Groenendijk Girls

Deze blogpost is deel 43 van 43 in de serie Een perfecte dag voor literatuur

Home

Het was Eerste Kerstdag 2016. De dvd-box van Game of Thrones lag prominent naast de TV. We maakten ons klaar voor een dagje binge-watchen. Vorig jaar waren we voor ons doen gebruikelijk laat aangehaakt bij deze serie en rond de jaarwisseling hadden we de eerste vijf seizoenen al achter de rug. Nu stond dan eindelijk het zesde seizoen op het programma. Of zullen we helemaal vooraan beginnen? vroeg mijn Inge. Ja, grapte ik, en dan doen we dat volgend jaar ook weer wanneer seizoen 7 beschikbaar is. Een nieuwe traditie is geboren! Maar ze was serieus, en ik had er ook wel oren naar. Hoewel dat waarschijnlijk meer te maken had met vluchtgedrag.

Zou je eigenlijk niet aan een boekbespreking moeten werken?

Ik nestelde me tegen beter weten in toch op de bank en negeerde het zeurderige stemmetje in mijn hoofd dat van geen ophouden wist.

Al die stemmetjes in haar hoofd. Alsof ze eigenlijk een optelsom is van een scala aan persoonlijkheden. Alsof ze een democratie is, nee, een dictatuur met verschillende rebellerende partijen die het altijd beter weten.
[p.77, De gijzelaar, Karin Giphart]

Omdat we zo in spanning zaten of John Snow het er levend vanaf had gebracht zijn we uiteindelijk toch maar met seizoen 6 begonnen. Tien afleveringen later was het alweer voorbij en kon ik alsnog aan mijn boekbespreking beginnen. In de roman De gijzelaar is het Jowi Groenendijk die met haar dochter Julia ook een kersttraditie heeft. Samen kijken zij ieder jaar opnieuw naar Gilmore Girls. Ik had er nooit van gehoord en heb het moeten opzoeken. Het duurde even voordat ik doorhad dat alle hoofdstukken in De gijzelaar titels hebben van afleveringen uit Gilmore Girls.

Waarom suggereer je hier dat je meteen na GoT begonnen bent met deze bespreking? Durf je niet toe te geven dat het weer eens last-minute werk is zoals gewoonlijk? Oké, je kunt terecht wat excuses opvoeren in verband met de aanstaande verhuizing, maar een iets betere planning zou niet verkeerd zijn. Tenslotte stond het al een hele tijd in je agenda.

The door

Dit jaar lijkt er echter gebroken te worden met de Gilmore Girls-traditie in huize Groenendijk. Met de komst van Lotte, de vriendin van Julia, wordt er een wig gedreven in de hechte relatie die Jowi met haar dochter heeft. Niet alleen besluit Julia de kerstdagen grotendeels bij de ouders van Lotte door te brengen, als klap op de vuurpijl (of is piek op de kerstboom toepasselijker?) wordt ook nog medegedeeld dat de twee geliefden van plan zijn om gaan samen te wonen. Midden in de discussie die alles in zich heeft om tot een volwaardige ruzie te escaleren gaat de telefoon. Het is Jowi die tegen alle huisregels in toch opneemt en een bekende stem uit een nog niet zo lang vervlogen verleden hoort die haar om hulp smeekt. Noodgeval, dus Jowi moet gaan.
Wanneer ze de deur achter zich dichttrekt zijn we bijna op de helft van De gijzelaar. Het doet de anonieme observeerder die geregeld in een ander lettertype commentaar geeft op het relaas van (door?) Julia verzuchten dat het ook wel tijd werd.

Beetje geforceerd met die deur als je het mij vraagt (hoewel je dat nooit zou doen), maar waarom ook niet? Wel een mooi bruggetje naar die extra verteller in de roman. Vraag jij je ook net als ik af wie dat zou kunnen zijn?

No one

Jowi is traumatherapeute en heeft zich gericht op de begeleiding van asielzoekers. In De gijzelaar komt ze zelf in een stressvolle situatie terecht die maar ternauwernood goed afloopt (vanuit het perspectief van Jowi althans). Aan het eind van het boek wordt duidelijk dat Jowi inmiddels in therapie is en met die kennis zou je met terugwerkende kracht kunnen concluderen dat de commentaren die bij het verhaal geleverd worden van haar psychologe afkomstig zijn? Maar is dat wel zo?

Knap hoe je het laat klinken alsof het opgeschreven is terwijl het gebeurt.
[p.82, De gijzelaar, Karin Giphart]

De opmerking van Julia dat ‘iemand zijn eigen therapeut was en zichzelf behandelde voor traumaverwerking’ kan ook suggereren dat Jowi al een hele tijd in een veel diepere existentiële crisis is geraakt dan de op zich luchtige vertelling doet vermoeden. Misschien duiden de hints naar de stemmetjes in haar hoofd in combinatie met de vele terzijdes er wel op dat er sprake is van een soort gespleten persoonlijkheid. Waarin de Jowi-therapeut probeert de Jowi-cliënt-die-langzaam-afglijdt voor erger te behoeden.

Hahaha, nou het klinkt voor mij eerder alsof ze gewoon knettergek is met die stemmetjes in haar hoofd. Probeer jij er maar een mooie draai aan te geven, mij fop je niet hoor Peter-die-overal-een-rationele-oplossing-voor-denkt-te-vinden.

