Bad Sex in Fiction award voor Shakespeare?

Vroe­ge Mid­del­eeu­wen:
Enig over­ge­ble­ven frag­ment uit oer­ver­sie Romeo & Juliet => Rode­wijn & Ani­ta
Popu­lai­re raam­ver­tel­ling die gewoon­lijk in de late uur­tjes werd voor­ge­dra­gen:

Hé meis­je!, zeg meis­je, ben je al een beet­je nat
rit­sie­pie rit­sie­pa rit­sie­poe
Een har­de lul die is gemaakt om mee te pom­pen
fal­de­rie, fal­de­ra

1590–1592:
Sha­ke­spe­a­re is onder de indruk geraakt van de poë­ti­sche schoon­heid en tra­giek in het Rode­wijk & Ani­ta ver­haal, en maakt een eer­ste engel­se ver­sie van Romeo & Juliet:

Here is the sto­ry of a real cool dude. Romeo’s his label, and he sho’ ain’t cru­de.
He went to a par­ty whe­re he wasn’t sup­po­sed to. He fell for a gal that he dan­ced real clo­se to.
Juliet, Juliet, yeah man.
The priest and the nur­se, they got the two together. They built ‘em a nest, like bir­ds of a fea­ther.
The pro­blem was the old man and old lady didn’t want Romeo to be her matey.
Capu­let, Mon­ta­gue, no man.
So he got in a fight with a real rough cat He kil­led him dead, and that was that.
The trou­ble was the dude was Juliet’s kin, And we all know blood’s thic­ker than skin.
Tybalt, Tybalt, po’ man.
The priest and the nur­se hat­ched ‘em a plan to fool Ver­o­na; Julie takes a pill, and they think she’s a goner.
The pro­blem was Romeo’s a loner. He got kick­ed out­ta town by the dudes of Ver­o­na.
Romeo, Romeo, whe­re you be? Yo, Man­tua by the sea.
He gets a mes­sa­ge the wrong way straight. He rides to Ver­o­na to see his mate.
When he arri­ves, he thinks he’s late; So he slays the Fren­ch­man and opens the gate.
Paris, Paris, po’ man.
He sees his chick taking a nap; He gets real fon­ky and starts to rap.
He takes out the poi­son and drinks it real quick; He ends his life to be with his chick.
Romeo, Romeo, po’ man.
The priest comes in way too late, He sees all the blood near the gate.
Julie yawns and she sits up straight; She spies the priest and asks for her mate,
“Romeo, Romeo, whe­re you be?”
“Lord, Child, can’t you see? Your dude is dead! No mo’ mis­ter! I’ll take you away and make you a sis­ter!”
Juliet, Juliet, po’ gal.
She sends him away. She says she won’t go. She picks up the cup and throws it on the flo’.
She gives her man a lon­ging kiss. She grabs his knife and dies in bliss.
Juliet, Juliet, po’ gal.
Now the Mon­ta­gues and Capu­lets, they made their pea­ce; They rai­sed up some sta­tu­es to show their grief.
For never was a sto­ry of more woe Than this one here of Juliet and Romeo.

1593:
Sha­ke­spe­a­re besluit de eer­ste ver­sie te bewer­ken nadat hij er niet in slaagt om in de top-10 charts van de hit­pa­ra­de te komen. Hij gooit het over een ande­re boeg om een gro­te­re doel­groep te berei­ken. Het nu vol­gen­de frag­ment is exem­pla­risch:

Romeo comes over and pus­hes me gent­ly back down on the fake fur. I try to rise up to kiss him – it’s so love­ly, the kis­sing – but he pus­hes me down, again. He likes to kiss me all over befo­re he does any­thing else. He starts with my eyes, and plants a ten­der kiss on each lid.
… He moves on to my ears, a kiss that makes my nip­ples stand erect, and me emit litt­le moans that drown out to my own ears the loud, dis­trac­ting sound of Cum­ber­batch swi­ping dock lea­ves and tea­ring nett­les and long gras­ses very clo­se to the ric­ke­ty stoop. Romeo’s hands are cares­sing my bre­asts, now, and I am allo­wed to kiss him back, but not for long, for he breaks off, to give each bre­ast the atten­ti­on it deser­ves. As he nib­bles and pulls with his mouth, his hands find my bush, and with light fin­gers he flut­ters about the­re, as if he is a moth cau­ght insi­de a lamp­sha­de.
Almost screa­ming after five ago­ni­zin­gly plea­su­ra­ble minu­tes, I make a grab, to put him, now angri­ly slap­ping against both our bel­lies, insi­de, but he holds both by arms down, and puts his ton­gue to my core, like a cat lap­ping up a dish of cream so as not to miss a sin­gle drop. I find myself grip­ping his ears and tug­ging at the locks cur­ling over them, besi­de myself, and a stran­ge ani­mal noi­se esca­pes from me as the moun­ting, thun­de­ring cres­cen­do over­ta­kes me.

1594:
Na een span­nen­de eind­strijd wint Sha­ke­spe­a­re the Bad Sex Fic­ti­on award met boven­staan­de scè­ne. Dit is aan­lei­ding voor hem om voor een laat­ste keer essen­ti­ë­le onder­de­len te her­schrij­ven.

1597:
Defi­ni­tie­ve publi­ca­tie van Romeo & Juliet:


Act 1, Sce­ne 5

ROMEO [To JULIET.]
If I pro­fa­ne with my unwort­hiest hand
This holy shri­ne, the gent­le sin is this:
My lips, two blus­hing pil­grims, rea­dy stand
To smooth that rough touch with a ten­der kiss.
JULIET
Good pil­grim, you do wrong your hand too much,
Which man­ner­ly devo­ti­on shows in this;
For saints have hands that pil­grims’ hands do touch,
And palm to palm is holy pal­mers’ kiss.
ROMEO
Have not saints lips, and holy pal­mers too?
JULIET
Ay, pil­grim, lips that they must use in pray­er.
ROMEO
O, then, dear saint, let lips do what hands do;
They pray — grant thou, lest faith turn to des­pair.
JULIET
Saints do not move, though grant for pray­ers’ sake.
ROMEO
Then move not, whi­le my prayer’s effect I take.
[Kis­ses her.]
Thus from my lips, by yours, my sin is pur­ged.
JULIET
Then have my lips the sin that they have took.
ROMEO
Sin from thy lips? O tres­pass sweet­ly urged!
Give me my sin again.
[Kis­ses her.]
JULIET
You kiss by th’ book.

~ ~ ~

Geïn­spi­reerd door Rachel John­son, die dit jaar (2008) de Bad Sex in Fic­ti­on Award heeft gewon­nen. Het is haar win­nen­de stuk­je tekst dat hier­bo­ven is gebruikt.

John Updi­ke heeft trou­wens een eer­vol­le ver­mel­ding voor z’n gehe­le oeu­vre gekre­gen.

Voor de vol­le­dig­heid ver­meld ik nog dat Romeo’s Rap geschre­ven is door Pat Alva­ra­do en de oer­ver­sie van Rode­wijn & Ani­ta is natuur­lijk her­ken­baar als een ech­te Hans Teeu­wen tekst.

~ ~ ~

Er schuilt geen echte kok in mij — en daar ben ik blij om!

Ik kan dus niet koken.

Het sta­di­um dat ik water liet aan­bran­den tij­dens eitjes koken ligt wel­is­waar ach­ter mij, maar daar­mee is toch wel een van de belang­rijk­ste wapen­fei­ten met­een bekend gemaakt.

Natuur­lijk lukt het mij nu een een­vou­di­ge maal­tijd samen te stel­len. Zeker wan­neer die gestoeld is op oer­hol­land­se ingre­di­ën­ten zoals aard­ap­pe­len, bloem­kool en stoof­lap­je. Maar ook maca­ro­ni en bami zijn gerech­ten die ik durf te berei­den en te ser­ve­ren.

Ech­ter, ik kan dus niet koken.

Want een ech­te kok ziet een gerecht voor zich wat nog niet bestaat. Wat nog nooit gemaakt is mis­schien. Er is nog geen recept voor­han­den, slechts het eure­ka gevoel dat met een beet­je van dit en een beet­je van dat er een eind­pro­duct kan ont­staan wat fan­tas­tisch zal sma­ken. En er nog mooi uit­ziet ook. Want het oog wil ook wat.

