MvdG: Kan ons verleden bij het grof vuil?

Op de kolo­ni­sa­tie volg­de de deko­lo­ni­sa­tie, op de deko­lo­ni­sa­tie de post­ko­lo­ni­a­le migra­ties. De migran­ten die in Neder­land arri­veer­den wer­den niet met open armen ont­van­gen, maar had­den wel het recht zich te ves­ti­gen. Ze had­den een krach­tig reto­risch argu­ment tegen xeno­fo­be reac­ties: ‘Wij zijn hier omdat jul­lie daar waren!’ 

Zo begint Gert Oost­in­die zijn arti­kel voor de Maand van de Geschie­de­nis. Ik had het niet eer­der zo beke­ken, maar het is inder­daad een terecht weer­woord. Een logi­sche con­se­quen­tie van het kolo­ni­a­le han­de­len. Geluk­kig gaat Oost­in­die daar­na ver­der in op de vraag ‘en wat nu?’, want dat de migran­ten een meer dan vali­de reden had­den om zich hier te ves­ti­gen was ver­vol­gens ook weer de start een nieuw pro­ces: een nood­za­ke­lij­ke inte­gra­tie en geza­men­lij­ke ver­wer­king van een gedeeld verleden.

Nie­mand zal het ont­gaan zijn dat het debat zich de laat­ste tijd voor­al richt op stand­beel­den in de publie­ke ruim­te die een een­zij­dig beeld geven van bepaal­de aspec­ten in ons gedeel­de ver­le­den (bepaald van­uit de in het ver­le­den boven­lig­gen­de par­tij in de machts­hi­ë­rar­chie) waar gro­te delen van de Neder­land­se bevol­king zich niet in her­ken­nen of door geschof­feerd voe­len. In hun hui­di­ge vorm en vaak pro­mi­nen­te plaats dra­gen ze bij tot het instand­hou­den van een visie die allang niet meer past bij het voort­schrij­dend inzicht op onze geschiedenis. 

Oost­in­die geeft aan dat ‘deze beel­den­storm’ niet iets nieuws is. Al decen­nia­lang wor­den er acties onder­no­men om onwel­ge­val­li­ge zaken te cor­ri­ge­ren of te ver­wij­de­ren en te ver­van­gen door cul­tu­re­le uitin­gen die beter bij de hui­di­ge tijd passen. 

Het is alle­maal nog niet genoeg, maar dit is de domi­nan­te trend, niet de ach­ter­hoe­de­ge­vech­ten waar­in het kolo­ni­a­le ver­le­den wordt verheerlijkt. 

Er moet nog heel veel gebeu­ren, dat is ook de bood­schap van Oost­in­die. Hij maakt wel de kant­te­ke­ning dat het een schu­rend pro­ces dient te zijn. Niet de gehe­le nati­o­na­le geschie­de­nis in één keer op de mest­vaalt gooi­en omdat er niets van deugt. 

~ ~ ~ 

In okto­ber schrijf ik regel­ma­tig een blog­post naar aan­lei­ding van de arti­ke­len op de site van de Maand van de Geschie­de­nis rond het the­ma van 2020: Oost/West.

~ ~ ~

MvdG: Kleinkind van vluchtelingen

De Jood­se groot­ou­ders aan moe­ders­kant van Nata­scha van Wee­zel leer­den elkaar ken­nen in Den Haag bij ANSKI, de ver­e­ni­ging voor Oost-Euro­pe­se Joden in Neder­land. Alle­bei waren ze in 1938 naar Neder­land gevlucht na de Kris­tall­nacht. Haar opa van­uit Ber­lijn, en haar oma van­uit Wenen. Tij­dens de oor­log beslo­ten ze opnieuw te vluch­ten. Nu als stel. Hun doel was Zwit­ser­land. Uit­ein­de­lijk zijn ze er ter­nau­wer­nood aan­ge­ko­men na een avon­tuur­lij­ke reis die ver­schei­de­ne keren hele­maal ver­keerd had kun­nen aflopen. 