The broken man

Toen ik de achterflap las voordat ik aan het verhaal begonnen was moest ik denken aan de film Death and the maiden met Sigourney Weaver in de hoofdrol. Dit speelt zich af in een niet nader genoemd Zuid-Amerikaans land waar de echtgenoot van Sigourney op een avond iemand mee naar huis neemt in wie zij de man meent te herkennen die haar twee weken lang heeft gemarteld en verkracht tijdens de militaire junta. In het gelijknamige toneelstuk blijft onduidelijk of zij gelijk heeft, terwijl het in de film uiteindelijk wel duidelijk wordt.
Ik was benieuwd of Karin Giphart in De gijzelaar eenzelfde dilemma zou aansnijden en dit tot het hoofdthema van haar boek zou maken. Dat is niet het geval. Ja, er is een voormalig asielzoeker die ooit door Jowi is geholpen en nu tolk is en in die hoedanigheid in contact is gekomen met een vluchteling die volgens hem de moordenaar van zijn familie is. En ja, Jowi wil vanzelfsprekend weten of hij zich niet vergist.

‘Zijn ogen staan hetzelfde. Het is dezelfde man, ik zweer het op het graf van mijn moeder en mijn vader. Stel dat hij zegt: ik ben niet meer die man. Het is al jaren geleden en ik ben veranderd. Dan nog, Jowi, dan nog. Zijn ogen staan hetzelfde, zou mijn moeder zeggen.
[p.164, De gijzelaar, Karin Giphart]

Maar het voelt niet aan alsof dit het centrale vraagstuk is. Al snel geeft de vluchteling zelf (per ongeluk weliswaar) openheid van zaken en hoeven we ons niet meer af te vragen wie er gelijk heeft. De vraag is dan wat Jowi gaat doen. Hoe kan zij de tolk die zijn familie verloren heeft ervan weerhouden wraak te nemen? Mooi is het vervolgens hoe Giphart de situatie compleet weet te kantelen waardoor het plotseling Jowi is die tegen zichzelf in bescherming genomen moet worden om niet iets onherroepelijks te doen. Iets waartoe wij haar als lezers ondertussen best wel in staat zien gegeven wat wij over haar te weten zijn gekomen sinds ze naar Groningen is verhuisd.

Doe je dat expres? Dat subtiel strooien met die wetenswaardigheden die je ogenschijnlijk uit het hoofd weet op te lepelen? Als ik je op de man af zou vragen of je die film uberhaupt wel gezien hebt (laat staan het toneelstuk) wat is dan daarop je antwoord? Nou?

Blood of my blood

Gered door de bel(toon). Gilmore Girls gaat over een alleenstaande moeder Lorelai en haar dochter Rory:

Thirtysomething Lorelai Gilmore (Lauren Graham) has made her share of mistakes in life, but she has been doing her best to see that her college-bound daughter – and best friend in the world – Rory (Alexis Bledel), doesn’t follow in her footsteps. […] From the beginning, this unique mother-daughter team has been growing up together.
[http://www.tv.com/shows/gilmore-girls/]

Dus wat is er toepasselijker dan dat Julia haar moeder (onbewust) tot hulp schiet door haar te bellen net op het moment dat Jowi op het punt staat een daad met verstrekkende gevolgen te begaan.

‘Mama.’
Weer dat woordje. Klein maar groot. Typisch. Geen ander woord zou nu doordringen. En dan waagt Julia het ook nog eens om een geheim wapen in te zetten. Zachtjes begint ze te zingen.
[p.192, De gijzelaar, Karin Giphart]

Misschien dat het hier in deze bespreking wat gekunsteld of geforceerd overkomt hoe Karin Giphart haar roman gemodelleerd heeft naar Gilmore Girls. Dat ligt dan aan mij.

Goh, wat een bescheidenheid ineens. Iets goed te maken?

De gijzelaar heb ik ervaren als een uiterst prettig boek om te lezen. Er zit ondanks het feit dat de handeling zich slechts binnen één dag afspeelt voldoende vaart in om je nergens te vervelen. Het spel met de verschillende vertelperspectieven geeft het geheel iets spannends omdat (in ieder geval voor mij (en jij niet alleen hoor)) het niet altijd even duidelijk is wie er nu aan het woord is. Het was reden om meerdere malen terug te bladeren om gedeeltes over te lezen hoe het misschien in elkaar zou kunnen zitten. Ook ben ik gecharmeerd van de soort humor die Giphart gebruikt. Veel tongue-in-cheek en tussen de regels door. Naar mijn idee niet omdat het anders te zwaar zou worden, maar eerder omdat het past bij de manier waarop Jowi zich staande probeert te houden in een periode dat zij door een dal gaat zonder dat volledig te willen erkennen (of te kunnen herkennen). Een geslaagde eerste kennismaking wat mij betreft.

Daar sluit ik me voor de verandering eens helemaal bij aan.

Dat is ook voor de eerste keer.

Jowi Groenendijk is een succesvol traumatherapeute, gespecialiseerd in psychische schade bij asielzoekers. Ze heeft een nieuwe praktijk geopend in Groningen, dicht bij Ter Apel, maar vult haar dagen met alles behalve therapie geven. Ze herkent zichzelf niet meer. Ze snauwt tegen haar puberdochter en houdt de vluchtelingen en hun ellende op afstand.
Dan krijgt ze op Eerste Kerstdag een telefoontje van een voormalige cliënt. Hij wil dat ze onmiddellijk naar Ter Apel komt. Hij zegt dat zij de enige is die kan helpen. En dus gaat ze.

