Survival of the ARBO fittest

Afge­lo­pen week bracht Emiel mij een bericht­je met als onder­werp ‘Fit­test’.
Emiel? Ja, Emiel. De naam die ik af en toe nog wel eens gebruik voor e‑mail. Niet door mij­zelf ver­zon­nen, maar door een oud-col­le­ga (in de peri­o­de waar­aan ik refe­reer was ze al dicht de pen­si­oen­ge­rech­tig­de leef­tijd gena­derd, dus eigen­lijk eer­der een oude oud-col­le­ga). In haar laat­ste Phi­lips­ja­ren moest ze nog aan de e‑mail, en regel­ma­tig bel­de ze de help­desk dat ze weer eens pro­ble­men had met Emiel.

Emiel dus con­fron­teer­de me met ‘Fit­test’. Wat me deed afvra­gen waar­voor ik bena­derd zou moe­ten wor­den in het kader van ‘Sur­vi­val of the fit­test’. Een niet vreem­de asso­ci­a­tie in dit Dar­win­jaar. Zeker omdat het een dub­bel Dar­win­jaar is: 200 jaar gele­den gebo­ren en 50 jaar later zijn belang­rijk­ste boek, On the ori­gin of spe­cies by means of natu­ral selec­ti­on, or the pre­ser­va­ti­on of favou­red races in the strug­gle for life, gepu­bli­ceerd.

Zou ik ‘natuur­lijk gese­lec­teerd’ zijn voor:

  • het natuur­lij­ke eind­punt van de men­se­lij­ke soort?
  • het natuur­lij­ke eind­punt van de ide­a­le part­ner voor de Rela­tie­pla­net vrouw?
  • het natuur­lij­ke eind­punt van de lezen­de mens?

Aldus droom­de ik mezelf een geva­ri­eer­de reeks van uit­ge­ë­vo­lu­eer­de types toe, wel­ke mij op het natuur­lij­ke lijf geschre­ven waren. Want, had ik deze week gele­zen, in de natuur werkt slechts het toe­val van blin­de natuur­krach­ten.

Dar­win wil­de zijn evo­lu­tie­ge­dach­te los­kop­pe­len van de meta­fy­si­sche en spe­cu­la­tie­ve idee­ën van eer­de­re filo­so­fen. Het ori­gi­ne­le van zijn bij­dra­ge is dat hij laat zien dat de ont­wik­ke­ling van een bepaal­de dier- of plan­ten­soort in een bepaal­de rich­ting wordt gestuurd, zon­der dat daar meta­fy­si­sche rede­nen voor zijn. Dar­win noem­de dit mecha­nis­me aan­van­ke­lijk ‘natu­ral selec­ti­on’. Deze term staat pro­mi­nent in de titel van zijn boek. Ach­ter­af was hij er onte­vre­den over. ‘Selec­tie’ was te pas­sief. De term liet onvol­doen­de door­klin­ken dat via dit mecha­nis­me ook gecom­pli­ceer­de orga­nis­men kun­nen ont­staan uit een­vou­di­ge levens­vor­men. Later gebruik­te hij bij voor­keur de uit­druk­king ‘sur­vi­val of the fit­test’, een term die hij ont­leen­de aan de filo­soof Her­bert Spen­cer.

En natuur­lijk zie ik mij­zelf (niet alleen in m’n dro­men) als een gecom­pli­ceerd orga­nis­me wel­ke is ont­staan uit een een­vou­di­ge levens­vorm. Maar in wel­ke hoe­da­nig­heid was men op zoek naar mij? Waar­voor zou ik een Dar­win Award uit­ge­reikt gaan krij­gen?

De wer­ke­lijk­heid was (zoals zo vaak) ont­nuch­te­rend.

Emiel liet weten dat ik uit­ge­no­digd was voor de Arbo Unie Fit­test:

Uw werk­ge­ver stelt u van­uit ‘goed werk­ge­ver­schap’ in de gele­gen­heid om deze gezond­heids­check te onder­gaan. De deel­na­me aan dit onder­zoek is vrij­wil­lig. De indi­vi­du­e­le uit­kom­sten van het onder­zoek zijn strikt ver­trou­we­lijk, val­len onder het medisch geheim en wor­den alleen aan u terug­ge­kop­peld en zijn niet toe­gan­ke­lijk voor uw werk­ge­ver.