In het arti­kel door Van Wee­zel maakt zij een link naar deze bar­re tocht die haar groot­ou­ders onder­na­men en de levens­les­sen die zij van haar moe­der geleerd heeft, die ze op haar beurt van haar ouders had mee­ge­kre­gen: ‘moed tonen en opko­men voor de rech­ten van vluchtelingen’.

Het is een per­soon­lijk relaas van­daag als onder­deel van de Maand van de Geschie­de­nis. Want Nata­scha van Wee­zel ver­telt na de beschrij­ving van hoe haar groot­ou­ders de oor­logs­ja­ren ver­vol­gens hoe ze zelf als der­de gene­ra­tie­kind lan­ge tijd gewor­steld heeft met deze ‘erfe­nis’. Ze ervoer een con­stan­te druk om haar fami­lie geluk­kig te maken gezien het enor­me leed dat hen ten deel was geval­len. Een onmo­ge­lij­ke taak natuur­lijk. Pas nadat ze haar demo­nen een plaats had gege­ven kon ze ver­der. De levens­les­sen die haar moe­der door­ge­ven heeft zijn daar­bij lei­dend geble­ven. Het helpt haar bij de strijd tegen dis­cri­mi­na­tie en de hulp aan vluchtelingen.

~ ~ ~ 

In okto­ber schrijf ik regel­ma­tig een blog­post naar aan­lei­ding van de arti­ke­len op de site van de Maand van de Geschie­de­nis rond het the­ma van 2020: Oost/West.

~ ~ ~

Coen en de strijd tussen ‘wij’ en ‘zij’

[Twit­ter RT] @Cultuur_OU: Lees­tip: ‘Coen hoort bij Hoorn’. Emo­ties rond een omstre­den stand­beeld. Geschre­ven door Caro­li­ne Dri­een­hui­zen en Gem­ma Blok, bei­de ver­bon­den aan @OU_Nederland

Het arti­kel van Gem­ma Blok en Caro­li­ne Drie­ën­hui­zen lijkt zich in eer­ste instan­tie spe­ci­fiek te rich­ten op het stand­beeld van Jan Pie­ters­zoon Coen in Hoorn waar al voor­dat het beeld er stond kri­tiek op was, en die kri­tiek is nooit ver­stomd tot op de dag van van­daag. Na een kor­te opsom­ming van deze kri­tiek door de jaren heen, wordt ver­vol­gens toch een ande­re insteek geno­men waar de kri­tiek op stand­beeld gebruikt wordt als sym­bool voor een bre­der soci­aal-cul­tuur onbehagen:

Maar onder de opper­vlak­te speelt er meer, den­ken wij, en wordt de dis­cus­sie over wat te doen met dit bela­den stuk erf­goed mede gevoed door emo­ties, die in direc­te zin wei­nig met de gebeur­te­nis­sen op Ban­da te maken heb­ben, maar heel veel met onvre­de over het hoge tem­po van soci­aal-cul­tu­re­le ver­an­de­rin­gen in Neder­land in het hier en nu: de toe­ge­no­men soci­a­le mobi­li­teit, de door­wer­king van kolo­ni­a­le wereld­beel­den, maat­schap­pij­op­vat­tin­gen en prak­tij­ken als racis­me en, daar­aan gekop­peld mis­schien wel, onvre­de over de mul­ti­cul­tu­re­le samen­le­ving. De dis­cus­sie over Coen zoals die in Hoorn wordt gevoerd — een gemeen­te die heel snel ver­an­derd is in de afge­lo­pen veer­tig jaar en waar wij bei­den ‘van bui­ten’ ban­den mee heb­ben — gaat over zijn sym­bo­li­sche bete­ke­nis en biedt een ven­ster op Neder­land en zijn soci­a­le wor­ste­lin­gen in zijn algemeenheid.