De gijzelaar
Karin Giphart
Uitgever Nieuw Amsterdam
ISBN 9789046821336

~ ~ ~

Broederliefde

Deze blogpost is deel 42 van 43 in de serie Een perfecte dag voor literatuur
roccoandhisbrothers
uit: Rocco e i suoi fratelli (1960) – Luchino Visconti

Soms lees ik een boek waarin vanalles voorbij komt maar waar één scene blijft napruttelen in mijn hoofd en dat al het andere geleidelijk naar de achtergrond brengt. Vaak hoeft dat niet eens een onderwerp te zijn dat de schrijver nadrukkelijk in zijn roman heeft verwerkt. Het kan een schijnbaar1 willekeurige passage zijn waar de meeste lezers overheen lezen maar die bij mij iets in werking zet zonder dat ik het zelf meteen in de gaten heb. Terwijl ik nietsvermoedend doorlees en probeer te achterhalen hoe het verhaal in elkaar steekt is er tegelijkertijd een proces in gang gezet dat achteraf bezien voor mijn beeldvorming het belangrijkste blijkt te zijn. Zo las ik ooit een toekomstverhaal over 3D printing maar raakte ik vooral gefascineerd hoe een van de personages hierover verslag deed op haar website waardoor mijn enthousiasme voor het bloggen verder werd aangewakkerd. Wellicht zal iedere lezer iets dergelijks herkennen.

Bij Net veertien is me iets soortgelijks overkomen. Nadat ik het boek gelezen had kwam ik bij het terugbladeren op zoek naar stukken tekst die ik eventueel zou kunnen gebruiken voor deze boekbespreking elke keer opnieuw uit bij de volgende zinnen:

Na mams dood kroop jij je boeken in. Ik rende af en toe naar buiten. Jij wilde verdwijnen in verhalen. Ik wilde op mijn skateboard vliegen. […] Ik wilde ooit worden zoals jij. Jij wilde niets meer worden. Jij at zonder iets te zeggen. Ik praatte honderduit. Ik wilde dat jij mijn grote sterke broer zou zijn. Jij wilde van niemand meer iets zijn.
[p.148, Net veertien]

Jonathan en Stefan, de twee broers in het verhaal geschreven door André Platteel, schelen acht jaar2  in leeftijd. In deel 1 is Jonathan aan het woord die op dat moment (we spreken over 1983) veertien jaar jong is. In het tweede deel, we zijn inmiddels in 1991 aanbeland, is het Stefan die nu veertien jaar is. In de tussenliggende tijd is hun moeder komen te overlijden en is Stefan ongeneeslijk ziek. Heftig. En ook nog eens veel rauwer en down to earth beschreven dan het mysterieuze Alles hiervoor, de vorige roman van Platteel.

Toch bleef ik zoals gezegd terugkomen bij die paar zinnen op bladzijde 148. Waarom? Het antwoord vond ik dicht bij huis. Omdat het zo verdomd herkenbaar was.

Ik heb ook een broer. We schelen zes jaar. Geen acht. Onze moeder leeft nog. Bij mijn weten is mijn jongere broer niet ongeneeslijk ziek. Niet echt veel overeenkomsten met de situatie waarin Jonathan en Stefan zich bevinden. Toch zijn er die wel degelijk. Mijn moeder heeft namelijk jarenlang depressieve buien gehad terwijl wij nog thuis woonden. Dat heeft veel impact op ons gezinsleven gehad. Alleen wat ik toen niet in de gaten had en me pas veel later realiseerde was hoe ik me in mezelf teruggetrokken had en wat dit voor mijn jongere broer heeft betekend. In plaats van steun bij elkaar te zoeken (wat we incidenteel heus wel deden, maar veel te weinig om te beklijven) gingen we ieder onze eigen weg. Het leeftijdsverschil heeft daar zeker een rol bij gespeeld. Maar juist daardoor had ik er meer moeten zijn voor hem. Ik kroop echter in mijn boeken. Hij ging naar buiten met zijn skateboard.

Net veertien werd aldus voor mij veel meer een verhaal over de onmacht tussen twee broers om nader tot elkaar te komen dan misschien de bedoeling was. Hoewel. Nu ik een zoveelste keer her en der stukken teruglees begin ik patronen te ontdekken. In het deel van Jonathan zien we dat Stefan slechts een bijrol vervuld. Omgekeerd krijgt Jonathan een belangrijke rol toegemeten wanneer Stefan aan het woord is. Het jongere broertje kijkt op naar zijn oudere broer. De oudere broer kijkt weg van hem en is alleen met zichzelf bezig. Een klassiek thema. Pijnlijk herkenbaar ook. En voor wie de voetnoot gelezen heeft een zoveelste bewijs dat goede schrijvers zelden of nooit schijnbaar willekeurige passages opnemen.

net14platteel

Net veertien, Platteels tweede roman, is het confronterende portret van twee broers die opgroeien in een volkswijk. Jonathan gaat op zijn veertiende op seksuele ontdekkingstocht. Acht jaar later strijdt Stefan op zijn veertiende tegen de dood. Wat beide broers bindt, is het verlangen om te leven, voorbij de eindigheid.
Net veertien is een even rauwe als tedere coming of age-roman, geschreven in een levensdriftige stijl waarin wordt afgerekend met de gedachte dat er ook maar iets definitief kan sterven.

Net veertien?
André Platteel
Uitgever Magonia
ISBN 9789492241122

~ ~ ~


  1. Maar pas op! Je kunt ze nooit vertrouwen, die schrijvers. 

  2. Zie hoe de acht ook terugkomt in de omslag van het boek waarop de twee gedeeltelijk overlappende cirkels de verhalen van Jonathan en Stefan weergeven. 

Hoe leest zij?

Deze blogpost is deel 41 van 43 in de serie Een perfecte dag voor literatuur

hoezijleest

Eind 2014 raakte ik geënthousiasmeerd door een artikel1 in The New York Review of Books van de tot dan toe voor mij onbekende Tim Parks. Wat mij vooral aansprak is hoe hij de nadruk legt op het actief lezen. Iets wat je volgens Parks het beste kunt doen met een pen in de hand:

The mere fact of holding the hand poised for action changes our attitude to the text. We are no longer passive consumers of a monologue but active participants in a dialogue. Students would report that their reading slowed down when they had a pen in their hand, but at the same time the text became more dense, more interesting, if only because a certain pleasure could now be taken in their own response to the writing when they didn’t feel it was up to scratch, or worthy only of being scratched.
[How I Read, Tim Parks]

Ik deed het al, maar ben het sindsdien alleen maar meer gaan doen. Een direct gevolg is dat mijn boeken er niet uitzien volgekliederd als ze zijn met aantekeningen nadat ik ze gelezen heb. Het komt me regelmatig op commentaar te staan dat ik niet echt respect voor het geschrevene heb, terwijl ik juist van mening ben dat ik er mijn hele ziel en zaligheid tegenaan gooi om de tekst zo goed mogelijk te begrijpen. Wat kan een schrijver zich nog meer wensen?

