Rattenvanger in moderne tijden — oftewel na IceSave komt DSB

  • Fictief

In het stad­huis was het warm. Over­al stond de ver­war­ming op de hoog­ste stand. Zo ook in de raads­zaal waar de vol­tal­li­ge gemeen­te­raad bij­een was geko­men. Er was slechts één agen­da­punt deze avond: de beta­ling van de rat­ten­van­ger. Want voor de twee­de keer in de geschie­de­nis van het klei­ne stad­je in Neders­ak­sen had men te maken gehad met een rat­ten­plaag. Plot­se­ling waren ze van hein­de en ver­re opge­do­ken. En ook deze keer had alleen een mys­te­ri­eu­ze rat­ten­van­ger uit­komst kun­nen bie­den.

Tegen een voor­af over­een­ge­ko­men prijs van één euro per rat, had de rat­ten­van­ger de opdracht aan­vaard en reeds de vol­gen­de dag mil­joe­nen rat­ten met zijn fluit­klan­ken regel­recht de rivier inge­lokt. Alwaar ze allen jam­mer­lijk ver­dron­ken en door het water mee­ge­voerd wer­den. En nu moest er betaald wor­den.

Bui­ten op het stad­huis­plein was het koud. Ijs­koud. Het was ten­slot­te al bij­na decem­ber en de eer­ste sneeuw al enke­le dagen gele­den geval­len. De rat­ten­van­ger liep rond­jes op het plein om zich warm te hou­den. Al enke­le uren wacht­te hij nu op z’n geld, maar nog steeds was er nie­mand uit het stad­huis naar bui­ten geko­men om hem z’n recht­ma­ti­ge beta­ling te over­han­di­gen. Wel kwa­men er steeds weer ande­re men­sen van­uit de stad naar het stad­huis en ver­dwe­nen naar bin­nen, om voor­als­nog niet weer naar bui­ten te komen.

Een eind bui­ten de stad was het druk. Hier had­den zich de rat­ten ver­za­meld die eer­der die dag mas­saal in de rivier waren gespron­gen, als schijn­baar daar­toe aan­ge­zet door de beto­ve­ren­de muziek van de rat­ten­van­ger. Ze waren onrus­tig, want al weer te lang bui­ten hun vei­li­ge en ver­trouw­de onder­ko­men diep in de inge­wan­den van de heu­vels rond­om Hame­len. Slechts spo­ra­disch kwa­men ze naar bui­ten, en dan alleen als de nood aller­hoogst was. En zover was het nu weer. Het was cri­sis. Door wan­be­leid waren ze door hun gehe­le voor­raad voed­sel en geld heen. En opnieuw moesten ze de alou­de truc met de rat­ten­van­ger uit­voe­ren. Een truc die altijd van suc­ces ver­ze­kerd was. Een­der geld of kin­de­ren was de belo­ning van het gehei­me samen­spel tus­sen de rat­ten en de rat­ten­van­ger. En bei­de kon­den ze deze keer goed gebrui­ken.

De rat­ten­van­ger keek voor de zoveel­ste keer op z’n hor­lo­ge. Ruim vier uren lie­ten ze hem nu wach­ten. Geld alleen zou al bij­na niet meer vol­doen­de com­pen­sa­tie zijn voor de tijd die ze hem hier bui­ten in de kou lie­ten door­bren­gen. Het zou hem wei­nig moei­te kos­ten om in het don­ker op zijn terug­weg rich­ting heu­vels, ergens enke­le klei­ne kin­de­ren mee te lok­ken. De gedach­te aan wat hij een­maal terug in z’n eigen grot met deze kin­de­ren zou kun­nen doen, deed de kou wat ver­dwij­nen. En de rat­ten zou­den op een mak­ke­lij­ke manier hun erg­ste hon­ger kun­nen stil­len.

Ergens hoop­te hij dat de bewo­ners van het stad­je het geld niet beschik­baar zou­den heb­ben.

De bur­ge­mees­ter had inmid­dels alle bemid­del­de stads­ge­no­ten bij zich geroe­pen om te zien of ze geza­men­lijk het ver­schul­dig­de bedrag com­pleet kon­den krij­gen. Maar tot nu toe waren ze nog niet op de helft. De wan­hoop werd gro­ter bij elke nieu­we bin­nen­ko­mer die zijn spaar­geld op de gro­te ver­ga­der­ta­fel leg­de. En ook niet in staat was om het gat te dich­ten.

