Een welhaast onbedwingbare berg papier

Deze blogpost is deel 8 van 8 in de serie 2666 - Roberto Bolaño

Kort nadat ik een blogpost over het tweede deel (over Amalfitano) van 2666 had geschreven verscheen er een verzoek op de site van The Mookse and the Gripes om de planning van de Read-Along aan te passen. Het voorstel werd gedaan in de commentaarsectie bij de behandeling van het vierde deel (over de misdaden). Waarmee meteen duidelijk wordt dat ik zelf op dat moment al flink achterlag. Niet zozeer met lezen, maar wel degelijk met duiden zoals mijn opzet was met de Read-A-Long serie.

Het valt me namelijk zwaar om grip te krijgen op dit (in alle opzichten) waanzinnige boek. Was ik aanvankelijk druk bezig om tijdens het lezen volop aantekeningen te maken, bij aanvang van het derde deel (over Fate) ben ik daar mee gestopt. Ik had het idee dat ik allereerst het boek gewoonweg moest uitlezen om pas daarna te beginnen met al mijn gedachten over het boek op papier te zetten. Het is een methode die me uiteindelijk het beste bevalt. Het kost me meer tijd, zeker wanneer ik gedurende de eerste lezing zelfs geen streepjes of iets dergelijks in de kantlijn zet zodat ik veel niet meer (snel) terug kan vinden. Maar het helpt me wel om een beter begrip van de tekst te krijgen omdat de ‘verwerking’ geleidelijker verloopt. Helemaal wanneer ik na die eerste lezing het boek een paar dagen wegleg om te laten bezinken.

Dat is nu dus mijn plan van aanpak. Deze week lees ik het restant van het vijfde deel (over Archimboldi) uit, leg 2666 vervolgens aan de kant om me te richten op ander lees- en recenseerwerk en ga daarna aan de slag om in enkele blogposts te vertellen wat ik allemaal kwijt wil over dit boek. Niet geheel in lijn met hoe ik deze Read-A-Long voor ogen had, maar hé!, hadden jullie anders van mij verwacht?

Mocht iemand misschien denken dat ik spijt heb dat ik ooit aan dit boek begonnen ben, dan kan ik die gedachte meteen naar het rijk van de fabelen verwijzen. Ik geniet van elke bladzijde. Het is geschreven in ontzettend bloemrijk proza en verhaaltechnisch waaiert het alle kanten uit zonder dat het gaat vervelen. Maar het is zoveel dat het me niet lukt overzicht te krijgen. Ik zal eerst deze papierberg moeten zien te bedwingen om vanaf de top het totale landschap beter te kunnen aanschouwen.

~ ~ ~

Om gek van te worden

Deze blogpost is deel 7 van 8 in de serie 2666 - Roberto Bolaño

Nog 250 pagina’s te gaan en dan weet ik hoe 2666 eindigt. Ik ben alleen bang dat ik met zoveel vraagtekens blijf zitten dat een onmiddellijke herlezing bijna verplicht is wil ik niet gek worden van alle onbeantwoorde vragen die zich in mijn hoofd blijven opstapelen bij elke volgende pagina die ik lees. Tot nu toe lukt het me niet ook maar enige grip te krijgen op de ontstellende hoeveelheid informatie die door Roberto Bolaño in deze roman is verwerkt. Het is als zo’n Russisch poppetje met daarin een nieuw poppetje. En dat tot in de oneindigheid. Nog nooit eerder heb ik zo’n boek gelezen.

Op de site van The Mookse and the Gripes zie je dat ook terug in de commentaren bij de Read-along die daar gaande is. Iedereen (of je 2666 nu voor de eerste of de tigste keer leest) worstelt met het doorgronden van de diepere betekenis die Bolaño ongetwijfeld in dit megalomaan bouwwerk heeft verstopt. Maar het lijkt onbegonnen werk. En hoewel ik eerder heb aangegeven niet te verwijzen naar stukken tekst uit de gedeeltes die nog aan bod moeten komen, breek ik hier met die ongeschreven regel. Want de volgende alinea verwoordt perfect waar dit frustrerende gevoel vandaan komt. Bolaño vertelt hier over een wiskundige

[…] die zich de laatste twintig jaar van zijn leven had beziggehouden met het zoeken naar ‘enkele mysterieuze getallen’ die ergens verborgen zijn in het uitgestrekte landschap dat zichtbaar is voor de mens, maar die niet zichtbaar zijn en die zich tussen de rotsen of tussen de ene en de andere kamer kunnen ophouden en zelfs tussen het ene getal en het andere, zogezegd een alternatieve wiskunde, gecamoufleerd tussen de zeven en de acht, in afwachting van iemand die in staat is die te zien en te ontcijferen. Het enige probleem was dat je om die wiskunde te kunnen ontcijferen die eerst moest zien, en om die te kunnen zien die eerst moest ontcijferen.
[p. 812, 2666, vet gedrukt door mij]

Het zal geen verbazing wekken dat de wiskundige in een gekkenhuis terecht komt.

Waarbij we zijn aanbeland wat volgens mij het centrale thema is van Het deel van Amalfitano: de gekte die hem sluipenderwijs in bezit neemt.

