Laat me met rust!

Deze blog­post is deel 32 van 33 in de serie Don Qui­chot — Cer­van­tes

Eer­ste deel – Een­en­der­tig­ste hoofd­stuk:

Over de kos­te­lij­ke gesprek­ken die gevoerd wer­den tus­sen Don Qui­chot en San­cho Pan­za, zijn schild­knaap, en wat er meer volgt

Ter­wijl het gezel­schap nog steeds onder­weg is naar het dichts­bij­zijn­de dorp om Don Qui­chot de hulp te bie­den die hij drin­gend nodig heeft (hoe­wel hij dat zelf zal ont­ken­nen) wil hij nu toch wel eens weten hoe het gesprek is gegaan tus­sen zijn knecht San­cho en zijn aan­be­den Dul­ci­nea. Het brengt San­cho in een moei­lij­ke situ­a­tie gezien hij de vrouw nog nooit eer­der heeft ont­moet, laat staan dat hij de brief van Don Qui­chot aan haar heeft weten te over­han­di­gen van­we­ge de toe­val­li­ge ont­moe­ting met de pas­toor en de bar­bier bij de her­berg.

Het lukt San­cho ech­ter om met veel fan­ta­sie zijn mees­ter te doen gelo­ven dat hij wel dege­lijk in het zeer kor­te tijds­be­stek op en neer is geweest om te ver­tel­len hoe het met haar aan­bid­der gesteld is. Wat hier­bij zeker hielp is dat Don Qui­chot waar nodig zelf de opval­len­de hia­ten in de leu­gens van San­cho wist op te vul­len met cre­a­tie­ve bedenk­sels om zo een slui­tend ver­haal tot stand te bren­gen. Want ook nu prikt zijn scher­pe geest met­een door de bedenk­sels van San­cho en de onmo­ge­lijk­heid om haar te heb­ben bezocht in slechts drie dagen.

Zodoen­de, bes­te San­cho, valt het mij ook in het geheel niet moei­lijk te gelo­ven dat je in zo kor­te tijd van­hier naar El Tobo­so en terug bent geweest; want, zoals ik al gezegd heb, een bevrien­de tove­naar zal je wel door de lucht heb­ben laten vlie­gen, zon­der dat jij er van wist. [p.232]

Ver­vol­gens gaat het gesprek over de belof­te die Don Qui­chot gedaan heeft om Doro­tea aka prin­ses Mico­mi­co­na te hel­pen haar konink­rijk terug te ver­o­ve­ren tegen­over het ver­lan­gen om zijn gelief­de Dul­ci­nea op te zoe­ken. San­cho ziet niets lie­ver dan dat de held­haf­ti­ge rid­der de strijd met de reus aan­gaat en na zijn roem­rij­ke over­win­ning in het huwe­lijk zal tre­den met de prin­ses. Op die manier denkt hij voor zich­zelf een hoop rijk­dom en aan­zien vei­lig te stel­len als belo­ning voor zijn bij­dra­ge in de strijd als schild­knaap. Don Qui­chot wil ech­ter nog steeds niets weten van een trouw­par­tij aan­ge­zien voor hem er maar één vrouw is waar hij zijn hart aan heeft ver­pand en dat is Dul­ci­nea.

Het gesprek wordt onder­bro­ken door de komst van een nieu­we rei­zi­ger die ze bij toe­val ont­moe­ten tij­dens een rust­pau­ze bij een bron waar ze hun dorst kun­nen les­sen. Het blijkt de jon­gen te zijn die Don Qui­chot een hele tijd gele­den hulp had gebo­den toen hij afge­ran­seld werd door de boer waar hij in dienst was alleen maar omdat hij om zijn loon had gevraagd. Het is de per­fec­te aan­lei­ding voor onze nobe­le rid­der om uit­ge­breid stil te staan bij zijn rol en van zijns gelij­ken ‘die het onrecht recht­ma­ken en de onrecht­vaar­dig­heid wre­ken wel­ke de geweld­da­di­gen en ver­dor­ven die er op leven er in uit­rich­ten’.