Ter­wijl het angst­zweet in dun­ne straal­tjes over het voor­hoofd van de bur­ger­va­der liep, pro­beer­de de wet­hou­der van finan­ci­ën tegen beter weten in opnieuw in te log­gen op de schijn­baar geblok­keer­de spaar­re­ke­ning bij de Dirk Sche­rin­ga Bank.

~ ~ ~

Een goed jaar gele­den (novem­ber 2008) was dit één van m’n eer­ste ver­haal­blogs op Hyves. Toen­der­tijd ein­dig­de het blog met een geblok­keer­de spaar­re­ke­ning bij de Ice­Sa­ve bank, nu dus de bij DSB.

Geschre­ven onder het genot van ette­lij­ke gla­zen rode wijn.
Geïn­spi­reerd door het vol­gen­de nieuws­be­richt:

Hame­len kampt met rat­ten­plaag
18-11-2008 Door: NU.NL

(Hameln) — De Duit­se stad Hameln (Hame­len), bekend van het sprook­je van de Rat­ten­van­ger van Hame­len, kampt met een gro­te rat­ten­plaag. Dat heeft een woord­voer­der van de stad Hameln in Neders­ak­sen laten weten.
De zegs­man stel­de dat het aan­tal rat­ten in een gebied van volks­tuin­tjes aan de rand van de stad explo­sief is gegroeid. Hameln kan de die­ren niet op effec­tie­ve wij­ze bestrij­den, omdat er ondui­de­lijk­heid is over de eigen­doms­ver­hou­din­gen in het gebied.Wil je nog eens nale­zen hoe het ech­te ver­haal van de Rat­ten­van­ger ook al weer ging, neem dan hier een kijk­je. Of kijk hier op Wiki­pe­dia voor ande­re inter­pre­ta­ties.

~ ~ ~

Guardian Angel

Deze blog­post is deel 12 van 14 in de serie De Reü­nie — Fic­tie

In alle hec­tiek is het me schijn­baar ont­gaan. Pas wan­neer ik een bericht­je aan mijn vrouw wil stu­ren zie ik dat er twee nieu­we berich­ten zijn bin­nen­ge­ko­men. Het meest recen­te heeft als tekst
-Waar blij­ven jul­lie?-
Dat is te ver­wach­ten. Het ande­re bericht is dat niet.
-Pra­ten?
Zeg jij maar waar en wan­neer.
Karin-

“Is dat een bericht­je van mama?”
“Ja. Ze vraagt waar we blij­ven.”
“Die is oud. Ik heb haar al een bericht­je gestuurd dat we in het zie­ken­huis zijn.”

“Pap?”
“Ja, lie­verd?”
“Pap!”
“Wat? Oh ja, sor­ry, ver­geet ik het weer. Ik zal je geen lie­verd meer noe­men. Beloofd. Maar wel engel. Red­den­de engel. Want dat ben je.”
Ik pak haar ste­vig vast en druk een kus op haar hoofd.
“Bleh”, klinkt het aan de ande­re kant van me.

Ze was als een flits langs me heen gerend. Er had­den zich al wat men­sen om Luna ver­za­meld, ech­ter nie­mand scheen aan­stal­ten te maken om iets te doen. Tot­dat zij zich op haar knie­ën naast Luna liet val­len en begon met mond-op-mond bea­de­ming. Als­of ze in haar gehe­le acht­ja­ri­ge leven­tje nooit iets anders had gedaan.
Het haal­de me terug uit mijn apa­thi­sche toe­stand. Ik ont­deed me van mijn jas en leg­de die onder het hoofd van Luna. Ik zorg­de dat mijn doch­ter de ruim­te kreeg om te doen wat nodig was.

Eer­der had ze van­af haar posi­tie in het res­tau­rant gezien hoe ik bij­na aan­ge­re­den was. Hoe ik wan­ke­lend het trot­toir had bereikt. Niet had gezien dat de bestuur­ster ach­ter me aan was geko­men. Wat deze keer wel tot een bot­sing had geleidt. Ook deze keer was ik weer door­ge­lo­pen maar de vrouw was blij­ven staan. Om ver­vol­gens op het trot­toir in elkaar te zak­ken. Haar EHBO les­sen op school indach­tig had ze geen moment geaar­zeld.
Dit alles had ze me ver­teld toen we weer her­e­nigd waren in het zie­ken­huis.