Ik vind krankzinnigheid een fascinerend onderwerp in de literatuur en tegelijkertijd beangstigt het mij evenzeer. Wat nu wanneer je als lezer verstrikt raakt in de ijzeren logica van een (geestelijk gestoord?) romanpersonage? Kun je dan nog terug? Misschien heb je je wel geheel onbewust laten inpalmen door de (geestelijk gestoorde?) auteur en besef je niet dat je voor de buitenwereld rijp bent om opgenomen te worden in een gesticht wanneer je na dagen obsessief lezen weer eens opkijkt van je boek. Alsof een virus je te grazen heeft genomen.

De eennalaatste vraag uit het lijstje dat op The Mookse and the Gripes staat vermeld naar aanleiding van dit tweede deel, vind ik dan ook zeer tot de verbeelding spreken:

  • Part 2 mentions telepathy at least three times, and other forms of coded communication often, including Araucanians’ “secret” triangle of writing (which links to Dieste’s book) and Adkintuwe. What is the significance of such matters in 2666? Is there a coded message in the mass murder? Does Amalfitano’s vivid image of Lola working as a cleaner in Paris suggest telepathy? And what of Amalfitano’s strange and yet interesting theory of jet lag, that phenomenon of turning “the pain of others into memories of one’s own”?
  • What do we make of Marco Antonio Guerra?
  • Why does Bolaño end with a dream about Boris Yeltsin, which provides Amalfitano with a conversation about “the third leg of the human table” and an equation: “supply + demand + magic”?
  • Who or what do the voices in Amalfitano’s head represent?
  • If “madness is contagious,” what is the source of the contagion in 2666?
  • What do we make of the connections to ancient Greece, both in Lola’s visions of herself and in the alleged connection between Greece and Chile?

Is madness contagious?

Is gekte besmettelijk? Overdraagbaar?

Ik denk van wel. Ik denk dat Amalfitano gek aan het worden is. Ik denk dat dit te maken heeft met zijn vrouw Lola.

Het kan ook zijn dat ik dit denk omdat Bolaño wil dat ik denk dat het normaal is dat Amalfitano gek kan worden doordat hij besmet is geraakt door de gekte van zijn vrouw. Dat maakt het nog erger. Dat maakt dat ik gek aan het worden ben. Dat maakt het aannemelijk dat gekte overdraagbaar is.

Echt, ik word gek van dit boek.

~ ~ ~

Mexico, Mexicohoo…

Deze blogpost is deel 6 van 8 in de serie 2666 - Roberto Bolaño

Vandaag las ik een boeiend artikel op De Correspondent:

 Na de bestelde dood van 43 studenten is de maat vol in Mexico (<< Sharing is Caring <<).

Het is een gastbijdrage door Jan-Albert Hootsen die vanuit Mexico verslag doet bij de gebeurtenissen in de deelstaat Guerrero waar duidelijk is geworden dat 43 vermiste studenten door een drugsbende op gruwelijke wijze zijn vermoord. Met medeweten, nee veel erger, met volle medewerking van de plaatselijke overheid. Inmiddels zijn de gevluchte burgemeester en zijn vrouw opgepakt samen met nog veel meer corrupte politici en politieagenten. Maar het is de bevolking niet genoeg. De protesten die al vanaf het moment van de verdwijning bezig zijn, gaan gewoon door. Blijkbaar is er een grens overschreden en eist men radicale hervormingen.

Ik ben verre van een Mexico-deskundige en mijn kennis van het land is erg summier. Eigenlijk ben ik me pas de laatste jaren iets meer in de geschiedenis en cultuur van dit land gaan verdiepen omdat mijn werkgever een grote fabriek in Chihuahua heeft staan. Niet dat ik veel contact heb met mijn Mexicaanse collega’s, maar desalniettemin kijk ik toch anders naar het nieuws zeker als het zich bijvoorbeeld in de regio afspeelt waar die fabriek staat. Wat met deze 43 studenten trouwens niet het geval is.

Een andere reden dat ik het artikel op De Correspondent met meer dan gewone belangstelling las, heeft te maken met het boek 2666, waar ik momenteel middels een ‘Read-A-Long’-serie over mijn leeservaringen blog. Het gehele vierde deel, Het deel van de misdaden getiteld, gaat over de misdaden in de fictieve stad Santa Teresa waar jarenlang de lichamen van meestal jonge vrouwen en meisjes gevonden werden. Vermoord en verkracht. Nooit is aan het licht gekomen wie hier achter zat. Was dit het werk van een seriemoordenaar? Een drugskartel? Een perverse groep hoogwaardigheidsbekleders die de macht en het geld hadden om het in de doofpot te houden? (Complot)theorieën te over.

Het feit dat Roberto Bolaño zo uitvoerig over deze moorden schreef was de hoofdreden dat ik destijds deze roman had aangeschaft. De werkelijke plaats waar deze moorden namelijk plaatsvinden is Ciudad Juárez, en laat dat nu wel in de regio zijn waar mijn werkgever die fabriek heeft staan. Ik vond het een bizar gegeven dat op een plek waar zovele van mijn Nederlandse en Amerikaanse collega’s regelmatig naar toe gingen voor een zakenreis, en waar mijn Mexicaanse collega’s iedere dag weer opnieuw op en neer pendelden tussen werk en huis, dat zich daar zulke afschuwelijke misdaden afspeelden terwijl er ogenschijnlijk zo weinig tegen gedaan werd. In het boek van Bolaño hoopte ik er meer over te weten te komen ondanks dat het een fictieve weergave zou zijn.