Fas­ci­ne­rend is het te lezen over de kloof in de stad tus­sen de Hori­ne­zen (‘wij’, ofwel de oor­spron­ke­lij­ke bewo­ners) en Horen­aren (‘zij’, ofwel import, voor­na­me­lijk uit de Rand­stand). Het zijn de Hori­ne­zen die alle kri­tiek op hun J.P. Coen (‘een rot­vent, maar wel onze rot­vent’, zo wordt het tref­fend beschre­ven) zien als een aan­val van bui­ten­af, waar­door er een tegen­re­ac­tie ont­staat die zich con­cen­treert op een nos­tal­gisch beeld van de Hoorn­sche cul­tuur en geschie­de­nis, waar­bij Coen wordt inge­zet als een belang­rijk sym­bool van het oude Hoorn. Het past ook in een bre­der per­spec­tief waar met de func­tie van Hoorn een aan­tal decen­nia gele­den als over­loop­ge­meen­te voor Amster­dam gro­te ver­an­de­rin­gen zijn geko­men in de samen­stel­ling van de bevol­king en het straat­beeld. De Hori­ne­zen her­ken­nen zich­zelf niet meer in het heden­daag­se Hoorn. Dit gevoel van onvre­de uit zich op diver­se manie­ren en kan ook gebruikt wor­den door ande­re par­tij­en in de Neder­land­se samen­le­ving die een ver­ge­lijk­ba­re ‘strijd’ tus­sen ‘wij’ en ‘zij’ voe­ren, zoals het voor­beeld van FVD-voor­man Thier­ry Bau­det laat zien met zijn bezoek aan het stand­beeld van Coen. 

De auteurs slui­ten af met het ver­bin­den van de actu­e­le dis­cus­sie die er in Hoorn nog steeds is over wat te doen met het stand­beeld, met het con­cept van de ‘emo­tie­net­wer­ken’ (door Direc­teur van Ima­gi­ne IC Mar­lous Wil­lem­sen en bij­zon­der hoog­le­raar his­to­ri­sche cul­tuur Hes­ter Dib­bits) om te zien of via deze invals­hoek de ont­sta­ne pat­stel­ling in het debat door­bro­ken kan worden:

Wat de stads­ge­sprek­ken rond Coen betreft, lijkt het bloot­leg­gen van de emo­ties die onder de poli­tie­ke stand­pun­ten lig­gen ons zeker een moge­lij­ke uit­weg uit de pola­ri­sa­tie. Waar­om men­sen zich door het beeld gekwetst voe­len en waar­om zij zich beter thuis zou­den voe­len in een land zon­der kolo­ni­a­le stand­beel­den, is daar­bij een even belang­rij­ke vraag als die naar de ‘eigen’ cul­tuur waar­van Hori­ne­zen blijk­baar het gevoel heb­ben dat ze die steeds meer drei­gen te ver­lie­zen; een gevoel dat ze pro­jec­te­ren op het stand­beeld van Coen.

Het lijkt mij een moe­di­ge poging, maar waar een hoop bege­lei­ding bij nodig is om het in goe­de banen te lei­den. In ieder geval gaf het arti­kel mij weer een hoop stof tot naden­ken over hoe com­plex de dis­cus­sie rond deze ‘beel­den­storm’ en ons gedeel­de erf­goed is. 

~ ~ ~

MvdG: het verborgen verbonden zijn van Oost en West

Plan­ta­ge Zoe­len in het Com­me­wij­ne­dis­trict in Suri­na­me — J.E. (Juli­us Edu­ard) Muller

Het iede­re dag een arti­kel lezen op de site van de Maand van de Geschie­de­nis bevalt me goed. In de mees­te geval­len krijg ik infor­ma­tie voor­ge­scho­teld die geheel of gedeel­te­lijk nieuw voor me is. Zo ook van­daag. In het arti­kel door Yvet­te Kopijn wordt het gedeel­de ver­le­den van Java en Suri­na­me onder de aan­dacht gebracht, want wat velen mis­schien niet weten is dat begin vori­ge eeuw tot aan het uit­bre­ken van de Twee­de Wereld­oor­log veel Java­nen in Suri­na­me terechtkwamen:

Tus­sen 1890 en 1939 wor­den er in totaal 32.956 Java­nen van de ene kolo­nie in de Oost naar de ande­re in de West over­ge­plant om eerst de plan­ta­ge­land­bouw en later de klein­land­bouw een eco­no­mi­sche impuls te geven.

