Antwoord

Slechts lut­te­le dagen voor zijn brui­loft kwam hij ver­ont­waar­digd bin­nen­val­len. Hoe die bloe­mist op de hoek het in z’n ach­ter­lij­ke hoofd haal­de om moei­lijk te doen! Hij was toch ruim­schoots op tijd voor het bestel­len van een bruids­boe­ket!? Die bloe­men­bak­ker mocht blij zijn dat hij niet op de heu­ge­lij­ke dag zelf even zo’n tuil­tje bloe­men kwam opha­len!

Nog steeds opge­won­den liep hij recht­streeks naar de koel­kast, pak­te een pils­je en wierp een blik in de pan die op het for­nuis stond. Bah, asper­ges, klonk het. Met het kou­de pils­je in de hand liep hij naar ach­ter en viel neer in één van de tuin­stoe­len. Onder­wijl had hij de krant van de tafel gegrist.

Enke­le jaren eer­der kwam hij me opzoe­ken op mijn nieu­we tij­de­lij­ke adres. Het was kort nadat mijn vrien­din en ik uit elkaar waren gegaan en ik een onder­ko­men had gevon­den bij mijn oom. Deze woon­de in een ver­bouw­de boer­de­rij en ach­ter op het erf stond een gro­te schuur waar­van het boven­ge­deel­te omge­to­verd was tot woon­ruim­te. Zijn doch­ters had­den daar gewoond, maar die waren nu bei­den uit­ge­vlo­gen. Dat kwam mij goed uit. Met mijn wei­ni­ge spul­len was ik snel ver­huisd en inge­richt. Nog geen dag later stond hij op de stoep. Of we gin­gen stap­pen? Ik was toch weer vrij­ge­zel?

Ik ken­de hem al van­af de mid­del­ba­re school, waar we alle­bei hor­tend en sto­tend door­heen rol­den. Op som­mi­ge momen­ten waren we onaf­schei­de­lijk, dan weer zagen we elkaar alleen maar gedu­ren­de school­tij­den. Het feit dat we alle­bei fana­tiek voet­bal­sup­por­ter van riva­li­se­ren­de teams waren zorg­de zeker in die peri­o­de voor de gro­te schom­me­lin­gen in onze vriend­schap.

Maar we ble­ven elkaar opzoe­ken. Ook nadat we bei­den zowat gelijk­tij­dig onze dienst­tijd ach­ter de rug had­den. Met alleen maar een VWO diplo­ma op zak en geen idee wat een vol­gen­de stap zou kun­nen zijn, kwam hij met het bril­jan­te idee om in de avond­uren Infor­ma­ti­ca te gaan stu­de­ren. In de prak­tijk bete­ken­de dat op don­der­dag­avond te laat in de les ver­schij­nen, en in de pau­ze er even tus­sen­uit pie­pen om snel een bor­rel­tje in de bin­nen­stad van Eind­ho­ven te pak­ken om ver­vol­gens daar maar te blij­ven han­gen. De gemis­te les­stof halen we in de loop van vol­gen­de week wel weer in, was de opti­mis­ti­sche gedach­te.

Drank was een rode draad in onze vriend­schap, naast bij­voor­beeld al de genoem­de pas­sie voor voet­bal. Eens stond hij vloe­kend en tie­rend op het erf van mijn oom omdat hij geschrok­ken was van de her­ders­hon­den die aldaar de boel bewaak­ten. De fles whis­key die hij voor me gekocht had (en wel­ke hij toch wel gro­ten­deels zelf zou opdrin­ken) had hij uit zijn han­den laten val­len. Dus snel nog even naar de slij­te­rij. Waar we aan­van­ke­lijk niets meer mee­kre­gen omdat we zo ont­zet­tend naar de drank ston­ken.