Alleen kwam ik er niet aan toe om er in te beginnen. Zoals zo vaak verdween ook dit boek in de alsmaar groeiende berg Nog-Te-Lezen-boeken. Gelukkig zag ik dit jaar een oproep op de site The Mookse and the Gripes (waar ik nog nooit eerder had rondgeneusd) voor een Read-Along van 2666. Ik besloot mee te doen. En nu ploeg ik me aldus een weg door de eindeloze opsomming van vermoorde meisjes. Elk individueel geval wordt afstandelijk en op een bepaalde cynische manier beschreven. We zijn getuige hoe de politie halfslachtig werk levert met als voornaamste resultaat dat er geen daders gevonden worden en de dossiers onverrichterzake gesloten worden.

Een willekeurig voorbeeld:

Een paar dagen na de moord op Paula Sánchez Garcés werd vlak bij de weg naar Casas Negras het levenloze lichaam aangetroffen van een vrouw van ongeveer zeventien jaar. Ze was een meter zeventig, tenger gebouwd en had lang haar. Het lichaam vertoonde drie wonden veroorzaakt door een scherpsnijdend wapen, schaafwonden aan polsen en enkels en afdrukken in de hals. Volgens de forensisch arts was de dood het gevolg van een van de steekwonden. Ze droeg een rood T-shirt, witte beha, zwart slipje en rode naaldhakken. Geen broek of rok. Na onderzoek van een vaginaal en anaal uitstrijkje kwam men tot de conclusie dat het slachtoffer was verkracht. Later ontdekte een assistent van de forensisch arts dat de schoenen die het slachtoffer droeg minstens twee maten te groot waren. Er werd geen enkel identiteitsbewijs gevonden en de zaak werd gesloten.
[p.602-603, 2666]

Zo gaat het maar door, 330 bladzijdes lang. Vaak raakt bewijsmateriaal zoek of worden incompetente rechercheurs op de zaak gezet. Het is om moedeloos van te worden en je begrijpt niet dat de plaatselijke bevolking niet in opstand komt.

Op de site van The Mookse and the Gripes is vanaf afgelopen vrijdag dit vierde deel onderwerp van bespreking. En één van de vragen, misschien wel de kernvraag, is wat Bolaño precies in gedachten heeft gehad met deze continue stroom van verdwenen vrouwen. Waarom ruimt hij er zoveel plaats (bijna een derde van de complete roman) voor in? Waarom beschrijft hij al die onopgeloste zaken zo uitvoerig zonder echt in te gaan op het speurwerk dat de politie verricht (of nalaat).

We zijn er nog niet over uit. Maar een artikel zoals van Jan-Albert Hootsen op De Correspondent geeft misschien weer wat aanvullende informatie om Mexico en het Mexicaanse volk ietsjes beter te begrijpen. Net zoals een ‘Longread’ op de site van The New York Review of Books:

Mexico: ‘We Are Not Sheep to Be Killed’ (nog meer << Sharing is Caring <<)

door Alma Guillermoprieto. Boeiende lectuur.

~ ~ ~

Het deel van Amalfitano

Deze blogpost is deel 5 van 8 in de serie 2666 - Roberto Bolaño

Waar waren we ook alweer gebleven sinds ik bijna een maand geleden voor het laatst mijn leeservaringen deelde met betrekking tot het boek 2666 door Robert Bolaño? Oh ja, bij deel 2, oftewel Het deel van Amalfitano. Laat ik opnieuw maar eens beginnen met een weergave van de verhaallijn(en). We krijgen meteen een verrassing te verwerken:

Exit: de vier critici.

In dit tweede (met nog geen tachtig pagina’s tevens het kortste) deel, zoomen we in op de persoon Amalfitano. Deze Chileense balling die we in het eerste deel hebben leren kennen als de gids voor de critici op zoek naar Archimboldi, leeft samen met zijn puberdochter Rosa in Santa Teresa nadat zijn vrouw Lola hen jaren geleden heeft verlaten. Ze woonden toen nog in Spanje.

Dit is hoe het tweede deel begint:

Ik weet niet wat ik in Santa Teresa kom doen, zei Amalfitano bij zichzelf toen hij een week in de stad woonde. Weet je dat niet? Weet je dat echt niet? vroeg hij zich af. Echt niet, zei hij bij zichzelf, en veelzeggender kon zijn antwoord niet zijn.
[p.197, 2666]

Vervolgens krijgen we in de vijfentwintig pagina’s die hierop volgen de voorgeschiedenis te lezen van deze verhuizing naar Santa Teresa. Het begint met het vertrek van Lola op het moment dat hun dochter Rosa twee jaar jong is. Lola geeft als reden voor haar vertrek aan dat ze haar lievelingsdichter wil opzoeken die opgenomen is in een gekkenhuis. Ze belooft na een paar maanden terug te zullen keren. Eenmaal vertrokken stuurt Lola regelmatig lange brieven naar Amalfitano.

