Life is like a recycling center …

Life is like a recy­cling cen­ter, where all the con­cerns and dra­mas of humankind get recy­cled back and forth across the uni­verse. But what you have to offer is your own sen­si­bil­i­ty, maybe your own sense of humor or insid­er pathos or mean­ing. All of us can sing the same song, and there will still be four bil­lion dif­fer­ent ren­di­tions.
Anne Lam­ott — Bird by bird

~ ~ ~

Schrijver

Laat ik begin­nen om (voor de zoveel­ste keer) een frag­ment aan te halen uit het inmid­dels door mij stukgelezen Bird by Bird door Anne Lam­ott:

All right, let’s talk about pub­li­ca­tion. Let’s talk about the myth of pub­li­ca­tion.
[…]
Many non­writ­ers assume that pub­li­ca­tion is a thun­der­ous­ly joy­ous event in the writer’s life, and it is cer­tain­ly the biggest and bright­est car­rot dan­gling before the eyes of my stu­dents. They believe that if they them­selves were to get some­thing pub­lished, their lives would change instant­ly, dra­mat­i­cal­ly, and for the bet­ter. Their self-esteem would flour­ish; all self-doubt would be erased like a typo. Entire para­graphs and man­u­scripts of dis­ap­point­ment and rejec­tion and lack of faith would be wiped out by one push of a psy­chic delete but­ton and replaced by a qui­et, ten­der sense of worth and belong­ing. Then they could wrap the world in flame.
But this is not exact­ly what hap­pens.1

Waarom dit frag­ment? Sim­pel. Ik moest er aan denken toen ik de der­tig­ste vraag uit de #50books serie van Drs Pee onder ogen kreeg:

Zou jij een boek willen schri­jven?

Ja. Ik zou wel een boek willen schri­jven. Niet zozeer van­wege de roem die me dan hopelijk staat te wacht­en. Hoewel dat schi­jn­baar ergens wel op de achter­grond meespeelt, want waarom zou anders het eerdere frag­ment mij als eerste te bin­nen schi­eten? Laat ik er niet moeil­ijk over doen. Ook ik heb als ‘non­writer’2 het idee dat met de pub­li­catie van een hele­maal door mijzelf met bloed en tra­nen geschreven boek er veel in posi­tieve zin zal gaan veran­deren.

En toch.

En toch is dat niet waar het mij uitein­delijk om gaat wan­neer ik de vraag of ik een boek zou willen schri­jven verder op mij laat inwerken. Uitein­delijk lijkt me vol­doen­ing het echte antwo­ord. De vol­doen­ing een taak te hebben vol­bracht die ik al sinds mensen­heuge­nis met me mee­draag maar tot nu toe niet weet te vol­bren­gen. Ook eind 2013 ben ik weer aan een nieuwe poging begonnen, maar vooral­snog met weinig suc­ces. Voor­lop­ig kom ik niet verder dan goedbe­doelde opzetjes of een inci­den­tele uitwerk­ing van enkele per­son­ages en ver­haal­li­j­nen.

De echte vraag is niet zozeer of ik een boek zou willen schri­jven. De echte vraag is waarom ik nog steeds geen boek heb geschreven ter­wi­jl ik dit beschouw als belan­grijk voor mij om te doen. Wat houdt mij tegen?

Kan de ‘Five Times Why’ tech­niek3 meer inzicht ver­schaf­fen?

Waarom heb ik nog steeds geen boek geschreven?

  1. Ik heb te weinig tijd naast mijn werk en andere activiteit­en.
  2. Wan­neer ik meer tijd zou vri­j­mak­en door min­der te werken en andere activiteit­en te min­deren dan zou het nog niet vol­doende zijn.
  3. Want ik wil een lit­eraire roman schri­jven waar ik een lan­gere peri­ode onafge­bro­ken aan zou kun­nen werken zodat ik me volledig in kan lev­en in de per­son­ages.
  4. Omdat ik denk dat dit voor mij de beste manier is om er iets van te mak­en waar ik hele­maal achter kan staan.
  5. Het moet meteen de eerste keer goed zijn.
Leonid Paster­nak — Throes of cre­ation

Ik heb mijzelf wijs gemaakt dat die roman er alleen kan komen wan­neer ik een soort van sab­bat­i­cal kan nemen om weg van de dagelijkse werke­lijkheid ongesto­ord enkele weken (maan­den?) te kun­nen schri­jven. Dan komt alles goed. Alleen lukt het me niet om die sab­bat­i­cal daad­w­erke­lijk op te nemen. En, wat nog belan­grijk­er is, ik heb geen enkele zek­er­heid dat het dan wel goed gaat komen met mijn schri­jver­sam­bities. Miss­chien is het wel een mythe die ik met me mee­draag. De mythe van een in afzon­der­ing lev­ende schri­jver die de dagen (en nacht­en?) vult met niets anders dan schri­jven en nadenken. Wat nu als dit hele­maal niet bij mij past? Er is natu­urlijk een manier om daar achter te komen. Alsnog werk mak­en van die sab­bat­i­cal.

