Experimenten

Ze ziet zichzelf liggen op een witte operatietafel. Een felle lamp beschijnt haar in een laken gehulde lichaam. Een deur gaat open. Er valt donkerte naar binnen. Niet te zien is wie er naar buiten gaat. Wanneer de deur dichtvalt komt het laken tot leven. Het krijgt meer gewicht en dreigt haar te verstikken. Doodse kilte trekt in haar lijf. Alles om haar is nat. Langzaam zakt ze weg in een diepe
Om met een schok wakker te worden.

Het besef van blindheid. Eerder dan de realiteit van de blinddoek. En de handboeien.

Eric zit aan de keukentafel. De fruitschaal die midden op tafel stond, heeft hij naar zich toegetrokken. Hij twijfelt tussen een peer of een appel. Er zijn dagen dat een dilemma als dit hem tot razernij kan drijven. Niet vannacht. Als in trance maakt hij een weloverwogen keuze voor een appel. Elstars zijn tenslotte z’n lievelingsappels.
Het rijtje messen dat voor hem ligt bezorgt hem een volgende keuzemoment. Dit keer een meerkeuze vraag. Ook nu geen frustratie, maar direct het meest bloederige mes uitgezocht.
Aandachtig begint Eric te schillen. Eerder die avond is het gekozen mes daar erg geschikt voor gebleken.

Dan de woede die op komt zetten. Op zichzelf. Maar vooral op haar man. Hij had alle afspraken geschonden. De regels met voeten getreden. Dat de onderworpene de grenzen van het spel bepaalt.

Veel te lang had het geduurd voordat hij naar boven was gekomen. Al half in slaap was ze verre van opgewonden toen ze zijn handen over haar lichaam voelde gaan. De magie van eerder die avond was verdwenen. Om later teleurstelling bij haar man te voorkomen gaf ze meteen het afgesproken teken. Als reactie werd er een opgepropte nylonkous in haar mond gestopt. Furieus was ze hevig om zich heen gaan schoppen. Met een ruwheid niet gewend van hem, werden haar voeten daarop vastgeklonken aan de uiteinden van het bed.
In een uiterste poging zich los te wringen kromde ze haar rug. Een striemende slag op één van haar borsten deed haar ineenkrimpen van pijn. Ze raakte in ademnood door de prop. Haar neus werd langzaam dichtgeknepen.

Het belletje van de magnetron haalt Eric uit z’n concentratie. Verstoord kijkt hij op. Het streven om de schil van de appel als één stuk te verwijderen is vergeten. Ook waarom de magnetron aan was gezet. Had hij dat zelf gedaan? Op de tafel voor hem staat de videocamera. Ernaast ligt de hondenriem. Er hangt een weeë lucht in de keuken.
Eric spoelt de opname een stukje terug en bekijkt de laatste beelden. Daarna schakelt hij over naar ‘Record’ en opent het deurtje van de magnetron. Twee paar uitpuilende ogen kijken in de camera. Het ziet er anders uit dan Eric had ingeschat. Een leerzaam experiment. Gelukkig was er nog ruimte op de tape.

Maar toch ook op haarzelf. Vanwege het schaamteloze genot. De ervaring van het weerloos zijn was nog nooit zo totaal geweest. Overgeleverd aan haar man had haar lijf de overhand genomen. Na de verbijstering over deze ongekend harde aanpak was de lust ontwaakt. Ze had de andere borst toegekeerd en gulzig alle vernederingen ondergaan. Het moest wel als aanmoediging zijn overgekomen.

Altijd had ze het gevoel gehad dat haar man niet goed raad wist met dit aspect in hun rollenspel. Hij had ooit aangegeven dat sadisme hem niet lag.
Deze avond was daar geen sprake van geweest. Vergaande perversiteit gecombineerd met brute agressie had haar volledig uitgeput en verwoest. Alles deed haar pijn en ze verlangde naar een bad.

Daarom was ze uiteindelijk zo kwaad op hem. Want hij was zomaar in slaap gevallen. Half op haar. Half in haar. Zonder haar los te maken. Met de prop nog in haar mond. De blinddoek voor haar ogen.

