Woensdag, 12 december 2018

Vorig jaar liep ik André Kui­pers mis. En van­daag mis­te ik Max Ver­stap­pen. Dat had ver­schil­len­de oor­za­ken. Bij André Kui­pers kwam het van­we­ge mijn trip­je naar Cluj. Daar­door zat ik nog in de auto van Dort­mund naar huis toen hij het podi­um betrad om een pre­sen­ta­tie te geven tij­dens onze ein­de­jaars­bij­een­komst. Ik wist eer­lijk gezegd ook niet dat hij zou komen anders had ik mis­schien iets beter mijn best gedaan om op tijd in Ede te zijn. In de uit­no­di­ging stond dat er een mys­tery guest zou optre­den en aan­ge­zien we niet zo’n gewel­di­ge track­re­cord heb­ben op dit gebied stel­de ik me er niet al te veel bij voor. Hoe je je kunt ver­gis­sen.

Dus zorg­de ik er nu voor om wel in Ede te zijn toen opnieuw een mys­tery guest werd aan­ge­kon­digd. Want, laten we wel zijn, met de aan­wij­zin­gen die we de laat­ste dagen kre­gen was de reken­som snel gemaakt: Max Ver­stap­pen zou de ver­ras­sing zijn. Hoe we tot die con­clu­sie kwa­men? Heel sim­pel. De fes­ti­vi­tei­ten zou­den in een eve­ne­men­ten­hal plaats­vin­den waar je ook kon kar­ten en de naam van de loca­tie was Maxx. Daar hoef­de je geen hoge­re wis­kun­de voor te heb­ben gestu­deerd.

Blijk­baar had ik toch een en ander over het hoofd gezien in mijn enthou­si­as­te bere­ke­ning. Niet Max Ver­stap­pen maar Robert Doorn­bos kwam onze mid­dag opleu­ken met zijn aan­we­zig­heid. En om heel eer­lijk te zijn, hij deed het gewel­dig. Lek­ker spon­taan, vol humor en vol­op inter­ac­tie met het ver­za­mel­de publiek. De tijd die hij nodig had om zijn ver­haal te ver­tel­len vloog voor­bij en voor de ver­an­de­ring werd de gele­gen­heid om vra­gen te stel­len gre­tig gebruikt. Het moest zelfs nood­ge­dwon­gen wor­den afge­bro­ken omdat we een vol pro­gram­ma had­den met laser­ga­men, kar­ten, esca­per­ooms, race­si­mu­la­tors en natuur­lijk veel eten en nog meer drank. Het was een zeer geslaag­de mid­dag.

~ ~ ~

Daar bij die molen, die watermolen…

Deze blog­post is deel 21 van 25 in de serie Don Qui­chot — Cer­van­tes

Eer­ste deel – Twin­tig­ste hoofd­stuk:
Over een nooit ter wereld door enig edel­man zó zon­der geva­ren ten ein­de gebracht, onge­hoord en onge­zien avon­tuur, het­welk hier vol­eind werd door de dap­pe­re Don Qui­chot van de Man­cha

De zadel­tas die San­cho van de schaaps­her­ders uit het vori­ge hoofd­stuk ont­vreemd heeft bevat een hoop voed­sel maar helaas geen water. Dus moe­ten ze op zoek naar een plek waar ze de dorst kun­nen les­sen en beslui­ten net zo lang door te rij­den tot ze iets gevon­den heb­ben. San­cho die al zijn leven op het land heeft gewoond ver­moed dat er een beek in de buurt moet zijn gezien het mal­se groe­ne gras dat hij over­al ziet. Tegen mid­der­nacht menen ze dat het niet ver meer kan zijn omdat ze het geluid van val­lend water steeds beter kun­nen onder­schei­den. Wat ze ech­ter ook horen is een geheel ander geluid, dat van ‘zwa­re regel­ma­tig val­len­de sla­gen, en tege­lij­ker­tijd geram­mel van ijzer en kete­nen’.