Maar ik kan ook proberen mijn ambities en de beschik­bare tijd meer op elka­ar af te stem­men. Me min­der lat­en aflei­den door hoog­dravende verwachtin­gen over wat ik denk te kun­nen schri­jven indi­en ik onbeperkt de tijd heb tegen­over ruimte vri­j­mak­en in mijn agen­da door zak­en weg te strepen die me van het schri­jven weer­houden en die ik ook bereid ben ervoor op te offer­en. Wie weet wat me dit kan oplev­eren? Miss­chien is het geen slecht plan om wat struc­tu­ur in mijn schri­j­fac­tiviteit­en te bren­gen. Net zoals ik dat momenteel met mijn hard­loopactiviteit­en doe. Tenslotte heb ik gemerkt dat een halve marathon lopen ook niet vanzelf gaat. Een goed begin zou al zijn om vaste momenten in te plan­nen die ik aan het schri­jven ga wij­den. Ook iets wat ik bij Lam­ott heb gelezen. Dus.

~ ~ ~


  1. p.208–211, Bird by Bird, Anne Lam­ott 

  2. De korte ver­halen die in ver­schei­dene bun­dels zijn gepub­liceerd laat ik hier buiten beschouwing 

  3. Voor een uit­leg over deze sim­pele maar zeer krachtige tech­niek om snel tot de kern van een prob­leem te ger­ak­en zie bijvoor­beeld de wikipedia pag­i­na 

Acceptatie

Er zijn drie momenten waarop ik de verza­melde obser­vaties, indrukken en belevenis­sen van de afgelopen tijd probeer te ver­w­erken naar een nieuwe blog­post: in de auto op weg naar kan­toor (of terug naar huis), onder de douche en tij­dens het hard­lopen. Ik hoef er niet iets spe­ci­aals voor te doen. Het gaat vanzelf.

Stap ik bijvoor­beeld ’s avonds na een dag werken in de auto, dan gaat bij het uitri­j­den van de par­keer­garage eerst de muziek aan en daar­na de knop om bij het ver­lat­en van Ede. Een­maal op de Ginkelse Hei kri­j­gen mijn gedacht­en vrij spel op de uit­gestrek­te vlak­te links en rechts van mij. Ze darte­len over elka­ar heen, gaan dwarsver­ban­den aan, proberen de aan­dacht te trekken, willen geho­ord wor­den. Ik zit met het lux­eprob­leem opgezadeld wat ik wil gebruiken voor een blog­post.

Is het mij duidelijk gewor­den welk blog­ma­te­ri­aal ik wil gebruiken, dan ontwikkelt zich ver­vol­gens haast als vanzelf een eerste opzet in mijn hoofd. Tegen de tijd dat ik thuis ben is het een kwest­ie van de gele­gen­heid vin­den om achter mijn com­put­er te gaan zit­ten en het ver­haal uit te werken.

Alleen gaat het nu niet meer als vanzelf. Al een paar weken niet meer. De gedacht­en bli­jven weg. Ik stap onder de douche. Geni­et eerst even­t­jes van de harde stralen op mijn lijf voor­dat ik me inzeep en daar­na mijn haren was. Voor de vorm bli­jf ik nog wat staan dralen. Maar dan draai ik res­olu­ut de kraan dicht. Onder­tussen weet ik dat ik het niet kan forceren. Er valt niets af te dwin­gen door me heel gecon­cen­treerd te focussen op een bepaald onder­w­erp of gesprek wat ik eerder op de dag heb geho­ord. Het is namelijk niet de eerste keer dat me dit overkomt.