Eric stopt de videocamera in de tas en maakt een laatste rondje door keuken- en woonkamer. De lampen doet hij uit. Het waxinelichtje wordt uitgeblazen. Koffiekopjes en wijnglazen zet hij in de vaatwasser. Als laatste pakt hij de sleutelbos van tafel en loopt naar de voordeur. Hij wil naar huis, heeft sinds tijden weer eens zin in zijn vrouw.

Koud en nat drukt zijn gewicht op haar naakte lijf. Het lukt haar niet om hem van zich af te schudden. Buiten haar eigen gejaagde ademhalen door de neus, is het doodstil in de kamer.

Dan hoort de vrouw dat de voordeur van het nachtslot gehaald wordt.

~ ~ ~

Een tafel vol vlinders – Tim Krabbé

Sinds tijden heb ik weer eens een boek(je) gelezen, en meteen een unicum (in mijn geval) want niet eerder las ik het Boekenweekgeschenk in het jaar van uitgave.

De aanleiding was niet anders dan dat het boekje binnen handbereik lag toen ik afgelopen weekend iets wilde lezen, maar tevens te lui was om op te staan. Er waren drie gegadigden:

  • Een tafel vol vlinders door Tim Krabbé.
  • Piep. Een kleine biologie der letteren door Midas Dekkers.
  • Het Diner door Herman Koch.

In eerste instantie nam ik Het diner, maar bedacht me dat ik slechts korte tijd had om te lezen voordat ik richting Eindhoven moest om van een ander diner te gaan genieten in een luxe VIP-box in het PSV stadion. Het boek van Koch vond ik te dik om in te beginnen.

Omdat er hierdoor alweer enkele kostbare minuten waren verspild dan maar gekozen voor het dunnere werk. Niet langer gedraald. Krabbé gekozen.

Van Tim Krabbé had ik ooit twee boeken eerder gelezen, namelijk De renner en Het gouden ei. Die waren me altijd in positieve zin bijgebleven.

Allereerst De renner waar het bloed, zweet en tranen vanaf spatte in de beschrijvingen van zware bergbeklimmingen in een wielerwedstrijd. Gelezen in een tijd toen ik zelf nog fanatiek aan het wielrennen deed heb ik in dat boekje pas echt ontdekt tot welke verschrikkingen de man met de hamer in staat was.

Het gouden ei vond ik fascinerend door de ijzeren logica waarmee Krabbé de hoofdpersoon richting z’n bizarre lotsbestemming dirigeert.

Later werk had ik echter niet meer gelezen nadat ik ooit was begonnen en niet veel later gestrand in De vertraging. Recentelijk echter las ik een interview met Tim Krabbé (natuurlijk naar aanleiding van de Boekenweek) en daarin vertelde hij zo aanstekelijk over zijn schrijverschap en thematiek, dat ik toch weer nieuwsgierig werd naar meer.

En nu ik dit boekje uit heb, smaakt het nog steeds naar meer. Hoewel ik dit niet een sterker werkje vind dan de twee eerder genoemde.

Een tafel vol vlinders doet me denken aan een single. En dan bedoel ik zo’n grammofoonplaatje van vroeger, met een A-kant en een B-kant. Dit boek bestaat ook uit twee delen die qua aantal bladzijden gelijk zijn. Alleen is voor mijn gevoel het tweede gedeelte de A-kant. Die handelt over Bram, een 19-jarige jongen. Bram doet hier zelf z’n verhaal in de vorm van dagboeknotities. De titel van de novelle verwijst naar een aantekening van Bram: is de laatste vlinder gevlogen dan heeft z’n laatste minuut geslagen.

Het eerste gedeelte heeft Fred als hoofdpersoon. Fred is de zelfbenoemde stiefvader van Bram. Zelfbenoemd in die zin dat hij een kortstondige relatie heeft gehad met Nicolien. Zij had al een zoontje, Bram, waarvan de biologische vader zelfmoord heeft gepleegd. Nadat de relatie al snel stukloopt maakt Fred (slecht 22 jaar jong) de keuze om een omgangsregeling te eisen en de zorg voor Bram op te nemen.

