De schaduw van de wind — Carlos Ruiz Zafon

Nog steeds herin­ner ik me de ocht­end dat mijn vad­er me voor het eerst meenam naar het Kerk­hof der Ver­geten Boeken. De eerste dagen van de zomer van 1945 regen zich aaneen en we wan­delden door de strat­en van een Barcelona gevan­gen onder een asgri­jze hemel, met een waterig zon­net­je dat over de Ram­bla de San­ta Móni­ca stroomde als een guir­lande van vloeibaar kop­er.”

Ruim een half jaar nadat ik ermee begonnen was heb ik tij­dens de ker­st­vakantie ein­delijk de best­seller van Car­los Ruiz Zafón uit­gelezen. Ik doel hier natu­urlijk op De schaduw van de wind uit 2001. Het feit dat het zo lang heeft gedu­urd voor­dat ik dit boek kon afstrepen van de lijst NTL (nog te lezen) kent meerdere rede­nen. Daarom allereerst een sum­miere uitwi­jd­ing van rede­nen waarom boeken bij mij soms in het vergeethoek­je terechtkomen:

  1. Ik begin eraan maar het boek weet me totaal niet te boeien;
  2. Ik begin eraan maar het boek wordt inge­haald door andere NTL boeken waaraan ik ook begonnen was en die me meer weten te boeien;
  3. Ik begin eraan maar druk­te op werk of in privéleven kri­j­gen de over­hand en van uit­s­tel komt afs­tel;
  4. Ik begin eraan maar raak het boek kwi­jt.

Reden nr. 1 komt gelukkig niet zo vaak voor. In de loop van de jaren heb ik een gevoel ontwikkeld voor boeken die me wel zullen aanspreken. Via een beet­je oriën­tatie vooraf in com­bi­natie met reeds opgedane leeser­var­ing kan ik al snel voor mezelf het kaf van het koren onder­schei­den. Natu­urlijk tref ik nog wel eens een boek dat tegen­valt. Van een auteur waar­van je het niet verwacht. Of van een betrouw­bare bron die blijk­baar in een bepaald spec­trum van smaak toch ergens anders zit dan je tot zover had aangenomen. In de meeste gevallen zet ik het boek dan (gedeel­telijk ongelezen) in m’n boekenkast. Daar mag het dan hopen op een tweede kans.

Wat veel vak­er gebeurd is dat een boek bij mij een (veel te) lange door­loop­ti­jd heeft van­wege Reden nr. 2. Zoals zo veel fanatieke lez­ers heb ook ik de (voor niet-lez­ers vreemde) gewoonte om in meerdere boeken tegelijk te lezen. Som­mige boeken sjouw ik met me mee, andere liggen op vaste plekken (nachtkast­je slaap­kamer zold­er, bureau studeerkamer eerste verdieping, leesstoel woonkamer bene­den) om gelezen te wor­den. Deze boeken lees ik zoals het uitkomt. Zo kan ik bezig zijn in een boek wat me redelijk boeit en lijkt het alsof ik het op korte ter­mi­jn uit zal lezen, tot­dat ik plot­sel­ing gefasci­neerd raak door een ander boek wat op stel en sprong uit­gelezen moet wor­den. Als dat boek uit is, dan kan het zijn dat ik een bepaalde stem­ming ben ger­aakt waar­door het niet ‘logisch’ is om het vorige boek weer op te pakken en in verder te gaan. Dus pak ik een ander boek. Waar­door de stapel dus con­tinu zich aan­past aan m’n stem­min­gen en inter­ess­es van dat moment.

Terugkomend op De schaduw van de wind speelt in ieder geval Reden nr. 2 een grote rol. Vóór de zomer­vakantie ermee begonnen, werd het tij­dens de zomer­vakantie ver­dron­gen door The girl next door van Jack Ketchum. Een op ware feit­en gebaseerd hor­ror-achtig ver­haal over een wee­skind dat werd opges­loten en mis­bruikt. Hier­na ver­loor ik mezelf in andere thriller‑, hor­ror- en detec­tiv­elec­tu­ur. Het was tenslotte vakantie. En na die vakantie was er weer werk. Veel werk. En kon Reden nr. 3 als excu­us dienen voor een groeiende stapel NTL boeken (inclusief De schaduw van de wind). Het schoot niet echt op. Tot­dat een nieuwe vakantie zich aan­di­ende. En ik onbe­van­gen de NTL stapel aan­schouwde en De schaduw mij een logis­che keuze leek (gebaseerd op min­ste aan­tal bladz­i­jdes nog te lezen, zo de groot­ste kans lopend dat ik het boek tij­dens de vakantie zou uitkri­j­gen). En aldus geschied­de.

