Mensen

Niet dat jullie nu denken dat Mao’s massamoord over mussen gaat. Het gaat wel degelijk over mensen. Chinezen. Met name diegenen die tijdens de zogenaamde ‘Grote Sprong Voorwaarts’ (de inhaalslag op instigatie van partijleider Mao Zedong ingezet om van China een wereldmacht te maken) in de periode van 1958-1962 voortijdig kwamen te overlijden. Zo’n 45 miljoen volgens de laatste schattingen.

Zo’n 45 miljoen extra doden – overledenen boven het normale gemiddelde aantal sterfgevallen.

Vaak wordt de schuld voor al deze doden gelegd bij de hongersnood als uitwas van de rampzalige manier waarop invulling gegeven werd aan het grootschalige experiment om China omhoog te stuwen in de vaart der volkeren. Maar nieuw onderzoek door Frank Dikötter toont aan hoe terreur en geweld wel degelijk een belangrijk onderdeel waren van deze ‘Grote Sprong Voorwaarts’. Vandaar de gedurfde titel van zijn boek.

Tekst achterflap:

Mao wilde zijn land de status van een wereldmacht bezorgen en zo tegelijkertijd de kracht van het communisme aantonen. Frank Dikötter laat echter zien hoe Mao China met ‘De Grote Sprong Voorwaarts’ een gigantische en rampzalige stap in de tegengestelde richting liet maken. China werd niet alleen het toneel van een van de dodelijkste massamoorden in de menselijke geschiedenis (meer dan 45 miljoen werden zo afgebeuld, uitgehongerd of gemarteld dat de dood erop volgde), maar het bewind van Mao veroorzaakte ook nog ‘s werelds grootste verwoesting van huizen, theaters en andere gebouwen. Ongeveer een derde van alle huizen werd tot puin gereduceerd en er werd roofbouw op het land gepleegd in de maniakale jacht naar staal en andere industriële benodigdheden. Deze sloop was niet alleen catastrofaal voor de economomie en cultuur, maar ook voor het milieu.

Het cynische motto van dit in al zijn gruwelijkheid uiterst meeslepend en leesbaar boek is een uitspraak van Mao: ‘Revolutie is geen gezellig etentje.’ Deze nonchalante arrogantie richting het lijden van de Chinese bevolking komt onder veel hooggeplaatste partijleden veelvuldig terug en reduceert de onvoorstelbaar vele doden tot ‘collateral damage’.

De 500 bladzijdes tellende gedetailleerde verslaglegging van dit onmenselijke drama (nog maar vijftig jaar geleden) is wat mij betreft slechts een begin om een ander beeld van de geschiedenis van China en Mao Zedong te geven. Ik raad iedereen aan om deze 500 bladzijdes zelf te lezen. Het is de meest compacte samenvatting die men redelijkerwijs mag verwachten wanneer men over 45 miljoen slachtoffers van een massamoord spreekt.

 ~ ~ ~

Mus

In het dorp waar ik opgroeide hadden de meesten van ons bijnamen. Vaak waren het subtiele veranderingen van iemands voor- of achternaam. Nog vaker had het te maken met een (on)opvallende fysieke eigenaardigheid, die door ons voor het juiste effect prominent uitvergroot werd. Maar in een enkel geval stond de bijnaam helemaal op zichzelf en was het niet geheel duidelijk hoe iemand er aan gekomen was.

Mij is altijd ‘de Mus’ bijgebleven. Pas nu ik het voor de eerste keer opschrijf valt me op dat ik het als vanzelfsprekend met een hoofdletter schrijf. Het rare is dat we meerdere ‘mussen’ in ons dorp hadden. Nog vreemder was dat wanneer we het over ‘de Mus’ hadden, dat we gewoonlijk wisten over welke ‘mus’ we het dan hadden. Zelfs als er twee ‘mussen’ in dezelfde anecdote zaten dan lukte het ons om zonder nadere aanduiding toch de ene ‘mus’ van de andere ‘mus’ te onderscheiden. Ze waren tenslotte allemaal verschillend. Die mussen.

Ik heb wel eens een aantal Chinese collega’s (op bezoek vanwege een of ander project) in vertwijfeling horen uitroepen dat ze ons (Europeanen) niet uit elkaar konden houden omdat we allemaal zo op elkaar lijken.

Samen met ‘de Mus’ (die kleine watervlugge met dat lichtbruine iets te lange haar, die enkele straten verderop woonde) waren we, met nog wat andere kwajongens uit de buurt, op het dak van een fietsenstalling bij zijn lagere school geklommen. Het was een lome middag waarop we ons allemaal verveelden. Eenmaal op het dak veranderde daar niets aan. Lusteloos zaten we naast elkaar met onze benen bungelend over de rand. Een typische zomervakantiedag.

Plots maakt ‘de Mus’ zich los van het dak en valt als een baksteen naar beneden. