Echte vrouwen eten chocola

  • Fictief

Goedenavond beste kijkers.
Welkom bij ‘De aarde tolt voort’. Met vanavond Karel Cornelissen, auteur van ‘Echte vrouwen eten chocola’, het succesvolle debuut over een 42-jarige man gevangen in het web van een lovergirl.
Karel, welkom! Fijn dat je hier kunt zijn om je ontluisterende ervaringen met ons te delen.

Goedenavond.

Laten we bij het begin beginnen. Hoe ben je in contact gekomen met deze lovergirl, oftewel Miss Conté zoals je haar in het boek noemt?

Dat was ergens in april, nu zo’n vier jaar geleden. De ergste winterkou was over, en je kon weer zonder kans op longonsteking iets luchtiger gekleed de straat op. Zo heb ik …

Sorry Karel, maar ik onderbreek je even om de mensen die je boek nog niet gelezen hebben te vertellen dat je de straat op ging om onverhoeds je geslachtsdeel aan onvermoede voorbijgangsters te laten zien. Je bent, zoals dat in de volksmond heet, een potloodventer.

Ja, dat klopt.

Ben je dat nog steeds trouwens?

Uh, ik weet niet …

Maar terug naar het begin. Je kwam dus die elegante, beetje mysterieuze hooggehakte vrouw tegen (ik citeer hier uit je boek) waarvoor je je etui opende. En voor je het wist had ze je bij je leuter (excusez le mot) meegenomen. En toen?

… ? Nou, uh, zeker die eerste dagen was het geweldig moet ik bekennen. Ze nam me in haar cabrio overal mee naar toe en vroeg me op de vreemdste plekken om m’n euh potlood te ontbloten. Dat was erg wennen voor mij want normaal gesproken doe ik dat bij verrassing en …

Dan maak je je vervolgens uit de voeten. En dat was iets dat Miss Conté radicaal anders wilde. Ik begrijp uit je boek dat zij je langzaam klaarstoomde om je tekentalent met meer vrouwen te delen. Wanneer moest je voor de eerste keer uit de jas voor meer dan haar alleen?

Dat was toen ze een Tupperware party organiseerde. Ze had me vooraf gechanteerd door te dreigen m’n moeder alles te vertellen.

Ook hier onderbreek ik je weer even. Want dit zullen veel mannen niet weten. Dat die parties geen oervervelende bijeenkomsten zijn, maar dekmantels voor uiterst sexueel getinte feestjes. Daar werd je in de hal geposteerd en mochten de dames hun handschrift verbeteren telkens wanneer ze ‘naar het toilet moesten’. Werd je hier al gedwongen om ook seks met hen te hebben?

Nee, dat was pas enkele dagen later bij de Huishoudbeurs.

Ja, ook zo’n hilarische episode in je boek. Al die hitsige huisvrouwtjes die tegen betaling je tekengereedschap scherp trachten te houden. Zou je een stukje willen voorlezen?

Sorry, ik zie dat het je nogal aangrijpt. Wat erg begrijpelijk is. In onze redactievergadering hebben we dit item dan ook goed doorgesproken om het niet te ordinair te brengen. Daarvoor is het allemaal veel te integer geschreven. Trouwens is het boek via het betere handwerk tot stand gekomen? Of heb je het potlood vaarwel gezegd en de tekstverw … Waarom loop je nu weg? Karel?

~ ~ ~

Een tweede bijdrage voor de meiopdracht van Het Fantasierijk
Schrijf een verhaal van maximaal 500 woorden vanuit het perspectief van één van de onderstaande ‘personages’: kakkerlak met smetvrees; schaakstuk; glasbak; kapotte harde schijf; koningin; potloodventer; vermist knuffelbeest; persoon op het schilderij ‘de Nachtwacht’ van Rembrandt van Rijn; Prof. dr. Dorlacher; straatkrantverkoper

~ ~ ~

Eric slaat toe in Het Fantasierijk

Ik kijk tegen het achterhoofd van mijn ontvoerder. We zitten in een auto. De man achter het stuur. Ikzelf op de achterbank.
Er is iets over m’n mond geplakt. Is hij bang dat ik anders ga gillen?

De man draait zich om en kijkt me doordringend aan voordat hij zijn blik weer op de weg richt.
Begint hij nu ook nog te praten tegen mij? Ja hoor, wat een eikel. Duidelijk een steekje los. Wat je eerder bij mij zou verwachten.
Even opletten wat hij zegt.