Op één van die vele drank­door­drenk­te avon­den die onge­merkt over­gin­gen in door­waak­te och­ten­den is het ons gelukt het recept te vin­den voor de per­fec­te, altijd wer­ken­de reac­tie­brief op con­tact­ad­ver­ten­ties. Ja men­sen, dit speelt nog in de tijd dat op zater­dag de Volks­krant vol stond met klei­ne ludie­ke bericht­jes van gezel­schap­zoe­ken­de mede­men­sen onder num­mer. Diver­se keren had hij zelf adver­ten­ties geplaatst, ech­ter nooit reac­ties gekre­gen. Ik kon dat (toen ik die klei­ne wan­hoops­of­fen­sief­jes later onder ogen kreeg) wel begrij­pen. Eer­lijk gezegd stem­de het mij opti­mis­tisch dat er geen vrou­wen in NL rond­lie­pen die zo door het leven gefrus­treerd waren dat zij het nodig von­den om daar op te rea­ge­ren.

Dus stel­de ik hem voor om de rol­len om te draai­en en de advertentiepagina’s te zien als snoep­win­kel­tjes waar altijd wel iets lek­kers te halen valt. Mits je de juis­te toon wist te raken in je brief. En na lan­ge brain­storm­ses­sies kre­gen we het voor elkaar om een stan­daard­brief te con­stru­e­ren die slechts met klei­ne aan­pas­sin­gen voor elke wil­le­keu­rig te kie­zen adver­ten­tie gebruikt kon wor­den. Met gega­ran­deerd suc­ces. De bewij­zen heb ik in een dik­ke ord­ner ergens op zol­der staan.

En zo heeft hij uit­ein­de­lijk zijn vrouw gevon­den. De dag voor zijn huwe­lijk kwam hij nog een even langs om een kof­fer te lenen. Ze zou­den met­een na de plech­tig­heid naar Schot­land ver­trek­ken. Op de dag zelf was ik getui­ge. Hier­voor had ik een paar uur­tjes vrij geno­men bij Phi­lips en was te voet naar het gemeen­te­huis gelo­pen. Na de for­ma­li­tei­ten heb­ben we nog een kop kof­fie gedron­ken. Ik ben ver­ge­ten wie de ande­re getui­ge was.

Ik heb hen nog goe­de reis en veel geluk gewenst.

Ze wonen nu ergens in het Noor­den en heb­ben kin­de­ren. Heb ik van horen zeg­gen.
Net zo min als de kof­fer heb ik ze ooit nog gezien na die huwe­lijks­dag.
De asper­ges had hij die dag trou­wens gewoon sma­ke­lijk opge­ge­ten.

Mijn bes­te vriend.

Ant­woord

Gij leest mijn boe­ken; ik rook Uw siga­ren.
Bin­nen de wan­den van Uw werk­ver­trek
ont­spint zich een gea­ni­meerd gesprek
over pro­ble­men, die reeds lang ver­ge­ten waren.
“Mag ik dit alles vriend­schap noe­men?”,
hebt gij mij eens ver­trou­we­lijk gevraagd. 
Wel, ik wil U geen ogen­blik ver­bloe­men
dat Uw Bor­deaux mij steeds behaagt,
ondanks het hin­der­lij­ke zoe­men,
waar­mee Uw ven­ti­la­tor mij soms plaagt.
Maar voor de rest: zeer tot genoe­gen.
Er zijn er, die nog ridi­cu­ler vroe­gen.

Johan van Del­den (1919–2006)
uit: Dit is geluk.… (1944)

~ ~ ~

De dagen

Ont­bijt wordt door mij op door­de­week­se dagen stee­vast over­ge­sla­gen.
Ik volg een vast ritu­eel na het ont­wa­ken wat pre­cies 30 minu­ten duurt. Van­af het moment dat ik de wek­ker uit­druk (zo tus­sen 06.00 uur en 06.15 uur) door­loop ik een vast patroon. En sinds de kin­de­ren de deur uit zijn gaat dit stuk­ken mak­ke­lij­ker (voor­al wat betreft de beschik­baar­heid van de bad­ka­mer).