In deze brieven vertelt Lola over de reis die ze met een vriendin onderneemt naar San Sebastián. Daar eenmaal aangekomen krijgen ze geen toestemming om de dichter te ontmoeten. Via een list lukt hen uiteindelijk toch om hem te zien. Dan wordt duidelijk dat Lola en haar vriendin het plan hebben opgevat om de dichter te helpen met een ontsnapping uit het gekkenhuis waarna ze gedrieën zullen vluchten naar Frankrijk. Ze worden onderbroken door de komst van een dokter die de dichter terugbrengt naar zijn kamer. In de volgende dagen lukt het hen niet meer om met hem in contact te komen.

Na een tijdje raakt hun geld op en de vriendin van Lola besluit naar Madrid te reizen om daar bij familie om geld te vragen. Lola blijft alleen achter. Niet lang daarna wordt ze uit het pension gezet waar ze hun intrek hadden genomen. In afwachting van haar vriendin besluit Lola dicht bij het gekkenhuis in de buitenlucht de tijd door te brengen. Door het hekwerk vangt ze soms een glimp van de dichter op. De vriendin laat zich niet meer zien en Lola begint rond te zwerven in de omgeving. Een tijdlang wordt ze min of meer onderhouden door een man die verliefd op haar raakt totdat ze in haar eentje naar Frankrijk vertrekt.

Amalfitano hoort vijf jaar lang niets meer van Lola. Dan plots weer een brief waarin ze aangeeft als schoonmaakster te werken in Parijs en een zoontje te hebben. Vervolgens weer twee jaar geen teken van leven totdat ze in Barcelona opduikt en op zoek gaat naar Amalfitano. Lola blijkt ongeneeslijk ziek te zijn en komt afscheid nemen van Amalfitano en haar dochter Rosa.

Exit: Lola.

In Santa Teresa opent Amalfitano op een dag een doos met nog niet uitgepakte boeken en treft daar het Geometrische testament van Rafael Dieste aan. Een boek waarvan hij zich niet kan herinneren het ingepakt te hebben of dat het zelfs ook maar ooit in zijn bezit is geweest. Door middel van drie wasknijpers hangt hij het boek aan de waslijn achter in zijn tuin. Tegenover zijn dochter geeft hij de volgende uitleg:

Ik bedoel, zei Amalfitano, dat ik het niet heb opgehangen omdat ik het eerst met de tuinslang heb natgesproeid en ook niet omdat ik het in het water heb laten vallen, ik heb het zomaar opgehangen, om te zien of het de elementen weerstaat, de aanvallen van deze woestijnachtige natuur. Ik hoop dat je niet gek begint te worden, zei Rosa.
[p.230, 2666]

Een collega van Amalfitano, de docente Silvia Pérez die hij al langer kende en die hem overgehaald heeft naar Santa Teresa te komen, zoekt herhaaldelijk toenadering maar de uitstapjes en afspraakjes zijn weinig succesvol door de afstand die Amalfitano in stand houdt. Hij lijkt zich steeds verder terug te trekken in zijn eigen binnenwereld die gaandeweg meer paranoïde trekjes begint te vertonen. De lugubere berichten over ontvoerde meisjes en vrouwen die regelmatig het nieuws halen weten dit alleen maar te versterken. Op een dag dient zich ‘de stem’ aan:

Misschien had hij hem al eerder gehoord, op straat of terwijl hij sliep, en gedacht dat die deel uitmaakte van een gesprek van anderen of dat hij een nachtmerrie had. Maar die avond hoorde hij de stem en twijfelde er geen moment aan dat die zich tot hem richtte. Eerst dacht hij dat hij gek geworden was. De stem zei: hallo, Óscar Amalfitano, schrik alsjeblieft niet, er is niets ergs aan de hand.
[p.241, 2666]

In de avonduren, wanneer zijn dochter is stappen met een vriendin of in bed ligt, voert Amalfitano hele gesprekken met de stem. Gesprekken die voortduren tot in de ochtend en die hem volledig uitputten zonder dat duidelijk wordt wie of wat er nu eigenlijk echt achter die stem schuilgaat. Wel is daar elke keer weer de bezwering dat hij niet gek aan het worden is. Ze voeren toch slechts een onschuldig gesprek?

Na lang nadenken verwerpt Amalfitano het idee dat hij gek aan het worden is of dat de stem van een gekwelde geest zou zijn. Hij omarmt de these dat van de telepathie en wel van de telepathische Mapuche- of Araukano-indianen. Over die laatste heeft hij een boek in zijn bibliotheek waarin hij zich meteen verdiept.

De laatste pagina’s gaan afwisselend over de studie van Amalfitano over de Araukano-indianen en verschillende ontmoetingen die hij heeft met de zoon van decaan Guerra. In het deel van de critici wordt Amalfitano ook gezien met deze zoon van de decaan, wat een van de critici doet opmerken of Amalfitano misschien een homo is. Een onderwerp dat in dit tweede deel ook verscheidene keren terugkomt.