De fit­test bestaat uit het vol­gen­de:

Bio­me­trie door de dok­ters­as­sis­ten­te
— Lengte/gewicht
— Bloed­druk
— Visus­test
— Gehoor­test
— Bloed­af­na­me voor cho­les­te­rol en glu­co­se

Fit­test door de bedrijfs­fy­si­o­the­ra­peut
— Body­Mass Index
— Vet­per­cen­ta­ge­me­ting
— Knijp­kracht­me­ting
— Lenig­heids­test:
— Zit- en reik­test
— Schou­der­le­nig­heid­test
— Long­func­tie­test (peak­flow­me­ting)
— Con­di­tie­test (Sub­maxi­ma­le fiets­test van 6 minu­ten)
— Scan fysie­ke klach­ten

Pas nu schoot mij te bin­nen dat ik een week eer­der via Emiel te horen had gekre­gen dat ik een vra­gen­lijst dien­de in te vul­len. De ant­woor­den zou­den gebruikt wor­den in de nog te vol­gen gezond­heids­check. In het kort had ik de vra­gen­lijst min of meer waar­heids­ge­trouw als volgt inge­vuld:

Ik voel me gezond
want, des­on­danks, mits, maar (door­ha­len wat niet van toe­pas­sing is),
Ik sport niet
Ik rook niet (meer)
Ik drink niet te min niet­te­min

De uit­no­di­ging is voor over twee weken. Een kor­te peri­o­de die ik hoogst­waar­schijn­lijk ga gebrui­ken om m’n real-life con­di­tie iets meer rich­ting gesug­ge­reer­de con­di­tie te bren­gen. Het zal toch niet zo ver komen dat ik m’n fit­test niet sur­vi­ve?

[upda­te woens­dag­avond 25 febru­a­ri 21:15 uur]
BMI 21,6 (kg/m2)
bloed­druk OK
gehoor OK
zien OK
lenig­heid OK
knijp­kracht OK
long­in­houd OK
con­di­tie.…. Bij­na OK

Advies: meer bewe­gen!

~ ~ ~

Het bushokje dat geen bushokje was

  • Fictief

Ter­wijl ik bezig was met de beklim­ming, had mijn bril reeds de afda­ling inge­zet. Gelijk het zweet gleed het lich­te mon­tuur rich­ting neus­punt­je. Gri­mas­send pro­beer­de ik een hou­vast te bie­den aan de neus­steun­tjes zodat ze zich in hun neer­waart­se baan ergens aan kon­den vast­klam­pen. Mijn han­den zaten vast­ge­klon­ken aan het stuur van de race­fiets waar­op ik zwoe­gend tegen de stroom van smel­tend asfalt mijn weg omhoog zocht. De zon brand­de onbarm­har­tig in mijn nek en op het weg­dek. Met elke vol­gen­de omwen­te­ling van de wie­len werd nieuw asfalt om het fra­me aan­ge­bracht. Ik reed op een fiets van teer en was één met de weg.

Een bus haal­de mij in. De pas­sa­giers keken mij aan. Hun koe­le blik­ken zorg­den voor ver­fris­sing. Dade­lijk, in de afda­ling na de top, zou de bus mijn prooi wor­den. Op mijn gebeeld­houw­de fiets zou ik als een kanons­ko­gel naar bene­den sui­zen.

Ik staar­de over de gla­zen van mijn bril naar die top waar de bus inmid­dels stond gepar­keerd. Direct ach­ter een reeds aan­we­zi­ge bus. Uit het bus­hok­je begon­nen men­sen te komen. Ze zweef­den de voor­ste bus in. Tien­tal­len. Tot­dat het de bus genoeg was en ver­trok. Bij­na was ik bij de twee­de bus aan­ge­ko­men. Die trok een stuk­je op. Om me te pla­gen. Deu­ren gin­gen open en de pas­sa­giers vloei­den het bus­hok­je bin­nen.

Alles sloot zich toen ik bij de top kwam. Ik stap­te van mijn fiets die als een sok­kel in het asfalt bleef staan. Mijn bril hing aan één oor. De bus­chauf­feur – een vrouw – knip­oog­de naar me. Met een zucht dook ze de diep­te in.

Het bus­hok­je was geslo­ten als een oes­ter. Ik liet me naast haar val­len in het dro­ge gras. Er klonk geluid uit haar buik. Ze zei: “Ik ben geen bus­hok­je, maar de ingang naar een grot­ten­stel­sel waar je kunt fiet­sen en wan­de­len.” Daar moest ik heel lang over naden­ken. Op zoek naar hou­vast her­haal­de ik wat ze mij toe­ver­trouwd had: “Dus je bent geen bus­hok­je”.
“Nee, ik ben een wiel­ren­ner, en in het dage­lijks leven een account­ma­na­ger. En jij bent ook geen bus­hok­je. En dit is, zoals ik net zei, de ingang naar een grot­ten­stel­sel”.