Helaas voor Don Qui­chot denkt de jon­ge­man hier toch heel anders over. Niet lang nadat zijn red­der was ver­trok­ken had de boer hem opnieuw vast­ge­bon­den en was ver­der gegaan met de afran­se­ling zon­der zich te hou­den aan de belof­te gedaan rich­ting Don Qui­chot om geza­men­lijk huis­waarts te keren en de boe­ren­knecht het geld te over­han­di­gen dat hem rech­te­lijk toe­kwam voor geda­ne dien­sten. En dat was alle­maal de schuld van­we­ge de ingreep door Don Qui­chot die dit ech­ter niet met hem eens is, hoog­uit dat hij de fout had gemaakt om weg te rij­den.

Ik had dat niet moe­ten doen aleer hij je betaald had; ik had met mijn jaren­lan­ge erva­ring moe­ten weten dat geen dor­per zijn gege­ven woord gestand doet als hij ziet dat zijn voor­deel elders ligt. [p.234]

Dit zeg­gen­de her­in­nert hij zich ook dat hij de jon­gen gezwo­ren had de boer ach­ter­na te gaan tot in alle uit­hoe­ken van de wereld indien hij niet zou beta­len en dat is wat hij nu van plan is te gaan doen. Het is Doro­tea die hem doet wij­zen op zijn gelof­te haar toch aller­eerst te hel­pen voor­dat hij zich weer in ande­re avon­tu­ren kan stor­ten. Schoor­voe­tend geeft Don Qui­chot haar gelijk en laat de jon­gen weten dat hij nog wat geduld moet heb­ben. Met slechts wat brood en kaas als tij­de­lij­ke com­pen­sa­tie ziet die ech­ter wel in dat hij niet veel te ver­wach­ten heeft van Don Qui­chot of de rest van het gezel­schap en maakt zich daar­om snel uit de voe­ten met een laat­ste ver­wen­sing aan het adres van de hulp­vaar­di­ge rid­der om van zijn levens­da­gen nooit meer tegen te komen. En mocht dat onver­hoopt toch gebeu­ren,

ver­leent u mij dan als het u belieft geen hulp of bij­stand, al ziet u dat ik in stuk­ken gehakt word: laat u mij maar rus­tig in mijn onge­luk, want het kan nooit zo groot wezen of U Eds. hulp maakt het nog erger; en God straf­fe U Ed. en alle dolen­de rid­ders ter wereld. [p.234]

En weg is hij, Don Qui­chot beschaamd ach­ter­la­tend.

~ ~ ~

I like big books…

De bood­schap­pen waren gedaan. Ik zat in de auto en pro­beer­de te beden­ken wat ik alle­maal ver­ge­ten kon zijn. Voor­lo­pig niets. Net voor­dat ik wil­de weg­rij­den schoot me toch iets te bin­nen. Het was boe­ken­week.

Eer­der deze week had Inge gevraagd wel­ke boe­ken ik op mijn lijst­je had staan mocht ze in de gele­gen­heid zijn ergens iets te kopen zodat ik in ieder geval het boe­ken­week­ge­schenk aan mijn ver­za­me­ling kon toe­voe­gen. Mijn ant­woord dat ze geen moei­te hoef­de te doen dit jaar deed haar opkij­ken. Ik voer­de ver­schil­len­de rede­nen op. Ten eer­ste was ik een beet­je klaar met het ver­za­me­len om het ver­za­me­len. Ten twee­de had ik me voor­ge­no­men om de komen­de tijd wat min­der boe­ken te kopen en wat meer uit mijn eigen ver­za­me­ling te lezen. En dat beviel me tot nu toe erg goed.