Voor diege­nen die niet weten waar het boek over gaat, hier een korte samen­vat­ting:

In het oude cen­trum van Barcelona ligt het Kerk­hof der Ver­geten Boeken. Hoofd­per­soon Daniel Sem­pere wordt door zijn vad­er, weduw­naar en boekhan­de­laar, meegenomen naar deze geheimzin­nige, ver­bor­gen wereld van ver­halen. Vanaf dat moment neemt Daniels lev­en een wend­ing die hij niet had kun­nen voorzien. Hij mag een boek uit­zoeken en kiest De schaduw van de wind, geschreven door een zekere Julián Carax. Het boek laat hem niet meer los, ook al schudt de wereld tij­dens het grauwe Fran­co-regime om hem heen op zijn grond­vesten. Hij wil alles weten over het boek en de schri­jver. En merk­waardi­ger­wi­js lijken alle mensen die hij ont­moet, ook de vrouwen op wie hij ver­liefd wordt, deel uit te mak­en van het grote spel waar­van het boek het mid­delpunt vormt.

Het was deze beschri­jv­ing (en dan vooral het fenomeen van het Kerk­hof der Ver­geten Boeken) dat me aansprak. Soms, wan­neer ik voor mijn boekenkast sta, dan over­valt mij de gedachte dat al die boeken hier hun laat­ste rust­plaats hebben gevon­den. Door mij zullen ze nog wel gelezen wor­den, maar wie zal ze na mijn ver­schei­den nog eens vast­pakken (om te lezen en te koesteren, niet om ze in een doos op te bergen en naar de stort te bren­gen). Mijmerin­gen die ik ook geprobeerd heb te omschri­jven in de Opkomst van de Mov­el. In de boekhan­del nam ik aldus het boek ter hand en zocht naar een pas­sage over het Kerk­hof der Ver­geten Boeken. En die was al gauw gevon­den:

Deze plaats is een mys­terie, Daniel, een heilig­dom. Elk boek, elke band die je ziet, is bezield. Bezield door degene die het schreef, bezield door dege­nen die het lazen en door­leef­den en ervan droom­den. Telkens als een boek in andere han­den over­gaat, telkens als iemand zijn blik over de bladz­i­j­den laat gaan, groeit zijn geest en wordt sterk. Vele jaren gele­den al, toen mijn vad­er me hier voor de eerste keer naar­toe bracht, was dit een oude plek. Miss­chien wel net zo oud als de stad zelf. Nie­mand weet met zek­er­heid te zeggen hoe lang dit al bestaat of wie het gemaakt hebben. Als een bib­lio­theek verd­wi­jnt, als een boekhan­del haar deuren sluit, of als een boek in de ver­getel­heid raakt, dan zor­gen wij, de bewak­ers die deze plek ken­nen, ervoor dat het hier terechtkomt. Hier wonen de boeken die nie­mand zich meer herin­nert, de boeken die met­ter­ti­jd in de ver­getel­heid zijn ger­aakt, wach­t­end op de dag dat ze over­gaan in de han­den van een nieuwe lez­er, een nieuwe geest. In de winkel verkopen en kopen wij ze, maar eigen­lijk hebben boeken geen eige­naar. Elk boek dat je hier ziet, is de beste vriend geweest van íemand. Nu hebben ze alleen ons nog, Daniel. Denk je dat je dit geheim zult kun­nen bewaren?”

Woor­den uit­ge­spro­ken door de vad­er van Daniel. En ze had­den direct effect op me. Een tijd­lang ben ik in de boekhan­del bli­jven staan en ben door het boek bli­jven bladeren. Her en der een pas­sage gelezen. Het boek aangeschaft. Uitein­delijk in de Engelse ver­sie omdat ik bij vergelijk­ing de Ned­er­landse ver­tal­ing op de een of andere manier te gekun­steld vond. Daar liepen de zin­nen niet alti­jd (voor mijn gevoel) vlot­jes door, wat ik bij de Engelse ver­tal­ing veel min­der had. Thuis­gekomen heeft het boek een aan­tal dagen liggen wacht­en voor­dat het aan de beurt was, maar een­maal begonnen was het moeil­ijk om het boek weg te leggen.