Boven me toren­de de gestal­te van Kees, mijn fiets­vriend. “Je ziet er slecht uit,” zei hij. “Je moet wat meer drin­ken en een pet opzet­ten. Straks krijg je nog een zon­ne­steek”.

Het bus­hok­je dat geen bus­hok­je was begon gedempt te lachen.

~ ~ ~

Febru­a­ri­op­dracht van Het fan­ta­sie­rijk:
Het is koud, win­de­rig en nat. Maar, met een beet­je geluk pik je een win­ters zon­ne­tje voor de vol­gen­de opdracht.
Trek je jas aan en sluit je pc maar af, we gaan naar bui­ten!
Dit keer vra­gen we de deel­ne­mers een tijd­je in een bus­hok­je door te bren­gen. Je vraagt je af of er niets inspi­re­ren­ders bestaat? Ja, dat klopt. Pre­cies om die reden valt de keus dan op iets wat min­der erg is dan de brie­ven­bus, maar las­ti­ger dan de plaat­se­lij­ke markt.

~ ~ ~

Indiërs op de Ginkelse Hei

Alweer ruim twee jaar rij ik elke werk­dag over de N224 van Arn­hem naar Ede. En ’s avonds rijd ik net zo braaf weer terug naar huis.

Toen mijn hui­di­ge werk­ge­ver van Veen­en­daal naar Ede ver­huis­de was het even zoe­ken naar een geschik­te rou­te naar de nieu­we werk­plek. Zou het de kort­ste weg wor­den via de snel­we­gen A50 en A12? Of lek­ker rus­tig bin­nen­door over de reeds ver­mel­de N224? Voor wie elke dag de file-berich­ten beluis­terd en voor wie ook nog weet dat ik een broer­tje-dood heb aan het gejak­ker en gejaag op de Neder­land­se snel­we­gen, hoeft het geen ver­ras­sing te zijn dat het de rus­ti­ge bin­nen­weg is gewor­den. Aldus rij ik zoals gezegd elke och­tend heer­lijk op m’n gemak over de Gin­kel­se Hei voor­dat ik m’n autootje in de par­keer­ga­ra­ge ach­ter­laat en enke­le uren op kan­toor ga door­bren­gen.

Niets bij­zon­ders, toch?

Afge­zien van het feit dat het uit­zicht ook die och­tend weer adem­be­ne­mend was, pas­seer­de ik de Gin­kel­se Hei afge­lo­pen maan­dag in gedach­ten ver­zon­ken over het pro­gram­ma van de twee­de week van de work­shop die ik geor­ga­ni­seerd had. De eer­ste week was goed ver­lo­pen ondanks dat ikzelf niet hele­maal fit was. Voor­af­gaand aan de work­shop had ik het hele week­end met koorts in bed gele­gen. Op maan­dag met veel moei­te en de nodi­ge medi­cij­nen de eer­ste dag door­ge­ko­men. Elke vol­gen­de dag ging iets beter, en op het eind van de eer­ste week voel­de ik mezelf wel­is­waar flink uit­ge­put maar ook erg vol­daan. De aftrap van het pro­ject was ach­ter de rug en de eer­ste resul­ta­ten van de work­shop waren hoop­ge­vend. Op vrij­dag­mid­dag kon ik dan ook de bei­de Ame­ri­ka­nen bedan­ken voor hun bij­dra­ge en ze een vei­li­ge reis wen­sen terug naar de VS. De twee Indi­ërs die ook over waren geko­men zou­den het week­end beste­den aan toe­ris­ti­sche trips in ons mooie land en nog een week blij­ven om het ver­za­mel­de mate­ri­aal ver­der met mij uit te wer­ken. Over dat laat­ste zat ik na te den­ken die maan­dag­och­tend.

Op het werk trof ik de indi­ërs in opper­bes­te stem­ming aan. De zater­dag had­den ze in Amster­dam (waar anders?) door­ge­bracht en zon­dag waren ze naar Arn­hem gegaan. Arn­hem? Ja, Arn­hem! Waar voor­al Nage­sh op had aan­ge­dron­gen. De reden dat hij naar Arn­hem wil­de had te maken met ope­ra­tie Mar­ket Gar­den. Het bleek dat hij goed op de hoog­te was van wat zich tij­dens WO-II in Euro­pa en Neder­land had afge­speeld. Res­pect­vol wist hij te ver­tel­len over de pogin­gen van de geal­li­eer­den om hal­ver­we­ge 1944 ons land te bevrij­den van de Duit­se bezet­ter. In Arn­hem had­den ze plek­ken en musea bezocht die hij tot nu toe alleen maar uit boe­ken en films ken­de. Hij was diep onder de indruk geraakt. Ajay was intus­sen meer en meer aan­ge­sto­ken door het enthou­si­as­me van Nage­sh en wist inmid­dels ook een hoop te ver­tel­len van wat er alle­maal voor­ge­val­len was in deze omge­ving. En bracht op een gege­ven moment het Air­bor­ne monu­ment op de Gin­kel­se Hei ter spra­ke.