“…dacht zeker de dans te ontspringen, of niet soms!? Maar ik zag je wel zitten in de hoek van de kamer. Tot nu toe wijst er nog geen enkel spoor naar mij, en dan zou ik nu een ooggetuige over het hoofd zien? Ik dacht het niet, mannetje. Jij gaat mooi mee, en dan zal ik eens kijken wat ik met je ga doen.”
Het zal wel. Verwacht hij nu dat ik iets terug ga zeggen? Zou ook zonder die tape over mijn mond bijzonder zijn geweest.
Breng me nu maar gewoon terug naar huis. Alsof ik iets zou verklappen. Thuis wacht iemand die me de komende tijd hard nodig zal hebben. Meer dan anders, ben ik bang.

Altijd had ik gedacht dat pijn niet iets voor ons zou zijn. Maar daarin heb ik me erg vergist. Wat heet, de pijn is ondraaglijk!
Toen de man, die zichzelf voorgesteld heeft als Eric maar ik weiger die naam te gebruiken, in mijn rechterbeen begon te zagen, dacht ik bijna flauw te vallen. Later is dat alsnog gebeurd. Niet nadat hij ook mijn linkerbeen had afgezaagd. Het beeld van al dat houtwol werd me ineens teveel.

Visioenen van magazijnen en winkelschappen. Heel even dacht ik alles gedroomd te hebben, totdat nieuwe pijnscheuten me terugbrachten in de realiteit. Terug bij de man. Terug in deze martelkamer. Ik vrees dat ik hier mijn einde zal vinden.
Nu komt hij op me af met een tang in z’n handen. Dreigend houdt hij dit instrument vlak voor mijn hoofd. Of beter, vlak voor mijn ogen.
Hij zal toch niet? Neeeeehhh!!
Aaaahhh!! Mijn oog! Auwauwauwauw.

Waar ben ik?
Waarom zie ik niets?
Wat is die brandlucht?

Ik voel geen pijn meer. Ik wil terug naar huis. Naar mijn familie.

Een vrouw zit aan tafel. Voor haar staat een mok thee. Ernaast een doosje tabletten. In de keuken is het een en al bedrijvigheid. De politie is bezig met sporenonderzoek.
Zojuist is haar man (althans wat er van hem over was) naar buiten gedragen.
Boven hoort ze haar zoontje. Die nog van niets weet.
Hoe moet ze hem vertellen waar zijn vader is gebleven?
Ze kijkt op en ziet haar kleine jongen de trap afkomen. Nog in pyjama. Hij huilt.
Zou hij al onbewust weten wat er zich heeft afgespeeld vannacht?
Beneden aangekomen slaat hij zijn armen om haar heen en drukt zich stevig tegen haar aan. Bijna onhoorbaar klinkt zijn stemmetje vanuit haar ochtendkleding: “Mamma, waar is mijn knuffel?”

~ ~ ~

Mijn bijdrage voor de meiopdracht van Het Fantasierijk
Schrijf een verhaal van maximaal 500 woorden vanuit het perspectief van één van de onderstaande ‘personages’: kakkerlak met smetvrees; schaakstuk; glasbak; kapotte harde schijf; koningin; potloodventer; vermist knuffelbeest; persoon op het schilderij ‘de Nachtwacht’ van Rembrandt van Rijn; Prof. dr. Dorlacher; straatkrantverkoper

~ ~ ~

Op safari

“Hallo meneer, kunt u mij misschien de weg naar de Oceaan vertellen?”
“Natuurlijk mevrouw. Het is alsmaar rechtdoor tot aan de waterval. Daar moet u dan naar links. Bij elkaar hooguit 50 meter. Pas wel op voor laaghangende lianen.”

De vrouw had amper tijd om mij te bedanken, voortgesleurd als zij werd door twee kleine kindertjes. Hoogstwaarschijnlijk haar kleindochters.
Ik keek haar na terwijl ze onhandig probeerde de reusachtige bladeren te ontwijken die over het pad hingen. Een felrood gekleurde vogel schoot krijsend uit de struiken en deed haar ineenkrimpen. De meisjes lachten luid. Mijn eigen kleinzoon lachte mee en riep “Pakkuh, pakkuh”.
Hij was de schildpad alweer vergeten. Het volgende avontuur diende zich nu aan: de vogeljacht! Vrolijk rende hij achter de vogel die uitdagend van tak naar tak wipte.

