Donderdag, 29 november 2018

Blijk­baar had ik het over mezelf afgeroepen door er maandag aan­dacht aan te best­e­den. Deze ocht­end kreeg ik een bericht van mijn man­ag­er dat hij in plaats van iet­sjes beter juist ziek­er was gewor­den. En er een ooron­steke­ing op de koop toe bij had gekre­gen. Hij besloot dus thuis te bli­jven. Zou verder niet echt blog­waardig hoeven te zijn behalve dan dat we in de mid­dag een ver­gader­ing had­den waarin er een terugkop­pel­ing gegeven moest wor­den door de ver­schil­lende afdelin­gen hoe zijn een aan­tal strate­gis­che kern­tak­en voor dit jaar zouden gaan invullen. En je raadt het al, mijn man­ag­er stond op de agen­da om een pre­sen­tatie te geven. Niet veel lat­er na zijn ziek­meld­ing kreeg ik een bericht­je of ik zo vrien­delijk zou kun­nen zijn om dit van hem over te nemen. Natu­urlijk. Geen prob­leem. Zei ik vol over­tuig­ing. Gelukkig was het op dezelfde dag en bleven de zenuwen beperkt tot enkele uren vooraf­gaande aan de ver­gader­ing en lag ik er niet nacht­en van wakker.

~ ~ ~

Nog dezelfde avond vloog ik via Schiphol naar Birm­ing­ham. Een andere last minute wijzig­ing in mijn agen­da. Voor de veran­der­ing vloog ik weer eens met KLM in plaats van met Fly­Be. Dat betek­ende iets meer been­ruimte en een gratis drankje met snacks. Omdat het al pik­donker was toen ik vertrok viel er weinig te zien. Het was ook nog eens flink bewolkt. Pas boven Birm­ing­ham vlak voor de land­ing was er iets meer zicht op de omgev­ing. Het deed me zoals iedere keer opnieuw bedenken om bij een vol­gende trip toch ook eens te proberen om Birm­ing­ham zelf eens te bezoeken.

~ ~ ~

Patchwork

Op de tweede dag van de BOT automa­tion work­shop liep ik ’s ocht­ends te voet van het hotel naar kan­toor. Het is een kwartiert­je lopen. Als je ten­min­ste de juiste route vol­gt. Alle voor­gaande keren dat ik in Leices­ter was had ik alti­jd een kamer in het Hamp­ton hotel. Vanu­it daar wist ik onder­tussen mijn weg feil­loos te vin­den tussen de gespiegelde ver­keersstromen door.

Dit­maal had ik echter een kamer in het Mar­riott. Net als eerder dit jaar. Alleen reed ik toen elke keer met een col­le­ga mee in plaats van te lopen.

Het gevolg was dat ik deze ocht­end dus halver­wege hotel en kan­toor begon te twi­jfe­len welke kant ik op moest bij een rotonde. In eerste instantie koos ik vol vertrouwen om bij de ver­keer­slicht­en naar rechts over te steken. Een paar minuten lat­er vroeg ik me af of ik daar wel goed aan had gedaan. Niets in de wijde omgev­ing kwam me bek­end voor. Dan maar terug en bij de ver­keer­slicht­en nu naar links gegaan. Ook nu had ik het idee dat ik de ver­keerde richt­ing op ging. Net toen ik om wilde draaien zag ik een bor­d­je dat het Hamp­ton hotel een stuk­je verderop lag. Dan moest het kan­toor ook een stuk­je verderop zijn was mijn voorzichtige aan­name. Ik had gelijk.

Waarom het me nu pas opviel weet ik niet. Miss­chien scheen de zon in mijn ogen en keek ik daarom meer naar de grond dan recht vooruit. Hoe dan ook, het trot­toir waarop ik liep was gemaakt van alle­maal ver­schil­lende stro­ken asfalt. De vorige dag had­den we het niet geheel terza­ke ook gehad over een ver­snip­perd sys­teem land­schap bin­nen onze europese ves­tigin­gen. ‘Like patch­work’, had iemand geop­perd. Wie weet was het die opmerk­ing wel die me opmerkza­am had gemaakt op de lap­pen­deken die zich voor mij uit­strek­te. Het was alsof de weg naar kan­toor plots in het teken van de work­shop stond.

Twaalf uur lat­er die dag zat ik op het vliegveld van Birm­ing­ham geduldig te wacht­en tot­dat het vlieg­tu­ig naar Ams­ter­dam met ver­trag­ing zou vertrekken. Er waren ruim vol­doende plaat­sen voorhan­den in de steeds leg­er wor­dende vertrekhal. Toch waren de spe­ci­aal gere­serveerde stoe­len voor de gehand­i­capte mede­mens het meest in trek. En dan met name bij de niet-gehand­i­capte mede­mens. Blijk­baar zit­ten die stoe­len een stuk com­fort­a­bel­er.

