu.

Angst bekruipt hem als hij het paar van toen ziet. Schaamte om wat komen gaat. Zijn verraad.
Maar toen en nu versmelten. Dansen verder. Laten elkaar niet los.
“Het is beter zo”, zegt een stem.
Verwonderd kijkt hij opzij. Naast hem staat de gymleraar. Gio. Ze kijken elkaar aan. Kijken dan weer naar het dansende stel.
“Ik zat niet achter het stuur”, zegt Gio. “Doe mijn broer geen pijn, zoals ook ik jouw broer geen pijn heb willen doen”.
Hans kijkt op maar Gio is verdwenen.

Ik open mijn ogen en zie onze dood gewaande gymleraar een eind verder in de zaal. Nee, het is niet Gio maar Enzo. Het kwartje valt. Enzo is de broer van Gio! De man die ik altijd verantwoordelijk heb gehouden voor de dood van mijn broer, had zelf een jongere broer!

Karin maakt zich los uit onze omhelzing. Ze moet de onrust gevoeld hebben die in mijn lijf gekomen is. Ik wil haar tegenhouden wanneer ze aangeeft dat ze wil vertrekken. Maar realiseer me dat dat niet eerlijk is. Ze wil mij voor zich alleen. Onze reünie moet zuiver blijven. Daarom moet ik eerst vrede zien te krijgen met het verleden.
Ik neem haar kaartje aan. Een laatste zoen en dan loopt ze weg. Net zoals ikzelf vele jaren geleden. Maar dit is geen afscheid. Dit is een uitnodiging tot meer.

Ik besluit naar Enzo te gaan en hem aan te spreken. Voordat ik echter de kans krijg om iets te zeggen neemt Enzo zijn mobieltje in de hand voor een inkomend gesprek.
“Ja… met Enzo”, zo hoor ik hem zeggen.
Tegen mijn gewoonte in blijf ik op de achtergrond meeluisteren. Een hoop bekende namen komen voorbij. Waar gaat dit allemaal over?

~ ~ ~

Geschreven voor De Reünie

Voor de volledigheid:
Ik is niet Peter.
Hans is Ik.
Fictief is Hans.

~ ~ ~

Love needs a heart

Deze blogpost is deel 3 van 14 in de serie De Reünie - Fictie

Ik weet niet beter dan dat ik ben opgegroeid met alcohol.
De spaarzame dagen dat het ontbrak in ons huis waren de dagen dat mijn vader wel wilde toegeven dat hij een drankprobleem had. Zijn zoons waren er om dat op te lossen.

Niet zo eigenwijs als mijn oudere broer gaf mijn vader vaak aan mij de opdracht om snel nog iets bij de slijterij te halen. Zonder dat mijn moeder het mocht zien. Lukte dat, dan wachtte er altijd een beloning op mij. Soms wat geld om te kunnen flipperen. Vaker mocht ik een slokje meedrinken.

Dat het drankprobleem van mijn vader van geheel andere aard was begon pas later tot me door te dringen.
Een vaste baan had hij al jaren niet meer gehad. Hele dagen zat hij zich aan de keukentafel vol te gieten. Onderwijl alles en iedereen vervloekend die in zijn ogen schuldig was aan deze situatie.
Op het eind van zo’n dag vol frustatie zocht hij naar ontlading. Regelmatig vergreep hij zich aan onze moeder. Of gaf iemand een fikse afranseling. Gaandeweg gingen wij ons stiller door het huis bewegen.
Trek geen aandacht, was het motto want dan krijg je ook geen slaag.

De erfelijkheid van alcoholisme ontdekte ik op een mistige ochtend toen de politie aanbelde. Zij brachten het nieuws dat mijn broer in het ziekenhuis lag. Overreden door een auto.
Hij was stomdronken de weg overgestoken. Het was maar de vraag of hij het zou overleven. Wat niet gezegd kon worden van de bestuurder van de auto. Onze op school zo populaire gymleraar was niet meer.

Enkele maanden later kwam mijn broer naar huis. Geld voor verpleging hadden we niet, dus zat er niets anders op dan dat mijn ouders voor hem moesten zorgen. Wat moeder met volle overgave deed. Vader zocht de oplossing van deze nieuwe ellende nog dieper in de fles drank. Alle frustratie en agressie richtte hij vanaf nu alleen maar op mij.
Ik probeerde me nog onzichtbaarder te maken. Niet alleen thuis, maar gaandeweg overal. Het werd een overlevingsstrategie. Ik werd stille Hans.