Een monu­ment dat ik iede­re werk­dag twee keer pas­seer. Maar dat hele­maal niet wist. Nooit gezien had.

Om mijn onwe­tend­heid te ver­ber­gen bood ik spon­taan aan om nog die­zelf­de week het monu­ment ’s mid­dags tij­dens lunch­tijd met hen te gaan bezoe­ken. Het is ten­slot­te hoog­uit een minuut of 10 rij­den. De afspraak werd vast­ge­legd voor de vol­gen­de dag. Wat mij gele­gen­heid gaf om me te ver­die­pen in wat zich had afge­speeld op de Gin­kel­se Hei in 1944. Die­zelf­de avond begon ik te lezen op inter­net.

Ik las over John Jef­freys:

John is een Mar­ket Gar­den-vete­raan, en inmid­dels 87 jaren oud.

We schrij­ven zon­dag 17 sep­tem­ber 1944. De bezet­ters heb­ben de Gin­kel­se Hei­de in han­den en daar­mee 1 van de belang­rij­ke aan­voer­rou­tes naar Arn­hem. De Geal­li­eer­den heb­ben een ver­ras­sings­aan­val (Mar­ket Gar­den) voor­be­reid en rond een uur of 3 ’s mid­dags vlie­gen er onge­veer 120 vlieg­tui­gen boven de Gin­kel­se Hei­de waar­uit een klei­ne 1000 para­troop­ers sprin­gen. Dit geeft enor­me gevech­ten en uit­ein­de­lijk krij­gen de bezet­ters het groot­ste gedeel­te van de hei­de weer in han­den. Ze ste­ken hier­na de hei­de in brand. De Engel­sen vlucht­ten rich­ting Ede.

Maan­dag 18 sep­tem­ber 1944, weer een ver­ras­sings­aan­val. Ech­ter, de bezet­ters zijn nu voor­be­reid. Ze heb­ben zwaar afweer­ge­schut in de bos­sen langs de N224 geplaatst. John is één van de para­troop­ers op deze dag. Boven de hei­de ziet hij “a pre­lu­de of hell”, een voor­por­taal van de hel. Het groot­ste gedeel­te van de hei­de staat in brand, kogels vlie­gen dwars door de vlieg­tui­gen heen, dode kame­ra­den lig­gen in het vlieg­tuig of han­gen dood aan hun para­chu­te. Met vol­le muni­tie­be­pak­king en zon­der aar­ze­ling springt John. Hal­ver­we­ge het vlieg­tuig en de hei­de wordt hij geraakt door afweer­ge­schut. De kogel gaat via z’n lin­ker­dij­been z’n rech­ter­zij weer uit. John komt zwaar­ge­wond neer en hij ziet leven­de, gewon­de en dode collega’s in de gro­te brand terecht­ko­men. Uit alle macht pro­beert hij bui­ten de vlam­men te blij­ven en uit­ein­de­lijk heb­ben Pool­se collega’s hem in vei­lig­heid kun­nen bren­gen. Ope­ra­tie Mar­ket Gar­den is, zoals bekend mis­lukt. John is her­steld in een hos­pi­taal in Oos­ter­beek en is hier­na naar Duits­land getrok­ken om ver­der te vech­ten voor de bevrij­ding. Hier is hij nog gevan­gen geno­men en in een kamp geplaatst. Tot de bevrij­ding.

In totaal is John 14 maal naar de her­den­kin­gen geko­men. Al die jaren daar­voor durf­de hij niet. Hij was bang dat de Neder­lan­ders de Engel­sen kwa­lijk zou­den nemen dat Mar­ket Gar­den was mis­lukt.

Ik las nog veel meer. Het bezoek aan het monu­ment en de Gin­kel­se Hei was hier­na voor zowel Nage­sh en Ajay als­ook voor mij een bij­zon­de­re gebeur­te­nis. Mijn gede­tail­leer­de fei­ten­ken­nis (in kor­te tijd er in gestampt zoals ik me vroe­ger voor­be­reid­de voor een proef­werk) zorg­de er voor dat ik vol­doen­de te ver­tel­len had ter­wijl we een stuk­je over het ver­la­ten en win­de­ri­ge hei­de­land­schap wan­del­den. Nadat we nog wat foto’s had­den geno­men zijn we weer terug gere­den naar kan­toor.