Dit zijn mijn dage­lijk­se 30 minu­ten voor­dat ik ga wer­ken:

- sche­ren
- dou­chen
- tan­den poet­sen
- aan­kle­den
- poe­zen eten geven
- brood sme­ren
- tas inpak­ken
- ver­trek­ken

Tus­sen ‘poe­zen eten geven’ en ‘brood sme­ren’ geef ik Inge een och­tend­zoen en vraag haar of ze goed gesla­pen heeft. Want meest­al zit zij dan bene­den aan haar eer­ste kop­je kof­fie. Ver­vol­gens (afhan­ke­lijk van haar dag­sche­ma) gaat zij dan naar de bad­ka­mer ter­wijl ik mijn brood smeer en de tas inpak. Hier­na wordt er nog wat meer gekust en dan afscheid geno­men. We zien elkaar dan ’s avonds weer.
Kort­om, geen ont­bijt thuis voor mij, laat staan een geza­men­lijk ont­bijt. Ont­bij­ten doe ik pas op het werk, of soms in de auto. Maar dan alleen als ik ont­zet­ten­de trek heb, want het is maar een rit­je van 30 minu­ten. (één uur na het uit bed stap­pen, stap ik mijn kan­toor bin­nen)

Wat we wel regel­ma­tig heb­ben is dat Inge een avond weg­blijft omdat ze de vol­gen­de dag een cur­sus moet geven waar­voor het las­tig is ’s och­tends op tijd te arri­ve­ren. Zeker gezien de voor­be­rei­din­gen die ze moet tref­fen op zo’n cur­sus­lo­ca­tie. Ze over­nacht dan in een hotel vlak­bij.
Dat bete­kent dat ik het avond­eten in mijn een­tje nut­tig. Vaak hou­den we daar reke­ning mee door de dag ervoor wat extra te koken zodat ik alleen maar het eten hoef op te war­men. Soms maak ik wat voor mezelf klaar.
Maar altijd neem ik plaats aan tafel en doe even of zij dan op haar vas­te plaats zit (ja, wij zijn nog van die types die onbe­wust altijd op dezelf­de plek aan tafel gaan zit­ten; en ook in onze slaap­ka­mer heb­ben we een vas­te bed­schik­king). Wens haar een goe­de maal­tijd en begin te eten. In mijn een­tje. Het smaakt altijd net iets min­der. Snel­ler dan nor­maal ruim ik mijn lege bord op en ver­laat de tafel.

De poe­zen zit­ten voor het raam. Wach­tend op iets wat die avond niet komen gaat.

Nooit heb ik me bedacht dat dit mis­schien ooit rea­li­teit kan wor­den mocht haar iets over­ko­men en ik alleen ach­ter­blijf.
Dat is iets voor later…

 

De dagen

Ik zit aan mijn ont­bijt.
De zon valt op mijn gezicht.
Een streep
licht strekt zich lang­zaam uit, en raakt mijn bord.
Zo fel, dat ik
de ker­ven zie in het oude tafel­blad.
Ik eet niet.
Ik leg mijn lepel naast mijn bord, en mijn hand op
het war­me geel van de zon, die nu schijnt op de stoel tegen­over
mij.
En de stoel weet op won­der­lij­ke wij­ze die zon terug te
geven, zodat ik in die warm­te blijf.
De hele dag. In de warm­te
van jouw lege stoel.

Kreek Daey Ouwens (1942)
uit: De ach­ter­kant (2009)

~ ~ ~

Later

Later is nog heel ver weg. Wie weet wat er op het pad onder­weg naar later alle­maal kan gebeu­ren. Daar­om heb ik eer­der beslo­ten om niet lan­ger op later te wach­ten.
Alles wat ik later nog wil doen daar hoef ik niet mee te wach­ten.