The word block sug­gests that you are con­sti­pat­ed or stuck, when the truth is that you’re emp­ty.
[…]
The prob­lem is accep­tance, which is some­thing we’re taught not to do. We’re taught to improve uncom­fort­able sit­u­a­tions, to change things, alle­vi­ate unpleas­ant feel­ings. But if you accept the real­i­ty that you have been giv­en — that you are not in a pro­duc­tive cre­ative peri­od — you free your­self to begin fill­ing up again.
[p. 178, Bird by Bird, Anne Lam­ott]

Dus trok ik vanocht­end al vroeg mijn hard­loop­schoe­nen aan en ging op weg voor mijn weke­lijkse 10 km hard­lopen om me tegelijk­er­ti­jd vol te lat­en lopen met nieuwe indrukken. Heer­lijk! De lucht was aan­ge­naam vochtig en vol zuurstof. Er stond nage­noeg geen wind. Ide­ale omstandighe­den wat mij betre­ft. Wat het echter hele­maal per­fect maak­te was toch wel dat ik bij­na na elke bocht weer iets bij­zon­ders meende te ont­dekken. Het hield niet op. Ik kon niet wacht­en om thuis onder de douche dit alles te ver­w­erken zodat er ein­delijk weer een nieuwe blog­post kon wor­den geschreven. Maar daarover een vol­gende keer meer. Eerst nog wat oefenin­gen doen.

~ ~ ~

Wie ben ik?

Blijk­baar was het van­daag weer eens tijd voor een oud­er­wetse iden­titeitscri­sis. De dag begon goed. Vroeg op, rond­je hard­lopen, ste­vig ont­bi­jt en lekker in het zon­net­je met vol­doende te lezen. Ik had me voorgenomen eerst nog een nieuw hoofd­stuk in Bird by Bird van Anne Lam­ott door te nemen voor­dat ik aan Het Boschhuis van Pauline Broeke­ma zou begin­nen. Dat bleek geen ver­standig idee te zijn. Niet veel lat­er zat ik in gedacht­en ver­zonken ter­wi­jl de koffie koud werd.

Wat wil je lat­er wor­den? zo vroeg men geregeld toen ik nog een kleine jon­gen was. Tot op de dag van van­daag moet ik het antwo­ord schuldig bli­jven. Natu­urlijk ben ik iets gewor­den. Wel meer dan één ding zelfs. Soms werd ik iets om er gaan­deweg achter te komen dat ik er beter aan deed om ermee te stop­pen dat te zijn wat ik op dat moment was of probeerde te wor­den.

Toen ik in het laat­ste jaar van het VWO zat, ontk­wam ik er niet aan een uni­ver­si­taire oplei­d­ing uit te kiezen waar ik me moest inschri­jven. Een aan­tal jaar eerder had ik bedacht dat Indus­trieel Vor­mgev­er wel iets voor mij zou zijn. Er was een goede oplei­d­ing in Eind­hoven. Door­dat ik het­zelfde jaar glan­srijk faalde voor de vakken natu­urkunde en scheikunde moest ik een dikke streep door die plan­nen zetten. Ik begon opnieuw aan het vierde jaar met dit keer een mij op het lijf geschreven pret­pakket. Wat ik daar dan lat­er mee zou moeten stelde ik voor­lop­ig nog even­t­jes uit. Eerst pret mak­en.

Uitein­delijk werd het Cul­turele Antropolo­gie in Nijmegen. Het kan trouwens ook Sociale Geografie zijn. Ik ben ver­geten wat ik op een doorde­weekse woens­dag­mid­dag haastig had aangekruist tij­dens de begelei­d­ing die we kre­gen voor onze studiekeuze. Nog tij­dens de vakantie na mijn exa­m­en aan het VWO kwam er een brief van het Min­is­terie van Defen­sie. Een nor­male oproep die iedere jonge­man in die tijd kreeg. Tegen mijn oud­ers vertelde ik dat de oplei­d­ing in Nijmegen voor­lop­ig moest wacht­en. Eerste diende ik mij te melden in Amers­foort voor een andere oplei­d­ing. Vol ver­baz­ing gaven ze aan dat ik toch gewoon uit­s­tel kon aan­vra­gen. Dat deed iedereen. Maar ik was niet iedereen.

Ergens eind okto­ber vertrok ik ’s ocht­ends vroeg naar het sta­tion in Hel­mond. Mijn vad­er was al naar het werk en mijn moed­er sliep nog. In een impulsieve daad had ik mijn snor afgeschoren die tij­dens het vijfde school­jaar plots nadrukke­lijk ver­sch­enen was. Van de ene op de andere dag. En zo promi­nent aan­wezig dat ik ‘m niet durfde te ver­wi­jderen. Nu zou ik een nieuwe fase ingaan, en was plots de lef daar om het scheer­mes met enkele flinke halen zijn werk te lat­en doen. Zon­der mezelf in de spiegel aan te kijken vluchtte ik daar­na het huis uit.