Luna had spier­wit gezien toen de ambu­lan­ce arri­veer­de. Ze had een arm om mijn oud­ste doch­ter geklemd. Hing ver­suft tegen haar aan. Tij­dens het wach­ten raak­te ze soms toch weer bui­ten bewust­zijn. Heel af en toe begon ze zacht­jes te ijlen. Later ver­tel­de mijn doch­ter dat ze alleen maar één woord had her­haald. Het klonk als ‘Sie­ta’, ver­tel­de ze. Bij het zien van de tra­nen die con­ti­nu uit de ogen van Luna ble­ven stro­men had ze haar eigen tra­nen niet kun­nen tegen­hou­den. De woor­den­stroom van de jong­ste was voor de ver­an­de­ring eens stil­ge­val­len. Met haar duim in de mond stond ze tegen mij aan han­gend naar het tries­te schouw­spel te kij­ken.

Toen de zie­ken­broe­ders Luna op de bran­card wil­den leg­gen had­den ze haar slechts met veel moei­te weten te schei­den van mijn doch­ter. In haar half ver­doof­de toe­stand leek het of ze zich vast­klamp­te aan iets. We had­den geen idee wat haar beziel­de. Wel werd het dui­de­lijk voor mij dat het hele­maal niet goed ging met haar. Uit­ein­de­lijk werd beslo­ten dat het beter was dat mijn doch­ter mee zou rij­den in de ambu­lan­ce.

Nu zit­ten we te wach­ten tot we mogen gaan. Er moe­ten mis­schien nog wat for­mu­lie­ren inge­vuld wor­den over de pre­cie­ze toe­dracht.

“Maar wat wou je vra­gen?”
“Of het goed gaat komen met die vrouw.”
“Natuur­lijk, liev…, engel van me. Jij hebt pre­cies gedaan wat nodig was. Ze moet mis­schien nog een paar dagen hier in het zie­ken­huis blij­ven en dan mag ze naar huis. Alles komt goed met haar.
Ze heet trou­wens Luna. Ze was ook op de reü­nie. Ik ken haar van vroe­ger.”
“Loe­na? Die ken ik ook!” Zes jaar en zich over­al mee wil­len bemoei­en.

“Ja, van die dvd. Loe­na­tik! Toch?”

Opnieuw lees ik het bericht van Karin. Onder­tus­sen heb ik mijn besluit geno­men. Ik ga haar ant­woor­den en een afspraak maken. Om te ver­tel­len wat een onge­loof­lij­ke slap­pe­ling ik ben geweest om haar zo te ver­ra­den. Om op te biech­ten dat ik allang getrouwd ben. Dat ik dit nooit had mogen doen.
Maar ook om haar te ver­tel­len hoe­veel ik al die jaren na school van haar ben blij­ven hou­den. Hoe vaak ik aan haar gedacht heb. Wat voor stom­me inge­ving me gedre­ven had om haar zo in de steek te laten. En hoe ik getwij­feld heb om naar de reü­nie te gaan, weten­de dat het oude won­den zou open­rij­ten. Waar­om zou ik?
Waar­om zou ik alles opge­ven wat ik heb?

Ik kijk om me heen. Zie mijn jong­ste doch­ter met een ijs­je in de hand gezel­lig keu­ve­len met een bejaar­de pati­ënt. De man heeft één hand nodig om zijn rij­dend infuus vast te hou­den. De ande­re hand houdt hij voor zijn buik. Blijk­baar doet het lachen hem pijn.
Links van me zit mijn oud­ste doch­ter gecon­cen­treerd gebo­gen over haar mobiel­tje. Dit jaar gekre­gen voor haar ver­jaar­dag. Ver­woedt zit ze een sms te tik­ken. Haar avon­tuur van van­daag te delen met haar vrien­din­ne­tjes.
Ook ik begin aan een sms.
-Maan­dag?