Fijn is het dan om zo af en toe medestanders te ontmoeten die er hetzelfde over denken. Geen wonder dus dat ik onmiddellijk ‘verkocht’ was toen ik bij Lidewijde Paris het volgende las:

Als ik lees, heb ik altijd een potlood bij de hand. Ik zet dus puntjes en strepen, smileys en m’s. Ik maak stambomen, schrijf namen van personages bovenin, noteer voorin op welke bladzijden ik mooie citaten heb gevonden of een verklaring voor een titel. Alles wat mij opvalt tijdens het lezen is meestal wel ergens in die aantekeningen terug te vinden. Het ziet er niet uit en niemand wil ooit een boek van mij lenen, maar voor mij is het handig.
[p.17, Hoe lees ik?, Lidewijde Paris]

Nou, zo bont maak ik het (nog) niet, maar ik ga hard die kant op.

Het citaat komt uit het boek Hoe lees ik?, een in mijn ogen goed geslaagde uiteenzetting door Lidewijde Paris wat het lezen van literatuur bij haar in werking zet. Zoals uit het citaat al geconcludeerd kan worden is Paris een echt actieve lezer en realiseert zij zich terdege hoe ‘waanzinnig ingewikkeld de lees- en verwerkprocessen’ in haar hoofd zijn. Toch lukt het haar om er op een uiterst gestructureerde manier over te vertellen. Niet alleen dat, er valt een hoop te leren zonder dat het boek te theoretisch of saai wordt. Integendeel, ik heb het boek in één ruk uitgelezen. Het was alsof ik Lidewijde Paris op bezoek had voor een privécollege.

Hoe lees ik? bestaat uit drie delen:

  1. De roman als tekst – Basisbegrippen
  2. De roman als tekst – Toeters en bellen: stijlfiguren, aankleding
  3. De roman en zijn context

In elk deel maakt Paris veelvuldig gebruik van (vaak lekker lange) fragmenten uit bekend en minder bekend literair werk om aanschouwelijk te illustreren wat zij uit een tekst haalt wanneer zij met het potlood in de hand aan de slag gaat. Dat is wonderbaarlijk veel. Uit mijn dagelijks werk ken ik het principe van ‘Five Times Why‘ om via die methode bij de mogelijke oorzaak van een probleem te komen. Het is grappig om te lezen hoe Lidewijde Paris dit ook toepast om bijvoorbeeld te allen tijde alert te zijn op mogelijke thema’s die een schrijver in de tekst gestopt heeft. Dit begint al bij de eerste zin van een roman: waarom begint de schrijver zo?

Maar daar houdt het niet op:

Als ik stille signalen van een schrijver tijdens het lezen wil opvangen, moeten bij het lezen ogenschijnlijk niet-belangrijke maar toch afwijkende zaken mij opvallen. Ik moet dan zelfs de meest voor de hand liggende vragen stellen, open deuren doorgaan en rondneuzen en op onderzoek uitgaan: wat zit hierachter, wat is de reden, waarom, waarom, waarom? Eindeloos vragen: waarom?
[p.34, Hoe lees ik?, Lidewijde Paris]

Het moge duidelijk zijn, Lidewijde Paris is geen doorsnee lezer. Zij doet haar uiterste best te doorgronden waarom de schrijver geschreven heeft wat hij heeft geschreven. Alsof het een raadsel is:

Ik zie het als een spel dat ik met de schrijver en het boek speel. Of zij spelen het met mij.
[p.17, Hoe lees ik?, Lidewijde Paris]

Vooral die laatste opmerking blijft hangen. Des te meer omdat op verschillende plaatsen in haar boek de waarschuwing voorbij komt dat als je niet oppast als lezer je gemakkelijk gemanipuleerd kunt worden door de schrijver. Het is dezelfde waarschuwing die ik bij Tim Parks had gelezen:

We have too much respect for the printed word, too little awareness of the power words hold over us. We allow worlds to be conjured up for us with very little concern for the implications. We overlook glaring incongruities. We are suckers for alliteration, assonance, and rhythm. We rejoice over stories, whether fiction or “documentary,” whose outcomes are flagrantly manipulative, self-serving, or both.
[How I Read, Tim Parks]

Het sympathieke aan de verschillende interpretaties van literaire teksten die Lidewijde Paris in haar boek met ons deelt, is dat ze continu de nadruk blijft leggen op het feit dat het háár persoonlijke invulling is. Ieder mens is verschillend en daardoor is ook ieders leeservaring verschillend2.