Nu was mijn wen­sen­pak­ket ook weer niet bui­ten­spo­rig groot. Wereld­rei­zen na mijn pen­si­o­ne­ring bij­voor­beeld heb ik nooit voor ogen gehad. Wil ik iets van de wereld zien dan kan ik ook van­daag een reis boe­ken. Schijnt zelfs his­to­risch goed­koop te zijn.
Meer tijd in mijn rela­tie ste­ken hoeft ook niet te wach­ten tot­dat een nader te bepa­len moment is aan­ge­bro­ken. Ergens heb ik iets gele­zen in de trant van ‘ver­liefd blij­ven’ is best moei­lijk, maar ‘lief doen’ ligt aan jezelf. (gewoon doen!, zou JP Bal­ke­n­en­de zeg­gen)

De belang­rijk­ste stap die ik mis­schien wel geno­men heb is om wat min­der tijd in mijn werk te ste­ken. Niet dat het altijd lukt (want ook wer­ken zelf vind ik een aan­ge­na­me bezig­heid), maar het stre­ven is con­ti­nu aan­we­zig. De vrij­ge­ko­men tijd pro­beer ik in te vul­len met bezig­he­den waar ik niet aan toe kwam, of die ik pas op een later tijd­stip voor me zag weg­ge­legd.

Eigen­lijk komt het er op neer dat ik later naar voren heb getrok­ken. Het is onder­deel van het nu gewor­den. Niks geen uit­stel meer. Hoe­zo een voor­ne­men heb­ben wat op die datum ingaat. Gewoon nu begin­nen als het zo belang­rijk is. Weg­gooi­en die siga­ret als je wil stop­pen. En wel nu. Aan­trek­ken die sport­schoe­nen en de fris­se bui­ten­lucht in als je wat aan je gezond­heid wil doen. En wel nu!

Let wel, dit is geen plei­dooi voor onge­remd alles doen en laten wat in je opkomt. Wat ik voor ogen heb is meer aan­dacht voor de ‘ver­stop­te ver­lan­gens’ en ‘hei­me­lij­ke wen­sen’ die in je bin­nen­ste slui­me­ren. Zaken die je tij­de­lijk gepar­keerd hebt omdat je denkt dat ze nu niet kun­nen. Dat de tijd er nog niet rijp voor is.

Beschouw ze eens wat nader en vraag je af of je er toch niet alvast een begin mee kunt maken. In wel­ke vorm dan ook. Zo kun je er alvast aan proe­ven. En mis­schien merk je dat het niets voor je is (bespaart je later een teleur­stel­ling omdat je er zo naar hebt uit­ge­ke­ken), of dat het al zoveel ple­zier en levens­vreug­de geeft dat je blij bent er mee begon­nen te zijn. Kun je er in ieder geval lan­ger van genie­ten.

Als je op deze manier tegen het leven aan kijkt dan merk je dat later ver­dwijnt. Je staat in het hier en nu, bezig met vol­le teu­gen van het leven te genie­ten. Je haalt uit het leven wat er in zit. En dan bedoel ik dat­ge­ne waar jij behoef­te aan hebt. Dat hoeft niet iets ver­he­vens te zijn maar kan ook net zo goed lek­ker schof­fe­len zijn in je volks­tuin­tje.

Het later waar je wel of niet naar uit­ziet is niet aan­we­zig. Kijk je nog steeds naar iets uit dan kun je je afvra­gen waar­om dat dat is. Kan het niet eer­der? Waar­om niet? Zelfs niet in een afge­zwak­te vorm? Wees cre­a­tief en pro­beer na te gaan welk die­per ver­lan­gen ver­stopt zit. En kijk of je hier weer mee ver­der kunt.
Pro­beer het maar eens.

Later kun je me nog altijd bedan­ken als het je iets heeft opge­le­verd.

Later

Later gaan we naast elkaar
wand’len op de Over­toom,
drin­ken zoe­te melk met room,
strij­ken door ons grij­ze haar.