Ter­wijl ik nadenk over een geschik­te plaats dwaalt mijn blik weer door de zie­ken­huis­hal. Waar ik bij de recep­tie een beken­de gestal­te ont­waar. Het is Jolan­da. Ze ziet mij nu ook. We zwaai­en naar elkaar. Het sms-je sla ik op als con­cept en loop naar haar toe. Op het aller­laat­ste moment besluit ik mijn uit­ge­sto­ken hand te gebrui­ken om haar tegen mij aan te trek­ken. Zon­der te weten waar­om houd ik haar vast. Het moet de ver­moei­de blik in haar ogen zijn geweest die me van plan deed ver­an­de­ren. In mijn armen voel ik haar tril­len. Ze is hoogst­waar­schijn­lijk dood­op van lan­ge dien­sten draai­en zon­der vol­doen­de rust. Ik vraag haar of alles goed is. Ze maakt geen aan­stal­ten om mij los te laten.
“Mama, mama!”
Over de schou­der van Jolan­da heen kijk ik naar de ingang van het zie­ken­huis. Daar komt inder­daad mijn vrouw bin­nen­ge­wan­deld.

Als we later bij­ge­praat zijn is Jolan­da allang ver­dwe­nen. Het eni­ge dat ze me in het oor fluis­ter­de voor­dat ik haar los­liet was dat het haar speet en of ik het haar niet kwa­lijk wil­de nemen. Ik was te ver­bou­we­reerd om te rea­ge­ren. Pas later dron­gen haar woor­den tot me door. Ik had geen idee wat ze ermee had bedoeld.
Ter­wijl ik mijn gezin om me heen had bleef ik haar nakij­ken ter­wijl ze naar bui­ten liep. Ze keek niet meer om.

~ ~ ~

Geschre­ven voor De Reü­nie

Voor de vol­le­dig­heid:
Ik is niet Peter.
Hans is Ik.
Fic­tief is Hans.

~ ~ ~

Love

Zwie­rend komt ze aan­ge­lo­pen. Het lijkt of ieder­een haar de ruim­te gunt die ze zich­zelf onbe­wust toe eigent door haar flad­de­ren­de stijl van bewe­gen. Men­sen stap­pen opzij, laten haar pas­se­ren en blij­ven ver­vol­gens nog een tijd lang sta­ren naar de sier­lij­ke ver­schij­ning die hen even een moment van geluk­za­lig­heid bood. Zoals de aan­blik van een eer­ste vlin­der in de len­te je alvast mee­neemt naar de geneug­ten van de zomer. En je het kil­le van de win­ter doet ver­ge­ten. Hoop, warm­te, nieuw begin.

 Met een bre­de lach op haar gezicht valt ze neer op het wan­ke­le ter­ras­stoel­tje. Ik had al iets besteld. Ter­wijl ik haar bewon­der over het kop­je kof­fie wat ik met bei­de han­den vast­heb, neem ik klei­ne slok­jes. Het bit­te­re van het hete goed­je wordt op smaak gebracht door haar zoe­te ver­schij­ning. Hon­derd­uit praat ze over het vele wat haar van­daag is over­ko­men. De woor­den die ze zan­ge­rig over het tafel­tje laat gol­ven zijn als hemel­se muziek.

Ik besef het ineens.
Hier, op dit moment, op dit ter­ras, voel ik de tota­le over­wel­di­gen­de erva­ring van ver­liefd­heid. Vaker was ik ver­liefd geweest, ook wel op het eer­ste gezicht, maar nu heeft het me te pak­ken op een manier die com­pleet nieuw voor me is. Kort­slui­ting in mijn lijf. Alleen de zin­tuig­lij­ke erva­ring van haar ver­schij­ning. Haar uit­stra­ling waar­aan ik me laaf. Ik geniet met teu­gen. Kan me al geen leven meer voor­stel­len zon­der haar. In een flash for­ward zie ik onze geza­men­lij­ke toe­komst. Als in een sprook­je. We leven nog lang en geluk­kig.

Dan staat ze op en slaat haar arm om het mid­del van haar vriend. Lachend lopen ze weg. Ik zie nog net hoe ze haar hoofd op zijn schou­der laat rus­ten voor­dat ze de hoek om gaan.

Love.

I guess it’s only meant for some of us.

Beteu­terd staar ik in het lege mor­si­ge kop­je wat voor me staat. Is dat uit­ein­de­lijk de toe­komst die voor me is weg­ge­legd? Vrij­ge­zel tegen wil en dank? Som­ber­heid over­valt me.