De rest van de week bleef dit uit­stap­je een terug­ke­rend gespreks­on­der­werp. Voor­al toen ik de vol­gen­de dag de foto’s liet zien die ik geno­men had. Eén ervan vat­te vol­gens Nage­sh het gevoel wat hij op die plek had gehad goed samen. Op de foto staan Nage­sh en Ajay samen met onze IT mana­ger onder een een­za­me kale boom. Er hangt een troos­te­loos­heid over het beeld wat vol­gens hem sym­bo­lisch was voor de plek. Er zit wel iets in.

Van­daag zijn ze terug­ge­vlo­gen naar India. Ajay via Parijs en Nage­sh via Frank­furt. Toe­val? Want Ajay spreekt een aar­dig mond­je Frans sinds hij daar een tijd­je heeft gewerkt. Gedu­ren­de zijn ver­blijf is hij zich gaan ver­die­pen in de Euro­pe­se cul­tuur. Z’n spaar­za­me vrije tijd heeft hij gebruikt om diver­se plaat­sen te bezoe­ken. En Nage­sh ver­baas­de me toen hij plot­se­ling Duits begon te spre­ken. Een vijf­tal jaar gele­den gaan leren omdat hij in een pro­ject voor een Duit­se fir­ma ging wer­ken. Wie weet, mis­schien ging hij wel naar Duits­land. Een­maal met Duits begon­nen was ook bij hem al snel de inte­res­se gewekt om meer te weten over onze Wes­ter­se cul­tuur.

Inmid­dels spra­ken ze bei­den al enke­le zin­nen Neder­lands.

Bij het afscheid nemen vroeg Nage­sh mij of ik dit jaar in sep­tem­ber foto’s wil­de maken op de Gin­kel­se Hei. Niet alleen van de her­den­king, maar om te laten zien hoe de hei er in sep­tem­ber bij ligt. Hij hoop­te dat het dan niet zo’n treu­rig beeld zou zijn. Dat de para­troop­ers, ter­wijl ze aan hun onbe­stuur­ba­re para­chu­tes han­gend lang­zaam in de vuur­zo­ne van de duit­sers terecht­kwa­men, een zeke­re dood tege­moet, nog een stuk­je troost kon­den vin­den in het beeld van een bloei­en­de hei. Daar zat hij name­lijk echt mee.

Natuur­lijk ga ik die foto’s maken.

Elke werk­dag zal ik daar aan her­in­nerd wor­den wan­neer ik over de Gin­kel­se Hei rij.

Wat ik ver­der ook ga doen?
Mezelf wat meer ver­die­pen in India.

~ ~ ~

De jongen in de gestreepte pyjama — John Boyne

Van­daag las ik een uit­spraak van Joe Biden (vice-pre­si­dent naast Barack Oba­ma). Het schijnt dat hij het vol­gen­de ooit heeft gezegd: “We heb­ben ons laten aflei­den van het wer­ke­lij­ke gevaar, dat per schip, per vlieg­tuig of in een rug­zak het land bin­nen­komt.” Het was een waar­schu­wing die hij uit­sprak als voor­zit­ter van het Foreign Rela­ti­ons Com­mit­tee, en was gericht tegen Geor­ge W. Bush. Niet bij­zon­der opval­lend en niet bij­zon­der drei­gend. Tot­dat we de timing erbij betrek­ken. Hij zei dit name­lijk op 10 sep­tem­ber 2001. En plot­se­ling krijgt de uit­spraak meer lading, omdat we alle­maal weten wat er een dag later gebeur­de. Zon­der deze ken­nis is het een waar­schu­wing zoals zove­len. Is het moge­lijk dat je zo’n zin kunt lezen ter­wijl je pro­beert de gebeur­te­nis van een dag later er niet bij te betrek­ken? Dat lijkt me moei­lijk.

Zo is het ook met het boek van John Boy­ne, De jon­gen in de gestreep­te pyja­ma. In dit jeugd­boek, wat pri­ma gele­zen kan wor­den door vol­was­se­nen, krij­gen we de bele­ve­nis­sen voor­ge­scho­teld van de 9‑jarige Bru­no. En het is Bru­no zelf die ver­haal doet. Door zijn ogen zien we de wereld om hem heen. En zijn ver­haal begint op het moment dat hij op een mid­dag van school komt en men bezig is om alle huis­raad in te pak­ken voor een gro­te ver­hui­zing. Dat ver­baast Bru­no ten zeer­ste, want hij is erg gehecht aan het gro­te huis wat ze bewo­nen. Ergens in een mooie rus­ti­ge wijk van Ber­lijn. De ver­hui­zing is ech­ter defi­ni­tief en dient op kor­te ter­mijn te gebeu­ren. Het heeft alles te maken met de nieu­we baan van Bruno’s vader. Zijn vader waar hij best wel trots op is, en die altijd van die mooie uni­for­men draagt. Dus ver­huist het hele gezin naar de nieu­we werk­plek van Bruno’s vader. Waar het gro­te avon­tuur begint.