De ech­te kok kijkt naar een stuk vlees en weet al wel­ke behan­de­ling er nodig is om dit vlees opti­maal te gebrui­ken. Welk stuk­je het bes­te smaakt. Hoe dik of dun er gesne­den moet gaan wor­den. Hoe lang het op het vuur moet staan en met wel­ke krui­den. En zelfs hoe het uit­ein­de­lijk zal sma­ken. Alleen maar door er naar te kij­ken.

Ik kijk naar een stuk vlees, en zie een stuk vlees.
En pak het kook­boek om te zien wat er moet gebeu­ren. Snij­den, bak­ken of sto­ven, wach­ten, kook­wek­ker­tje erbij. Als de tijd voor­bij is, vol­gen­de han­de­ling. Niet proe­ven of het goed genoeg is, maar pre­cies vol­gens de tijds­re­gels van het recept. Geeft in de mees­te geval­len een goed resul­taat. Hier onder­schei­den zich de ech­te kok en ikzelf sterk van elkaar.

Maar waar we alle­bei het­zelf­de over den­ken is het idee dat we iets berei­den wat met smaak gege­ten kan wor­den. Waar iemand van kan genie­ten. In het geval van de ech­te kok ligt de lat hoog en wordt gestreefd naar een hemel­se smaak­sen­sa­tie, in mijn geval hoop ik dat men het voor­ge­scho­tel­de bord eten met smaak hele­maal op eet. En met een vol­daan gevoel van tafel gaat.

Waar ik niet op hoop.
Dat men een hap­je neemt.
Wat proeft.
Nog wat lan­ger proeft.
En dan alles uit­kotst!

Zoals een ech­te kok!

Zoals Gor­don Ramsay!

 

Hier ver­schil­len zich de ech­te kok en ikzelf ono­ver­brug­baar van elkaar.

~ ~ ~

Geschre­ven tij­dens de berei­ding van een heer­lij­ke Chi­li con Car­ne vol­gens het boekje/zakje.

~ ~ ~

Beklemmend speelgoed — een ode aan de fantasie

Bij­na pak­jes­avond en de brie­ven­bus raakt meer en meer ver­stopt met speel­goed­fol­ders. En met elke nieu­we dag die Opa en Oma dich­ter bij 5 decem­ber brengt, raken ze ver­der in de stress over hun geplan­de bij­dra­ge aan het sin­ter­klaas­feest voor hun klein­zoon. Zo jong en modern als ze den­ken te zijn kun­nen ze toch niet ont­ken­nen dat veel van het aan­ge­pre­zen speel­goed hen totaal niets zegt. En weten ze zich slechts met moei­te te ver­plaat­sen in de speel­goed­be­le­vings­we­reld van hun ruim 1,5 jaar oude klein­zoon.

Een uit­ge­le­zen kans doet zich voor als klein­zoon­lief een nacht­je komt loge­ren. Sys­te­ma­tisch wordt al het in huis aan­we­zi­ge speel­ge­rei tevoor­schijn gehaald en samen met de klei­ne dreu­mes ‘getest’. Na een klein half uur blijkt dat er bij hem een lich­te voor­keur bestaat voor speel­goed met wiel­tjes, speel­goed dat je kunt sta­pe­len en speel­goed dat geluid maakt. Maar echt veel wij­zer zijn Opa en Oma niet gewor­den.

Tot­dat het klei­ne man­ne­tje een klein groen mys­te­ri­eus doos­je ont­dekt. Met daar­in…
Mini-was­knij­pers!

