Cyclische mishandelaar

Deze blog­post is deel 2 van 43 in de serie Een per­fecte dag voor lit­er­atu­ur

Nadat ik ‘Van dode man­nen win je niet’ door Wal­ter van den Berg voor de tweede maal adem­loos in één ruk had uit­gelezen, moest ik denken aan een boek over de aantrekkingskracht van foute man­nen. Dat stond ergens in de boekenkast van mijn vriendin. Toen ik het gevon­den had (de titel is ‘Het mon­ster­ver­bond’ en het is geschreven door Car­olien Rood­voets) bleef ik eerst een tijd­je in gedacht­en ver­zonken waarom ze dit boek eigen­lijk ooit had aangeschaft alvorens ik door­bladerde naar de inhoud­sop­gave. Daar vond ik onder hoofd­stuk 6 wat ik zocht: Doc­tor Jekyll en Mis­ter Hyde: de geweld­dadi­ge man.

De para­graaf ‘Spi­raal van geweld’ in dat hoofd­stuk begint als vol­gt:

In het boek ‘De part­ner­mis­han­de­laar’ [ver­tal­ing van ‘The Bat­ter­er’, door Don­ald Dut­ton en Susan Golant] wordt de getrau­ma­tiseerde mis­han­de­lende man omschreven als de cyclis­che mis­han­de­laar. De aan­loop naar het geweld, de uitein­delijke ont­lad­ing en de daaropvol­gende ver­zoen­ing ver­lopen vol­gens een vast patroon. De cyclus wordt in het alge­meen steeds sneller door­lopen en om die reden kun je spreken van een neer­waartse geweldsspi­raal. [p.131]

Bij het verder lezen werd het me duidelijk. De ik-per­soon in ‘Van dode man­nen win je niet’ is een typ­isch geval van een cyclis­che mis­han­de­laar. En Wal­ter van den Berg heeft ‘m tre­fzek­er beschreven.

Van dode man­nen win je niet’ is het derde boek dat bespro­ken wordt door de blog­gers van ‘Een per­fecte dag voor lit­er­atu­ur’, en voor mij het tweede waaraan ik aan mee­doe nadat ik ‘Marie’ aan me voor­bij had lat­en gaan (iets wat ik bin­nenko­rt alsnog ga goed­mak­en). Op de achter­flap staat te lezen dat:

De jeugd van Wal­ter van den Berg werd getek­end door een geweld­dadi­ge stief­vad­er. Om de psy­cholo­gie van het geweld te door­gron­den kroop hij in het hoofd van de man die zijn moed­er ter­roriseerde.

Zoals gezegd ben ik van mening dat hem dat meer dan gelukt is. Als lez­er kri­jg je pijn­lijk nauwkeurig te zien hoe de ik-per­soon in het lev­en staat en wat dit voor desas­treuze gevol­gen heeft voor zijn omgev­ing. Tegelijk­er­ti­jd vraag ik me ook af in hoev­erre het louterend voor Van den Berg is geweest dit ver­haal op te schri­jven, want hoewel ik weet dat het een doo­d­zonde is om teveel te willen lezen over de schri­jver in zijn tek­sten, valt er met zo’n tekst op de achter­flap eigen­lijk niet aan te ontkomen. In mijn blog­post kom ik er lat­er nog op terug, maar aan­wi­jzin­gen dat Wes­ley (in wie we Wal­ter niet mogen herken­nen, nee dat mag echt niet) een flink trau­ma heeft overge­houden aan de kort­stondi­ge relate tussen zijn moed­er en de ik-per­soon vin­den we door heel het boek.

Door­dat Van den Berg gekozen heeft voor een ver­haalper­spec­tief vanu­it de ik-per­soon die het huiselijk geweld pleegt, kri­j­gen we van­wege de gehanteerde mono­logue intérieur een goed beeld van zijn bewee­gre­de­nen. Of die te verdedi­gen zijn is niet aan de orde, wel dat het daar­door een meeslepend ver­haal is gewor­den. Van den Berg weet de mis­han­de­laar uiterst geloofwaardig neer te zetten. Zo geloofwaardig dat je regel­matig geneigd bent een heel stuk in zijn rede­neer­trant mee te gaan voor­dat je beseft dat je op een gli­j­dende schaal bent ger­aakt. Dat vind ik het knappe in dit  ver­haal.