Tot aan 1930 gaan ze indi­vi­du­eel, als con­tract­ar­bei­der. Daar­na wor­den ze geron­seld als ‘vrij’ arbei­der en ver­trek­ken ze met hele gezin. 

Kopijn neemt als voor­beeld het ver­haal van ‘Bok’ (vrouw) Mar­to­sen­ti­ko die in 1924 als 21-jari­ge jon­ge vrouw de over­tocht waagt omdat zij niet uit­ge­hu­we­lijkt wil wor­den en daar­voor al eer­der haar dorp ver­la­ten heeft. Zij komt terecht op de sui­ker­riet­plan­ta­ge Zoe­len. Nadat haar con­tract ver­lo­pen is, besluit ze te blij­ven en bouwt in de jaren die vol­gen een leven op in haar nieu­we vader­land. Tot­dat met het nade­ren­de uit­roe­pen van de onaf­han­ke­lijk­heid in 1975 ze besluit om samen met haar man te ver­trek­ken naar Neder­land. Hier slij­ten zij hun laat­ste levens­ja­ren in het Javaans-Suri­naam­se bejaar­den­oord Nieuw-Beek­vliet te St. Michielsgestel.

Zoals gezegd, het is een aspect van onze kolo­ni­a­le geschie­de­nis die mis­schien niet bij ieder­een bekend mag wor­den geacht. Kopijn vraagt zich af hoe dat komt en heeft nog meer vragen:

Een even zo belang­rij­ke vraag om te stel­len is: waar­om zijn we nog steeds geneigd om de Neder­land­se kolo­ni­ën in de Oost en in de West voor te stel­len als twee strikt van elkaar geschei­den levens­sfe­ren, ter­wijl zij in wer­ke­lijk­heid nauw met elkaar ver­vloch­ten waren?

Er blijkt veel onder­ling ver­keer plaats te heb­ben gevon­den als je je er ver­der in ver­diept. Zo waren bestuur­ders die car­ri­è­re maak­ten in bei­de over­zee­se gebieds­de­len, Suri­naam­se sol­da­ten die in de Oost gin­gen vech­ten of Indi­ërs die zich in Neder­land ves­tig­den, zich als­nog hier niet thuis voel­den en door­reis­den naar Suri­na­me. Kopijn merkt dan ook terecht op dat ‘Oost en West meer met elkaar zijn ver­bon­den dan wij ons besef­fen’ en ik ben blij dat ik haar arti­kel onder ogen heb­ben gekre­gen om dit hiaat in mijn ken­nis te vullen.

~ ~ ~ 

In okto­ber schrijf ik regel­ma­tig een blog­post naar aan­lei­ding van de arti­ke­len op de site van de Maand van de Geschie­de­nis rond het the­ma van 2020: Oost/West.

~ ~ ~

Uit beleefdheid verder zonder zwarte knecht

[Twit­ter RT] @Cultuur_OU: Lees de column van Han­ne­ke Nap, pro­mo­ven­da @OU_Nederland, over de ont­wik­ke­ling van Sin­ter­klaas in de negen­tien­de eeuw in New York => San­ta Claus, een oude Amsterdammer?

In 1804 werd de New-York His­to­ri­cal Soci­e­ty opge­richt door John Pintard om de geschie­de­nis van de stad te onder­zoe­ken en vast te leg­gen. Als patroon­hei­li­ge werd geko­zen voor Sint-Nico­laas, een eer­be­toon aan de Hol­land­se kolo­nis­ten die de stad oor­spron­ke­lijk had­den gesticht. Al sinds de mid­del­eeu­wen was deze reli­gi­eu­ze figuur name­lijk de bescherm­hei­li­ge van de stad Amster­dam. Van­af 1810 vond er een jaar­lijks terug­ke­rend ban­ket plaats op 6 decem­ber voor de leden van de Soci­e­ty om meer bekend­heid aan deze figuur en het bij­be­ho­ren­de feest te geven. 