“Toen ik klein was, “ zei Bru­no tegen zich­zelf, “vond ik het leuk om op ont­dek­kings­reis te gaan. En dat was in Ber­lijn, waar ik alles ken­de en met mijn ogen dicht over­al de weg kon vin­den. Hier ben ik nog niet echt op ont­dek­kings­reis geweest. Mis­schien moet ik daar eens mee begin­nen.”
Voor hij van mening kon ver­an­de­ren sprong hij van zijn bed en zocht in zijn kle­ren­kast naar een over­jas en een paar oude laar­zen – het soort kle­ren waar­van hij dacht dat een ech­te ont­dek­kings­rei­zi­ger ze zou dra­gen – en maak­te zich gereed om het huis uit te gaan.
[blz. 95]

Op zijn eer­ste ont­dek­kings­reis komt Bru­no een jon­ge­tje tegen waar­mee hij later vriend­schap sluit. Het is Schmu­el, die aan de ande­re kant van het hek woont. Een hek dat Bru­no al op de eer­ste dag van­uit zijn slaap­ka­mer­raam ziet, maar waar­van hij (en zijn zus­je) niet de bete­ke­nis kun­nen door­gron­den. Zo ver als ze kun­nen zien loopt het hek door en aan de ande­re kant van het hek leven men­sen. Oude men­sen, jon­ge men­sen, vrou­wen, man­nen. En die dra­gen alle dezelf­de kle­ren. Een soort gestreep­te pyjama’s.
Afijn, een goed ver­staan­der heeft slechts genoeg aan een half woord. Maar voor die­ge­nen die het nog niet vat­ten legt de schrij­ver Bru­no nog een aan­tal kin­der­lij­ke ver­spre­kin­gen in de mond. Zo krijgt de vader van Bru­no zijn nieu­we baan aan­ge­bo­den nadat een belang­rijk iemand, de Furie genaamd, bij hen op bezoek is geweest. En de plaats waar het gezin naar­toe ver­huist heet Oud­wis. Tsja.

Kort­om, het wordt er nog­al dui­men­dik boven­op gelegd dat Bru­no pal tegen­over het kamp Auschwitz is komen te wonen. En dat zijn vader daar een nieu­we func­tie als kamp­com­man­dant heeft betrok­ken. Dat zet de vriend­schap tus­sen Schmu­el en Bru­no natuur­lijk in geheel ander dag­licht. Een wrang dag­licht, omdat Bru­no de naï­vi­teit ten top is, en maar niet kan begrij­pen waar­om de men­sen aan de ande­re kant van het hek er zo slecht bij lopen. Zelfs de gewel­da­di­ge acties van de sol­da­ten in zijn omge­ving kan Bru­no niet plaat­sen of ver­dringt hij. Schmu­el bezit meer levens­er­va­ring, maar slaagt er ook niet de ernst (of treur­nis zo men wil) van de situ­a­tie aan Bru­no over te bren­gen. Zie hier een typi­sche dia­loog:

“De trein was ver­schrik­ke­lijk,” zei Schmu­el. “Om te begin­nen zaten we met veel te veel men­sen in de wagons. En je kon bij­na geen lucht krij­gen. En het stonk afschu­we­lijk.”
“Dat komt omdat jul­lie met z’n allen in dezelf­de trein gin­gen,” zei Bru­no, die dacht aan de twee trei­nen die hij op het sta­ti­on had gezien toen hij uit Ber­lijn ver­trok. “Toen wij hier­naar­toe kwa­men stond er nog een trein aan de ande­re kant van het per­ron maar het leek wel of nie­mand die zag. Dat was de trein waar wij mee gin­gen. Daar had je ook in moe­ten stap­pen.”
“Ik denk niet dat we dat had­den gemo­gen,” zei Schmu­el met zijn hoofd schud­dend. “We kon­den niet uit onze wagon komen.”
“De deu­ren zit­ten aan het eind,” leg­de Bru­no uit.
“Er waren geen deu­ren,” zei Schmu­el.
[blz. 123]