Dit gegeven trof me als bijzonder. Zelf een stiefvader van twee kinderen, en inmiddels stiefgrootvader van een kleinzoon (met een 2de op komst) bekruipen mij wel eens donkere gedachten op onvermoede momenten. Zeker toen de kinderen nog jonger waren. Wat als m’n vriendin zou komen te overlijden? Wie moest dan de zorg voor ze opnemen?

Ikzelf was hiertoe helemaal (als vanzelfsprekend) bereid, maar hoe dachten de biologische vaders (jazeker, meervoud, om de complexiteit wat te verhogen) daarover. En zouden we dan omgangsregelingen tussen stief- en biologische vader moeten regelen? Dat vond ik een vreemde constructie. Zulke gedachten probeerde ik altijd snel te verdringen.

Fred had daarom al snel mijn sympathie.
Welke gaandeweg toch een stuk minder werd.

Teveel gepreoccupeerd met het welzijn van Bram maakt hem een overbezorgde vader. Alles vanuit de beste bedoelingen. Alles er op gericht dat Bram de kansen zou krijgen (en nemen) die Fred aan zich had laten voorbij gaan. Fred zou zorgen dat Bram uniek kon zijn. Niet confectie, zoals hij het noemde. Dat lukt maar ten dele.

Aan het begin van het boek krijgt Fred een telefoontje vanuit het thuisfront. Hij is dan als schrijver van reisverhalen weer eens ergens ver weg. Dit keer in Siberië. Het is Carla, Fred’s huidige vriendin. Ze vraagt of hij terugbelt wanneer hij weer in het hotel is. Dit telefoontje brengt bij Fred de meest vreselijke visioenen naar boven dat er iets ernstigs is gebeurd met Bram.

Omdat we gaandeweg het eerste deel te lezen krijgen dat Bram’s vader zelfmoord heeft gepleegd, moeten we aannemen dat Bram misschien wel dezelfde weg heeft gekozen. Waarom Fred dat denkt, of logisch vindt, wordt mij niet geheel duidelijk. Want Bram was nog wel verliefd geworden, net voordat Fred op reis ging.

Deze verliefdheid is ook de reden dat Bram de pen (weer) oppakt en begint met z’n dagboeknotities. We zijn nu in het tweede deel, de A-kant. Hier leeft Krabbé zich uit in de beschrijving van een eerste liefde door de ogen van een jongeman van negentien.

En ik heb genoten van de manier waarop Bram/Krabbé z’n gevoelens voor dit meisje onder woorden brengt. Hoe hij alles beleeft. Ook hoe de twijfel toeslaat. Want Bram is eigenlijk van plan om te gaan reizen. Hij was tijdelijk terug om wat geld te verdienen. Nu weet hij het niet meer. Moet hij blijven en alsnog ‘confectie’ worden, of zijn oorspronkelijke plan doorzetten? Dilemma!

– SPOILER ALERT – SPOILER ALERT – SPOILER ALERT –

Nou ja, spoiler alert… Niet dat ik hier veel verklap. Er wordt vanaf de eerste bladzijde van het boek al naar deze ontknoping toegewerkt. En het mag voor de oplettende lezer geen verrassing zijn dat het verhaal eindigt met de suggestie dat Bram zelfmoord pleegt.
De vlinders zijn gevlogen. De tijd is op. De relatie is over, uit.

Alleen, dat wilde bij mij er niet echt in. Dit vind ik het minste aan het boek. De dwingende noodzaak van een zelfmoord zie ik niet. Wel de grilligheid en ups en downs van een zoekende puber. In z’n notities valt al vaker te lezen hoe snel hij op z’n gedachten en beslissingen terug kan komen. Dus waarom nu ook niet?

Ik heb er voor gekozen om Bram te laten leven.
Het telefoontje naar Fred waar het verhaal mee begint gaat over iets onbenulligs. Of het feit dat Fred te horen krijgt dat Bram het uitgemaakt heeft en weer vertrokken is voor z’n wereldreis.