Als ik wil opstaan om het ter­ras te ver­la­ten zie ik dat het tafel­tje naast me inmid­dels weer is bezet. Door wel twee heel mooie dames. Voor­al de blon­de ziet er gewel­dig uit. Ze laat haar blik over het ter­ras gaan en een kort ogen­blik kijk ik in haar grij­ze ogen. Mijn hart springt op. Ril­lin­gen over mijn rug. Het duurt even voor­dat het kwart­je valt, maar dan her­ken ik haar. De lief­de van mijn leven. De wereld begint weer te kleu­ren!

~ ~ ~

Anouk — Love

It’s fun­ny how I blind myself

So I don’t have to see
You’­re taking me down
And brin­ging me to my knees
Let­ting me know I’m alo­ne

I’m not afraid to die no more
The hou­se abo­ve yeah
Oh hea­ven won’t you pick me up now

Love
All I nee­ded was love
Some­o­ne give me some lovin’
I guess it’s only meant for some of us
Oh oh yeah oh yeah yeah

Life has made me lose my mind
I’m not doin’ all­right the­se days
Lying nak­ed on my kit­chen­floor
So cold.…well I,
I thougt I had a lion’s heart
I guess I was wrong
I feel so damn lone­ly
Yeah yeah

Love
All I nee­ded was some lovin’
Could some­o­ne give me some sweet lovin’
‘Cau­se this is more than I can bare

My nights are get­ting dar­ker as time goes by
How I tried to keep the­se walls from fal­ling down
One way or ano­ther
They shut me down
They shut me down

Love
All I nee­ded was some love lord
Could some­o­ne give me some sweet love
Some sweet love yeah
I guess it’s only meant for some of us
Oh oh yeah oh oh yeah yeah love
Give me love though
Give me love lord
Love love love love love love love
Why why won’t you give me some sweet loving
Oh baby oh may­be all right all right yeah

 Love
I guess it’s only meant for some
Oh yeah yeah yeah
I guess it’s only meant for some of us

~ ~ ~

Twee over zeven

  • Fictief

Hij kijkt op zijn hor­lo­ge. Het is twee over zeven. Er drij­ven flar­den mist over het per­ron.

Wat was er mis­ge­gaan? Hij had alle han­de­lin­gen tot in den treu­re thuis door­ge­no­men. Wist zeker dat hij niets had over­ge­sla­gen. Of in fou­tie­ve volg­or­de had uit­ge­voerd.

Hij kijkt op zijn hor­lo­ge. Twee over zeven. In de ver­te hoort hij men­sen hun fiets stal­len. Auto’s wor­den gepar­keerd of stop­pen kort om een pas­sa­gier uit te laten stap­pen. De trein zal bin­nen­kort het sta­ti­on bin­nen­rij­den. Dat moet dan de trein van zes voor half acht zijn.

Alle werk­da­gen staat hij hier stipt om zeven uur te wach­ten op de trein van vier over zeven. Voor een rit­je naar Nij­me­gen. En dan ’s avonds weer terug. Niets bij­zon­ders. Tot die mooie dins­dag vele maan­den gele­den. Op die dag ver­scheen daar van­uit het niets een beval­li­ge ver­schij­ning. Hij was met­een ver­liefd.
Elke dag bleef ze trouw ver­schij­nen. Om altijd op dezelf­de plek op de trein te wach­ten. Slechts enke­le meters van hem van­daan. Waar hij als ver­steend voor zich uit blijft sta­ren. Te ver­le­gen om haar aan te kij­ken.

Hij kijkt op zijn hor­lo­ge. Twee over zeven. Een trein is gestopt. Heeft men­sen de kans gege­ven om uit en in te stap­pen. Men­sen zijn hem voor­bij gelo­pen zon­der hem een blik waar­dig te gun­nen. Zon­der hem aan te spre­ken. Wat dat betreft is er niet veel ver­an­derd.