Maar mis­schien wel de belang­rijk­ste reden was dat ik niet zo kapot was van de keus op Jan Sie­be­link om het geschenk te schrij­ven. Ik had ooit wat van hem gele­zen en het had geen gro­te indruk op me ach­ter gela­ten. Dus laat maar, zo zei ik tegen Inge.

En nu zat ik dan in de auto op zo’n hon­derd meter ver­wij­derd van de plaat­se­lij­ke boek­han­del ter­wijl het boe­ken­week was. Ik besloot toch een kijk­je te gaan nemen.

Bin­nen zag ik als eer­ste het nieu­we boek van Peter Buwal­da, Otmars zonen lig­gen. In NRC had ik er onlangs een hoop goeds over gele­zen. Ook dat het een eer­ste deel zou zijn van een tri­lo­gie. Er werd zelfs een posi­tie­ve link naar het werk van A.F.Th. van der Heij­den gelegd. Naast Otmars zonen lag Boni­ta Ave­nue, het debuut van Buwal­da. In het­zelf­de arti­kel in NRC had ik ook gele­zen dat een per­so­na­ge uit Boni­ta Ave­nue terug­kwam in Otmars zonen. Dus.

Niet veel later kwam ik met de bood­schap­pen èn een tas­je van de boek­han­del thuis. Laat maar, zo zei ik tegen Inge toen ze een ver­baas­de blik op het sta­pel­tje boe­ken wierp.

~ ~ ~

Rondje verkeerde timing

Deze blog­post is deel 5 van 5 in de serie Free­dom Trail 14/9/2019

Gis­ter zag ik op de weer-app dat het van­daag zowat de hele dag zou gaan rege­nen. Het maak­te dus niet zo heel veel uit op welk tijd­stip ik zou gaan hard­lo­pen. Maar van­och­tend bij het ont­wa­ken was het gro­ten­deels droog en dat bleef het de eer­ste uren. Zon­der te chec­ken of dat zo zou blij­ven hees ik mij­zelf rond 11 uur in de hard­loop­kle­ren en begon aan een rond­je van mini­maal zeven kilo­me­ter.

Mis­schien had ik toch beter even kun­nen chec­ken.

Na 1 kilo­me­ter zag ik dat het steeds don­ker­der begon te wor­den. Ook de wind trok aan en was nu voor mijn gevoel storm­ach­tig. Natuur­lijk recht op de kop. Bij de twee­de kilo­me­ter kwam daar een strie­men­de hagel­bui boven­op. Het leek als­of ik met ijs­naald­jes bescho­ten werd. Her­haal­de­lijk voel­de ik aan mijn wind­jack of die inmid­dels niet geper­fo­reerd was. Dat viel geluk­kig mee. Mijn onbe­dek­te voor­hoofd onder­tus­sen ver­an­der­de lang­zaam in een ijs­plaat.

Maar zoals dat meest­al gaat met die hagel­bui­en zijn ze net zo snel weer voor­bij als dat ze op komen zet­ten. Tegen de tijd dat ik bij de der­de kilo­me­ter was brak de zon door en zet­te de dooi van mijn lichaam zacht­jes in. Helaas had­den de weer­go­den toch nog een ver­ras­sing voor me in pet­to. In de laat­ste kilo­me­ters, toen ik zo goed als hele­maal opge­droogd was en de erg­ste kou uit mijn lichaam ver­dwe­nen was trok­ken de wol­ken zich opnieuw samen om er een nieu­we regen­bui uit te per­sen die me tot op het bot door­nat maak­te voor­dat ik thuis kon gaan schui­len.

De rest van de dag is het droog geble­ven en de schijnt de zon bij tijd en wij­le vol­op. Het hard­lo­pen was er trou­wens niet min­der om. Opnieuw is het er de afge­lo­pen week niet van geko­men maar het ging des­al­niet­te­min pro­bleem­loos. Niet hard, wel lek­ker.