Ergens was het dus heel normaal dat ik die fatale avond mijn leven richting wilde geven middels een fles. Drank had me gevormd tot wie ik nu was, waarom dan ook niet het vervolg er van laten afhangen? Gefascineerd volgde ik het rondwentelen van de fles.

Tot plotseling haar stem achter me klonk.
De liefste stem ooit door mij gehoord.
Van het liefste en mooiste meisje ooit door mij gezien.

Alsof ik iets strafbaars te verbergen had, zo probeerde ik het zicht op de flessen te ontnemen toen ik me omdraaide.
Ze had een verhit gezicht en haar brillenglazen waren licht beslagen. Twee diepblauwe ogen keken mij vragend aan. Enkele blonde haarslierten zaten tegen haar bezwete wangen geplakt. Ze hijgde zacht en had haar mond een klein beetje openstaan.

Ik was al jaren verliefd op haar en in gedachten kon ik haar helemaal uittekenen. Maar nog nooit had ik zo dicht bij haar gestaan en hadden wij elkaar zo doordringend aangekeken. Het feestgedruis om ons heen verdween naar de achtergrond. Alleen wij tweeën bestonden.
Plus natuurlijk die verdomde fles achter mij die bezig was z’n laatste rondjes te draaien.

“Ik verveelde me”, zo probeerde ik een draai aan de situatie te geven.
Ze deed een klein stapje naar voren, alsof ze me niet goed kon verstaan. Haar gezicht was nu bijna tegen mijn mond gedrukt. Bijna onhoorbaar zei ze, “Zullen we dan ergens anders naar toe gaan”?
Even was ik bang dat ik flauw zou vallen. Ik voelde haar hand de mijne vastpakken.
Opnieuw keek ze me aan. In niets herkende ik het verlegen meisje wat zij in de klas was. Ik zag iemand die alle schroom van zich had afgeschud en in volle bloei stond. Ze was mooier dan ik haar ooit gezien had. Ze straalde helder licht.
En zei de woorden die tot nu toe alleen in mijn dromen uitgesproken waren.

Natuurlijk had ik niet om hoeven te kijken naar waar de fles tot stilstand was gekomen.
Hoe belangrijk kon dat nog zijn, nu alles was hoe ik het altijd gewenst had?
Toch deed ik het.

De stand van de fles verraste me niet. Ik ben niet echt voor het geluk geboren.

Karin kneep in mijn hand. Ze wilde gaan. Ook voor haar kon de betovering zomaar verbroken worden. Zij wist nog niet dat het al over was.

Ik had op alle mogelijke manieren afscheid kunnen nemen van Karin. De keuze die ik maakte was de meest verraderlijke van allemaal. Waar ik het lef vandaan haalde is me nog steeds niet duidelijk. Of was het gewoon laf? In ieder geval wendde ik me langzaam af van de flessen. Zacht trok ik haar tegen me aan, omarmde haar en fluisterde dat ik ook zielsveel van haar hield.
Toen legde ik mijn hand allertederst onder haar kin. Lichtte zacht haar hoofd op en kuste haar. Even kon ik nog in haar ogen kijken voordat ze die vol overgave sloot. Ik denk dat ze al gezien had dat het voorbij was. Tegen beter weten in sloeg ze haar armen om mijn schouders.

Abrupt maakte ik me los uit onze omhelzing. Zonder haar nog een blik waardig te gunnen draaide ik me van haar weg en begon richting uitgang te lopen. Verbaasde blikken waren mijn deel. Een aantal vriendinnen van Karin liepen al haar kant uit. Het moest een troosteloos beeld zijn geweest hoe zij daar eenzaam bij die tafel vol flessen stond.

Bij de uitgang werd ik opgevangen door Enzo.
“Zo, dat was een knap staaltje dumpwerk, Hans. Dat had ik niet achter je gezocht. Nog een pilsje?”
Fijne gozer die Enzo.
Het pilsje sloeg ik met gulzige teugen achterover, dorstig naar een volgende. Tenslotte had de fles geoordeeld. Laat ‘m dan ook maar de rest van mijn leven kapot maken.

~ ~ ~

Geschreven voor De Reünie

Voor de volledigheid:
Ik is niet Peter.
Hans is Ik.
Fictief is Hans.