Aldus blij­ven we gevan­gen in het wereld­beeld van Bru­no alhoe­wel we uiter­aard heel goed besef­fen dat de vriend­schap tus­sen hem en Schmu­el niet goed kan aflo­pen. En dat doet het dan ook niet. Maar wel com­pleet anders dan ver­wacht. Het slot­ak­koord in het voor­laat­ste hoofd­stuk doet je de keel dicht­knij­pen. Wat Bru­no over­komt wordt sym­bool voor het onnoem­ba­re leed de joden in Auschwitz aan­ge­daan. En het is aan de vader van Bru­no om in het laat­ste hoofd­stuk uit te zoe­ken wat er pre­cies is gebeurt. Dat lukt hem, en het is tevens het laat­ste wat hij bij zijn vol­le ver­stand heeft gedaan. Daar­na is het afge­lo­pen.

Maar bleef ik over met de vraag: “Stel je hebt nooit gehoord van WO-II en de End­lö­sung? Wat denk je dan gele­zen te heb­ben?” Want het is ten­slot­te een jeugd­boek. En niet elke jon­ge­re is vol­le­dig op de hoog­te van wat in de Twee­de Wereld­oor­log de Joden is over­ko­men. Toch!? Mocht dat zo zijn, dan hou je een ver­haal over wat rede­lijk recht­lij­nig is en in sim­pe­le bewoor­din­gen de ver­hui­zing van een klei­ne jon­gen naar een nieu­we woon­plaats beschrijft. Het ein­de zal dan bevreem­dend aan­doen en het zal mis­schien moei­lijk te plaat­sen zijn of het goed of slecht met Bru­no en Schmu­el afloopt. Er zit wel een drei­gen­de toon in het voor­laat­ste hoofd­stuk, maar het hoop­vol­le gevoel van Bru­no zou kun­nen klop­pen. Pas in het laat­ste hoofd­stuk zou men besef­fen dat er iets gron­dig mis is, gezien de reac­tie van Bruno’s vader. Maar men blijft in het onge­wis­se over de exac­te toe­dracht.
Daar­voor heeft men dus de con­text nodig. En alleen daar­door krijgt het boek z’n extra lading. De tra­giek wordt ver­zorgd door het levens­ech­te decor van alle ver­dwe­nen Joden in kamp Auschwitz die in hun gestreep­te pyjama’s ooit van­uit Bruno’s slaap­ka­mer­raam te zien waren. Op weg naar hun indi­vi­du­e­le voor­laat­ste hoofd­stuk.

Natuur­lijk gebeur­de dit alle­maal heel lang gele­den en kan zoiets nu niet meer gebeu­ren.
Niet in onze tijd.
[blz. 204]

~ ~ ~

Notulen Evaluatie Vlucht AZ454

  • Fictief

Notu­len: Nr. 2009–001044 Vlucht­ha­ven Ancho­ra­ge
Onder­werp: Eva­lu­a­tie m.b.t. inci­den­ten rond­om Vlucht AZ454
Datum: Janu­a­ri 13, 2009
Tijd: 21.00 – 22.00 uur
Aan­we­zig: X [Team­ma­na­ger], Y [super­vi­sor Ver­keers­to­ren], Z [super­vi­sor Onder­houd], A [super­vi­sor Aan­komst & Ver­trek], B [super­vi­sor Pro­ce­du­res en Kwa­li­teit], PP [mede­wer­ker Pro­ce­du­res en Kwa­li­teit]
Voor­zit­ter: X
Notu­list: PP
Clas­si­fi­ca­tie: BEDRIJFSGEHEIM

De voor­zit­ter opent de ver­ga­de­ring en heet de aan­we­zi­gen wel­kom.

X:
Con­sta­teert dat hij nog nooit zoveel heeft zien fout gaan als bij Vlucht AZ454. Is teleur­ge­steld in alle betrok­ken afde­lin­gen. Wil deze mee­ting niet gebrui­ken om zon­de­bok­ken aan te wij­zen, maar ver­wacht een actie­plan hoe dit in de toe­komst te voor­ko­men.

Y:
Beschrijft hoe en wan­neer Vlucht AZ454 van de radar ver­dween. Via check­list bleek dat een essen­ti­eel onder­deel tij­de­lijk (58 sec.) niet gefunc­ti­o­neerd had. Het bewus­te onder­deel is in ieder geval tij­dens de laat­ste twee onder­houds­beur­ten niet gecon­tro­leerd.

Z:
Geeft toe dat de laat­ste twee onder­houds­beur­ten niet vol­le­dig zijn uit­ge­voerd. Heeft geen excuus anders dan werk­druk. Neemt de actie op zich om een onder­zoek naar de radar­in­stal­la­tie asap af te ron­den. Als­ook de actie om aan­dacht te beste­den aan de rol en ver­ant­woor­de­lijk­heid die de onder­houds­mon­teurs heb­ben.