Voor mij was de vanzelfsprekendheid dat de zoon van een zelfmoordenaar ook dezelfde weg kiest niet voor de hand liggend.
Vanwege deze ingebouwde logica scoort dit boekje voor mij lager dan De renner en Het gouden ei.

Totdat ik zojuist lees dat de zoon van Sylvia Plath (zelfmoord gepleegd op 30-jarige leeftijd door haar hoofd in een gasoven te steken) op 47-jarige leeftijd ook deze rigoreuze manier van levensbeëindiging heeft gekozen.

Zou Bram dan toch…?

~ ~ ~

Weerloos

De aarzeling was zichtbaar. Stond op z’n gezicht te lezen. De geheven hand met het mes trilde licht. Zou hij toesteken? De jachtige muziek zwol aan. En ging abrupt over in het feestgedruis van De Toppers. Tijd voor commercials.

Geeuwend stond de vrouw op en rekte zich uit. Onderwijl keek ze door het raam naar buiten. Of eigenlijk, bewonderde ze haar silhouet. Zou er iemand nu voorbij lopen en haar zo zien staan? Ze hoopte het, want ze was trots op haar lichaam.
Langzaam liep ze naar haar man en fluisterde hem iets in het oor. Gaf hem een kus op de mond.

Terwijl ze de trap opliep hoorde ze geluid op de eerste verdieping. Haar hart sloeg een slag over en ze moest blijven staan om haar adem weer onder controle te krijgen.
Inwendig vervloekte ze zichzelf dat ze toch weer naar een horrorfilm had zitten kijken. Nu duurde het weer even voordat ze geheel ontspannen zou zijn.

Op de eerste verdieping aangekomen aarzelde ze alvorens naar de badkamer te gaan. Daar kleedde ze zich uit.
Onder de hete waterstraal van de douche voelde ze zich even helemaal afgesloten van de buitenwereld. Het water ketste af van haar lichaam en roffelde tegen het douchegordijn. Met haar ogen gesloten hief ze haar gezicht omhoog, recht in de waterstraal. Ze opende haar mond zo wijd ze kon. Een tijdlang bleef ze zo staan.

Uiteindelijk deed ze een stap naar voren en wreef het water uit haar gezicht. Bij het openen van haar ogen had ze de indruk dat er iets bewoog achter het douchegordijn. Weer een korte schok in haar lijf. Ze nam zich nu echt voor om nooit meer horrorfilms te kijken. In ieder geval niet kort voor het naar bed gaan.
Voorzichtig opende ze het gordijn een stukje en voelde op de tast naar het scheermes wat ze klaar had gelegd.

Na het afdrogen liep ze naakt naar de slaapkamer. Een kort moment overwoog ze het licht aan te doen en door te lopen naar het raam. Het nare gespannen gevoel was inmiddels uit haar lichaam verdwenen en had plaatsgemaakt voor een lichte opwinding. Dadelijk zou haar man naar boven komen om op te eisen wat ze in zijn oor had gefluisterd. Misschien was hij nog buiten met de hond aan het lopen en dan kon hij haar zien staan. In alle naaktheid voor het raam. Maar ze moest aan de buurt denken.

Daarom sloeg ze de handdoek om en ging de gordijnen sluiten. Ze keek uit over het vertrouwde beeld van hun woonerf. Waar het rond deze tijd altijd doodstil en verlaten was. In de verte zag ze haar man met de hond aan het eind van de straat. De laatste bus was zeker net geweest want er liep nog iemand achter hem.

Ze sloot de gordijnen, liet de handdoek vallen en stapte in bed.

Uit het nachtkastje nam ze de blinddoek en de handboeien. Eenmaal de blinddoek op, zag ze toch kans zichzelf zonder al teveel moeite aan de spijlen van het bed vast te klikken.