Zie je ons daar samen lopen?
Naast elkaar — zo diep bedaard.
Jij, een lie­ve, oude taart.
Ik, nog kras — dat is te hopen…

Maar al wor­den we ook wrak­ken,
al dat vre­se­lij­ke snoe­ven
zal ten­min­ste niet meer hoe­ven.
Gaar of muf — we zijn gebak­ken.

En we zeg­gen: ‘Kijk, de tram.’
Of: ‘Hoor jij die vogel zin­gen?’
Al die nut­te­lo­ze din­gen,
want het hoeft niet meer ad rem.

En het hoeft niet meer zo rap,
want we moe­ten ner­gens heen.
Och, we wonen toch alleen
in zo’n rot­huis met een trap.

Ik beloof je, dat ik dan
het attent zijn aan zal leren.
En ik zal ook vaak pro­be­ren,
of je nog wel lachen kan,

lachen als een oude dame
die haar zeg­je heeft gezegd,
die, als ze wordt afge­legd,
zich voor nie­mand hoeft te scha­men.

Wel, wel, wel, zo zal dat gaan.
En we ster­ven, heel bedaard,
op een don­der­dag in maart.
Tege­lijk — daar hecht ik aan.

En als onze aard­se last
met de wereld gaat ver­groei­en,
zal uit jou een bloem­pje bloei­en.
Een viool­tje — dat staat vast.

Karel Bral­le­put (1913–1987)
uit: Fabrieks­wa­ter (1956)

~ ~ ~

Hup Zoetemelk!

De laat­ste jaren is het een stuk min­der gewor­den, maar er waren tij­den dat ik mijn naam niet ergens kon noe­men of de reac­tie was:

“Pel­le­naars?”

“Ben de gij d’r een­tje van d’n Pel?”

En dan knik­te ik beves­ti­gend. Want ja, ik was er een­tje van d’n Pel. Want zo noem­de ieder­een in ons dorp mijn vader.

Ikzelf werd dan weer door de eige­naar van de plaat­se­lij­ke die­ren­zaak (een klein dik man­ne­tje die altijd in een stof­jas liep en die mij vaak op een kruk­je zet­te zodat ik met mijn han­den door al dat ver­schil­len­de vogel­zaad kon roe­ren) aan­ge­spro­ken met Pel­le­ke Pete­naars.

Dus ja, vol­gens mij was ik er een­tje van den Pel!

Maar men doel­de op een ande­re Pel­le­naars, niet zozeer mijn vader. Een legen­da­risch figuur getui­ge de bewon­de­ren­de manier waar­op zijn naam werd uit­ge­spro­ken.

Trots kon ik ook dat beves­ti­gen. Dan kwam even de ach­ter­docht. Ik kon dat wel zo zeg­gen, maar hoe waren die fami­lie­ban­den dan? Hoe nauw stam­de ik af van d’n Pel?

Het ant­woord was snel gege­ven. Mijn opa was ‘de broer van’. Dat hoor­de ik hem name­lijk vaak zeg­gen, ‘ik ben de broer van’.

Pas later ging ik besef­fen dat het voor mijn opa toch wel ver­ve­lend geweest moet zijn om altijd maar ‘de broer van’ te zijn. Je plek­je op aar­de pro­beer je toch te ver­wer­ven op basis van eigen daad­kracht en niet op die van een ander. Wat hij daar­van vond heb ik hem nooit gevraagd.

Regel­ma­tig kwam hij bij ons op bezoek en had dan aller­lei wiel­ren­spul bij zich (bidons, shirtjes, broek­jes, stic­kers, etc.) wat hij weer van zijn broer had gekre­gen. Dat was erg wel­kom want in die tijd fiets­te ikzelf ook een beet­je en dat kon ik dus goed gebrui­ken. Ik bedank­te hem dan erg uit­voe­rig. Vroeg dan hoe het met zijn broer was en of hij hem wil­de bedan­ken voor de spul­len. Ergens toch wel sneu. Maar dat is mis­schien de draai die ik er nu zelf aan geef. Wel­licht was hij gewoon erg trots op d’n Pel en heeft hij geen secon­de last gehad van het feit dat hij ‘de broer was van’.