Zo gin­gen maan­den voor­bij. Tot­dat hij ’s avonds al sur­fend op een onder­werp stuit­te wat hem niet meer los­liet. Hier­na had hij zich ver­der ver­diept in de vele the­o­rie­ën die over het onder­werp beston­den. En had naar zijn gevoel tij­dens een door­waak­te nacht plot­se­ling de sleu­tel, de for­mu­le gevon­den die het moge­lijk zou maken. Een com­bi­na­tie van occul­te ken­nis en moder­ne weten­schap. De vol­gen­de dagen had hij vrij geno­men en alle tijd gestopt in het bewer­ken van zijn hor­lo­ge en het oefe­nen van de juis­te arti­cu­la­tie.
Van­daag zou hij het toe­pas­sen. Zodat hij haar ein­de­lijk op zijn gemak vol­le­dig kon bewon­de­ren. Van top tot teen zou kun­nen opne­men. Onge­stoord. Onbe­schaamd.

Hij kijkt op zijn hor­lo­ge het is drie voor zeven. Eer­der dan nor­maal staat hij op zijn vas­te plek op het per­ron.
Zeven uur. Daar komt ze aan­ge­lo­pen.
Eén minuut over zeven. Ze staat een klei­ne twee meter van hem van­daan.
Twee over zeven. Met de ogen dicht pre­velt hij de dui­vel­se taal. Opent dan zijn ogen, kijkt op zijn hor­lo­ge en drukt tege­lij­ker­tijd de drie door hem aan­ge­brach­te knop­jes in.
Er klinkt een lui­de klik. Alleen voor hem hoor­baar.
Twee minu­ten later arri­veert de trein stipt op tijd. Ieder­een stapt in, maar hij blijft staan. Gecon­cen­treerd kij­kend naar zijn hor­lo­ge. Deze sce­ne zal zich die och­tend nog her­haal­de­lijk afspe­len.

De zon heeft inmid­dels de mist allang ver­dre­ven. Het is lek­ker warm gewor­den op het per­ron. Hij kijkt op zijn hor­lo­ge. Het is twee over zeven.
OK, het was hem gelukt de tijd stil te zet­ten. Maar hij had het zich toch anders voor­ge­steld.

~ ~ ~

Het zuigende moeras

Deze blog­post is deel 11 van 14 in de serie De Reü­nie — Fic­tie

“Pap.”


“Pap!”
“Ja, lie­verd?”
“Waar­om staan we hier zo lang stil?”

Ik kijk mijn oud­ste doch­ter aan voor­dat ik ant­woord geef.

Zolang staan we hier anders nog niet, hoor.”
“Echt wel, kijk maar!” Trots wordt er van­af de ach­ter­bank een K3 hor­lo­ge voor mijn gezicht gesto­ken. Het ben­gelt los­jes aan een te smal­le pols. “Al 15 minu­ten.”

Het is zater­dag en we heb­ben bood­schap­pen gehaald. Luid kweb­be­lend had­den mijn doch­ters door de gang­pa­den gelo­pen en mij gewe­zen op aller­lei lek­ke­re din­gen die vol­gens hen toch zeker mee­ge­no­men moesten wor­den. Ondanks dat ze niet op het brief­je gestaan had­den. “Jul­lie ver­ge­ten wel vaker iets”, had de oud­ste gezegd. Mijn vrouw was er niet bij, dus die kon ik niet om hulp vra­gen.

Tij­dens het inla­den van de vol­le tas­sen zag ik in de ver­te een beken­de gestal­te. Het was Karin.
Ik bleef gebukt ach­ter de auto staan. Wil­de ik haar niet zien? Of dat ze mij niet zag? Nu ik me een­maal onwil­le­keu­rig voor haar had ver­stopt, durf­de ik het niet meer aan om me plot­se­ling te ver­to­nen. Met klop­pend hart bleef ik haar van­ach­ter de auto bespie­den hoe ze zich door het win­ke­lend publiek bewoog. Een hel­der licht in een grij­ze mas­sa.
De afge­lo­pen dagen was het mij nog steeds niet gelukt om con­tact met haar te krij­gen. Sinds ik haar in het zie­ken­huis bij­na tegen het lijf liep heb ik haar niet meer gezien. Mijn tele­foon­tjes wor­den niet opge­no­men. Op de inge­spro­ken voi­ce mails die ik ach­ter­laat wordt niet gere­a­geerd. Het wordt me met de dag dui­de­lij­ker dat ze niets meer met te maken wil heb­ben. Ter­wijl deze afwij­zing me steeds meer naar haar doet ver­lan­gen.