De auteur Was­hing­ton Irving, ook lid van de Soci­e­ty die al eer­der in zijn (onder pseu­do­niem gepu­bli­ceer­de) sati­ri­sche Knickerbocker’s His­to­ry of New York (1809) stil had gestaan bij de rol van Sint-Nico­laas, richt­te in 1834 de Saint Nicho­las Soci­e­ty of the City of New York op. Doel van deze ver­e­ni­ging was om de Neder­land­se oor­sprong van de stad levend te hou­den en de cul­tu­re­le ban­den over en weer te besten­di­gen. Ook hier werd er een jaar­lijks feest geor­ga­ni­seerd op 6 decem­ber, geheel vol­gens oud-Hol­land­se tradities:

Een opval­lend en terug­ke­rend ele­ment vorm­den zes zwar­te bedien­den die de ‘ser­ving-men of the ear­ly Hol­lan­ders’ moesten ver­beel­den en ken­ne­lijk als een ken­mer­kend aspect van de oude Neder­land­se wereld wer­den beschouwd: ‘The pre­si­dent and guests were atten­ded by Dut­ch negroes, dres­sed in the live­ry of one hund­red and fif­ty years ago, the sin­gu­la­ri­ty and per­fect fid­eli­ty of their cos­tu­me pro­du­ced much mer­ri­ment and brought back for­ci­bly (…) the good old times of our Dut­ch ancestors’, aldus een ver­slag van het feest uit 1837 in een plaat­se­lijk weekblad.

In het arti­kel op de site van de OU gaat Han­ne­ke Nap laat zij zien hoe in de loop van de geschie­de­nis het ver­haal van de goed­hei­lig­man gelei­de­lijk een ande­re invul­ling krijgt. Dat wordt onder ande­re dui­de­lijk gemaatk aan de hand van getui­ge­nis­sen door Neder­lands die de Ver­e­nig­de Sta­ten bezoe­ken, zoals in het geval van de jour­na­list Char­les Boissevan:

Ook Char­les Bois­se­vain was zich tij­dens zijn ver­blijf in New York in 1880 bewust van de ver­schil­len en droeg daar­voor zelfs een ver­kla­ring aan: ‘St. Nico­laas wordt over­al in de win­kels en op pren­ten voor­ge­steld als bij ons, doch hij heeft geen zwar­ten knecht. Dat is waar­schijn­lijk uit beleefd­heid voor de negers, die stem­men heb­ben bij de ver­kie­zing, en zeer spoe­dig op de teenen getrapt zijn.’

~ ~ ~

MvdG: Witte wetenschap

Plan­ta­ge Cor­ne­lis Vriend­schap in Suriname

Een fel­le aan­klacht door Patri­cia D. Gomez rich­ting de KNAW (Konink­lij­ke Neder­land­se Aka­de­mie van Weten­schap­pen) met de afwij­zing om de weten­schap­pe­lij­ke afde­ling van het NiN­see (Nati­o­naal Insti­tuut Neder­lands Sla­ver­nij­ver­le­den en erfe­nis) niet in haar orga­ni­sa­tie op te nemen. Door het weg­val­len van rijks­sub­si­die in 2012/2013 voor het eni­ge zwar­te ken­nis­in­sti­tuut dat onder­zoek doet naar het sla­ver­nij­ver­le­den wordt de offi­ci­ë­le geschied­schrij­ving over dit onder­werp zo goed als vol­le­dig beoe­fend door wit­te man­nen en vrouwen. 

Gomez legt als volgt uit aan waar­om deze afwij­zing gezien kan wor­den als een voor­beeld van insti­tu­ti­o­neel racisme: 

Over­een­kom­stig de defi­ni­tie van insti­tu­ti­o­neel racis­me, lag het racis­me niet in de aard van de afwij­zing, maar in de gevol­gen ervan. De KNAW had het bear­gu­men­teerd met neu­tra­le weten­schap­pe­lijk­heids­cri­te­ria waar het NiN­see niet hele­maal aan vol­deed. Het gevolg was ech­ter wel racis­tisch want de zwar­te his­to­ri­ci wer­den gedu­peerd en de wit­ten bevoor­deeld. Zij kon­den insti­tu­ti­o­neel ver­sterkt en van­uit een mono­po­lie posi­tie in het gat stap­pen dat met het slo­pen van het NiN­see was ontstaan.