Net zoals de ik-per­soon bij iedere opeen­vol­gende verover­ing in het begin de aardi­ge jon­gen uithangt, zo wordt de lez­er bij aan­vang van het ver­haal ook ingepalmd door de charme van deze man. Maar niet voor lang. Al snel wordt duidelijk dat hij zichzelf ged­won­gen voelt te han­de­len vol­gens een ijz­eren wet­matigheid die soms buiten hem om lijkt te gaan. In een van de eerste hoofd­stukken die we te lezen kri­j­gen is een scène waar hij de huur voor een boot­je gaat opzeggen. Omdat de eige­naar hem de borg­som niet terug wil betal­en van­wege wat kleine schade, besluit de ik-per­soon ver­vol­gens om dan maar de gehele boot kort en klein te slaan.

Het is deze manier van redeneren die in de loop van het ver­haal steeds opnieuw laat zien hoe de ik-per­soon ‘gevan­gen’ zit in zijn eigen log­i­ca en tevens verk­laart waarom hij telkens ontspoort. Zijn pogin­gen om con­t­role uit te oefe­nen bot­sen onophoudelijk met de schi­jn­baar niet te door­breken patro­nen waarbin­nen zijn relaties zich voltrekken. Drank speelt daar­bij een belan­grijke rol. Wan­neer hij gaat drinken, zet dit meteen alles op scherp. Dan komen de slan­gen tevoorschi­jn en dreigt hij de con­t­role te ver­liezen. Bij een nieuwe relatie zoekt de ik-per­soon eerst nog naar een externe uit­laap­klep. Maar alti­jd komt daar dat moment waarop de eerste klap wordt uitgedeeld en waar­na de relatie nooit meer terug kan naar hoe het daar­voor was. De neer­waartse geweldsspi­raal is defin­i­tief ingezet:

De eerste keer bij een nieuwe vrouw — het voelt slecht en het voelt goed, alsof je iets slechts doet dat je hebt gemist.
En erna is er het beperken van de schade, kijken wat de reac­tie is, heeft ze door dat het haar eigen schuld is? Dat ze ervoor had kun­nen zor­gen dat het niet gebeurde? [p.135]

Wat Van den Berg naar mijn idee uiterst ger­af­fi­neerd doet is het uit­ge­breid beschri­jven en ver­w­even van twee relaties die zich chro­nol­o­gisch gezien na elka­ar afspe­len. De ene is die van de ik-per­soon met de moed­er van Wes­ley en de andere is met Trudy, moed­er van een dochter. Omdat ze om beurten beschreven wor­den kri­j­gen we als lez­er een beter beeld van de vaste lij­nen waar­langs de relaties zich afspe­len. De ik-per­soon is zich hier zelf ook ter­dege van bewust, maar onder­gaat het met een zekere gelaten­heid of defaitisme. De con­se­quen­ties voor zijn slachtof­fers (die hij niet als zodanig ziet, ze hebben zelf schuld) zijn er niet min­der om:

En omdat we wis­ten wat het patroon was, was het voor mij ook makke­lijk­er. [p.76]

Het is daar­door heel ver­lei­delijk om met de ik-per­soon mee te gaan in verzuchtin­gen als dat alle vrouwen het­zelfde zijn, dat ze eerst de boot afhouden, maar dat dat slechts voor de vorm is, dat ze slechte moed­ers zijn, dat ze alles zelf over zich afroepen maar desal­ni­et­temin alti­jd weer gezien wor­den als slachtof­fers. Het is voor hem duidelijk hoe de wereld in elka­ar zit en het komt hem vreemd over waarom deze vrouwen dat niet zien. Hoe het kan dat ze hem elke keer weer bin­nen lat­en? Zek­er wan­neer ze ook nog kinderen hebben:

En ik vroeg het haar toen: wat ben je voor moed­er als je mij in je gezin toe­laat? Wat ben je voor moed­er? [p.189]

Wat me bij Wes­ley brengt (Wes­ley dus, niet Wal­ter).