Maar wat ze overtuigend doet is die tekstuitleg (of mening zo men wil) zodanig onderbouwen dat het mogelijk is er een dialoog mee aan te gaan. Of zoals ze zelf zegt:

De kunst van het praten over boeken ligt niet alleen in het ventileren van een mening, maar in de uitleg waarop je die mening baseert.
[p.248, Hoe lees ik?, Lidewijde Paris]

Iets waarmee ik het helemaal eens ben. Haar boek is daarbij een nuttige hulp om lezers handvaten te geven hoe een tekst te lijf te gaan en vervolgens de persoonlijke interpretatie zodanig vorm te geven dat het de basale feedback van ‘Ik vond het wel een leuk boek’ (of de tegenhanger ‘Het kon me niet echt boeien’) ontstijgt. Een aanrader wat mij betreft voor elke gepassioneerde lezer die niet bang is om (nog) wat actiever te lezen (en in een boek te kliederen). Het maakt lezen nog spannender.

lidewijdeparishoeleesik

Romans zijn vaak meer dan alleen een verhaal. Er wordt met structuur gespeeld, met perspectief, beelden en taal, waardoor een boek een extra betekenis of tweede laag krijgt. Maar die stille signalen van de schrijver zijn niet altijd makkelijk te ontdekken. In Hoe lees ik? laat Lidewijde Paris zien hoe zij die signalen vindt en uitlegt. Aan de hand van verschillende fragmenten behandelt ze de literaire trucs en technieken. Dat maakt dit boek ook voor beginnende schrijvers interessant.

Hoe lees ik?
Lidewijde Paris
Uitgever Nieuw Amsterdam
ISBN 9789046821084

~ ~ ~


  1. Zie hier mijn blogpost over How I Read, het vervolg op A Weapon for Readers 

  2. Zie bijvoorbeeld haar uitleg over het korte verhaal April van de IJslandse schrijver Olaf Olafsson op bladzijdes 86 tot en met 104. Het wemelt van tussenzinnen als ‘ik ga eerst op zoek’, ‘geven mij signalen’, ‘grappig genoeg vind ik’, ‘mijn sympathie ligt’, ‘dat zegt iets over hoe ik in elkaar zit’, ‘ik wil dan meteen weten’, ‘een andere lijn vind ik’, ‘ik denk’, ‘wordt voor mij versterkt’, ‘iets wat mij voor elke relatie funest lijkt’, ‘in mijn ogen’, ‘valt mij nu op’, ‘wat ik nu belangrijk vind’, ‘kan het zijn, denk ik nu’, ‘ik denk dat dat de schuldvraag is’, ‘ik denk dat ieder voor zich die vraag moet beantwoorden’. 

De waarheid of de werkelijkheid? Maakt het uit?

Deze blogpost is deel 40 van 43 in de serie Een perfecte dag voor literatuur

blueeyes

Soms kom ik haar nog wel eens tegen. De vrouw van mijn dromen. De vrouw ìn mijn dromen. Ze is in geen enkel opzicht anders dan toen ik haar voor de eerste, en enige keer zag zoals ik haar nog nooit had gezien. Lang geleden. Zo lang geleden dat ik me elke keer wanneer ik haar weer zie realiseer hoeveel tijd we samen hadden kunnen doorbrengen.

Ik kan niet anders dan naar haar kijken. Net als toen. Uit het niets was ze naar me toe gekomen. Ze vond me leuk. Vroeg of ik de volgende dag met haar wilde afspreken om samen naar een feest te gaan. En liep toen weer terug naar een groepje vriendinnen waar ze zich voor heel even uit had losgemaakt. De rest van de avond maakte ze regelmatig oogcontact met me maar elkaar spreken deden we niet meer.

De volgende dag liep alles anders dan gepland en rond het afgesproken tijdstip bevond ik me in halfdronken toestand op een ander feest. In een ander dorp. Met een ander meisje.

Ik was haar niet vergeten. Maar probeerde het wel. Zeker toen ik dagen later via via hoorde hoe lang ze op me had staan wachten. In de overtuiging dat ik alsnog zou komen. Nog weer later werd me verteld hoe verdrietig ze was dat ik helemaal niets meer van me had laten horen. Het had een verlammend effect op mij. Ik durfde haar niet meer onder ogen te komen. Tegen mijn vrienden deed ik er luchtig over. Hoe kon een meisje zo overstuur zijn terwijl we slechts enkele woorden met elkaar gewisseld hadden? Elkaar niet eens aangeraakt hadden.

Hooguit hadden we elkaar een paar keer aangekeken die avond.

Wat had dat nu te betekenen? Zei ik stoer tegen mijn vrienden. En ging over tot de orde van de dag.

Ondertussen vervloekte ik mezelf om mijn lafheid.

Ze had blauwe ogen. Opvallend groot. Als ze naar me keek deed ze dat aandachtig. Niet stiekem. Ik voelde haar blik op mij gericht nog vooraleer ik haar zelf aankeek. Dat korte moment waarin ze naar me toe was gekomen had ik maar de helft van wat ze zei opgeslagen. In mijn hele leven was ik niet eerder zo in iemands ogen verloren geraakt. Het leek alsof ze een opening waren naar een andere wereld. Een betere wereld. Eentje waarin we gelukkig konden zijn. Maar ik voelde ook de verantwoordelijkheid die dat met zich meebracht. En daardoor werd die wereld te groot voor mij. Het overweldigde me en ik werd bang. Niet voor haar. Eerder dat ik haar niet kon geven waar ze naar op zoek was.

Daarom probeerde ik haar te vergeten. Omdat ik haar in de steek had gelaten.

De hoofdpersoon in de roman Als de winter voorbij is van Thomas Verbogt beschrijft hoe hij op een gegeven moment in zijn leven is gaan dromen over een vrouw, genaamd Lin Mitchell:

Zij is er alleen, ik ben nooit bij haar. Niemand is bij haar. Dát is de droom: dat niemand bij haar is.
[p.57]

Herkenbaar. Dacht ik. En voelde hoe mijn maag verkrampte.