Een scène die ik jullie hier niet wil onthouden is die van een observatie door Amalfitano tijdens een diner bij de rector van zijn universiteit:

Op een bepaald moment onder het dineetje meende Amalfitano dat de rector en zijn vrouw een nogal omfloerste blik met elkaar wisselden. In haar ogen zag hij iets dat op haat zou kunnen lijken. Het gezicht van de rector spreidde daarentegen een plotselinge angst tentoon die niet langer duurde dan de vleugelslag van een vlinder. Maar Amalfitano merkte die op en heel even (de tweede vleugelslag) stond de angst van de rector op het punt ook zijn huid aan te raken. Toen hij zich herstelde en naar de andere gasten keek, merkte hij dat niemand die minimale schaduw, als een haastig gedolven gat waaruit zich een verontrustende stank verspreidde, had opgemerkt.
[p.263-264, 2666]

Het zijn dit soort beschrijvingen die het proza van Roberto Bolaño zo aantrekkelijk maken ondanks de vaak vage thematiek en de hak-op-de-tak verhaallijnen. Bolaño is volgens mij in staat om een telefoonboek zodanig te herschrijven dat het boeiende literatuur wordt terwijl alle data er nog steeds in verwerkt is.

Deel twee eindigt met een droom van Amalfitano en waarin Boris Jeltsin een voorname rol heeft (en waarbij het ook zomaar kan zijn dat Amalfitano een voorname rol speelt in een droom van Jeltsin). Is het waanzin ten top? Is Amalfitano ondanks al zijn eigen tegenwerpingen wel degelijk gek geworden? Dat is de kernvraag van dit korte maar tegelijkertijd tot de rand volgepropte deel. Voorlopig moeten we het doen met de laatste constatering:

… en Amalfitano bleef alleen achter en durfde niet in het gat te kijken, waardoor er niets anders voor hem opzat dan wakker te worden.
[p.273, 2666]

Binnenkort (een ruim begrip zo geef ik toe) ga ik verder in op hoe ik dit tweede deel ervaren heb en hoe het naar mijn mening staat ten opzichte van het eerste deel. Neem ook eens een kijkje op The Mookse and the Gripes om te lezen wat hun bevindingen zijn.

~ ~ ~

Raadselachtig en onbegrijpelijk

Deze blogpost is deel 4 van 8 in de serie 2666 - Roberto Bolaño

Vorige week heb ik gepoogd een samenvatting te geven van het eerste deel (over de critici) van 2666. Hoewel ik me heb proberen te beperken tot de hoofdlijnen, werd het toch een flinke lap tekst. Grote kans dat vandaag hetzelfde zal gebeuren wanneer ik aandacht wil besteden aan mijn leeservaring van de ruim 180 pagina’s waaruit dit eerste deel bestaat. Mocht het onverhoopt qua lengte helemaal uit de hand lopen dan hak ik de blogpost wel in meerdere stukken. Tenslotte is dit een serie.

Omdat ik de complete roman nog niet in zijn geheel gelezen heb (ik ben nu ‘as we blog’ op pagina 554 midden in deel 4, het deel van de misdaden) kan het niet anders dan dat ik de kans loop bepaalde zaken over het hoofd te zien of verkeerd te interpreten. Dat is het risico bij een tussentijdse evaluatie.

Wat ik verder zal trachten te vermijden is ingaan op datgene wat in de volgende delen aan bod komt (in zoverre ik dat al heb gelezen). Met mijn aantekeningen bij de hand die ik gemaakt heb tijdens het lezen van het eerste deel moet dat te doen zijn. Zo krijg ik misschien achteraf een beter beeld in hoeverre ik de verschillende delen anders heb ervaren. Natuurlijk was het in dat opzicht beter geweest wanneer ik meteen mijn leeservaring online had gezet, maar zo is het helaas niet gegaan.

Welnu, wat me het meest is bijgebleven na lezing van het eerste deel is het vertelplezier dat van elke bladzijde spat. Ik bedoel hiermee dat op de volgepakte bladzijden de zinnen over elkaar heen buitelen en dat je een waanzinnige hoeveelheid verhalen voorgeschoteld krijgt. Niet altijd is het daardoor even spannend of plotgericht (integendeel zou ik juist willen zeggen), maar het lijkt alsof Bolaño zoveel te zeggen heeft dat hij niet kan kiezen en het aan de lezer overlaat om de hoofd- van de bijzaken te scheiden. In mijn fantasie zie ik Bolaño aan zijn schrijfmachine gezeten als een bezetene bezig om alles wat in zijn hoofd zit aan het papier toe te vertrouwen.

Of dit laatste beeld klopt weet ik niet, wel dat ik gaandeweg de overtuiging kreeg dat Bolaño wel degelijk hoofd- van bijzaken weet te onderscheiden. Al tijdens het lezen en ook toen ik later de eerste review op The Mookse and the Gripes gelezen had, kreeg ik het gevoel dat er meerdere (vele?) lagen zijn waarin het verhaal zich afspeelt.1 Het probleem is alleen dat je geen idee hebt wat nu precies het verhaal is dat Bolaño ons wil vertellen. Is de zoektocht naar de mysterieuze schrijver Archimboldi de kern waar alles om draait? Of verschuift de aandacht naar de vele onopgehelderde moorden in Santa Teresa? En wat te denken van het almaar veranderende perspectief in de relaties tussen de vier critici? Zullen we in de volgende delen meer te horen krijgen over Liz Norton en Piero Morini en hun gezamenlijke belangstelling voor de kunstenaar Edwin Johns?

Kortom, het kan vele kanten uit want verhaallijnen genoeg. (Inmiddels heb ik wat meer kijk op welke kant het uitgaat, maar die kennis laat ik hier voorlopig zoals beloofd achterwege.) Daarom ga ik nu een aantal thema’s vermelden die me opgevallen zijn in dit eerste deel. Later zal blijken of ik daadwerkelijk enkele rode draden te pakken heb en in welke mate ze een betekenis hebben binnen het gehele verhaal.

De critici zijn op zoek naar de schrijver Archimboldi. Slechts weinigen hebben deze man ooit ontmoet en het blijft gissen naar hoe hij eruit ziet. Wat herhaaldelijk terug komt is dat hij groot schijnt te zijn. Enorm groot:

‘Hoe ziet Archimboldi eruit?’ vroeg Espinoza.
‘Hij is heel lang,’ zei mevrouw Bubis, ‘heel lang, een man van waarlijk groot postuur. Als hij in deze tijd was geboren, zou hij waarschijnlijk basketbal hebben gespeeld.’
[p.41, 2666]

Hoewel deze uitspraak onmiddellijk gevolgd wordt door een overpeinzing van Espinoza dat de manier waarop mevrouw Bubis dit zegt net zo goed zou kunnen betekenen dat Archimboldi een dwerg had kunnen zijn, doet hier niets aan af. Er zijn voldoende uitingen te vinden in het eerste deel door verschillende personen gebracht dat Archimboldi groot is. Het geeft wel aan hoe Bolańo continu bezig is de lezer op het verkeerde been te zetten door veel informatie te laten vergezellen door desinformatie.

Regelmatig wordt er verwezen naar de Grieken.2 Veelal naar de Griekse mythologie, maar ook naar het huidige Griekenland, zoals wanneer Pelletier een van zijn dromen beschrijft:

‘… ik droomde dat ik op vakantie ging naar de Griekse eilanden en daar een boot huurde en een jongetje leerde kennen dat de hele dag aan het duiken was.’
[…]
‘Het vreemdste van de droom,’ zei Pelletier, ‘is dat het water leefde.’
[p.189, 2666]

Wat ons op het volgende thema brengt, dat van de vele dromen en nachtmerries. Sommige worden erg uitvoerig beschreven, andere juist weer kort en bondig. Het is al moeilijk in te schatten wat ze voor de persoon betekenen die ze droomt, laat staan wat hun rol in het boek is. Zijn het vooraankondigingen van naderend onheil? Ze worden tenslotte niet voor niets ingezet. Toch?

… en zag hij uit de diepte van de metaalkleurige zee de resten van een standbeeld oprijzen. Een vormeloze, reusachtige klomp steen, verweerd door de tijd en het water, maar waarin overduidelijk een hand, de pols en een deel van de onderarm te herkennen viel. En dat standbeeld verrees uit de zee en verhief zich boven het strand en het was afschrikwekkend en tegelijk beeldschoon.
[p.101, 2666]

Het sluit aan bij een ander thema, eentje dat me niet meteen was opgevallen, maar bij herlezing van mijn aantekeningen en verschillende passages steeds duidelijker werd: deze ondertoon van naderend onheil, maar ook van onderdrukte agressie en kwaadaardigheid. Nog voordat Norton, Pelletier en Espinoza afreizen naar Mexico zijn er al enkele voorbeelden van te vinden, maar zeker in Santa Teresa komt het nadrukkelijker naar de oppervlakte. In dit verband zijn er ook nog wat onheilspellende verbanden tussen seks en agressie aan te wijzen. Benieuwd waar dat naar toe gaat in de volgende delen.

Iets anders wat ik hier nog wil vermelden zijn de vele opsommingen en niet ter zake doende uitweidingen waar Bolaño zich in verliest. Ook hier is de vraag of ze daadwerkelijk van belang zijn of dat het slechts dwaalsporen zijn ter verwarring voor de lezer. Hilarisch vond ik de beschrijving van een telefoongesprek tussen Espinoza en Pelletier:

De eerste twintig minuten hadden een tragische ondertoon, waarbij tien keer het woord lot viel en het woord vriendschap vierentwintig keer. De naam van Liz Norton werd vijftig keer uitgesproken, negen daarvan tevergeefs. Het woord Parijs kwam op zeven momenten voor. Madrid, op acht. Het woord liefde spraken ze twee keer uit, ieder één keer. Het woord verschrikking werd zes keer uitgesproken en het woord geluk één keer (door Espinoza). Het woord beslissing werd in twaalf gevallen gezegd. Het woord solipsisme in zeven. Het woord eufemisme in tien. Het woord categorie, in enkel- en meervoud, in negen. Het woord structuralisme in één geval (Pelletier). De term Noord-Amerikaanse literatuur in drie gevallen. De woorden etentje en gegeten en ontbijt en broodje in negentien. De woorden ogen en handen en haar in veertien gevallen. Daarna verliep het gesprek wat vlotter.
[p.55-56, 2666]

Daarna verliep het gesprek wat vlotter! Vergeef me, maar dat vind ik dus echt een geweldige zin na deze ontzettend droogkomische en originele weergave van een telefoongesprek. Echter opnieuw, wat het te betekenen heeft is mij een raadsel. Als het al iets te betekenen heeft.