Het vorige avontuur hadden we zojuist achter de rug. Halverwege het grottenstelsel had Noah besloten om een zijgang in te slaan. Oma ging achter hem aan. Vanuit het donker riep ze me toe dat het pad overging in een trap. Noah riep “Allo, allo”.
Dat was het laatste wat ik van hen hoorde.

Een tijdlang bleef ik staan wachten. Er kwamen regelmatig mensen voorbij gelopen. Af en toe keek men mij aan (een man alleen met een lege buggy). Niemand ging de zijgang in waar Inge en Noah alweer een tijd geleden verdwenen waren. Ik besloot een stuk verder door te lopen om te zien of de gang daar weer op het hoofdgedeelte zou uitkomen. Na een kleine 50 meter gelopen te hebben moest ik toegeven dat dat niet het geval was. Dan maar weer terug. En weer wachten.

Om me heen hoorde ik allerlei hoge kinderstemmen door de gangen kaatsen. Echter het typische stemgeluid van Noah viel niet te ontdekken. Het wachten beu, liep ik nu ook de zijgang in. En riep zachtjes hun beider namen. Buiten mijn eigen echo kwam er geen reactie. Een stuk verder ging het pad inderdaad over in een trap. Brede uitgesleten tredes stegen niet al te steil omhoog. M’n ogen waren inmiddels iets gewend aan de donkerte, maar een scherpe bocht onttrok de eindbestemming aan het oog. Uiteindelijk eindigde de trap bij een zware metalen deur.

Fel zonlicht en een droge hitte stroomden naar binnen toen ik de deur openduwde. Verblind hield ik m’n handen voor de ogen. Achter me viel de deur in het slot. Vanaf deze kant viel hij niet meer open te maken. Ik was afgesloten van het grottenstelsel en stond nu midden in een dorre woestenij. Allerlei soorten cactussen stonden tussen de rotsen. De meesten waren in volle bloei. Nergens een spoor van Inge en Noah te bekennen. De drukkende warmte maakte me dorstig.

Moe van het avontuur nam ik een besluit. Kordaat volgde ik de bordjes en kwam uit bij de kantine. Daar zaten oma en kleinkind achter een groot glas limonade. Voor opa stond al een koud pilsje klaar. Noah zag me aankomen en riep blij: “Appah, appah!” Voordat ik kon gaan zitten was hij alweer opgestaan. Het rietje viel op de grond. Ongeduldig stond hij te wachten totdat opa en oma eindelijk hun drankje op hadden.

Later, toen we zelf ook bij de Oceaan aangekomen waren, zag ik de vrouw met haar twee kleindochters weer staan. Zij zelf was gebiologeerd door de vele soorten kleurige vissen, de kinderen hadden de rug naar het aquarium gekeerd. Enthousiast bladerden ze door het foto-album waarin alle vissen (Noah: “Vissuh! Allumaal!”) stonden afgebeeld. Om beurten probeerden ze de juiste benaming correct te doen uitspreken.
Zo had iedereen op z’n eigen manier een mooie dag in Burgers’ Zoo te Arnhem.

~ ~ ~

16 jaar na GC

“Nobody can separate us.”
“I wish that was true.”
[The great and secret show, blz. 687/688 – Clive Barker]

Anderhalve week later stonden we opnieuw aan de rand van de Grand Canyon. Ditmaal aan de zuidkant. Ik zonderde me iets af van ons groepje. Het was nog vroeg in de ochtend en er hing een lichte nevel in de canyon. Daardoor viel er niet veel te zien. Zeker niet de overkant.

Maar ik keek dwars door tijd en ruimte en zag mezelf staan aan de noordkant. Ik zag een jongeman met in z’n handen een fotocamera en atlas van Amerika. Hij was gelukkig. Hij bestudeerde de detailkaart en probeerde uit te vinden hoever en waar de overkant was. Vervolgens maakte hij een foto. Later zou hij een foto maken wanneer ze aan de andere kant gearriveerd zouden zijn.
Z’n vriendin H. kwam naast hem staan.
Hij stopte de kaart in z’n rugzak en sloeg een arm om haar heen. Even had hij het idee dat ze hiervan schrok.
“Wat was je aan het doen?”
“Oh, ik eh, ik probeer een foto van de overkant te maken.”
Verbaasd keek ze hem aan, en hij begon enthousiast z’n idee toe te lichten. Toen hij de kaart uit de rugzak tevoorschijn wilde halen, legde H. zacht haar hand op z’n arm. Nu was het zijn beurt om verbaasd op te kijken.
“Ik moet je wat vertellen.”