~ ~ ~

Wanhoop — Nabokov

Het invullen van een declaratiefor­muli­er na een kort zak­en­reis­je naar het buiten­land is tegen­wo­ordig een bezigheid op zich. Op mijn bureau heb ik een stapel bon­net­jes en ander bewi­js­ma­te­ri­aal voor me liggen. Moede­loos blad­er ik door de verkreukelde papiert­jes, op zoek naar de dagko­ers voor de Britse pond. In de kantli­jn van mijn heentick­et naar Birm­ing­ham zie ik het woord­je ‘Wan­hoop’ staan. En daaron­der, ‘Nabokov’. Ik had het er zelf op geschreven ter­wi­jl de stew­ard uit­leg gaf over hoe de nooduit­gang te ope­nen. Schuin voor me, aan de andere kant van het gang­pad, zat mijn ver­meende dubbel­ganger. Wat ik zo van achter kon zien, was dat hij lichtelijk kalend was.
Lat­er, op mijn hotelka­mer heb ik geprobeerd te ont­dekken of dat ook bij mij het geval was.

Mij trof onze gelijke­nis als een rariteit die bijkans een won­der was. […] In mijn ogen was hij mijn dubbel­ganger, een wezen dat fysiek aan mij gelijk was. Die absolute overeenkomst was wat mij zo’n sid­der­ing tot in het merg gaf.
[p.20, Wan­hoop, Vladimir Nabokov]

De ik-per­soon uit het ver­haal van Nabokov ont­moet op een dag een zwerv­er die als twee drup­pels water op hem lijkt. Er ontstaat bij hem een geni­aal plan om deze haveloze man van zijn kled­ing te voorzien en hem ver­vol­gens te ver­mo­or­den. Ver­vol­gens zou hij onder­duiken in het buiten­land in afwacht­ing van zijn echtgenote die het verzek­er­ings­geld zou opstrijken.

De per­soon die gelijke­nis met mij zou ver­to­nen had ik niet zelf ont­dekt. Het was zijn buur­man die het gezien had. Res­olu­ut was hij een kwartiert­je gele­den op mij afgelopen en had me ferm de hand gedrukt. Pas na enkele minuten wilde hij geloven dat hij zich ver­gist had. Dat ik niet zijn col­le­ga uit een andere ves­tig­ing was. Mom­pe­lend ver­wi­jderde hij zich uit de rij en pak­te zijn mobielt­je. Ikzelf bleef met iets van span­ning wacht­en tot­dat zijn col­le­ga, die wel onwaarschi­jn­lijk veel op mij moest lijken, zou arriv­eren. Heimelijk hield ik hem in de gat­en.

[…] gesprek in een hoois­chu­ur op een warme, donkere nacht: ‘Ja, dat was me een rare, die snu­iter die ik een keer tegenkwam. Beweerde dat we dubbel­gangers waren.’ Gelach in het donker: ‘Jij zag zelf dubbel, ouwe zuiplap.’
[p.49, Wan­hoop, Vladimir Nabokov]

Vorige week stond in de krant dat Nabokov na zes­tig jaar ein­delijk gelijk kreeg met zijn the­o­rie over de ver­sprei­d­ing van vlin­der­soorten met blauw iris­erende kleuren. Hij was van mening dat de Amerikaanse soort zoveel overeenkomst ver­toonde met een­zelfde Azi­atis­che vari­ant, dat ze wel aan elka­ar ver­want moesten zijn. Nu is door DNA onder­zoek bewezen dat dit klopt. Deze link was in zijn ogen mogelijk door het regel­matig droog­vallen van de Beringstraat, waar­door een over­tocht mogelijk werd. Een uit­leg die nooit serieus werd genomen. Tot vorige week, dus.

Eerlijk gezegd weet ik niet zek­er of mijn dubbel­ganger schuin voor me zat. Het kan natu­urlijk zo zijn dat de col­le­ga van de man die me aansprak zich ergens anders in het vlieg­tu­ig ophield. Omdat ze het niet gelukt was plaat­sen naast elka­ar te reserveren. Feit is dat de per­soon gezeten in de stoel schuin voor me, totaal niet op me leek. Althans, niet in mijn belev­ing.

Maar kun je dat zelf eigen­lijk wel zien? Of iemand op je lijkt? Het deed me toen al denken aan ‘Wan­hoop’. Van­daar de aan­teken­ing.

De ik-per­soon uit Wan­hoop had zich in ieder geval verkeken. Als hij vanu­it zijn buiten­landse schuilplaats de kran­ten onder ogen kri­jgt die meld­ing mak­en van de brute moord, is hij ver­bi­js­terd:

Nu daagde me pas wat me het diepst had geschokt en beledigd: er werd met geen woord over onze gelijke­nis gerept; niet alleen had men er geen com­men­taar op (ze had­den bijvoor­beeld op z’n minst kun­nen zeggen: ‘Ja, de gelijke­nis dwingt bewon­der­ing af, maar aan die en die ken­merken was te zien dat het lijk van een ander moest zijn’) maar er werd zelfs geen woord over gezegd — wat de indruk wek­te dat het slachtof­fer een arme sloe­ber was die er heel anders uitzag dan ik.
[p.171, Wan­hoop, Vladimir Nabokov]

~ ~ ~