Tijd om af te ronden. Deze blogpost is alweer veel te lang geworden en ik ben nog niet eens aan de beantwoording van enkele vragen toegekomen die vermeld staan op de site van The Mookse and the Gripes. Daar kom ik een volgende keer op terug.

Waar ik mee wil af sluiten zijn twee citaten die voor mij kenmerkend zijn voor de geheimzinnigheid en de raadselen waarin Bolaño zijn vertelling verpakt. Je kunt ze lezen (wat ik dus doe) op een meta-niveau over het vermogen van de lezer om het werk (2666?) van een schrijver (Bolaño?) te begrijpen, hoewel ze in het verhaal op totaal andere zaken betrekking hebben. Tegelijkertijd zou je ze kunnen opvatten als commentaar op de vele onopgehelderde moorden in Santa Teresa. Je merkt, ik ben gegrepen door deze ambitieuze roman die slechts zeer mondjesmaat zijn geheimen prijsgeeft.

Citaat 1:

Maar ze vroeg zich af (en vroeg het ook terloops aan hen) in hoeverre iemand het werk van een ander kan kennen.
[p.39, 2666]

Citaat 2:

Toen hij naast hem ging zitten, keek Pelletier op van het boek en zei dat er dingen waren die hij nog altijd niet begreep en waarschijnlijk nooit zou begrijpen.
[p.181, 2666]

Iemand al zin om ook 2666 te gaan lezen?

~ ~ ~

UITGELICHT want SHARING is CARING

It’s Time To Fall Back In Love With Prince – door Rob Harvilla via The Concourse

So Prince put out two sneaky-great new albums last week, and it’s understandable that your impulse was to ignore or at least wildly underestimate them, but yeah, don’t.

~ ~ ~


  1. Klik hier voor de review van het eerste deel op the Mookse and the Gripes. 

  2. “En nu we het toch over de Grieken hebben…”, p.60, 2666 

Het deel van de critici

Deze blogpost is deel 3 van 8 in de serie 2666 - Roberto Bolaño

Gister verscheen de tweede deelbespreking over 2666 op The Mookse and the Gripes.1 Hoogste tijd voor mij om een begin te maken met mijn eigenste deelbespreking van het eerste deel: Het deel van de critici.

Zoals in de eerste blogpost van deze Read-A-Long aangegeven, is het boek 2666 opgedeeld in vijf grote hoofdstukken.2 Ik heb 2666 nooit eerder gelezen en ook nu ik dit schrijf ben ik pas op bladzijde 340 van de ruim 1000 bladzijdes die deze dikke pil telt. Het kan dus niet anders dan dat ik lang niet alles overzie of begrijp van wat ik tot nu toe gelezen heb. Toch wil ik in het kader van de Read-A-Long beginnen met in deze blogpost een korte weergave van het eerste deel, en dan morgen of overmorgen verder uitweiden over wat mijn indruk tot zoverre is, en tevens zien of ik een aantal van de opgeworpen vragen op de site van The Mookse and the Gripes3 kan beantwoorden.

 

Het deel van de critici

In dit eerste deel worden vier literatuurcritici opgevoerd die allen een gezamenlijke obsessie vertonen voor de schrijver Benno von Archimboldi. In volgorde van opkomst zijn het de Fransman Jean-Claude Pelletier, de Spanjaard Manuel Espinoza, de Italiaan Piero Morini en de Engelse Liz Norton. Roberto Bolaño gebruikt de eerste bladzijdes van zijn roman om de verschillende achtergronden te beschrijven van deze vier critici om zo beter te begrijpen waar hun fascinatie voor Archimboldi vandaan komt. Gaandeweg zien we hoe de vier via internationale symposia met elkaar te maken krijgen en vriendschap sluiten. Dit gaat zelfs zover dat Pelletier en Espinoza los van elkaar een relatie aangaan met Norton, die daar klaarblijkelijk geen moeite mee heeft en beurtelings de Fransman en de Spanjaard bij haar thuis ontvangt zonder dat de heren er aanvankelijk weet van hebben dat zij dezelfde vrouw delen.

In hun onderzoek naar de persoon en het werk van Archimboldi lopen de critici geleidelijk tegen de grenzen aan van wat zij aan kennis weten te vergaren over deze mysterieuze persoon. Er is namelijk hoegenaamd niets over hem bekend. Zijn boeken worden via een vaste uitgever gepubliceerd, maar deze weet vooralsnog alle persoonlijke details over de schrijver met succes geheim te houden. Dit mysterie draagt merkwaardig genoeg bij aan de groeiende populariteit van zijn werk over de jaren totdat er zelfs geruchten de ronde doen dat hij misschien  de Nobel prijs voor literatuur gaat krijgen. Maar al die tijd leidt dit er niet toe dat Archimboldi zich in de openbaarheid vertoont. De critici moeten het dus doen met zijn literaire werk plus de soms meest wilde verhalen die over hem de ronde doen en waar hij zich zou schuilhouden. Wat hen rest is al het werk van Archimboldi tot in den treure blijven herlezen op zoek naar details die meer over zijn ware identiteit zouden kunnen vertellen. Oeverloos academisch gespeculeer is het waarmee ze zich de meeste tijd bezighouden.