~ ~ ~

Roulette

Deze blogpost is deel 2 van 14 in de serie De Reünie - Fictie

Het voelt als Russische Roulette. Enkele keren kijk ik voor mijn gevoel recht in de loop van het geweer.
Wat zou het lot met mij voor hebben? Gunstig gezind te zijn? Omdat ik niet door Anouk gekust wil worden? Ach, hoe graag zou ik eens echt willen zoenen. Zelfs met Rooie Anouk.
Maar niet hier in dit fietsenhok. Met iedereen erbij. Ik zou het lachertje van de hele school worden. Alsnog. Terwijl ik er bijna weg ben.

Waarom moest ik nou zonodig mee naar het fietsenhok. Juist met de meest luidruchtige en lastigste groep leerlingen van dit examenjaar. Op zoek naar haar bij toeval mezelf aangesloten bij dit gezelschap waar ik helemaal niets mee heb.
En nu dit. Ik voel het plakkerige zweet in mijn oksels. Het kan niet anders of er zullen vlekken in het t-shirt te zien zijn.

De fles draait steeds langzamer en opnieuw komt de hals mijn richting op. Het zal de laatste keer zijn voordat hij definitief zal stilvallen.
Vóór mij, bij mij, of na mij? Ongemakkelijk kijk ik om me heen. Ik hoor sommigen cynisch ‘Hansje, Hansje, Hansje’ fluisteren.
Hoe kom ik hier weg?
Wat doe ik hier eigenlijk?

De laatste dagen op school waren erger dan voorheen. De tijd leek stil te staan, alsof het mij niet gegund was om eindelijk te kunnen verdwijnen. Aan iets nieuws te beginnen. Andere mensen. Andere omgeving.
Ik had genoeg gezien hier.
Maar toen was daar ineens het besef gekomen dat ik ook haar nooit meer zou zien.

Inwendig had ik al afscheid van haar genomen. Op school probeerde ik haar te ontlopen. Keek haar niet aan. Ging zover mogelijk van haar vandaan zitten. Natuurlijk lukte dit niet altijd.
Wanneer onze blikken elkaar toch kruisten voelde ik hoe er spontaan een rilling door mijn lijf trok. Ik wist niet hoe snel ik me weer moest afwenden. Beschaamd voor mijn rood aangelopen gezicht.
Wat me bijbleef van zulk een kort oogcontact was haar blik. Zelfs lang nadat ik weer stuurs voor me uit zat te staren.
Het verwarmde me. Het troostte me. Het maakte me week. En dat haatte ik.

Omdat het me aan mijn moeder deed denken. Die keek ook zo. Niet naar mij. Naar mijn oudere broer.

Deze avond had ze weer zo gekeken. Ik was klaar om naar het feest te gaan. Een aantal klasgenoten zouden me komen ophalen. Op de klok aan de muur zag ik dat het al ruim over de afgesproken tijd was. Niemand was op komen dagen.
“Moet je niet gaan?”, vroeg mijn vader.
Voordat ik kon antwoorden, zei mijn moeder, “Zorg je wel dat je op tijd thuis bent?”
Ze zat aan het logeerbed wat in de hoek van onze woonkamer was geplaatst. “En doe geen gekke dingen,” zei ze er zacht achteraan terwijl haar hand het hoofd van mijn broer streelde.

Zonder verder nog iets te zeggen liep ik het huis uit. Mezelf voor de zoveelste keer afvragend waarom ik elke keer weer van gedachten moest veranderen.
Waar dacht ik de daadkracht vandaan te halen die me alle voorgaande jaren ontbroken had? Misschien omdat ik haar na vanavond toch niet meer zou zien?
Het was nu of nooit! Zo sprak ik me moed in.

De hals trekt nipt aan mij voorbij. En komt tot stilstand bij Gwen! Nu zal er opnieuw een draai gegeven gaan worden en zal de nachtmerrie van vooraf beginnen.
Hoewel? Gaat Anouk echt kussen met Gwen!?
Iedereen begint te joelen en ik doe mee. Opluchting en opwinding gieren door mijn hele lichaam.

Abrupt is het spel over. Betrapt en verjaagd door de conciërge.
Verslagen druipen we af richting aula.

Waar ik haar dan toch zie. Ze danst. Net als mijn hart.

Ik neem een besluit.

Op een verlaten tafeltje staan wat flesjes bier. Vier stel ik op als een ruit. Ze krijgen elk een betekenis toegewezen. Fles nummer vijf drink ik zowat in één teug leeg. Leg ‘m in het midden en geef er een flinke draai aan.
Geen weg terug. Bonkend probeert mijn hart een uitweg naar buiten te vinden.

“Wat doe jij nou?”, klinkt plots achter mij.