Het eerste gedeelte waarin Daniel ken­nis­maakt met het Kerk­hof, daar een boek uitki­est (van Julian Carax) en gaan­deweg geob­sedeerd raakt door de schri­jver, was goed te lezen. Zafón gaat uiterst zorgvuldig te werk in het oproepen van de juiste sfeer, en het mys­terie ron­dom Julian Carax wordt beet­je bij beet­je com­plex­er gemaakt door een gestage stroom aan nieuwe per­so­n­en en ver­wik­kelin­gen. Op een derde van de roman aangekomen merk­te ik echter dat het verder lezen me steeds moeiza­mer afging. Telkens een klein stuk­je en dan weer enkele dagen niets. Tot­dat ik het boek ver­gat. Achter­af kan ik con­clud­eren dat vooral de wijs­neuzerigheid van Daniel me tegen begon te staan. Zijn taal­ge­bruik en manier van denken leken me vol­strekt niet natu­urlijk voor een jon­gen van zijn leefti­jd. Ik begon een hekel aan hem te kri­j­gen en kon geen inter­esse meer opbren­gen voor zijn zoek­tocht en belevenis­sen.

Ergens in novem­ber begon ik weer kleine stuk­jes te lezen voor het slapen gaan. Maar het leek meer op een ver­plichte oefen­ing. Zow­el het lezen van mij als de zoek­tocht van Daniel. Het wilde maar niet lev­endig wor­den. Ter­wi­jl de con­struc­tie van de roman, Daniel als een soort van spiegel van Julian toch echt wel goed in elka­ar zat. Alleen de figu­ur van Fer­mín Romero de Tor­res, een zwerv­er die door Daniel en zijn vad­er onder hun hoede wordt genomen, zorgde ervoor dat ik weer zin had om door te lezen. Deze welbe­spraak­te fan­tast met onbed­wing­bare eetlust bracht iedere keer humor en vaart in het ver­haal. Hij kon op m’n sym­pa­thie reke­nen, en voor hem pak­te ik het boek toch elke keer weer op.

En zo werd het ker­st­vakantie en besloot ik De schaduw een laat­ste kans te geven voor­dat het boek onder Reden nr. 1 in de kast zou wor­den gezet. Inmid­dels had Daniel (gelijk Julian) een uit de hand gelopen nacht doorge­bracht met de liefde van z’n lev­en. En werd het duidelijk dat hij een even fataal(?) einde tege­moet zou gaan als Julian (gebaseerd op alle infor­matie zoals die tot nu toe in de roman was onthuld). Het tem­po werd langza­am opgeschroefd en de span­ning nam per bladz­i­jde toe. Miss­chien had het te mak­en met de relatieve rust die ik had in de ker­st­vakantie, maar ook anders zou ik wel door zijn bli­jven lezen, ver­moed ik.

Bin­nen de kort­ste keren was ik op pag­i­na 294 aan­be­land (van de 400) en kon ik begin­nen aan het gedeelte beschreven vanu­it de figu­ur van Nuria Mon­fort. Pas toen bleek hoe ver­nuftig Zafón deze roman had opgezet. Alle ideeën die ik had over hoe het mys­terie in elka­ar zat, bleken volledig fout te zijn. Begri­jpelijk­er­wi­js ga ik hier natu­urlijk niet onthullen wat de crux in de lev­ens­geschiede­nis van Julian is, en welke rol Nuria hierin speelt. Daar­voor ver­wi­js ik naar het boek zelf. Want ondanks mijn leeser­var­ing met hin­dernissen ga ik dit boek toch aan­beve­len om te lezen. De irri­tatie die ikzelf onder­vond t.o.v. de figu­ur Daniel (en die niet is wegge­gaan) valt weg te strepen tegen de duizel­ing­wekkende com­plex­iteit van het mys­terie ron­dom Julian Carax. Dat Zafón daar­voor regel­matig de toevlucht neemt tot verge­zochte toe­val­lighe­den en een boven­menselijke vol­hard­ing bij enkele van zijn sleutelfig­uren, neem ik ook op de koop toe.

Dit boek kri­jgt een plaat­sje in m’n boekenkast en wordt zek­er in de toekomst nog wel eens door mij opnieuw gelezen. Wat er daar­na mee gaat gebeuren is ook voor mij een vraag.

Oh ja, Reden nr. 4 komt zelden voor. Zek­er nu ik niet meer met de trein reis…

~ ~ ~