De man stond ongedurig te wachten totdat de hond z’n gerief gedaan had. Hij staarde omhoog. De volle maan stond helder en groot laag boven de daken. Hij moest aan z’n vrouw denken. Die zou nu wel in bed liggen. De gordijnen had ze al dicht gedaan. Dadelijk zou hij de film nog verder kijken en iets drinken. Dan zou hij pas naar boven gaan. De ervaring had geleerd dat ze hiervan nog meer opgewonden werd.

Hij gaf een korte ruk aan de riem en maande de hond aan tot opschieten. Bij de poort aangekomen hoorde hij iets achter zich. Z’n hoofd werd naar achter gerukt en een vochtige doek werd tegen z’n mond gedrukt. Uit alle macht probeerde hij zich los te rukken maar voelde zich zienderogen verslappen.

‘Hallo,’ zei Eric, en duwde met een voet de poort achter zich dicht. ‘Mag ik even je leven leven?‘

Boven hoorde de vrouw dat de poort in het slot viel. De lichte kriebel in haar buik werd heviger. Een tochtvlaag kroop over haar naakte huid. Had ze misschien niet beter onder een laken of dekbed kunnen gaan liggen? Haar man zou niet meteen naar boven komen.
Weerloos zou ze nog een tijd alleen op bed blijven liggen. Wachtend op wat komen zou.

De buitendeur werd beneden in het nachtslot gedraaid.
‘Ik ben er klaar voor,’ zei ze zacht in zichzelf.

~ ~ ~

Voer voor psychologen

[04:00 uur] Gitzwart water klotst tegen gesloten sluisdeuren. Dode vissen hebben een tijdelijke rustplaats gevonden en deinen op hun zij zachtjes daar waar de stroming geen vat op hen heeft. Her en der dekken dikke vlokken schuim de ergste troep toe. Misselijkmakende putlucht voorziet het gehele tafereel van een bijpassend aroma.

Een zitbankje, ooit hier neergezet in een tijd dat de sluis nog een functie had en dagelijks vele boten voorbij kwamen, staat op de kade. Genietend van een sigaret kijkt Eric uit over de desolate plek. Het gelige licht van de dimlichten van z’n auto werpt lange schaduwen. Af en toe klinkt de roep van een nachtvogel. Het zal nog wel even duren voordat de dageraad aanbreekt.

‘Vroeger, toen dit kanaal nog de doorgaande vaart was, ging ik wel eens met m’n vader een stuk verderop vissen. Ik was nog erg jong de eerste keer dat ik met ‘m mee mocht. De wekker had ik op vier uur ’s ochtends gezet om toch maar wakker te zijn wanneer hij me kwam roepen. De hele nacht kon ik bijna niet slapen van de spanning. In de verte hoorde ik de nachttrein rijden. Af en toe kwam er een auto door onze straat gereden en dan schenen de lampen door m’n kamer. Heel even werd dan m’n hengel verlicht die al stond te wachten tegen de deurpost. Daarna werd het weer donker en stil.’

Eric inhaleerde diep om vervolgens de sigaret op de grond te gooien. Hij draaide zich naar z’n slachtoffer naast hem op het bankje.
‘Ging jij ook ooit met je vader uit vissen? ‘ Zonder het antwoord af te wachten stond Eric op en liep naar de rand van het kanaal. Er klonk een zachte plons. Alsof er een nat washandje in het water werd gegooid. Heel even meende Eric iets in het water te ontwaren. Een rat? Of een paling?

‘Anyway. Natuurlijk viel ik tegen de ochtend uitgeput in slaap, en heeft m’n vader verschillende keren moeten roepen voordat ik wakker was. Op weg naar onze visplek ben ik in de auto opnieuw in slaap gesukkeld. Aangekomen bij het kanaal was het nog aardedonker en voor mijn gevoel ijskoud. Het was helemaal niet wat ik me ervan had voorgesteld. De teleurstelling en vermoeidheid droop van m’n gezicht. Maar m’n vader liet niets merken en bleef praten en maakte m’n hengel in orde. We zochten een mooi plekje op en wierpen aas in het water om vissen te lokken. Om ons heen begonnen de vogels te ontwaken en het eerste ochtendlicht gaf de laaghangende mist op het water iets onwerkelijks. Het is een heerlijke dag geworden.’