~ ~ ~

Alles wat je wilt weten over hard­lo­pen — Maris­ka van Sprun­del

Hoofd­stuk 1 — De geboor­te van de lan­ge­af­stands­lo­per

In dit eer­ste hoofd­stuk gaat Maris­ka van Sprun­del op zoek naar de geschie­de­nis van het hard­lo­pen. Aller­eerst naar de her­komst van het jog­gen dat een eer­ste ople­ving kreeg in de VS in de late jaren 60 van de vori­ge eeuw en een klei­ne tien jaar later over­sloeg naar Euro­pa. De voor­naams­te reden was de weten­schap­pe­lij­ke onder­bou­wing dat bewe­gen goed voor de gezond­heid is en dat hard­lo­pen een rede­lij­ke sim­pe­le en goed­ko­pe manier is om hier­aan tege­moet te komen.

De vol­gen­de vraag die zij zich dan stelt is of dit de vol­le­di­ge ver­kla­ring is. Men­sen lopen name­lijk al veel lan­ger hard dan met de opkomst van het jog­gen.  Moe­ten we niet veel ver­der terug in de tijd als we weten dat in de Griek­se oud­heid er al hard­ge­lo­pen werd? Wat nu als de wor­tels van het hard­lo­pen wel net zo oud zijn als de mens zelf?

Ze gaat daar­voor te rade bij Daniel Lie­ber­man, hoog­le­raar in de men­se­lij­ke evo­lu­ti­o­nai­re bio­lo­gie in Cam­brid­ge. Hij schreef in 2004 samen met Den­nis Bram­ble een baan­bre­kend arti­kel over de rol van het lan­ge­af­stands­lo­pen in de evo­lu­tie van men­sen. Hun the­o­rie baseert zich voor een groot gedeel­te op de hui­di­ge staat van het ske­let van de Homo erec­tus. Ze onder­schei­den aller­lei type­ren­de ken­mer­ken die in hun ogen bewij­zen dat de mens gaan­de­weg een sterk ske­let ont­wik­kel­de dat hen in staat stel­de om goed te kun­nen hard­lo­pen.

En waar­om was dat zo belang­rijk? De pre­his­to­ri­sche mens moest zich aan­pas­sen om eiwit­rijk voed­sel te kun­nen eten. Dat kon in de vorm als aas­eters door al lopend ervoor te zor­gen eer­der bij kar­kas­sen te kun­nen zijn dan ande­re vlees­eters. Maar ook door net zo lang ach­ter ande­re zoog­die­ren aan te blij­ven ren­nen tot­dat die van uit­put­ting (dik­ke­re vacht en geen zweet­klie­ren over heel hun lichaam) neer­vie­len en gedood kon­den wor­den.

Niet ieder­een is over­tuigd van deze the­o­rie en er zijn wat haken en ogen, zoals waar­om bij­voor­beeld van­daag de dag niet ieder­een hard kan lopen en waar­om som­mi­gen onder ons eer­der bete­re sprin­ters dan lan­ge­af­stands­lo­pers zijn, maar Daniel Lie­ber­man heeft voor veel van deze uit­zon­de­rin­gen vaak een rede­lijk ant­woord, maar dit kan (nog) niet altijd door weten­schap­pe­lijk bewijs­voe­ring onder­steund wor­den.

Zo is er bij­voor­beeld de vraag waar­om we ondanks deze evo­lu­tie als ‘gebo­ren’ hard­lo­pers dan toch altijd maar weer geteis­terd wor­den door bles­su­res. Daar­voor gaat Maris­ka van Sprun­del langs bij de paleo-antro­po­loog Jere­my DeSil­va die onder­zoek heeft gedaan naar de voet en de enkel van de mens. Het is juist de evo­lu­tie die ervoor gezorgd heeft dat we zo blij­ven suk­ke­len. Vol­gens DeSil­va lopen we op ‘een aan­ge­pas­te apen­voet, en dat is niet iets wat een ont­wer­per ooit zou beden­ken voor een wan­de­len­de mens’. Evo­lu­ti­o­nair gezien kun je vol­doen­de rede­nen beden­ken waar­om recht­op staan en lopen op een gege­ven moment belang­rijk werd voor over­le­ving en moesten we de bles­su­res aan voe­ten en benen dan maar op de koop toe nemen.