Pijnlijk herkenbaar. Zoals heel veel meer in dit prachtige boek mij aanspreekt. Niet dat mij soortgelijke noodlottige toevaligheden met verstrekkende gevolgen zijn overkomen. Dat zeker niet. Nee, de herkenbaarheid zit ‘m in het onvermogen van de hoofdpersoon om op een normale manier met andere mensen om te gaan. Hoe hij bijvoorbeeld tijdens een gesprek plots niet meer weet wat te zeggen. Een onzekerheid die altijd sluimerend aanwezig is en hem aan alles doet twijfelen:

Ik weet dan niet hoe ik bij mensen moet horen. Daar wil ik niet te lang over nadenken, want dan is het net alsof het leven om me heen wegvalt, alsof er nooit een verband was tussen dat leven en mij, alsof het vertrouwen dat ik daarin moet hebben, lachwekkend abstract is.
[p.44]

Ik heb geleerd mijzelf te conformeren aan het leven van alledag. Ik heb een gezin, een baan en hobby’s. Ik leid een overwegend gelukkig bestaan.

Maar af en toe weet ik het even niet meer. Hoe het moet. Leven. Op zulke momenten ben ik het liefst alleen. Soms komt zij dan in mijn gedachten. In het beste geval als symbool voor een gemiste kans, meestal echter vervult de aanblik van haar ogen waar alle hoop verdwenen is mij met schuld en schaamte.

Een tijdlang ben ik er vanuit gegaan dat zij nooit bestaan heeft. Dat ik haar heb verzonnen. Dat maakt het makkelijker. Maar ik heb haar niet verzonnen. Dus houd ik mijzelf voor dat zij nu een volwassen vrouw is met een gezin, baan en hobby’s. En gelukkig met haar leven.

Ik heb geen enkele reden om aan te nemen dat ik een gat in haar hart heb geslagen.

Maar in mijn droom is niemand bij haar.

Werkelijkheid of waarheid? Dat is de vraag die regelmatig terugkomt in Als de winter voorbij is. Ik weet niet goed wat het verschil is. En of het uitmaakt. De werkelijkheid is hard. De harde waarheid is dat ik moeite heb met de werkelijkheid. Het is fijn te lezen dat ik daarin niet de enige ben. De poëtische taal van Thomas Verbogt brengt me troost en geeft kleur aan de kille realiteit. Het verhaal van Thomas is niet het mijne. Maar zijn verhaal maakt wel dat ik het mijne weer wat beter leer begrijpen. Wat meer kan accepteren dat het is zoals het is.

Goeie literatuur is voor mij wanneer een verhaal niet meteen alles prijsgeeft. Wanneer zinnen zowel mooi zijn vanwege hun uiterlijke schoonheid alsmede hun innerlijke zeggingskracht. Dat een alinea lijkt uit te dijen omdat er veel meer verteld wordt dan wat er met het blote oog te zien valt.

Waardoor je als het ware met de rem erop de tekst moet lezen. Zodat het verhaal de kans krijgt zich te ontvouwen en alle verborgen pracht geleidelijk aan tevoorschijnt komt. Thomas Verbogt heeft met Als de winter voorbij is wat mij betreft een literair hoogstandje geleverd.

Als de winter voorbij is-Thomas Verbogt LR

Het kunnen maar een paar seconden zijn die je leven uiteindelijk bepalen. Iemand aankijken of juist niet. Ineens gekust worden op een zomerse dag. Meer hoeft het niet te zijn. Zo vergaat het de hoofdpersoon van deze roman, die jaren leeft met de herinnering aan zo’n moment. Maar de herinnering alleen is niet genoeg.
Als de winter voorbij is is een verhaal over schuld en schaamte, en het besef dat we allemaal voorbijgangers zijn die elkaar even aankijken of aanraken. Een verhaal over de vraag waar het nu uiteindelijk om gaat: om de waarheid of de werkelijkheid. Als de winter voorbij is – het is een belofte, het is de hoop op iets nieuws.

Als de winter voorbij is
Thomas Verbogt
Uitgever Nieuw Amsterdam
ISBN 9789046819326

~ ~ ~

Wat we (denken te) zien (en te horen, en te voelen, en te ruiken, en te denken) als we lezen

Deze blogpost is deel 39 van 43 in de serie Een perfecte dag voor literatuur

mwc-logo

‘Waar denk je aan?’ is een vraag die me regelmatig gesteld wordt als ik weer eens voor me uit zit te staren. Ik moet het antwoord dan meestal schuldig blijven want het is eerder dat ik bewegende beelden voor me zie dan dat ik aan iets specifieks denk. Voor mijn geestesoog spelen zich hele scene’s af waarbij het mij niet gegeven is, net als in het echte leven, er enige richting aan te geven. Ik zie dingen gebeuren in plaats van dat ik dingen (be)denk. Of valt dit ook onder denken? En wat is dat eigenlijk, denken?

Het gekke is dat ik bij het lezen van een boek juist het tegenovergestelde heb. Ik lees woorden, regels en alineas, waardoor gaandeweg de contouren van het verhaal mij steeds duidelijker beginnen te worden. Personages beginnen zich te onderscheiden van elkaar, krijgen ieder voor zich iets unieks door de specifieke kenmerken die de schrijver als een soort van kruimelspoor op de bladzijdes achterlaat.

Maar nooit zie ik die personages voor me.

Het blijven abstracties die alleen soms in een flits even herkenbaar opdoemen omdat een bepaalde omschrijving mij onbewust een bepaald beeld in herinnering brengt. Zodra ik me dat echter realiseer is het meteen weer weg. Net zoals de historische sensatie door de historicus Johan Huizinga ooit zo treffend omschreven. Of als de droom die bij het ontwaken net zo snel verdwijnt als dat je hem probeert vast te houden.