Don Qui­chot zou Don Qui­chot niet zijn als hij dit niet zou aan­grij­pen als een zoveel­ste aan­lei­ding om zijn onver­schrok­ken­heid te tonen. Voor­dat hij ten strij­de trekt tegen het onbe­ken­de gevaar geeft hij San­cho eerst uit­ge­breid instruc­ties wat deze moet doen in het geval zijn mees­ter niet levend terug zal keren van het strijd­to­neel. Voor San­cho, die de schrik toch al om het hart is gesla­gen is dit reden om Don Qui­chot te over­tui­gen van het feit dat het beter is te wach­ten op het dag­licht. Of, nog beter, ‘rechts­om­keert te maken en het gevaar ont­lo­pen’. Don Qui­chot wil daar van­zelf­spre­kend niets van weten. Dat is zijn eer te na, en daar­om zit er voor San­cho niets anders op dan via een list er voor te zor­gen dat de onge­dul­di­ge rid­der voor­als­nog niet kan ver­trek­ken. In het geniep bindt hij bei­de voor­be­nen van Ros­si­nant bij elkaar zodat deze slechts wat bok­ke­spron­gen kan maken in plaats van galop­pe­ren. In het duis­ter viel deze sabo­ta­ge geluk­kig niet op bij Don Qui­chot die in vol ornaat hoog geze­ten op zijn paard zich neer­legt bij de situ­a­tie in afwach­ting tot het eer­ste dag­licht.

Om de tijd te doden besluit San­cho een ver­haal te ver­tel­len dat rede­lijk vreemd in elkaar steekt. Het begint er al mee dat San­cho er rede­lijk lang over doet om het ver­haal in te lei­den. Iets wat Don Qui­chot nog meer onge­du­rig maakt en hem maant wat op te schie­ten. Maar San­cho heeft daar geen oren naar en beroept zich op de ver­tel­tra­di­tie uit zijn streek waar ze ‘zul­ke ver­ha­len juis­te­ment ver­tel­len op de manier dat ik het ver­tel’. Niet veel later beschrijft hij een her­de­rin zo beel­dend dat Don Qui­chot zich terecht afvraagt of hij haar mis­schien gekend heeft:

Nee, gekend heb ik haar niet’, ant­woord­de San­cho; ‘maar de man die mij dit ver­haal ver­teld heeft, zei dat het zo waar­lijk en waar­ach­tig gebeurd was dat ik als ik het ande­ren ver­tel­de best bewe­ren en zelfs bezwe­ren mocht dat ik alles zelf had mee­ge­maakt.
[p.135]

Hal­ver­we­ge (althans zo lijkt het) is er een epi­so­de waar de gei­ten­hoe­der (als cen­tra­le per­soon in de ver­tel­ling) met zijn kud­de een rivier dient over te ste­ken. Een vis­ser die daar­bij kan hel­pen heeft in zijn boot­je ech­ter slechts plaats voor één geit. San­cho begint ver­vol­gens uit­ge­breid te beschrij­ven hoe vaak de vis­ser op en neer moet en vraagt Don Qui­chot de tel bij te hou­den. Als die op een gege­ven moment wan­neer San­cho er naar vraagt niet pre­cies kan aan­ge­ven hoe­veel gei­ten er al over­ge­zet zijn is het ver­haal afge­lo­pen.

Hoe zo?’ zie Don Qui­chot. ‘Komt het er bij deze geschie­de­nis zo nauw op aan hoe­veel gei­ten er over­ge­va­ren zijn, dat als een mens den tel kwijt­raakt, jij het ver­haal niet ver­der kunt ver­tel­len?’
‘Neen, heer, dat kan niet’, ant­woord­de San­cho; ‘want toen ik Ued. vroeg mij te ver­tel­len hoe­veel gei­ten er over waren en u zei dat u het niet wist, wist ik op het eigen ogen­blik niet meer over hoe­veel ik er nog ver­tel­len moest, en ik kan u ver­ze­ke­ren dat het een best en aar­dig ver­haal was.’
[p.136]

Met dit soort con­ver­sa­ties en ande­re zaken bren­gen ze de nacht door tot­dat bij het eer­ste och­tend­glo­ren Don Qui­chot dan toch ein­de­lijk zijn uit­ge­stel­de aan­val kan inzet­ten. Een laat­ste poging van San­cho om hem op ande­re gedach­ten te bren­gen is ver­spil­de moei­te. Zelfs dat hij in hui­len uit­barst kan zijn mees­ter niet ver­mur­wen, hoe­wel het wel totaal onver­wachts de vol­gen­de ter­zij­de ople­vert voor de ver­bou­we­reer­de lezer:

Uit deze tra­nen en dit hoogst eer­zaam voor­ne­men van San­cho Pan­za besluit de schrij­ver van deze geschie­de­nis dat hij van zeer goe­de afkomst moet geweest zijn en gebo­ren uit chris­te­lij­ke voor­za­ten die zich niet met joden, moren of ande­re hei­de­nen had­den ver­mengd.
[p.138]

Als een soort van anti­cli­max spurt Don Qui­chot in het laat­ste gedeel­te van dit hoofd­stuk bij het och­tend­glo­ren op het onheil­spel­len­de geluid om al snel te mer­ken dat het ver­oor­zaakt wordt door de zwa­re schoe­pen van een water­mo­len. Dit­maal laat hij zich niet door zijn ver­beel­ding op stang jagen door te den­ken dat het weder­om een mach­tig leger is wat hem uit­daagt maar berust hij ver­sla­gen op zijn paard dat hij zich deer­lijk ver­gist heeft in de aard van het lawaai dat hem de hele nacht par­ten had gespeeld. Bij San­cho Pan­za komt alle span­ning er in een keer uit en hij kan niet laten zijn mees­ter bela­che­lijk te maken hoe die vuri­ge rede­voe­rin­gen hield om zich­zelf op te pep­pen de strijd aan te gaan met wat nu slechts een water­mo­len blijkt te zijn. Don Qui­chot grijpt dit aan om zijn knecht terecht te wij­zen en hem te gebie­den iet­wat meer eer­bied voor zijn mees­ter te tonen ‘want na zijn ouders moet men zij­ne mees­ters eer­bie­di­gen als­of ook zij ouders waren.’

~ ~ ~

Vrijdag, 7 december 2018

Eind decem­ber 2017 luk­te het me om toch nog in de dub­be­le cij­fers te komen voor wat betreft het aan­tal boe­ken dat ik uit­ge­le­zen kreeg. Uit­ein­de­lijk bleef de tel­ler staan op 13 boe­ken. Een karig gemid­del­de van 1 boek per maand. Mijn voor­ne­men was om het dit jaar beter te doen.

Wel­nu, dat gaat me luk­ken. Maar een ech­te ver­be­te­ring ten opzich­te van vorig jaar kun je het niet noe­men of ik moet in de laat­ste drie weken nog een tien­tal boe­ken weten weg te lezen. Want van­daag, 9 decem­ber 2018, is het me pas gelukt om de 13 boe­ken van vorig jaar te pas­se­ren.

En het is met­een d’rop en d’rover want ik had niet door dat het boek van Maris­ka van Sprun­del op enke­le blad­zij­des na nog niet was uit­ge­le­zen. Dat heb ik eerst snel gedaan voor­dat ik aan het laat­ste gedeel­te over Ernum begon. Dus kon ik net voor mid­der­nacht zowaar 2 titels bij­schrij­ven. Dat zal me niet snel weer gebeu­ren.

~ ~ ~

Donderdag, 6 december 2018

Van 1996 tot en met 2016 heb ik in Arn­hem gewoond. Ten­min­ste, dat dacht ik. Nu ik Arn­hem heb ver­ruild voor de gemeen­te Bem­mel kreeg ik van de sint een boek­je waar­in al met­een op de eer­ste blad­zij­des dui­de­lijk werd gemaakt dat ik al die tijd juist níet in Arn­hem heb gewoon, maar Arn­hem-Zuid. En dat is toch echt iets anders:

Arn­hem is Arn­hem-Noord, waar het hart en de ziel van de hoofd­stad van Gel­der­land lig­gen. Niet alleen in het cen­trum, ook in omrin­gen­de wij­ken zoals Kla­ren­dal, de Gei­ten­kamp en het Spij­kerkwar­tier. Arn­hem-Zuid zou ook een bui­ten­wijk van iede­re wil­le­keu­ri­ge ande­re stad kun­nen zijn.
[p.12, De Rijn, de Fles, Arn­hem­se Meis­jes en Vites, Rem­co Kock]

Ik wist dat natuur­lijk wel. Toen we de beslis­sing namen om samen te gaan wonen en ons oog viel op Arn­hem, werd ons al snel dui­de­lijk dat het cen­trum in Arn­hem-Noord veel min­der geschikt was. Niet alleen was het veel duur­der om pas­sen­de woon­ruim­te te vin­den, ook bracht het veel onge­mak met zich mee wat typisch is voor een druk­ke bin­nen­stad zoals wei­nig par­keer­ruim­te, geluids­over­last tot laat in de nacht en meer van dat. De keus was al snel gemaakt, wij gin­gen iets zoe­ken in Arn­hem-Zuid. En daar heb­ben we nooit spijt van gehad. Ten­slot­te was Noord op fiets­af­stand en lagen de vele voor­de­len die een ‘gro­te stad’ had nog steeds bin­nen hand­be­reik. Voor ons was het ‘the best of both worlds’ en namen we de neer­bui­gen­de grap­jes die gemaakt wer­den over Zuid op de koop toe.

Zuid is de tegen­pool van Noord: kind­vrien­de­lijk, vlak en vei­lig. In Noord is het heu­vel op, heu­vel af. […] Noord is de stad, Zuid is, tja, wat? Het cen­trum van Zuid is Kro­nen­burg. Over­dekt win­ke­len. Kro­nen­burg sym­bo­li­seert Arn­hem-Zuid. Niet roman­tisch, wel prak­tisch.
[p.11]

Voor ik het ver­geet te zeg­gen, het boek van Rem­co Kock waar ik deze twee cita­ten van­daan halen is ver­re van een neer­bui­gend boek over Arn­hem-Zuid. Inte­gen­deel, het is een ver­za­me­ling kor­te ver­ha­len over Arn­hem waar de schrij­ver op zeer komi­sche wij­ze de draak steekt met Arn­hem en de Arn­hem­mers in het alge­meen en zich­zelf in het bij­zon­der. Ik ben er deze avond in begon­nen en moest al ver­schei­de­ne keren hard­op lachen. Iets wat me niet vaak over­komt tij­dens het lezen. Kopen dat boek als je Arn­hem wat beter wilt leren ken­nen.

De Rijn, de Fles, Arn­hem­se Meis­jes en Vites
Men­no Kock
Uit­ge­ve­rij Kont­rast
ISBN 9789492411334

~ ~ ~

Woensdag, 5 december 2018

Pak­jes­avond. De klein­kin­de­ren gelo­ven niet meer in Sin­ter­klaas en het plan is om met Kerst­mis cadeaus en gedich­ten te doen. Heb­ben we met z’n allen iets meer tijd om als­nog op het aller­laat­ste moment in tijd­nood te komen. Dach­ten we. Tot­dat dui­de­lijk werd dat de jong­ste klein­zoon toch nog een beet­je geloof­de en we hals­over­kop ont­bo­den wer­den omdat de Sint waar­schijn­lijk langs zou komen deze avond. Wij dus snel nog wat aan­ko­pen doen. Op het lijst­je stond een gezel­schapspel. Daar­van lag geluk­kig het aller­laat­ste exem­plaar op ons te wach­ten. Niet zon­der reden. De doos was bescha­digd. Wat nu? Toch maar gekocht want het gaat uit­ein­de­lijk om de inhoud en niet de ver­pak­king.

Zijn de pak­jes een­maal ont­van­gen dan is de aan­pak als volgt: de oud­ste in het gezel­schap mag een cadeau­tje uit­kie­zen maar niet voor zich­zelf. Dege­ne voor wie het pak­je is kiest daar­na een cadeau­tje voor iemand anders. Enzo­voorts. Op een gege­ven moment koos iemand een cadeau­tje met als opschrift ‘Jinxie’. De hond. Die was er erg blij mee. Maar hoe nu ver­der? Heel sim­pel. We zou­den haar lok­ken en het eer­ste pak­je waar ze op ging staan was aan de beurt. Laat dat nu net het gezel­schapspel zijn. We gre­pen de gele­gen­heid aan om qua­si-onge­rust op te mer­ken dat hope­lijk het cadeau niet bescha­digd zou zijn door de hond.