Het hoofd­stuk ein­digt met de con­sta­te­ring dat de hui­di­ge hard­loop­gek­te wel­licht ‘inder­daad een over­blijf­sel van twee mil­joen jaar men­se­lij­ke evo­lu­tie’ kan zijn ondanks dat we er steeds min­der afhan­ke­lijk van zijn gewor­den toen we lang­zaam opscho­ven van jagers naar land­bou­wers en ons daar­na ver­der ont­wik­kel­den naar een mens­vorm waar­bij het hard­lo­pen niet meer essen­ti­eel was voor het voort­be­staan.

Hoe dan ook, hard­lo­pen is terug, zij het in een ande­re gedaan­te. Met het vin­den van eiwit­rijk voed­sel heeft het niks meer te maken. Het is zelfs omge­keerd: nu eten hard­lo­pers extra eiwit met als doel de spie­ren sterk te hou­den voor de kilo­me­ters die nog gaan komen. [p.27]

~ ~ ~

Wat: Air­bor­ne Free­dom Trail
Wan­neer: 14 sep­tem­ber 2019
Afstand: 28 kilo­me­ter

~ ~ ~

Don’t mention the ridderschap!

Deze blog­post is deel 31 van 33 in de serie Don Qui­chot — Cer­van­tes

Eer­ste deel – Der­tig­ste hoofd­stuk:

Gaan­de over de gevat­heid van de scho­ne Doro­tea en ande­re aar­di­ge en ver­ma­ke­lij­ke aan­ge­le­gen­he­den

Voor wie vori­ge week zon­dag ver­geefs heeft zit­ten wach­ten op een nieuw deel­tje in deze almaar groei­en­de reeks over het boek Don Qui­chot door Cer­van­tes wil ik graag mijn excu­ses aan­bie­den. Het had een sim­pe­le reden: ik had een paar daag­jes vrij­af geno­men op don­der­dag en vrij­dag en trok dat vakan­tie­ge­voel door naar het week­end. Pas laat op de zon­dag­avond bij het naar bed gaan rea­li­seer­de ik me hoe ik in gebre­ke was geble­ven. Sor­ry.

Deze keer een kor­ter hoofd­stuk dan de voor­gaan­de keren. Ik dacht dat zich een nieu­we trend had inge­zet en dat kan natuur­lijk nog steeds het geval zijn en dan is dit hoofd­stuk slechts een uit­zon­de­ring. We gaan het zien.

De draad wordt opge­pakt met het ver­haal van de pas­toor die over­val­len was door de ben­de mis­da­di­gers die door tus­sen­komst van Don Qui­chot wis­ten te ont­snap­pen op weg naar hun lot als gal­lei­slaaf. Hoe­wel Don Qui­chot slim genoeg was om hier maar beter zijn mond over te hou­den was dit niet het geval voor San­cho Pan­za. Hij klap­te par­does uit de school door de rol van zijn mees­ter in geu­ren en kleu­ren te beschrij­ven die daar van­zelf­spre­kend niet blij van werd.

Stom­me­ling’, zei Don Qui­chot daar­op, ‘voegt of past het dolen­den rid­ders uit te vor­sen of de ver­druk­ten, de geknech­ten en de geke­ten­den die zij op hun­ne wegen ont­moe­ten zo huns weegs gaan en in deze ellen­de ver­ke­ren wegen hun schuld of wegens hun ver­dien­ste? Hun eni­ge taak is hen als hulp­be­hoe­ven­den bij te staan en daar­bij reke­ning te hou­den met hun lij­den en niet met hun schel­me­rij­en. [p.224]