Een nieu­we wereld gaat voor hem als­ook de ver­baas­de groot­ou­ders open. Want wat je al niet met mini-was­knij­pers kunt doen (in wil­le­keu­ri­ge volg­or­de):

• 16 stuks (let op, dit aan­tal schijnt belang­rijk te zijn, al weet men nog steeds niet waar­om) op de grond leg­gen, en ver­vol­gens wordt elke knij­per uiterst voor­zich­tig opge­pakt door de klein­ste in het gezel­schap en één voor één in de hand gelegd van ofte­wel Opa of Oma; op het moment dat de laat­ste knij­per bij de 15x ande­re gelegd wordt, dan telt men geza­men­lijk tot 3 om daar­na met veel gejoel en gespar­tel van armen en benen alle 16x knij­pers op de grond te laten val­len; en men begint over­nieuw; ad infi­ni­tum…

• Men kan een uiterst groe­ne gif­kik­ker nemen en deze ver­sie­ren met knij­pers (waar­bij men wel altijd aan­dacht moet beste­den aan het feit dat dit alleen bij speel­goed­die­ren geoor­loofd is)

• Een­maal ach­ter elkaar ver­bon­den heeft men niet mini-was­knij­pers op een rij­tje (duh), maar een slang, of een toren, of een liaan, of een etc, etc,

• Dezelf­de kik­ker kan zomaar ineens ver­an­de­ren in de wel­be­ken­de maar slechts spo­ra­disch voor­ko­men­de mini-was­knij­per­mon­ster (in de ver­te ver­want aan het koek­jes­mon­ster); dit dier eet vele knij­pers met genoe­gen op, zon­der daar noe­mens­waar­dig last van te heb­ben.

En zo zijn er nog vele manier te ver­zin­nen om jezelf als kind te ver­ma­ken met mini-was­knij­pers.

Dus de momen­teel uiterst relax­te Opa en Oma heb­ben alle speel­goed­fol­ders bij het oud papier gelegd en zijn bezig om een eigen cata­lo­gus samen te stel­len van aller­lei unie­ke vari­an­ten wat je kunt doen met mini-was­knij­pers. En heb­ben hun cadeau al klaar­staan: een star­ters set­je mini-was­knij­pers. Weg met lego!

Iemand nog tips?

~ ~ ~

Geïn­spi­reerd door Noah

~ ~ ~

Rattenvanger in moderne tijden

  • Fictief

In het stad­huis was het warm. Over­al stond de ver­war­ming op de hoog­ste stand. Zo ook in de raads­zaal waar de vol­tal­li­ge gemeen­te­raad bij­een was geko­men. Er was slechts één agen­da­punt deze avond: de beta­ling van de rat­ten­van­ger. Want voor de twee­de keer in de geschie­de­nis van het klei­ne stad­je in Neders­ak­sen had men te maken gehad met een rat­ten­plaag. Plot­se­ling waren ze van hein­de en ver­re opge­do­ken. En ook deze keer had alleen een mys­te­ri­eu­ze rat­ten­van­ger uit­komst kun­nen bie­den. Tegen een voor­af over­een­ge­ko­men prijs van één euro per rat, had de rat­ten­van­ger de opdracht aan­vaard en reeds de vol­gen­de dag mil­joe­nen rat­ten met zijn fluit­klan­ken regel­recht de rivier inge­lokt. Alwaar ze allen jam­mer­lijk ver­dron­ken en door het water mee­ge­voerd wer­den. En nu moest er betaald wor­den.

Bui­ten op het stad­huis­plein was het koud. Ijs­koud. Het was ten­slot­te al bij­na decem­ber en de eer­ste sneeuw al enke­le dagen gele­den geval­len. De rat­ten­van­ger liep rond­jes op het plein om zich warm te hou­den. Al enke­le uren wacht­te hij nu op z’n geld, maar nog steeds was er nie­mand uit het stad­huis naar bui­ten geko­men om hem z’n recht­ma­ti­ge beta­ling te over­han­di­gen. Wel kwa­men er steeds weer ande­re men­sen van­uit de stad naar het stad­huis en ver­dwe­nen naar bin­nen, om voor­als­nog niet weer naar bui­ten te komen.