Sor­ry Jinxie…

~ ~ ~

Dinsdag, 4 december 2018

Pre­cies twaalf jaar gele­den ver­huis­den we van Veen­en­daal naar Ede. En met we bedoel ik deze keer voor de ver­an­de­ring mijn collega’s en ikzelf. Het bedrijfs­pand waar ik een paar jaar eer­der begon­nen was met wer­ken voor Emer­son stond op het punt van inzak­ken en het was hoog tijd voor iets moder­ners. Dat von­den we op het indu­strie­ter­rein in Ede. Na de ver­hui­zing van het maga­zijn waar ik gro­ten­deels ver­ant­woor­de­lijk voor was betrok ik een kan­toor dat ik hele­maal voor mezelf alleen had. Heer­lijk!

Een jaar of twee later ver­schoof ik ech­ter van­we­ge een inter­ne func­tie­ver­an­de­ring naar een bureau in een open ruim­te ofte­wel kan­toor­tuin. Ik vond het ver­der pri­ma. Omdat ik niet veel moei­te heb met mezelf te con­cen­tre­ren op mijn werk werd ik niet echt afge­leid door alle rumoer en acti­vi­teit om me heen. Dat is al die tijd zo geble­ven toen ik op z’n minst nog mini­maal vijf keer van werk­plek ver­an­der­de.

Van­daag was het opnieuw zover. Omdat er een afde­ling uit het bui­ten­land over­ge­he­veld wordt naar onze ves­ti­ging moest er voor hen wat ruim­te vrij­ge­maakt wor­den op de eer­ste ver­die­ping. Wij van Busi­ness Sys­tems waren zo bereid­wil­lig om naar de bega­ne grond te ver­hui­zen. Waar­bij ik opeens weer een eigen kan­toor kreeg toe­ge­we­zen. Jip­pie!

Het is nu nog wat kaal en ste­riel maar dat zal niet al te lang duren. Eerst maar eens begin­nen met de kerst­ver­sie­ring voor de dag te halen.

~ ~ ~

Maandag, 3 december 2018

#blog­praat. De twit­ter­chat voor blog­gers en blog­lief­heb­bers onder de bezie­len­de lei­ding van Elja Daae en Ray­mond Snij­ders. Ik had er al heel lang niet meer aan mee­ge­daan. Hoe kan het ook anders zon­der twit­ter­ac­count. Maar sinds ik voor de zoveel­ste keer weer eens een nieuw account had aan­ge­maakt had ik eigen­lijk geen reden meer om weg te blij­ven. Dus mel­de ik me een maand gele­den vro­lijk aan als­of het de gewoon­ste zaak van de wereld was. En nie­mand deed moei­lijk. Alleen maar leu­ke reac­ties. Geen won­der dat ik deze avond opnieuw pre­sent was bij de laat­ste #blog­praat van dit jaar.

Onder­werp: je (blog)voornemens voor 2019.

Daar denk ik al wat lan­ger over na en zon­der dat ik het pre­cies kan omschrij­ven vormt zich een idee om regel­ma­tig een blog­post ook als pod­cast te delen. Alleen dan niet door de tekst slechts voor te lezen en het daar­bij te laten. Nee, ik wil er wat meer mee doen zon­der dat ik daar vat op kan krij­gen. Mis­schien moet ik som­mi­ge pas­sa­ges wat uit­ge­brei­der ver­tel­len dan hoe ze in de blog­post zijn neer­ge­schre­ven. Wat extra ach­ter­grond mee­ge­ven. Ik kan ook wat blij­ven stil­staan bij de illu­stra­ties die ik soms gebruik en die wat nader toe­lich­ten. Wat er te op de afbeel­ding te zien valt, of indien het een eigen foto is, waar deze gemaakt is en onder wel­ke omstan­dig­he­den.

Waar­om ik dit wil doen en wat ik er mee denk te berei­ken is me ook niet dui­de­lijk. Doe ik het voor de slecht­zien­de mede­mens? Ik vraag het me af. Eer­der zie ik het als een ande­re manier om een ver­haal (let­ter­lijk) te ver­tel­len. Wat ik wel weet is dat me dit ont­zet­tend veel extra tijd gaat kos­ten. Waar­schijn­lijk zal ik het daar­om niet al te vaak doen. Behal­ve als het erg aan­slaat. Dan natuur­lijk wel.

Voor­lo­pig blij­ven het (goe­de?) voor­ne­mens voor een jaar dat nog niet is begon­nen. Er kan nog veel ver­an­de­ren in de tus­sen­tijd.

~ ~ ~