In het nauw gebracht door de uit­spra­ken van San­cho ging Don Qui­chot zelfs zover dat hij de pas­toor begon te betich­ten niet op de hoog­te te zijn van de nobe­le ver­plich­tin­gen die gepaard gaan met het rid­der­schap en hij zou hem zelfs te lijf zijn gegaan als Doro­tea (waar­van hij dacht dat ze een prin­ses op de vlucht was die zijn hulp nodig had) niet op het aller­laat­ste moment er in slaag­de zijn aan­dacht te trek­ken door hem aan zijn belof­te te her­in­ne­ren de reus in haar vader­land te komen ver­slaan zodat zij als­nog aan­spraak kon maken op de troon harer vader.

Met veel fan­ta­sie ver­tel­de zij over haar lot­ge­val­len nadat haar ouders waren komen te over­lij­den. Met de hulp van de pas­toor die af en toe moest bij­sprin­gen om de ver­zin­sels enigs­zins recht te pra­ten om de arg­waan van Don Qui­chot niet te wek­ken ver­zon zij ter plek­ke een hele fami­lie­ge­schie­de­nis waar­in haar vader op mys­te­ri­eu­ze wij­ze voor­ken­nis had weten te ver­krij­gen van al wat prin­ses Mico­mi­co­na (Doro­tea dus) zou over­ko­men na het heen­gaan van haar vader en moe­der. Inclu­sief de ont­moe­ting met een dolen­de rid­der waar­van de hel­den­da­den al door­ge­dron­gen waren tot over­zee­se gebie­den.

Het was koren op de molen van zowel Don Qui­chot als San­cho Pan­za die zich­zelf al rijk reken­de, zeker toen hij hoor­de dat de hel­der­zien­de vader van Mico­mi­co­na ook nog had gezien dat de held­haf­ti­ge rid­der na het ver­ja­gen van de reus met zijn doch­ter in het huwe­lijk zou tre­den. Dat leid­de weer tot de vol­gen­de ruzie tus­sen mees­ter en knecht omdat Don Qui­chot niets wil­de horen van zulk een beschik­king. Hij was immers voor­be­stemd om ooit te huwen met de scho­ne Dul­ci­nea en nie­mand anders.

Zij strijdt door mij en tri­om­feert door mij en ik leef en adem door haar en dank haar leven en bestaan.

De ande­re aan­we­zi­gen volg­den deze woor­den­wis­se­ling (gepaard gaan­de met enke­le fel­le sla­gen van zijn lans door Don Qui­chot rich­ting zijn knecht) op gepas­te afstand en zij kon­den het niet laten zich te ver­ba­zen over ‘de zot­ter­nij van de mees­ter en de onno­zel­heid van de knecht’, zeker voor wat hun goed­ge­lo­vig­heid betrof met betrek­king tot het ver­haal door Doro­tea zo kun­dig gebracht. Was het ‘alleen omdat zij in de trant en op de manier van de dwaas­he­den uit zijn boe­ken wor­den opge­dist?’ De pas­toor kon er niet over uit.

En wat nog vreem­der is’, zei de pas­toor, ‘afge­zien van de dwaas­he­den die deze bra­ve hidal­go uit­slaat en die men aan zijn krank­zin­nig­heid kan wij­ten rede­neert hij, als men hem over ande­re aan­ge­le­gen­he­den spreekt met zeer goed geko­zen woor­den en toont in alles een hel­der en gezond ver­stand; zolang men maar niet met hem over de rid­der­schap begint, zal ieder­een hem voor een hoogst rede­lijk mens hou­den.’

Nu zou ik niet zover wil­len gaan om Don Qui­chot als ‘een hoogst rede­lijk mens’ te bestem­pe­len, maar ik kan wel vin­den in de con­sta­te­ring van mijn­heer de pas­toor. Don Qui­chot blijkt over een zeer scher­pe geest te beschik­ken die ech­ter zodra het onder­werp van rid­ders en het rid­der­schap te spra­ke komt ogen­blik­ke­lijk ver­troe­beld en zijn zicht op de rea­li­teit doet ver­dwij­nen. Ik vind het een fas­ci­ne­rend gege­ven hoe dit in deze roman wordt uit­ge­werkt.