Achter­af heb ik me alti­jd ver­won­derd dat ik niet opkeek tegen het grote avon­tu­ur wat de mil­itare dien­st­plicht voor mij zou gaan wor­den. Ter­wi­jl ik sinds de aan­meld­ing in Nijmegen een feit was, wel regel­matig met angst en beven wakker schrok bij het idee op kamers te moeten. En wat te denken van de ver­schrikke­lijke ont­groen­ing die met de dag dichter­bij kwam. In een opwelling had ik het in mijn hoofd gehaald dat ik niet onder de oproep uit kon. Daar­na kon ik niet meer op mijn besliss­ing terug komen. Vond ik.

Het had alle­maal heel anders kun­nen lopen. Maar dat deed het niet.

Nadat ik mijn zestien maan­den als onderof­fici­er had voltooid bij de Huzaren van Boreel, rolde ik als vanzelf via enkele vakantiebaan­t­jes en wat IT-cur­sussen in de avon­duren bij Philips naar bin­nen. Daar deed ik wat in de logistiek, onder­brak na enkele jaren iets wat in aan­leg een mooie car­rière had kun­nen wor­den en ging alsnog naar de uni­ver­siteit om Geschiede­nis te stud­eren. Wat ik wilde wor­den wist ik nog steeds niet. Wel wat ik niet wilde wor­den, namelijk een kan­toorslaaf. Ik had aan­leg voor dra­ma in die jaren.

Vier mooie studie­jaren verder bleek dat het jam­mer genoeg tegelijk­er­ti­jd in mijn relatie vier min­dere jaren waren geweest. We gin­gen in goed over­leg uit elka­ar en omdat ik geen recht meer had op studie­fi­nancier­ing moest ik op zoek naar werk om mijn studie te bekosti­gen. Ik kon weer bij Philips aan de slag. In de logistiek.

Uitein­delijk ben ik ermee opge­houden voor mijzelf te zoeken naar het antwo­ord wat ik lat­er wil(de) wor­den. Voor mijn gevoel was het moment voor­bij. Het maak­te niet zoveel meer uit. Gaan­deweg ging ik mij meer verdiepen in het werk wat ik deed. De studie Geschiede­nis die ik half­s­lachtig in deelti­jd probeerde af te mak­en plaat­ste ik in de ijskast. Logistiek was waar ik goed in was. Daar­na en nu nog steeds het imple­menteren van bedri­jf­ssys­te­men.

Ik ben. Wie of wat, ik zou het niet weten. Ik ben. Dat is vol­doende.

Hoewel.

Schri­jver. Als er iets is dat ik miss­chien toch nog zou willen wor­den, dan is het dat. Van­daar dat ik dus met zoveel aan­dacht het boek van Anne Lam­ott lees. (“Superb writ­ing advice … hilar­i­ous, help­ful and provoca­tive. — New York Times Book Review) Deze ocht­end ging ik opgewekt verder bij Part Two — The Writ­ing Frame of Mind. Het duurde niet lang voor­dat ik bij de vol­gende pas­sage kwam:

The writer is a per­son who is stand­ing apart […] You’re out­side, but you can see things up close through your binoc­u­lars. Your job is to present clear­ly your view­point, your line of vision. Your job is to see peo­ple as they real­ly are, and to do this, you have to know who you are in the most com­pas­sion­ate pos­si­ble sense. Then you can rec­og­nize oth­ers.
[p.98]

Mijn schri­jver­sam­bities kan ik aldus opber­gen. Of allereerst werk mak­en van de vraag aller vra­gen: ‘Wie ben ik?’

~ ~ ~

Vrieskist

We hebben het over koet­jes en kalf­jes. Mijn moed­er en ik. Aan de tele­foon. Ook het weer komt voor­bij. Code Rood in Lim­burg wordt zojuist aangekondigd. Dat is niet ver van mijn oud­ers van­daan. Plot­sel­ing vraagt ze of ik weet waar de vrieskist ook alweer stond. Ik val stil.

Ze is van 1941. En mijn vad­er stamt uit 1936. Al flink op leefti­jd dus. Maar nog alti­jd zelf­s­tandig wonend met z’n tweet­jes. Onlangs ver­huisd naar een klein­er huis in dezelfde straat. Let wel: geen bejaar­den­won­ing! Daar willen ze niets van weten. Wan­neer ik bij hen op bezoek ga dan vol­gen er gegaran­deerd weer enkele nieuwe anek­dotes over de hulp­be­ho­evende ‘oud­jes’ die een blok verderop wel in van die zoge­naamde aan­le­un­wonin­gen hun oude dag sli­jten. Een bron van ver­maak voor hen.