Snel was ik ach­ter het stuur gekro­pen toen ik zag dat ze stil bleef staan en haar blik over het par­keer­ter­rein liet gaan. Had ze me gezien? Her­ken­de ze mijn auto? In ieder geval maak­te ze geen aan­stal­ten om mij op te zoe­ken. Mocht ze me al ont­dekt heb­ben. Ze hing haar tas over de schou­der, wierp een munt­je in het win­kel­wa­gen­tje en ver­dween de super­markt in. Mij ach­ter­la­tend met mijn gedach­ten.
En de kin­de­ren, natuur­lijk.

“Zul­len we een ham­bur­ger­tje gaan eten?” Het klinkt te vro­lijk. Te gefor­ceerd. Alleen de jong­ste trapt er in. Zet met een hoog stem­me­tje vro­lijk gejuich in.

“Wie was die vrouw?”
“Die vrouw? Wel­ke vrouw?”
“Waar je daar­net zo naar zat te sta­ren.”
“Oh, die. Iemand van vroe­ger. Van school. Ik had haar weer bij de reü­nie gezien.”
“Wat is dat? Een re… reju… een rejuunie”, mengt de ach­ter­bank zich in het gesprek.
“Waar­om ver­stop­te je je dan ach­ter de auto?”

Opeens klinkt ze bezorgd. “Pap?”
“Ja, lie­verd.”
“Drink je weer?”
“Nee hoor, schat.” Te snel. Te door­zich­tig. Voor­al met de aan­ko­pen zojuist bij de slij­te­rij gedaan als bewijs­last ach­ter in de kof­fer­bak. Lie­gen tegen mijn kin­de­ren. Hoe lang was het gele­den dat ik het voor het laatst gedaan had?
“Ga je dan weer op vakan­tie, pap?”, klinkt het vro­lijk van­af de ach­ter­bank. Het hoge stem­me­tje snijdt als een vlees­mes door mijn ziel.
“Wil je me als­je­blieft geen lie­verd of schat meer noe­men, pap. Daar ben ik nu toch echt te oud voor.” Ze laat wij­se­lijk in het mid­den of ze me gelooft.

Wan­neer ze later aan een tafel­tje van hun ham­bur­ger menu’s zit­ten te genie­ten, ga ik naar het toi­let. Op de terug­weg loop ik snel even naar de auto. Enke­le flin­ke slok­ken whis­key bren­gen me de rust waar­naar ik snak van­af het moment dat ik Karin zag. Als ik de klep dicht­doe kijk ik door het raam in de hemels­blau­we ogen van mijn oud­ste doch­ter. Dezelf­de ogen als haar moe­der. Die­zelf­de ogen die me jaren gele­den als baken had­den gediend bij een ultie­me ont­snap­pings­po­ging uit mijn alco­ho­lisch moe­ras.

Beschaamd sla ik mijn ogen neer en loop terug naar het res­tau­rant. Mijn hoofd vol excu­ses en uit­vluch­ten. Wat ga ik mijn doch­ter ver­tel­len? Wat weet ik eigen­lijk hoe­veel zij heeft mee­ge­kre­gen in al die jaren dat ik er her­haal­de­lijk niet voor hen kon zijn?
Plots getoe­ter rechts van me. Een auto op zoek naar een par­keer­plaats schept me bij­na. Ter­nau­wer­nood kan ik ‘m ont­wij­ken. Als ik omkijk begint het me te dui­ze­len. De drank is har­der geval­len dan ik had ver­wacht. Gespie­gel­de ont­wen­ning…
Wan­ke­lend her­vat ik mijn gang naar het res­tau­rant. Om tegen de eer­ste de bes­te voet­gan­ger aan te lopen. Ik besef dat mijn gemom­pel­de excu­ses gewik­keld zijn in een deken van alco­hol. Gehaast maak ik mij uit de voe­ten. Pas bij de ingang van het res­tau­rant durf ik om te kij­ken. Was het echt Luna waar ik tegen aan liep?

Het moe­ras begint weer te zui­gen en te trek­ken. Wie kan me deze keer komen red­den?

~ ~ ~

Geschre­ven voor De Reü­nie

Voor de vol­le­dig­heid:
Ik is niet Peter.
Hans is Ik.
Fic­tief is Hans.

~ ~ ~