Gevoelige plek

Allengs buiten adem rak­end ren ik zo hard als maar mogelijk is de glooiende helling af. Bij elke stap die ik maak kri­jg ik meer voor­waartse stuwing. Voor mijn gevoel hang ik bij­na hor­i­zon­taal voorover.

Miep miep!” piept mijn adem en ik denk aan de Road­run­ner.

Nog nooit ben ik zo snel gegaan. Maar dat moet ook want mijn achter­vol­gers zit­ten me op de hie­len. Mijn voeten schi­eten door de dikke laag droge bladeren en doen ze hoog opwaaien. Aan het knis­perende gelu­id achter me kan ik opmak­en dat ik ter­rein ver­lies. Het zal niet lang meer duren voor­dat ik inge­haald zal wor­den. Ik schat de afs­tand in die ik nog moet over­bruggen. Hoo­gu­it tien meter. Het doel steekt een klein beet­je boven het bladerdek uit. Een witte ronde bolling. Boven op de brug over het kanaal had ik het als eerste gezien. Voor­dat mijn vriend­jes wis­ten wat ik van plan was duwde ik ze opz­ij en begon de brug af te ren­nen.

Wie het eerste bij de bal is mag ‘m houden!” schree­uwde ik.

Nu, in de berm van het kanaal wist ik dat ik ging win­nen. Tri­om­fan­telijk ver­min­der ik wat vaart om de bal een ste­vige schop te kun­nen geven. Als een bewi­js van toe-eigen­ing. Ik negeer de opge­won­den stem­men achter me om te stop­pen. Slechte ver­liez­ers. Dat waren het. Met het juiste inzicht van een profvoet­baller maak ik een slepende beweg­ing met mijn voet door het gebladerte welke de onderkant van de bal ver­bor­gen hield.

Met mijn laat­ste adem roep ik “Goal!” ter­wi­jl mijn tenen met volle kracht tegen de beton­nen aan­leg­paal aan knallen.

Enkele weken lat­er kon ik afscheid nemen van een afgestor­ven grote teen­nagel.

Blaren­lied

Wij, dorre en dode blaren,
Wij komen stil gevloôn
En vlecht­en door uw haren
Een goud- en bronzen kroon.

Daar, waar wij rit­se­lend vie­len,
En strooiden herf­st-gewaad,
Daar sterft iets in uw zie­len…
Gij, die er over gaat.

Wij leggen in uw ogen
Traan van weemoedigheid;
“De Zomer was een logen”;
Zo zucht ge, wijl ge schre­it.

Neen, ster­vling, in uw kla­gen
Treurt ge om ons dor geblaart;
Ge denkt aan zonneda­gen,
Die gij ver­geten waart.

Gij weent omdat wij zin­gen
Op droeve mijmer­toon,
Van half-ver­gane din­gen,
Te vroeg gestor­ven schoon.

Wij suizen ’t in de hagen,
Wij fluistren ’t vóór uw voet.
Wij komen rit­se­lend kla­gen,
Dat àlles ster­ven moet.

Alice Nahon (1896–1933)
uit: Maart-april (1936)

~ ~ ~