Eric staarde voor zich uit. Al die tijd had hij staan praten zonder zich tot z’n slachtoffer te wenden. Even was hij weer die kleine jongen die met z’n vader ging vissen. Achter zich wist hij het bankje met het slachtoffer. Het werd tijd om afscheid te nemen.

‘Wist je dat m’n vader de eigenaardigheid had om z’n legkippen een tweede kans te geven?’
Eric liep terug naar de zitbank. Voor z’n slachtoffer gekomen knielde hij en keek hem in de wijdopen ogen. ‘Wanneer een kip niet voldoende eieren legde, dan werd die kip apart gezet. De hakbijl lag naast het hok, goed zichtbaar. De kip had haar lot in eigen hand.’
Er volgde geen reactie. Eric ging weer staan en tilde z’n slachtoffer op.
‘Voor ons was het om ’t even. Legde de kip naar behoren, dan aten we eieren. Zo niet, tsjak, kop er af en hadden we ‘s avonds kippesoep. En omdat m’n vader goed kon koken, was het altijd smullen.’

Opnieuw bij de waterkant aangekomen stond Eric weer stil.
‘Ja, ik weet wat je wil zeggen. Je hebt geen tweede kans gehad. Eigenlijk heb je helemaal geen kans gehad. Dat is waar. Maar jij bent dan ook geen kip, nietwaar?’
Stilte.
‘En ik heb geen slechte jeugd gehad’, zo vervolgde hij, alsof om zichzelf gerust te stellen. ‘Allemaal voer voor psychologen.’

‘Maar voorlopig ben jij voer voor vissen’, grinnikte hij zelfvoldaan en liet z’n slachtoffer in het water vallen. Het geluid van de plons deed wat vogels opschrikken. Uitdijende kringen verwijderden zich om geleidelijk op te gaan in de natuurlijke deining van het water. Teruglopend naar z’n auto bedacht Eric dat hier een mooi voederplekje voor vissen was ontstaan.

[ergens anders, maar rond dezelfde tijd]
Een vrouw ontwaakt vroeg in de ochtend. Het duurt even voor ze beseft dat haar man niet bij haar in bed ligt. Wat vreemd is, omdat zij altijd degene is die als eerste opstaat. Ze besluit te gaan kijken waar hij is omdat de stilte in huis onnatuurlijk aanvoelt. Als haar man al opgestaan was, dan had ze iets moeten horen. Badkamergeluiden. Keukengeluiden. Niets van dat alles.

Ze kijkt even naar binnen in de kinderkamer. Daar is hun zoontje in diepe slaap. Zijn piepende ademhaling is goed te horen en hij heeft een nieuwe luier nodig.

Omdat ze haar man nergens ziet, besluit ze naar beneden te gaan. Op de trap komen flarden van haar nachtelijke droom langs. Of was het geen droom geweest? Had er iemand naast haar bed gestaan? En foto’s gemaakt? Een angstig gevoel overvalt haar.

De trap komt uit in de hal. De vrouw haalt diep adem en opent de deur naar de keuken.

Haar man zit aan de keukentafel, niet langer ‘hoofd’ van het gezin.
Dat er een hakbijl op de tafel ligt, is een detail dat ze niet meer meekrijgt als ze luidkeels gillend het huis uitrent.

~ ~ ~

Opkomst, ondergang en terugkeer van een oude vriend

Waar en wanneer ik het bericht onder ogen kreeg is me ontschoten, maar niet de sensatie die het teweegbracht. Eerst ongeloof.
Ging het wel over dezelfde persoon als waaraan ik automatisch moest denken?
Toen scepsis.
Hij zou dus in januari 2009 weer verschenen zijn? Yeah, right!?

Want hij was namelijk ergens in ’85 uit mijn leven verdwenen.
Net zo abrupt als hij in ’75 was komen binnenstappen. Onmiddellijk waren we dikke vrienden geworden en naar zijn komst werd de hele week door mij uitgekeken.