Wanneer op een gegeven moment uitkomt dat Pelletier en Espinoza beiden een verhouding met Norton hebben, heeft dat geen noemenswaardige gevolgen. Ze blijven ieder op hun beurt omgang houden met Norton en het gebeurt regelmatig dat ze gedrieën gelijktijdig in Engeland verblijven. Tijdens een van deze gelegenheden krijgen ze na een restaurantbezoek ruzie met een Pakistaanse taxichauffeur. De woordenwisseling loopt zodanig uit de hand dat Pelletier en Espinoza in hun woede excessief geweld gebruiken en de Pakistaan bewusteloos achter laten. In de dagen erna worden ze niet opgepakt. Blijkbaar hebben ze geen sporen achtergelaten. Wel besluiten ze voor geruime tijd Norton niet meer te bezoeken maar zoeken ze hun heil bij de dames van lichte zeden.

De Italiaan Morini ondertussen raakt gefascineerd door de kunstenaar Edwin Johns. Deze is opgenomen in een gesloten kliniek nadat hij in extreme uiting van artistieke creativiteit (of misschien wel als creatief sluitstuk van zijn artistieke uitingen) zijn rechterhand had geamputeerd. Tijdens een bezoek van Morini aan Norton (de vriendschap tussen hen is zuiver platonisch) had zij hem verteld over deze kunstenaar en een catalogus van zijn werk cadeau gedaan. Morini gaat zelfs zover om Johns in de kliniek te bezoeken en krijgt hem te spreken.

Dan, op een zoveelste seminar over Archimboldi, leren ze een jonge Mexicaan kennen die met aanwijzingen komt dat Archimboldi zich wel eens in de Mexicaanse stad Santa Teresa zou kunnen bevinden. Hoewel ze geen goede redenen kunnen bedenken waarom de schrijver, die nu rond de tachtig jaar zou zijn, naar Mexico zou zijn gereisd, besluiten de critici hun geluk te beproeven en op zoek te gaan naar Archimboldi. Op het laatste moment haakt Morini wegens gezondheidsredenen af. Eenmaal in Santa Teresa aangekomen wordt hen al snel duidelijk dat ze ook hier Archimboldi niet zullen aantreffen. Wel leren ze een zekere Amalfitano kennen (een Chileense banneling) die verbonden is aan de lokale universiteit. Hij blijkt ook gespecialiseerd te zijn in Archimboldi en gaat als hun gids fungeren voor de tijd dat ze in Santa Teresa zijn.

Terwijl vooral Pelletier en Espinoza vergeefse pogingen blijven ondernemen om op het spoor te komen van Archimboldi, raakt Norton langzamerhand in een toestand van apathie. Zij heeft geen idee wat ze nog in Mexico doet en voelt zich ook steeds minder op haar gemak. Wel neemt ze op een avond de beide heren critici mee naar haar kamer waar ze gedrieën de nacht doorbrengen in een en hetzelfde bed. Maar enkele dagen later geeft ze aan dat ze besloten heeft terug te keren naar Europa. Pelletier en Espinoza blijven achter. Hun dagen vullen ze niet meer met de zoektocht naar Archimboldi en het lijkt erop dat nu Norton verdwenen is ze ook niet meer weten wat te doen. Het is rond deze tijd dat ze horen over de vele vermoorde vrouwen die in de woestenij rondom Santa Teresa4 gevonden worden. Na een paar dagen ontvangen ze allebei een email van Norton. De strekking is in grote lijnen hetzelfde maar wordt niet meteen onthuld hoewel duidelijk is dat het geen positief nieuws is voor Pelletier en Espinoza.

Het laatste gedeelte van dit eerste hoofdstuk laat zien hoe Pelletier zich alleen nog maar bezig houdt met het herlezen van Archimboldi’s werk gezeten aan de rand van het zwembad bij het hotel, terwijl Espinoza liefde opvat voor een jong meisje dat tapijten verkoopt op een markt. Afwisselend vertelt Bolaño over de tijd die Espinoza elke dag doorbrengt in de omgeving van het meisje en hoe hij haar (en haar broertje en moeder) overlaadt met cadeaus en geld, waarna hij ‘s avonds terugkeert naar het hotel en Pelletier. Daarnaast krijgen we stukje bij beetje te lezen dat Norton en Morini inmiddels een verhouding hebben.

Pelletier en Espinoza blijven in Santa Teresa zonder dat ze Archimboldi weten te vinden. Maar Pelletier weet Espinoza ervan te overtuigen dat dit niet erg is. Integendeel:

‘Archimboldi is hier,’ zei Pelletier, ‘en wij zijn hier, en dichter bij hem in de buurt zullen we nooit komen.’5

~ ~ ~


  1. Klik hier voor 2: The Part about Amalfitano. 

  2. 1. Het deel van de critici; 2. Het deel van Amalfitano; 3. Het deel van Fate; 4. Het deel van de misdaden; 5. Het deel van Archimboldi. 

  3. Klik hier voor de vragen met betrekking tot het deel van de critici 

  4. Santa Teresa staat model voor Ciudad Juárez, de plaats in Mexico waar zich het echte mysterie van de vermoorde vrouwen afspeelt. 

  5. p.193, 2666