~ ~ ~

Geschreven voor De Reünie

Voor de volledigheid:
Ik is niet Peter.
Hans is Ik.
Fictief is Hans.

~ ~ ~

Waarom zou ik?

Deze blogpost is deel 1 van 14 in de serie De Reünie - Fictie

“Hé, hoe laat ga jij volgende week naar het Eindexamenfeest?”
Ik schrik van de stem achter me en laat het fietssleuteltje op de grond vallen. Het stuitert een paar keer om uiteindelijk bij de voorband te blijven liggen.

Verder voorover bukkend probeer ik het sleuteltje op te pakken. De schoudertas voel ik langzaam verschuiven. Door mijn hoofd spoken allerlei gedachten. Mezelf al bijna volledig overtuigd dat ik niet naar het feest zal gaan, wordt er toch weer twijfel gezaaid om alles nog eens te heroverwegen. Wat zal ik gaan antwoorden, nu het mij eindelijk eens persoonlijk gevraagd wordt?
Zonder dat ik precies weet wat ik ga zeggen kom ik omhoog uit m’n gebogen houding en draai me om. Benieuwd naar mijn eigen reactie.
Er staat niemand achter me.

Om me heen kijkend zie ik een klasgenoot een stukje verderop lopen, richting een andere klasgenoot.
De schoudertas glijdt nu langs mijn bovenarm omlaag en valt op de grond. Er rollen wat spullen uit. Het fietssleuteltje heb ik nog steeds stevig in mijn linkerhand.
Het duurt even voordat ik besloten heb wat eerst te doen. Fiets van het slot halen of tas en spullen oprapen. Die tijd heb ik nodig om mezelf te hervinden. Te herstellen van de korte euforie met daarna de doffe dreun van de teleurstelling.

Met mijn fiets aan de hand loop ik wat later de fietsenstalling uit. Op het schoolplein blijf ik staan en kijk om me heen. De meeste leerlingen zijn vertrokken. Her en der staan nog wat kleine groepjes. Ondoordringbaar gesloten kringen. Soms voel ik me een flipperbal wanneer ik tijdens de pauze van cirkel naar cirkel beweeg maar nergens echt opgenomen wordt.
Vandaag ga ik geen nieuwe poging wagen. Waarom zou ik? Het is nog slechts een kwestie van tijd voordat ik hier weg ben. Niemand zal me missen.

Alleen nog dat eindexamenfeest.
Zou zij komen? Natuurlijk, zij wel.
Maar wat dan nog? Hoe vaak heb ik niet de kans gehad om haar aan te spreken? Iets te ondernemen? Vaak. En even zo vele keren heb ik de kans voorbij laten gaan. Waarom zou dat nu anders gaan lopen?

Bij de uitgang van het schoolplein zie ik enkele klasgenoten op de fiets vertrekken. Een moment overweeg ik om snel op de fiets te springen en me bij hen aan te sluiten. Bijna gelijktijdig vraag ik me af waarom dat een goed idee zou zijn. Ik kijk ze na hoe ze de straat uitrijden. Niemand kijkt om.

Bij het avondeten later die dag vraagt moeder hoe de schooldag verlopen is. Ik haal mijn schouders op. Ze stopt even met het eten geven aan mijn oudere broer om me aan te kunnen kijken. Zwijgend staar ik naar mijn bord.

Nog later die avond, wanneer ik in bed lig, weet ik het bijna zeker. Voor mij geen examenfeest. Er valt niet veel te vieren, dus waarom zou ik?
Ik kan maar één reden bedenken om toch te gaan.

Nu, lichtjaren later, staar ik naar de enveloppe met daarin de uitnodiging voor een reünie. Op de enveloppe staat het adres van mijn ouders. Die hebben vervolgens de uitnodiging doorgestuurd naar mij.
Met het openen van de brief, zo’n half uur geleden alweer, stroomde het verleden de huiskamer binnen. Namen, gezichten, gebeurtenissen die ik dacht vergeten te zijn, verduisteren als donkere stofdeeltjes de zonverlichte ruimte. Ik was even daar. Of was het verleden hier?
Veel van wat ik zag maakte me niet echt gelukkig.

De beslissing om naar de reünie te gaan was dan ook al bijna genomen. Waarom zou ik?
Er was echter één probleem.
Eén goede reden om toch te gaan.
De uitnodiging was geschreven door haar.

~ ~ ~

Geschreven voor De Reünie

Voor de volledigheid:
Ik is niet Peter.
Hans is Ik.
Fictief is Hans.

~ ~ ~