Los van het feit dat het voor zwar­te his­to­ri­ci hier­door bij­na onmo­ge­lijk is gewor­den om zich een goe­de posi­tie te ver­wer­ven in de weten­schap­pe­lij­ke orga­ni­sa­tie waar de bes­te banen, sub­si­dies en onder­zoeks­op­drach­ten te beha­len zijn, zijn ande­re gevol­gen dat het beeld van het sla­ver­nij­ver­le­den gro­ten­deels een­zij­dig euro­cen­trisch blijft van­we­ge de domi­nan­tie van de wit­te his­to­ri­ci en dat ver­wor­ven­he­den of nieu­we inzich­ten van ande­re groe­pen in dit beeld inge­bed wor­den als­of ze door hen bedacht zijn. Ook de prik­kel om daad­wer­ke­lijk racis­me en ‘whi­te pri­vi­le­ge’ aan de kaak te stel­len of ver­der bloot te leg­gen in de geschied­schrij­ving is afwezig.

Gomez ziet de afwij­zing door de KNAW als een gebrek aan zelf­re­flec­tie als­ook (met een ver­wij­zing naar Kant) aan moraal:

Als de KNAW zich reken­schap van haar geschie­de­nis had gege­ven en mora­li­teit hier­in had betrok­ken, had ze haar oneer­lijk ver­kre­gen voor­sprong mee­ge­no­men in haar overwegingen.

Ze sluit af met de con­sta­te­ring dat door deze han­dels­wij­ze de KNAW de racis­ti­sche opvat­ting beves­tigt “dat zwar­ten min­der intel­li­gent zijn en min­der pres­te­ren dan wit­ten”. Een triest­ma­ken­de conclusie.

~ ~ ~ 

In okto­ber schrijf ik regel­ma­tig een blog­post naar aan­lei­ding van de arti­ke­len op de site van de Maand van de Geschie­de­nis rond het the­ma van 2020: Oost/West.

~ ~ ~

MvdG: Voedsel als identiteitspolitiek

Een in eer­ste instan­tie mis­schien vreem­de bij­dra­ge van Anne van Mou­rik voor het the­ma Oost/West van de Maand van de Geschie­de­nis. Het gaat name­lijk over voed­sel als poli­tiek wapen. Maar met de ver­wij­zing naar de Kou­de Oor­log en Oost- en West-Duits­land is de stap naar voed­sel als pro­pa­gan­da­mid­del al snel gezet:

De opde­ling van Duits­land in een soci­a­lis­tisch Oost en een kapi­ta­lis­tisch West, bete­ken­de het begin van een lan­ge zoek­tocht naar een Oost- en een West-Duit­se iden­ti­teit. Met de opde­ling vorm­den zich twee ver­schil­len­de, maar met elkaar ver­we­ven voed­sel-eco­no­mie­ën en cul­tu­ren. Het is niet zo vreemd dus, dat het iden­ti­teits­vraag­stuk aan voed­sel werd gelinkt.

Wat volgt is een kort his­to­risch over­zicht om deze ‘Duit­se rela­tie met voed­sel, oor­log en iden­ti­teit beter te begrij­pen’. Niet dat men daar­voor ver terug in de tijd hoeft te gaan. Het heeft alles te maken met de hon­gers­nood die er in Duits­land ont­stond tij­dens De Gro­te Oor­log (ook wel bekend als Eer­ste Wereld­oor­log). Dat nooit meer, werd de insteek van Hit­ler en zijn kom­pa­nen. De behoef­te aan Leb­ens­raum valt hier recht­streeks aan te kop­pe­len. Duits­land moest zelf­voor­zie­nend wor­den. Ook met het oog om een oor­logs­eco­no­mie draai­en­de te houden. 