In het boek Wat we zien als we lezen probeert Peter Mendelsund antwoord(en) te vinden op deze intrigerende vraag. Het hoofdstuk Abstractheden sprak mij vooral aan:

Visualiseren we überhaupt iets als we lezen? We moeten natuurlijk wel íéts visualiseren… Lezen is lang niet altijd alleen maar abstract, een wisselwerking tussen theoretische ideeën.
[p.246]

Ik vroeg me af waarom Mendelsund aangeeft dat het onontkoombaar is dat we iets moeten visualiseren. Zoals aangegeven ervaar ik dat niet als zodanig wanneer ik lees. Natuurlijk komen er beelden voorbij, maar het zijn bij mij eerder flarden (van herinneringen aan dingen die ik ooit heb gezien, opgeroepen door een woord of beschrijving in de tekst) die meteen weer verdwijnen. Waar Mendelsund het voorbeeld aanhaalt van hoe wij allemaal verschillende beelden van Anna Karenina met ons meedragen, herken ik dat niet. Ik heb bij mijn weten nog nooit bewust of onbewust een poging gedaan om een voorstelling te maken van hoe zij er precies uitziet.

Voor mij is Anne Karenina niet meer dan een idee, een indruk. Zij krijgt vorm door de beschrijvingen van de schrijver die uiteenzet hoe zij handelt, hoe zij praat, hoe zij er uitziet. Zonder dat ik haar daadwerkelijk zie handelen, hoor praten, of voor me zie. Het wordt nooit een vrouw die ik voor mij zie staan. Anne Karenina is in mijn leeservaring een label op een doos die zich al naar gelang het boek vordert steeds meer vult met kenmerken van een jonge vrouw ongelukkig in een huwelijk met een veel oudere man.
annekarenina
Mijn exemplaar van het boek Anne Karenina is een Rainbow pocket uit de reeks De Russische Bibliotheek met op de voorkant een foto door Edward Steichen van Mrs Conde-Nast. Ik neem aan dat de suggestie is dat Anne Karenina er misschien wel zo uit kunnen zien. Zodra ik echter in het boek begin te lezen verdwijnt dat beeld meteen.

Als we tijdens het lezen geen beelden in ons hoofd hebben, dan is de interactie van ideeën – het vermengen van abstracte verhoudingen – de katalysator van het gevoel in ons lezers.
[p.245]

Mendelsund haalt vervolgens het voorbeeld aan van muziek waar weliswaar tijdens het luisteren ons vanalles kunnen inbeelden ‘maar er is niets in de muziek wat die specifieke beelden vereist’, om af te sluiten met:

Ik vind het zonder die specifieke beelden vele malen beter.
[p.245]

Dat kan ik alleen maar beamen. Zodra ik een poging doe om wat ik gelezen heb voor me te zien wordt het minder. De enscenering in mijn hoofd vereist dat ik allerlei zaken moet invullen die in de tekst niet nader omschreven zijn. Hierdoor ga ik onvermijdelijk afwijken van wat de schrijver voor ogen had, ofwel er zoveel bijhalen dat de essentie van het verhaal (of handeling) verloren dreigt te gaan. Een gegeven wat er volgens mij ook oorzaak van is dat zoveel boekverfilmingen geen recht doen aan de geschreven tekst (en hoe de lezer het ervaren heeft).

Ik prijs me daarom gelukkig dat mijn leeservaring zich beperkt tot datgene wat zich op het papier voor me afspeelt. Maar waarom dat zo is en in hoeverre het echt klopt (want net als jij zie ik nu ook (heel eventjes, maar toch) een

ZEEPAARDJE 

voor me) zijn dit boeiende onderwerpen waar ik graag over lees en waar Peter Mendelsund een heel aanstekelijk en mooi vormgegeven boek over heeft geschreven1. Weliswaar worden er meer vragen opgeworpen dan antwoorden gegeven maar dat mag de leespret niet drukken. De vrijblijvende vertelstructuur in combinatie met de illustraties die een wezenlijke aanvulling op de tekst vormen zette mij regelmatig aan het denken over wat er zich bij mij nu precies allemaal afspeelt in mijn hoofd wanneer ik aan het lezen ben. En hoewel je het boek (ondanks de meer dan 400 bladzijdes) in een redelijk korte tijd uit kunt lezen ben je geneigd dat niet te doen. Het boek verdient met aandacht gelezen en bekeken te worden.

wat-we-zien-als-we-lezen-peter-mendelsund

Heeft Tolstoj Anna Karenina echt beschreven? Heeft Melville ons ooit precies laten weten hoe Ismaël eruitzag? Of Faulkner zijn personage Benjy Compson? De verzameling van versplinterde beelden in een boek – hier een sierlijk oor, daar een losgeraakte krul, een zwierig opgezette hoed – en andere hints en aanwijzingen helpen ons lezers om een beeld van een personage of van de setting te krijgen, zonder dat de schrijver het expliciet beschrijft. Sterker nog: dit is precies wat lezen zo leuk maakt.
Aan de hand van talloze voorbeelden uit de wereldliteratuur laat dit schitterende en rijk geïllustreerde boek zien hoe dit unieke visuele proces van de lezer werkt.

Wat we zien als we lezen
Peter Mendelsund
Uitgever Atlas Contact
ISBN 9789025445676

~ ~ ~


  1. Visualiseren lijkt wilskracht te vereisen… al lijkt het soms misschien ook alsof bepaalde beelden ongevraagd tevoorschijn komen. [p.20] 

Had ze zonder Connie geen verhaal?

Deze blogpost is deel 38 van 43 in de serie Een perfecte dag voor literatuur

Een schrijfster die een andere schrijfster in hoge mate bewondert en daarom een boek schrijft over een schrijfster die een boek schrijft over een schrijfster die zij in hoge mate bewondert. Duizelt je het al? Goed. Dat was bij mij ook het geval toen ik Ica, het nieuwe boek van Eva Posthuma de Boer probeerde te bevatten. Eva Posthuma de Boer schijnt een groot fan van Connie Palmen te zijn en in haar boek zien we eenzelfde beeld waar de schrijfster Nadine Sprenger een groot fan is van Ica Metz. Omdat Connie Palmen er een handje van heeft om familie, vrienden en bekenden uit haar nabije omgeving herkenbaar in haar romans op te voeren ligt het voor de hand om in Ica hetzelfde te veronderstellen:

Nadine = Eva
Ica = Connie.