Wes­ley is twaalf wan­neer zijn moed­er een relatie kri­jgt met de ik-per­soon. Twee jaar lat­er, wan­neer het geweld volledig dreigt te escaleren, besluit zij samen met Wes­ley te vlucht­en:

Verd­wi­j­nen was het beste wat je moed­er voor je gedaan heeft in die tijd, wist je dat? [p.44]

Omdat veel van de klap­pen uitgedeeld wer­den waar Wes­ley niet bij was (de ik-per­soon heeft zo zijn principes), kan het zijn dat hij waarschi­jn­lijk in die tijd de schuld van het escaleren van de relatie juist bij zijn moed­er en zichzelf heeft gelegd in plaats van bij de ik-per­soon. Lat­er zal hem duidelijk gewor­den zijn hoe de sit­u­atie echt was maar toen was het leed al gele­den.

Wat het moeil­ijk maakt om de uit­latin­gen van de ik-per­soon op waarde te schat­ten, is dat we alleen zijn ver­sie van het ver­haal meekri­j­gen. Over hoe gelukkig ze een tijd­lang met z’n dri­et­jes waren geweest. Hoe hij erna con­tinu is bli­jven denken aan Wes­ley en hoe trots hij op hem was wan­neer hij iets over hem te weten kwam. Het lijkt er op dat de jon­gen wel degelijk wat tot bloei kwam toen de stief­vad­er zijn intrede deed. Miss­chien heeft het Wes­ley zelfs wel geholpen om over het ver­lies van zijn echte vad­er te komen. Kor­tom, hij zag Wes­ley wel degelijk staan toen hij in hun lev­en ver­keerde. Maar het is de schri­jver Van den Berg die hem deze woor­den (met terug­w­erk­ende kracht) in de mond legt. Dat is voor mij het schri­j­nende aan deze fascinerende roman.

Toen het abrupt in alle hevigheid tot een einde kwam, bleek de cyclis­che mis­han­de­laar niet alleen een foute man te zijn maar ook nog eens een foute vad­er. Zijn cynis­che opvat­ting over de eindigheid van de relatie ten spi­jt:

We wis­ten wat we had­den en we wis­ten wat er mis kon gaan. [p.189]

Dat wist de ik-per­soon miss­chien, maar voor het kind was dit hele­maal niet het geval. De won­den die daar­door ges­la­gen wer­den (nog­maals, bij Wes­ley) door deze onvoorziene breuk zijn nooit geheeld. Het was deze ver­haal­li­jn of -dimen­sie die me diep raak­te. Waar­door het voor mij een ges­laagde roman is gewor­den, maar wel een­t­je die pijn doet om te lezen.

Als je een vrouw slaat, doe je je rin­gen af. Je raakt haar op haar lijf, haar lede­mat­en, maar nooit in het gezicht. En na afloop heb je spi­jt, want dat gelooft ze. Elke keer weer.

De verteller van deze roman kent de regels van het spel. Met over­don­derende charme dringt hij bin­nen in het lev­en van een vrouw. Als hij een­maal haar vertrouwen gewon­nen heeft, toont hij zijn ware aard.

Van dode man­nen win je niet
Wal­ter van den Berg
Uit­gev­er­ij De Bezige Bij b.v.
ISBN 978023485117

~ ~ ~

Deze boekbe­sprek­ing is mijn tweede bij­drage voor de blog­ger­sleesclub ‘Een per­fecte dag voor lit­er­atu­ur’.

Het vol­gende boek dat ik voor de blog­ger­sleesclub ga lezen is ‘Wat alleen de roman kan zeggen’, door Oek de Jong. De datum waarop we hierover gaan bloggen is voor­lop­ig vast­gesteld op 15 novem­ber.

~ ~ ~

update namid­dag 30 okto­ber: ik kan het niet lat­en om hier een tweet van de auteur zelf te embed­den…

@petepel Dankjew­el voor die mooie recen­sie. Je hebt het boek heel aan­dachtig en scherp gelezen, da’s fijn voor den schri­jver.

— Wal­ter van den Berg (@vandenb) Octo­ber 30, 2013

~ ~ ~