Ik ben in ieder geval erg trots op mijn opa Piet Pel­le­naars en wat hij alle­maal heeft bereikt (daar­over een ande­re keer meer). Op de foto hier­bo­ven zie je hem aan de lin­ker­kant. Mijn oma staat rechts en mijn vader er tus­sen­in. Zijn twee jon­ge­re broers staan er ach­ter.

Hier­on­der het lem­ma uit Wiki­pe­dia over Kees Pel­le­naars. Want ook op hem ben ik erg trots.
Voor wie hem niet kent, hij was de broer van mijn opa!

~ ~ ~

Cor­ne­lis Pet­rus (Kees) Pel­le­naars (Ter­heij­den, 10 mei 1913 — Bre­da, 30 janu­a­ri 1988) was een Neder­lands wiel­ren­ner en ploeg­lei­der. Men noem­de hem meest­al kort­weg: “Den Pel”.Coureur:
Als cou­reur was hij in 1934 de eer­ste Neder­lan­der die wereld­kam­pi­oen op de weg werd. Wel­is­waar bij de ama­teurs, maar het was toch uit­zon­der­lijk omdat in die tijd het baan­wiel­ren­nen in Neder­land de boven­toon voer­de. Twee jaar later werd hij Neder­lands kam­pi­oen.

Pel­le­naars was ook een uit­ste­kend baan­ren­ner, die vaak kop­pel­koer­sen reed samen met Cor Wals. Tij­dens de oor­log reed hij, zoals de mees­te cou­reurs, gewoon wed­strij­den. In 1950 maak­te een ern­stig onge­luk een ein­de aan zijn actie­ve car­ri­è­re: tij­dens de Ron­de van Duits­land reed hij met 80 kilo­me­ter per uur tegen een Ame­ri­kaan­se leger­truck op. Hij raak­te zo zwaar gewond dat een Bel­gi­sche krant al een necro­lo­gie afdruk­te.

Ploeg­lei­der:
Een jaar later deed voor het eerst een Neder­land­se ploeg mee aan de Tour de Fran­ce, en Kees Pel­le­naars werd de ploeg­lei­der. Het werd een onver­ge­te­lijk debuut: Wim van Est ver­o­ver­de als eer­ste Neder­lan­der de gele trui en reed daar­mee een dag later, tij­dens de afda­ling van de Col d’Au­bis­que, in het ravijn.

In de jaren daar­na haal­den cou­reurs als Van Est, Ger­rit Voor­ting en Wout Wagt­mans de nodi­ge over­win­nin­gen. De Tour, en ook Pel­le­naars, wer­den in Neder­land zeer popu­lair. Toch onder­vond hij ook veel tegen­stand, want hij was een ondi­plo­ma­tie­ke man. In 1956 was hij het mid­del­punt van een rel, toen hij Van Est niet in de Tour-ploeg opnam. Woe­den­de sup­por­ters wil­den hem een les­je komen leren, waar­op hij een groot bord op de gevel van zijn huis beves­tig­de: “Hier is ‘t.”

Het jaar erop werd hij door de KNWU aan de kant gescho­ven. Daar­na was hij jaren­lang lei­der van de Tele­Vi­zier- en Goud­smit Hof-equi­pes. Zijn meest suc­ces­vol­le ren­ner in die tijd was Henk Nij­dam, maar de groot­ste troef van het Neder­land­se wiel­ren­nen, Jan Jans­sen, reed niet voor hem. Dat kon Pel­le­naars moei­lijk ver­krop­pen, van­daar waar­schijn­lijk zijn beken­de uit­spraak, gedaan vóór de Tour van 1968: “Als Jans­sen de Tour kan win­nen kan mijn schoon­moe­der het ook.”