Een eind bui­ten de stad was het druk. Hier had­den zich de rat­ten ver­za­meld die eer­der die dag mas­saal in de rivier waren gespron­gen, als schijn­baar daar­toe aan­ge­zet door de beto­ve­ren­de muziek van de rat­ten­van­ger. Ze waren onrus­tig, want al weer te lang bui­ten hun vei­li­ge en ver­trouw­de onder­ko­men diep in de inge­wan­den van de heu­vels rond­om Hame­len. Slechts spo­ra­disch kwa­men ze naar bui­ten, en dan alleen als de nood aller­hoogst was. En zover was het nu weer. Het was cri­sis. Door wan­be­leid waren ze door hun gehe­le voor­raad voed­sel en geld heen. En opnieuw moesten ze de alou­de truc met de rat­ten­van­ger uit­voe­ren. Een truc die altijd van suc­ces ver­ze­kerd was. Een­der geld of kin­de­ren was de belo­ning van het gehei­me samen­spel tus­sen de rat­ten en de rat­ten­van­ger. En bei­de kon­den ze deze keer goed gebrui­ken.

De rat­ten­van­ger keek voor de zoveel­ste keer op z’n hor­lo­ge. Ruim vier uren lie­ten ze hem nu wach­ten. Geld alleen zou al bij­na niet meer vol­doen­de com­pen­sa­tie zijn voor de tijd die ze hem hier bui­ten in de kou lie­ten door­bren­gen. Het zou hem wei­nig moei­te kos­ten om in het don­ker op zijn terug­weg rich­ting heu­vels, ergens enke­le klei­ne kin­de­ren mee te lok­ken. De gedach­te aan wat hij een­maal terug in z’n eigen grot met deze kin­de­ren zou kun­nen doen, deed de kou wat ver­dwij­nen. En de rat­ten zou­den op een mak­ke­lij­ke manier hun erg­ste hon­ger kun­nen stil­len.

Ergens hoop­te hij dat de bewo­ners van het stad­je het geld niet beschik­baar zou­den heb­ben.

De bur­ge­mees­ter had inmid­dels alle bemid­del­de stads­ge­no­ten bij zich geroe­pen om te zien of ze geza­men­lijk het ver­schul­dig­de bedrag com­pleet kon­den krij­gen. Maar tot nu toe waren ze nog niet op de helft. De wan­hoop werd gro­ter bij elke nieu­we bin­nen­ko­mer die zijn spaar­geld op de gro­te ver­ga­der­ta­fel leg­de. En ook niet in staat was om het gat te dich­ten.

Ter­wijl het angst­zweet in dun­ne straal­tjes over het voor­hoofd van de bur­ger­va­der liep, pro­beer­de de wet­hou­der van finan­ci­ën tegen beter weten in opnieuw in te log­gen op de schijn­baar geblok­keer­de spaar­re­ke­ning bij de Ice­Sa­ve Bank.

~ ~ ~

Geschre­ven onder het genot van ette­lij­ke gla­zen rode wijn.
Geïn­spi­reerd door het vol­gen­de nieuws­be­richt:

Hame­len kampt met rat­ten­plaag
18-11-2008 Door: NU.NL

(Hameln) — De Duit­se stad Hameln (Hame­len), bekend van het sprook­je van de Rat­ten­van­ger van Hame­len, kampt met een gro­te rat­ten­plaag. Dat heeft een woord­voer­der van de stad Hameln in Neders­ak­sen laten weten.
De zegs­man stel­de dat het aan­tal rat­ten in een gebied van volks­tuin­tjes aan de rand van de stad explo­sief is gegroeid. Hameln kan de die­ren niet op effec­tie­ve wij­ze bestrij­den, omdat er ondui­de­lijk­heid is over de eigen­doms­ver­hou­din­gen in het gebied.

Wil je nog eens nale­zen hoe het ech­te ver­haal van de Rat­ten­van­ger ook al weer ging, neem dan hier een kijk­je. Of kijk hier op Wiki­pe­dia voor ande­re inter­pre­ta­ties.

~ ~ ~

Stoppen met roken goed voor iedereen?

  • Fictief

“… vroe­ger … voor­goed … met roken …”
Van­we­ge een aan­hou­den­de hoest­bui kreeg ie slechts enke­le woor­den mee.
“Wat zei je?”
“Ik zei dus, dat ze vroe­ger bij ons in ’t dorp altijd zei­den dat iemand voor­goed gestopt was met roken. Wan­neer ie dus over­le­den was. Dat zei­den ze bij ons. Voor­al de oud­jes.”
Hij keek nog eens naar bene­den. Deze man zou dus gestopt zijn met roken. Als ie al rook­te. Of beter, gerookt had. Dat zou trou­wens nu nog maar moei­zaam gaan. Een gedeel­te van de onder­kaak was uit het gezicht van de man ver­dwe­nen. Daar­door had je nu vrij­uit zicht tot diep in de mond. Wat opviel was dat een hoop tan­den ont­bra­ken. Ook de tong van de man was op het eer­ste gezicht niet geheel com­pleet. En alles zat onder de bla­ren. Brand­bla­ren.