Mijn toenmalige vriend was Eppo, een nieuw stripweekblad wat voortkwam uit de samenvoeging van Sjors en Pep.
In ’75 met een oplage van 250.000 stuks de wereld in gestuurd, wat al snel opliep naar 300.000 in ’76. Ongekend voor een stripblad voornamelijk gevuld met strips van Nederlandse bodem.

Ik was er helemaal weg van. Reeds vanaf het eerste nummer had ik een abonnement van m’n ouders (dank je Pa & Ma) gekregen. Elk nieuw nummer las ik in één ruk dezelfde dag helemaal uit. De rest van de week werden alle strips nogmaals meerdere keren gelezen en werden vele uren besteedt aan het nauwkeurig bestuderen van de losse tekeningen. Sommige blonken uit door een virtuoze tekenstijl, terwijl andere propvol (veelal komische) details zaten die bij eerste lezing vaak over het hoofd gezien werden.

De liefde voor het stripverhaal was geboren!

Geweldige strips kwamen aan mijn oog voorbij:
Eppo; Olivier Blunder; Franka; Engelbert; Asterix; Lucky Luke; Flippie Flink; Agent 327; Blueberry; Luc Orient; Johnny Goodbye; De Generaal; Billie Turf; Bollie en Billie; Lowietje; Sjors en Sjimmie; Tinus Trotyl; Stef Ardoba; Opkomst en ondergang van het keizerrijk Trigië; Commandant Grek; Storm; Roel Dijkstra; Kleine Pier; Opa; Laben Tall; Steven Severijn; De Partners; De Partizanen; Professor Palmboom; Stampede; Tok-Tok; Willem Peper; Leonardo.

Al die jaren ben ik het blad trouw blijven lezen.
Tegelijkertijd begon ik ook een eigen smaak te ontwikkelen. Daarvoor toog ik regelmatig naar Eindhoven om daar in enkele stripwinkels een geheel eigen verzameling op te bouwen.
Geleidelijk werd duidelijk dat het merendeel van de strips die in Eppo gepubliceerd werden niet meer samenvielen met de strips waar mijn voorliefde naar uitging.

Het was dus voor de hand liggend om het abonnement op te zeggen toen Eppo in ’85 wegens teruglopende belangstelling overging in Eppo Wordt Vervolgd. Dat het blad later nog enkele keren van naam veranderde (’88 Sjors en Sjimmie Stripblad; ’95 SjoSji) voordat het in ’98 ten onder ging na slechts 8x nummers onder de naam Striparazzi, heb ik allemaal niet meer meegekregen.

Eind jaren tachtig was het tijd voor één van die onvergeeflijke fouten die iedereen regelmatig moet maken om door schade en schande ietwat wijzer te worden. In dit geval vond ik het een geschikt tijdstip om al m’n strips (inclusief Eppo) aan een neefje te schenken.
Het was tijd voor het Grote Mensen Bestaan, en daar hoorden geen strips bij. Dacht ik toen.
De spijt kwam snel. Maar te laat voor m’n verzameling. Die was inmiddels al weer verder doorgegeven aan andere verdere familieleden, vrienden en vage bekenden. Ik bleek het verkeerde neefje uitgezocht te hebben.

Strips las ik voortaan alleen nog maar tijdens bezoekjes aan m’n ouders (in hun leesmap) en bij de tandarts en/of dokter.

En zo werd Eppo jeugdsentiment.

Totdat ik het bericht las dat Eppo weer ging verschijnen!

De Eppo? Ja, inderdaad, hij van die strips!
Zeker weten? Ja, de eerste nummers zijn al in januari 2009 verschenen!

En dus heb ik alsnog met terugwerkende kracht een jaarabonnement genomen en liggen de eerste nummers, inclusief welkomstgeschenk, nu te pronken op m’n leestafel. Tussen al die Grote Mensen Boeken.

Ik heb de kriebels in m’n buik en weet niet waar te beginnen met lezen.

Een goede jeugdvriend is weergekeerd, en oude tijden herleven!

~ ~ ~