~ ~ ~

Aarzelend begin in de herkansing

Deze blog­post is deel 4 van 5 in de serie Free­dom Trail 14/9/2019

Pre­cies een maand gele­den liep ik een rond­je van 6 kilo­me­ter voor wat een aan­zet had moe­ten zijn voor het trai­ningstra­ject rich­ting de Air­born Free­dom Trail op 14 sep­tem­ber. Daar is het tot nu toe bij geble­ven. Griep en de nasleep ervan weer­hiel­den me ervan om de hard­loop­schoe­nen aan te trek­ken.

Van­daag was het dan ein­de­lijk weer eens zover dat ik me (nog steeds wat kort­a­de­mig en op z’n tijd geteis­terd door een hoest­bui­aan­val) fit genoeg voel­de om het opnieuw te pro­be­ren. Ondanks de har­de wind (zeg maar gerust storm­ach­tig) en de strie­men­de regen ging het lopen best wel aar­dig. Vier kilo­me­ter in een gemid­deld tem­po van 10 km per uur, toen wat oefe­nin­gen gedaan en de laat­ste twee kilo­me­ter op m’n gemak uit­ge­lo­pen.

Onder­weg zag ik gan­zen, een­den, water­hoen­ders, aal­schol­vers, zwa­nen, meer­koe­tjes, gewo­ne koe­tjes, scha­pen, konij­nen, hon­den en omver gewaai­de bomen. En ik voel­de me pri­ma. Het gaf een heer­lijk vol­daan gevoel om door de regen te ren­nen en zelfs op dat klei­ne stuk­je meer­de­re die­hards te zien die ook de weers­om­stan­dig­he­den trot­seer­den om hun trai­nings­ki­lo­me­ters te maken. Het sti­mu­leer­de me om niet het kor­te rond­je van vijf kilo­me­ter te lopen wat ik voor­af in gedach­ten had, maar voor de extra kilo­me­ter te gaan.

~ ~ ~

Vorig jaar las ik het boek Alles wat je wilt weten over hard­lo­pen, geschre­ven door Maris­ka van Sprun­del. Ik heb er een keer kort over geblogd en daar­na niet meer ter­wijl ik het een razend inte­res­sant boek vond. Het idee is nu om regel­ma­tig tege­lijk met een upda­te van een trai­nings­rond­je wat te schrij­ven over dit boek.

Voor wie het boek niet kent aller­eerst wat cita­ten uit het voor­woord waar Maris­ka van Sprun­del beschrijft hoe de weten­schaps­jour­na­list in haar wak­ker werd geschud ter­wijl ze gehin­derd door bles­su­res nood­ge­dwon­gen als toe­schou­wer de hal­ve mara­thon van Egmond bij­woont.

Ik obser­veer­de de men­sen op het par­cours. […] De een luis­ter­de naar muziek, de ander zag ik zijn hor­lo­ge chec­ken. Som­mi­ge men­sen zwaai­den uit­bun­dig naar de toe­schou­wers die hen aan­moe­dig­den, ande­ren keken gecon­cen­treerd en rea­geer­den ner­gens op. Veel lopers nut­tig­den een gel­le­tje. Wat me voor­al intri­geer­de was de enor­me vari­ë­teit aan schoei­sel. [p.11]

In de hard­loop­we­reld cir­cu­le­ren zoveel gebrui­ken, gewoon­tes en ver­ha­len over voe­ding, schoe­nen, men­ta­li­teit en bles­su­res. Die ver­ha­len gaan over van loper op loper, waar­door ieder­een dezelf­de wijs­he­den kent en weet wat goed is en wat niet. [p.12]