Is het tegen beter weten in dat ze menen geen hulp nodig te hebben? Moet ik me zor­gen gaan mak­en nu ze schi­jn­baar moeite hebben om de locatie van de vrieskist te herin­neren?

Weet je nog dat we vroeger vaak bij de fam­i­lie S een varken bestelden? zo gaat mijn moed­er verder. Ik knik. En zeg dan dat ik het me herin­ner. Half luis­terend mijmer ik verder over de weer­stand die ik kan verwacht­en om mijn oud­ers toch voorzichtig te con­fron­teren met zoi­ets alge­meen geac­cepteerds als hulp in huis. Het zou hun werk uit han­den nemen en tegelijk­er­ti­jd kon zo iemand meteen een oog­je in het zeil houden. Hoe regel je zoi­ets tegen­wo­ordig? En moet je daar­voor bij de gemeente of bij de over­heid aan­klop­pen? Miss­chien is het ver­standig om me hier toch eens wat meer in te verdiepen.

We had­den het er van­mid­dag over waar in die tijd, we woon­den toen nog in ons oude huis in de Pas­toor Massen­hoven­straat, de diepvries stond. Want die moeten we gehad hebben. Waar had­den we anders dat vlees moeten lat­en? Je vad­er denkt dat die kist boven stond, maar dat geloof ik niet. Maar waar dan wel, daar zijn we niet uit­gekomen.

Ik begin te lachen. Ze had­den het over vroeger. Niks geen begin­nende demen­tie. Gewoon herin­ner­in­gen ophalen.

Bin­nen de kort­ste keren waren we in een geanimeerd gesprek ver­wikkeld waar vol­gens mij de vrieskist zou kun­nen hebben ges­taan. Op de achter­grond mengde mijn vad­er zich geregeld in het gesprek. Er was niets mis met zijn gehoor. Ook niet met hun en mijn geheugen. Alleen kwa­men we er niet uit waar die ver­maledi­jde vrieskist z’n plek had gehad.

The very first thing I tell my new stu­dents on the first day of a work­shop is that good writ­ing is about telling the truth.
[…]
“I don’t even know where to start,” one will wail.
Start with your child­hood, I tell them. Plug your nose and jump in, and write down all your mem­o­ries as truth­ful­ly as you can. Flan­nery O’Connor said that any­one who sur­vived child­hood has enough mate­r­i­al to write for the rest of his or her life.
[p3-4, Bird by bird. Some instruc­tions on Writ­ing and Life, Anne Lam­ott]

Nader­hand pak­te ik Bird by bird van Lam­ott er bij. Dit week­end was ik er in verder gegaan nadat ik het een tijd­je opz­ij had gelegd voor de boeken van de blog­ger­sleesclub die hogere pri­or­iteit had­den. Ik bladerde terug naar de tips die ze geeft om gewoon van start te gaan met schri­jven door herin­ner­in­gen aan je jeugd op te halen. De veel­heid aan beelden die opdoe­men (of miss­chien weg­bli­jven) kun je behap­baar houden door je te con­cen­tr­eren op één bepaald aspect. Probeer niet je hele jeugd te beschri­jven, maar zoom in.

Vanavond zoom ik in op een tot nu toe onzicht­bare vrieskist. Ik moet en zal dat ding zien te vin­den!

~ ~ ~

He had lived on his own terms

Every morn­ing, no mat­ter how late he had been up, my father rose at 5:30, went to his study, wrote for a cou­ple of hours, made us all break­fast, read the paper with my moth­er, and then went back to work for the rest of the morn­ing. Many years passed before I real­ized that he did this by choice, for a liv­ing, and that he was not unem­ployed or men­tal­ly ill. I want­ed him to have a reg­u­lar job where he put on a neck­tie and went off some­where with the oth­er fathers and sat in a lit­tle office and smoked. But the idea of spend­ing entire days in some­one else’s office doing some­one else’s work did not suit my father’s soul. I think it would have killed him. He did end up dying rather ear­ly, in his mid-fifties, but at least he had lived on his own terms.

[p.xii, Bird by bird — Some instruc­tions on writ­ing and liv­ing, Anne Lam­ott]

 

~ ~ ~