Hal­ver­we­ge de jaren ’70 trok Kees Pel­le­naars zich uit de wie­ler­sport terug. Hij over­leed in 1988, 74 jaar oud.

Belang­rijk­ste over­win­nin­gen:
1934 — Wereld­kam­pi­oen op de weg, Ama­teurs
1936 — Neder­lands kam­pi­oen op de weg, eli­te
Zes­daag­se van Parijs; + Adolf Schön
1937 — Zes­daag­se van Kopen­ha­gen; + Frans Slaats
1938 — Zes­daag­se van Gent; + Frans Slaats
1939 — Zes­daag­se van Brus­sel; + Frans Slaats
1949 — 3e etap­pe Ron­de van Neder­land
9e etap­pe deel B Ron­de van Neder­land


~ ~ ~
En dat alle­maal naar aan­lei­ding van dit gedicht:

Hup Zoe­te­melk

Jan Kal, repor­ter van de Haag­se Post:
‘Ik rijd wel eens, als ren­ner uit­ge­dost,
voor mijn ple­zier, maar ver­der zon­der hoop,
als ik weer door een brom­mer ben gelost.

Toch onder­ga ik vaak de weder­doop
“Hé Eddy Mer­ckx”, en in mijn levens­loop
hoor­de ik ook “Jan Jans­sen”, “Peter Post”,
maar nooit “Hup Zoe­te­melk”. Hoe komt dat, Joop?’

Joop Zoe­te­melk, cou­reur van Gan-Mer­cier,
sprak daar­op het ver­bijs­te­ren­de woord:
‘Nee, van wat u nu zegt ervaar ik niets.

Ik heb in al die jaren dat ik fiets
nooit anders dan “Hup Zoe­te­melk” gehoord.
Ze roe­pen nooit geen “Eddy Mer­ckx” hoor, nee.’

Jan Kal (1946)
uit: Prak­tijk her­vat 1978

~ ~ ~

Drieluik

Drie­luik leest als een vari­ant op ‘in elk stad­je een ander schat­je’.

Toen ik die uit­spraak voor de eer­ste keer hoor­de had ik er met­een aller­lei visi­oe­nen bij van wulp­se mei­den die hun­ke­rend naar me uit­ke­ken tot­dat ik ze weer met een bezoek kwam ver­blij­den. Het vro­lij­ke spoor van de ker­mis­sen vol­gend was het elk week­end wel weer raak in een ander dorp op fiets­af­stand van het ouder­lijk huis. Na een jaar van afwe­zig­heid en niets van me te laten horen, her­ken­de de in de steek gela­ten ver­o­ve­ring van het vori­ge jaar mij met­een ter­wijl ik mijn fiets nog niet op slot had gedaan.

Ogen­blik­ke­lijk was zij alle boos­heid kwijt en viel me om de nek. Ver­veeld duw­de ik haar van mij af. Eerst wat drin­ken en bij­klet­sen met de ‘boys’ alvo­rens zij het genoe­gen zou heb­ben enke­le uren met mij te mogen ver­po­zen ach­ter de feest­tent.
Daar kon ze dan weer een jaar­tje op teren.

In de prak­tijk is het voor mij die eer­ste uit­gaans­ja­ren helaas geble­ven bij ‘in elk gehucht een ande­re klucht’.

Niet dat ik het in die tijd als bij­zon­der komisch ervoer dat mijn ver­o­ve­rings­po­gin­gen op niets uit­lie­pen. Daar­voor deed het me teveel pijn als ik voor de zoveel­ste keer afge­we­zen werd.