Niet dat het luk­te. Ook gedu­ren­de de Twee­de Wereld­oor­log waren er altijd meer mon­den te voe­den dan dat er voed­sel voor beschik­baar was. Zo bleef de belof­te om het eigen Duit­se volk hon­ger­vrij te hou­den een belang­rijk poli­tiek agen­da­punt, en werd het gere­geld gebruikt in het gesple­ten Duits­land om elkaar de maat te nemen in hoe­ver­re men hier­in geslaagd was.

Ik had er nooit eer­der echt bij stil­ge­staan en vond het een bij­zon­de­re insteek om op deze manier een nati­o­na­le iden­ti­teit beter pro­be­ren te begrijpen.

~ ~ ~ 

In okto­ber schrijf ik regel­ma­tig een blog­post naar aan­lei­ding van de arti­ke­len op de site van de Maand van de Geschie­de­nis rond het the­ma van 2020: Oost/West.

~ ~ ~

MvdG: Gedeeld erfgoed en een gezamenlijke toekomst

Bij het arti­kel dat ik van­daag onder ogen krijg op de site van de Maand van de Geschie­de­nis gaan we voor de ver­an­de­ring nu eens niet op reis naar het (ver­re) Oos­ten of Wes­ten. Het is een per­soon­lij­ke over­pein­zing door Jin­na Smit (pro­gram­ma­lei­der Gedeeld Cul­tu­reel Erf­goed bij de Rijks­dienst voor het Cul­tu­reel Erf­goed (RCE)) naar aan­lei­ding van een vraag van haar moe­der over de dis­cus­sies rond­om het stand­beeld van J.P. Coen.

De vraag ver­rast haar (nooit eer­der spra­ken ze over de Neder­land­se ver­beel­ding van het kolo­ni­a­le ver­le­den) en zet haar aan het den­ken over het gedeeld ver­le­den (en erf­goed) van Neder­land en Indo­ne­sië, maar ook met ande­re lan­den waar Neder­land een ver­le­den mee deelt. De voor­beel­den die ze uit eigen erva­ring kent weten haar nog iede­re keer opnieuw te raken.

Steeds opnieuw laat gedeeld erf­goed zien hoe ons land in het ver­le­den ver­knoopt is geraakt met ande­re lan­den en cul­tu­ren en hoe we zon­der deze ken­nis de wereld zoals deze nu is niet goed kun­nen begrijpen. 

In haar visie is het essen­ti­eel dat lan­den met een gedeeld erf­goed inzet­ten op een een goe­de en con­struc­tie­ve samen­wer­king. Omdat in eer­ste instan­tie de bena­de­ring van het erf­goed van­uit de eigen ach­ter­grond en tra­di­ties tot stand komt zorgt juist een open samen­wer­king voor beter begrip en kan het hope­lijk lei­den tot een gedeeld belang. Dit gedeel­de belang is vaak gere­la­teerd aan de prak­ti­sche pro­ble­men die er komen kij­ken bij het bewa­ren en beschik­baar maken van het erf­goed voor het gro­te publiek. Denk bij­voor­beeld aan het leef­baar­der maken van his­to­ri­sche bin­nen­ste­den, het bescher­men van scheeps­wrak­ken en het behe­ren van col­lec­ties. Dit leidt tot een inte­res­san­te observatie:

Dus hoe­wel het gedeel­de ver­le­den een start­punt biedt voor samen­wer­king, ligt de focus voor­al op het samen vorm­ge­ven van de toekomst.

Kern in de over­pein­zin­gen van Jin­na Smit blijft het aspect van weder­zijds begrip en samen­wer­king, iets waar het in onze gepo­la­ri­seer­de samen­le­ving helaas regel­ma­tig aan ont­breekt. Door hier meer aan­dacht aan te beste­den is het mis­schien moge­lijk om de angel uit toe­kom­sti­ge dis­cus­sies over con­tro­ver­si­ë­le aspec­ten uit het ver­le­den te halen.

~ ~ ~ 

In okto­ber schrijf ik regel­ma­tig een blog­post naar aan­lei­ding van de arti­ke­len op de site van de Maand van de Geschie­de­nis rond het the­ma van 2020: Oost/West.

~ ~ ~