X:
Stelt voor om over te gaan naar het onder­werp van de fou­tie­ve pas­sa­giers­lijst.

A:
Hoogst­waar­schijn­lijk heeft het te maken met de gedeel­te­lijk over­lap­pen­de vlucht­num­mers (AZ454 vs ZA544). Maar er zou­den vol­doen­de checks in het com­pu­ter­sys­teem moe­ten zit­ten om dit te voor­ko­men. Sug­ge­reert dat er mis­schien een bug in het sys­teem zit.

B:
Is het hier niet mee eens. Zij heeft het ver­moe­den dat de pro­ce­du­res niet cor­rect zijn gevolgd.

A:
Geeft aan dat de pro­ce­du­res con­ti­nu wij­zi­gen.

B:
Ver­wijt A dat ze haar per­so­neel niet tij­dig aan­meldt voor nieu­we trai­nin­gen.

X:
Grijpt in. Vraagt zich af waar­om er dan geen fout­mel­ding ver­schijnt i.p.v. een (fou­tie­ve) pas­sa­giers­lijst.

B:
[geen ant­woord]
Krijgt de actie voor een uit­ge­brei­de sys­teem­test en alle docu­men­ta­tie te upda­ten.

X:
Wil van A weten waar­om er zo stug is vast­ge­hou­den aan de fou­tie­ve pas­sa­giers­lijst en er totaal niet geluis­terd is naar de pas­sa­giers van Vlucht AZ454.

A:
Was op de hoog­te van het feit dat de vlucht van de radar was ver­dwe­nen, maar niet dat dit aan een defec­te radar had gele­gen. Men was voor­be­reid op de aan­komst van een groep jon­ge­ren die een excur­sie kwa­men doen. Groot was de ver­ba­zing toen er uit het vlieg­tuig een aan­tal hoog­zwan­ge­re vrou­wen plus lang­be­baar­de man­nen ver­scheen. De pas­sa­giers wer­den met­een apart gezet en gron­dig ver­hoord.

X:
Is erg benieuwd of het inwen­dig onder­zoek bij de zwan­ge­re vrou­wen als­ook het onbe­hol­pen gedoe om de echt­heid van de baar­den te con­tro­le­ren daad­wer­ke­lijk nodig was. En of A snapt dat het door de pas­sa­giers als zeer ver­ne­de­rend is erva­ren…

A:
[geen ant­woord]

X:
…en of hij de klach­ten­stroom die inmid­dels op gang is geko­men linea rec­ta kan door­stu­ren naar A, en of hij de hoogst­waar­schijn­lijk gigan­ti­sche scha­de­claims op haar kan ver­ha­len…

A:
[loopt weg]

B:
Stelt voor om de mee­ting even te onder­bre­ken voor een kor­te pau­ze.

X:
Roept dat het hele zooi­tje onge­re­geld eerst maar eens de puin­hoop moet oplos­sen voor­dat ze aan een pau­ze mogen den­ken en loopt woe­dend het kan­toor uit om niet meer voor een ver­volg van deze mee­ting terug te keren.

Beslo­ten wordt om een ver­volg­mee­ting op kor­te ter­mijn te laten uit­schrij­ven door B.

~ ~ ~

Geschre­ven voor het Fan­ta­sie­rijk:
Opdracht voor Janu­a­ri:
“In de buurt van de Ale­oe­ten ver­dwijnt vlucht AZ 454 van de radar­scher­men. De ver­keers­lei­ders staan op het punt om alarm te slaan als het toe­stel plot­se­ling weer opduikt. Later zal onder­zoek leren dat het slechts 58 secon­den uit beeld is geweest. Toch blij­ken alle man­ne­lij­ke beman­nings­le­den en pas­sa­giers bij aan­komst in Ancho­ra­ge lan­ge baar­den te heb­ben. Vier van de vijf ste­war­des­sen en twaalf van de vrou­we­lij­ke pas­sa­giers aan boord zijn zwan­ger. De zwar­te doos regi­streert alleen de laat­ste der­tig minu­ten van een vlucht en kan ons dus niets wij­zer maken. Dat­zelf­de geldt helaas voor de beman­ning en de pas­sa­giers. Zij kun­nen zich niets bij­zon­ders her­in­ne­ren.”

Rara, wat is er gebeurd tij­dens vlucht 454? (Be)schrijf het in maxi­maal 500 woor­den en plaats het voor 1 febru­a­ri op het Fan­ta­sie­rijk. O ja, aliens zijn niet toe­ge­staan.

~ ~ ~