Hoe­wel, om afge­we­zen te wor­den moet je wel eerst een aan­zoek doen. En vaak kwam het niet zover. Ik was meer van de cate­go­rie die gezel­lig bij de ande­re jon­gens ging staan en zich dan een stuk in de kraag zoop. En maar kij­ken. Naar de meis­jes. En via gedach­ten­over­bren­ging die meis­jes zover zien te krij­gen dat ze ons zagen staan. Hopen dat er iets ging gebeu­ren wat op ver­o­ve­ren leek. Te ver­le­gen om de eer­ste ‘move’ te maken.

Hans Teeu­wen heeft dat ooit tref­fend samen­ge­vat:

Ik kan hart­stik­ke veel meis­jes krij­gen.
Of ja, hart­stik­ke veel…
Ik kan best, euh, meis­jes krij­gen.
Of ja, niet echt krij­gen of zo, maar­reh ik denk er vaak aan
Of ja, den­ken…
Ik euh…
Ik ben gewoon geil!

Regel­ma­tig (zeg maar gerust, bij­na altijd) werd er zoveel gedron­ken dat van nor­ma­le toe­na­de­rings­po­gin­gen geen spra­ke meer kon zijn. Dat punt was gepas­seerd. Een goed gesprek was niet meer te voe­ren. Lal­lend en val­lend dron­ken we ons­zelf een deli­ri­um in menig ker­mis­tent. Wat weer wel een bepaal­de cate­go­rie mei­den aan­trok. De zoge­naam­de del­len (tegen­woor­dig: de bree­zers­let­jes). Zij waren mee­gaand en mak­ke­lijk te krij­gen. Rond­om mij heen zag ik de ene na de ande­re vriend zich afzon­de­ren met zo’n in de schoot gewor­pen belo­ning.

En ikzelf? Kan­sen genoeg. (toch?)

Maar zoals ik niet in staat was om de meis­jes waar mijn oog op viel op de juis­te manier te bena­de­ren, zo voel­de ik weer­stand om voor een ‘one-night-stand’ te gaan met mei­den die ik nuch­ter niet zou heb­ben zien staan. Het bleef bij wat ton­gen en onhan­dig frie­me­len onder bezwe­te kle­ding. Tot­dat het bij het meis­je dui­de­lijk werd dat het niet veel ver­der zou gaan. Wat meest­al spor­tief werd opge­vat door soe­pel­tjes een vol­gend groeps­lid om de hals te val­len.

Ik blij, zij blij, hij blij, wij blij.

En de hele week dag­droom­de ik van het komen­de week­end. Dan zou ik het geheel anders aan­pak­ken!

Drie­luik

Loopt hij met zijn meis­je
langs wit­te maan­pa­den –
ver ron­ken de ker­mis­or­gels
en de Ben­gaal­se vuren ziel­to­gen in het dorp –
hij vooist haar al de zoe­te wijs­jes van zijn hart,
want zijn hart is een weke occa­ri­na.

Ron­de boom­kruin­tjes, haar ogen,
waai­en gestaag hun bloe­sems in zijn hand. Maar hij is sol­daat 

die op nacht­wa­ke staat –
nacht : blau­we cow­boy­film;
zee­brand blik­vuurt : alle ein­ders langs, de opa­len,
bui­te­len de nach­te­ga­len! — 

Drie­vou­dig ont­bloeit zijn heim­wee :
Zon­dag-dorp-meis­je,
en hij loopt een pas of wat,
kuchend als het trein­tje
dat hem naar huis voert. 

Dan, onder de ster­re­wie­lin­gen,
staat hij ver­lo­ren,
en kijkt scherp uit, als een stuur­man. Drinkt hij zijn pint met de dorps­ka­me­ra­den,
brult zijn keel schor,
danst von­ken uit de vloer­ka­re­len –
een plot­se, koe­le dronk
doet hem opsprin­gen : ” Mijn lief! ”
en hij wipt de straat over
als een jon­ge haas!

Wies Moens (1898–1982)
uit: Lan­ding (1923)

~ ~ ~