One moment the sun was still shining on the top of his head. The next, darkness, icy darkness, and he was plummeting through it with cobs of concrete hurtling past him on the same downward journey. […] It was the breaking of his bones and back he could hear as he fell. And fell and fell.
[The great and secret show, blz. 134 – Clive Barker]

“Waar denk je aan?”
Ik schrok op. Het was B. die naast me was komen staan. Zij was het die ons had uitgenodigd voor deze vakantie.
“Oh, ik eh, ik vroeg me af of we anderhalve week geleden vanuit hier gezien precies aan de overkant stonden.”
Uit m’n rugzak haalde ik de atlas tevoorschijn en wees aan waar we stonden. Duidelijk gemarkeerd was de plek waar H. en ik hadden gestaan. Sindsdien had ik vele uren de atlas bestudeerd op zoek naar antwoorden. Alsof die besloten zouden liggen in de reeds afgelegde weg van oost naar west.
B. legde een arm om me heen.
“Is alles wel goed met je? Je bent de laatste dagen zo stil.”
Ik keek haar aan en knikte met gespeelde overtuiging dat alles ok was.

Terwijl de rest van het groepje bij de rand bleef rondkijken, liep ik terug naar de auto. Ging op de achterbank zitten en sloeg het boek dat daar nog lag, open op een willekeurige pagina. M’n ogen begonnen te tranen.
Het was 1993. Later dat jaar zouden H. en ik daadwerkelijk uit elkaar gaan. De atlas en het boek heb ik nog steeds. Tot nu toe kon ik ze niet wegdoen. Nu wel?

~ ~ ~

Aprilopdracht 2009 Het Fantasierijk

Voorjaarsschoonmaak:
De zon wordt langzamerhand warmer, het is voorjaar, dus tijd voor de grote opruiming!
Zet twee van je allerliefste bezittingen buiten de deur. Tja, wat wordt het?
Laat je fantasie de vrije loop en beschrijf jouw voorjaarsschoonmaak in maximaal 500 woorden.

~ ~ ~

De vier seizoenen van James Brewer

  • Fictief

Herfst

Bladeren verkleuren verdorren vallen op de grond
James Brewer ook

Getroffen door een zware beroerte
Zijgt James Brewer neer

Een knik in de knieën
Zijwaartse val

Het hoofd tegen het aanrecht
Ledematen verlamd
’s Avonds gevonden

 

Winter

Sneeuwvlokken dwarrelen buitelen kleuren daken wit
James Brewer ook

Geveld door de definitieve diagnose
Zakt James Brewer neer

Nog slechts enkele dagen
In dit tranendal

Het hoofd in het kussen
Tranen met tuiten
‘s Avonds een biecht

 

Lente

Knoppen ontluiken ontspringen bloeien weer op
James Brewer ook

Vervuld met eerbied voor het goddelijke
Knielt James Brewer neer

Staan is weer mogelijk
Wandeling in de hal

Het hoofd tegen haar hoofd
Denkend aan samen
’s Avonds de spijt

 

Zomer

Mensen spelen zingen dansen leven buiten op straat
James Brewer niet

Veroordeeld voor z’n daden
Stort James Brewer neer

Zwakte in het sterfbed
Dicht klapte de val

Het hoofd op het blok
Wachtend tot de scheiding
’s Avonds voltrokken

 

~ ~ ~

Geïnspireerd door het volgende bericht:

Een 58-jarige Amerikaanse man bekende vlak voor zijn dood dat hij tientallen jaar geleden iemand had vermoord. Tot zijn grote verrassing bleef hij vervolgens leven.
James Brewer bekende op zijn ‘sterfbed’ dat hij in 1977 een man had vermoord omdat hij dacht dat die een verhouding met zijn vrouw had. Brewer werd gearresteerd, maar op borg vrijgelaten. Samen met zijn vrouw vluchtte hij naar een andere staat, waar ze onder een andere naam leefden.
Toen Brewer een beroerte kreeg en in het ziekenhuis belandde, liet hij zijn vrouw de politie bellen. “Hij wilde het opbiechten omdat hij dacht dat hij ging sterven,” vertelt zijn vrouw.
Binnenkort staat de man opnieuw voor de rechter.

dinsdag 17 maart 2009
http://www.depers.nl/opmerkelijk/293064/Stervende-man-bekent-moord-blijft-leven.html

~ ~ ~