“Vol­gens mij wist ie echt niets.”
“Par­don?”
“Over de deal. Bedoel ik. Dat ie niks wist. Anders had ie heus wel iemand ver­linkt. Dus. Ik bedoel. Met wat er alle­maal met ‘m is gedaan. Jezus! Ik dacht dat ie de twee­de dag al te ver heen was. Met die strijk­bout. Dus. Hoe ver­zin je ‘t. Had je dat al ooit eer­der gedaan? Wat een brand­lucht! Ik dacht nog, dalijk komt de brand­weer bin­nen­val­len in plaats van de poli­tie. Haha­ha­ha. Snap je ‘m? De brand­weer.”
Nog steeds staar­de hij naar het lichaam dat daar bene­den aan z’n voe­ten lag. Bij­na had z’n eer­ste schot doel gemist omdat een plot­se­lin­ge hoest­bui hem over­val­len had. In plaats van keu­rig tus­sen de ogen was de kogel inge­sla­gen in de onder­kaak van de man. En was een twee­de schot nodig. Dat was ‘m nog nooit over­ko­men.

“Kun je ‘m een stuk­je deze kant opdu­wen?”
Pein­zend keek hij naar de bran­den­de siga­ret in z’n hand. Hele­maal opro­ken, of een sym­bo­lisch laat­ste trek­je, of gewoon met­een hele­maal stop­pen?
“Je hoeft ‘m echt maar een stuk­je te rol­len of zo. Met je voe­ten. Dan wor­den je han­den niet vuil. Laat het vui­le werk maar aan mij over. Da’s mijn spe­ci­a­li­teit. Ieder het zij­ne. Zeg ik altijd. Ik ben niet in de wieg gelegd voor dat gemar­tel en zo. Met al die instru­men­ten. Laat mij maar gewoon op de uit­kijk staan. Of rond­rij­den. Of een stuk­je gra­ven zoals hier. Da’s goed voor de con­di­tie. Kan dat luie zweet er uit. Haha­ha.”
Een flin­ke duw met de punt van z’n schoen was vol­doen­de om het lijk bin­nen het bereik van de man in de kuil te bren­gen. Ter­wijl die ver­der ging met het lijk hele­maal in de kuil te trek­ken, nam hij toch nog een trek van z’n siga­ret. Wat ‘m met­een weer een hoest­bui ople­ver­de.

Zeker van z’n zaak gooi­de hij de smeu­len­de siga­ret het lijk ach­ter­na de kuil in.
Z’n besluit stond vast. Van­daag zou hij stop­pen met roken.
Hij had nog zoveel te doen. Zoveel werk wat op hem wacht­te.

~ ~ ~
Geschre­ven onder het genot van ette­lij­ke kop­pen kof­fie, maar géén siga­ret­ten.
Geïn­spi­reerd door het vol­gen­de nieuws­be­richt:
Roe­meen gemar­teld wegens mis­luk­te drugs­deal
06-11-2008 Door: NOVUM
Een Roe­meen is vori­ge week gegij­zeld en een aan­tal dagen gemar­teld in een woning in Amster­dam-Zuid­oost. Ver­moe­de­lijk heeft de Roe­meen een bepaal­de par­tij hard­drugs niet gele­verd.
Zijn fami­lie werd onder druk gezet om los­geld te beta­len, meldt de poli­tie don­der­dag. Fami­lie­le­den kre­gen via inter­net film­pjes aan­ge­le­verd, waar­op was te zien dat het slacht­of­fer ern­stig werd gemar­teld. De Roe­meen werd gesla­gen, geschopt, en bedreigd met een hete strijk­bout. Nade­re details over de mar­te­ling wil de poli­tie niet vrij­ge­ven.

~ ~ ~