Wat ik al snel ont­dek­te, is dat de fei­ten het vaak afleg­gen tegen de over­ge­le­ver­de ken­nis. Sport staat erom bekend rijk te zijn aan ritu­e­len en tra­di­ti­o­ne­le gebrui­ken. Hard­lo­pen is daar geen uit­zon­de­ring in. [p.13]

Weten­schaps­jour­na­list Maris­ka van Sprun­del is afge­stu­deerd in bio­me­di­sche weten­schap­pen. Ze schrijft onder meer voor Trouw, Runner’s World en NEMO Ken­nis­link. Ze is hard­loop­trai­ner bij atle­tiek­ver­e­ni­ging Phoe­nix in Utrecht en houdt een hard­loop­blog bij op RationeleRenner.nl.

~ ~ ~

Wat: Air­bor­ne Free­dom Trail
Wan­neer: 14 sep­tem­ber 2019
Afstand: 28 kilo­me­ter

~ ~ ~

Daar hep je regtop

Je rijdt ’s och­tends in je auto naar het werk en op de radio hoor je dat je recht hebt op kun­nen lezen en schrij­ven. En je denkt Ja! daar heb ik zeker recht op want heel je leven heb je al wil­len lezen en schrij­ven en je luis­tert goed wat je moet doen om daar recht op te heb­ben en het is heel mak­ke­lijk want je hoeft alleen maar naar daar heb je recht op punt nl te gaan. Maar eerst naar het werk dus moet je het ont­hou­den want opschrij­ven kun je het nog niet hoe­wel je daar wel recht op hebt.

Na het eten ’s avonds was je het toch nog bij­na ver­ge­ten maar opeens moest je er weer aan den­ken en dus kruip je ach­ter de com­pu­ter en ga je op zoek naar de web­si­te waar ze je kun­nen hel­pen.

daar­hep­jer­eg­top­punt­nl

daar­heb­jer­eg­top­punt­nl

daar­heb­je­re­hc­top­punt­nl

daar­heb­je­re­hc­tob­punt­nl

daar­heb­je­rechtob­punt­nl

daar­heb­je­recht­op­punt­nl

Ein­de­lijk. Je had de hoop al bij­na opge­ge­ven maar nu lijkt het toch dat je op de site bent. De let­ters zeg­gen je nog niet zoveel maar je ziet woor­den waar een streep­je onder staat en daar­van weet je dat je er op kunt klik­ken. Klik.

Nee hè, nog meer let­ters. En cij­fers zo te zien. Som­mi­ge her­ken je, maar niet alle­maal. Dan zie je het luid­spre­ker­tje in de lin­ker­bo­ven­hoek. Aha, dat zal een hoop dui­de­lijk maken. Vol ver­wach­ting klik je erop Klik! en hoort een blik­ke­ri­ge vrouwen(?)stem het vol­gen­de ople­zen:

Beter lezen en schrij­ven? Daar heb je recht op! 1 op de 10 Neder­lan­ders kan niet zo goed lezen en schrij­ven. Dat zijn men­sen zoals jij. Niet erg. Wel ver­ve­lend. Geluk­kig kun je er wat aan doen. Leer nu beter lezen en schrij­ven. Bel: 0800–0234444.

Je moet het een paar keer terug­luis­te­ren voor­dat je het num­mer uit je hoofd kunt opdreu­nen want opschrij­ven daar heb je dan wel recht op maar helaas kun je dat nog steeds niet. En je vraagt je af waar­om ze dat num­mer ook niet gewoon op de radio had­den kun­nen ver­tel­len ter­wijl je het intikt op je mobiel­tje maar dan had je niet terug kun­nen luis­te­ren en om nu de hele dag in de auto te blij­ven zit­ten om tel­kens het bericht voor­bij te horen komen schiet ook niet op en dan wordt de tele­foon opge­no­men aan de ande­re kant.

Helaas. De voi­ce­mail. Dan mor­gen maar terug­bel­len als je het num­mer nog weet.

~ ~ ~