Of is het een doortrapte truc van de schrijfster Eva Posthuma de Boer om ons dit te doen geloven? Hoe dicht bij de realiteit is het gegeven van Nadine en Ica die samen naar een vakantiehuisje in Frankrijk afreizen om daar in afzondering enkele weken door te brengen? Is het (losjes) gebaseerd op een gezamenlijke vakantie van Eva en Connie? Of is het allemaal ontstaan in het hoofd van Eva Posthuma de Boer die door middel van deze stijloefening een soort van eerbetoon aan haar idool Connie Palmen heeft geschreven?

Maakt het uit?

Simpel van geest als ik ben heb ik de neiging om een roman altijd redelijk onbevangen te lezen. Ik probeer te vergeten (in zoverre dat mogelijk is) wat ik eventueel heb meegekregen van mogelijke intenties door de schrijver. Laat het verhaal zich maar ontrollen en mij verrassen door stijl, onderwerp en/of plot. Het enige waar ik me al lezende vaak niet aan kan onttrekken is de vraag waarom het boek geschreven moest worden. Wat was de urgentie van de schrijver om er zijn ziel en zaligheid in te steken?

Waarom moest Eva Posthuma de Boer Ica schrijven?

In de roman wordt het al snel duidelijk dat de schrijfster Nadine Sprenger een obsessie heeft voor Ica Metz die gaandeweg ongezonde vormen aanneemt:

Zonder Ica had ze geen verhaal.
[p.138]

Nadine heeft het in haar hoofd gehaald dat Ica Metz een hoofdrol moet spelen in haar volgende roman. Sterker, zij heeft Ica uitgenodigd om een tijdlang samen op het Franse platteland te vertoeven zodat zij nog dichter bij haar kan zijn. Ver weg van andere bewonderaars die Ica continu claimen denkt Nadine dat zij het vertrouwen kan winnen van Ica en dat door deze bijzondere vriendschap als vanzelf ook een goed verhaal zal ontstaan.

De vraag blijft lange tijd wat dat verhaal dan is.

Vanwege de proloog was ik lange tijd bang dat Eva Posthuma de Boer ergens in haar boek de afslag zou nemen richting bloederig einde à la Misery, het verfilmde boek van Stephen King waar een doorgedraaide fan op gewelddadige wijze haar favoriete schrijver een handje helpt met het opdoen van inspiratie voor een volgende boek. Gelukkig (wat mij betreft) is zij daar aan voorbijgegaan. Ja, er vallen schoten in de nacht maar geen slachtoffers. Ica Metz vertrekt in haar eentje terug naar Nederland en Nadine Sprenger blijft achter. Sadder but wiser.

Ik heb een aantal boeken van Connie Palmen gelezen. Deze wisten mij altijd van begin tot eind te boeien. De opgevoerde personages voelden levensecht, hun lotgevallen overtuigden en werden ook nog eens inlevend beschreven met zinnenprikkelende filosofische terzijdes die mij altijd wisten te bekoren. Dat veel van de personages gebaseerd waren op reëel bestaande mensen om haar heen was me niet altijd duidelijk. Ik heb dat nooit als een gemis ervaren of daardoor haar boeken minder (of meer) gaan waarderen. Het lijkt mij niet dat Connie Palmen haar boeken alleen maar schrijft om deze mensen op te kunnen voeren.

Is dat bij Eva Posthuma de Boer wel het geval?

Is het haar slechts te doen om (op een gekunstelde manier) ons deelgenoot te maken van het feit dat zij dicht in de buurt van Connie Palmen heeft mogen verkeren? Heeft zij (net als Nadine met Ica) ooit de gedachte gehad om Connie Palmen vaker te ontmoeten om vervolgens hun vriendschap tot onderwerp te maken van haar volgende roman, maar is dat vastgelopen in een doodlopende straat waarna ze dit compromis geschreven heeft zodat niet al haar werk voor niets was geweest?

Eerlijk gezegd kan ik dat niet geloven. Naar mijn bescheiden mening is het verhaal gelaagder en is het een vooropgezet plan geweest om aan te tonen (zoals ook op de voorkant staat aangegeven) waartoe bewondering en obsessie kan leiden wanneer het niet op tijd beteugeld wordt door realiteitszin. Misschien is Eva Posthuma de Boer wel degelijk een groot fan van Connie Palmen maar niet in de zin dat zij als een ware stalkster alle bewegingen van haar idool op de voet volgt. Ik vul het liever in dat zij in de literatuur van Connie Palmen aanknopingspunten heeft gezien om een verhaal dat zij in haar hoofd had de vorm te geven die het tot dan toe miste.

Deze gedachte helpt mij om het boek hoger te waarderen dan dat ik anders gedaan zou hebben.

Ica - Eva Posthuma de Boer 600

Wanneer Nadine Sprenger als debutant het Boekenbal bezoekt, maakt ze kennis met de door haar zo bewonderde Ica Metz. Tussen haar en de kleine, grote schrijfster bestaat onmiddellijk een vanzelfsprekende, maar onverklaarbare vertrouwdheid. Getroffen door de gretigheid waarmee Ica in het leven staat, maar ook door haar werk, dat leest alsof elk woord speciaal voor haar is geschreven is, komt Nadine tot het besef dat ze geen fascinerender personage voor haar nieuwe roman zou kunnen verzinnen dan Ica Metz.

Ica
Eva Posthuma de Boer
Uitgever Ambo | Anthos
ISBN 9789041426260

~ ~ ~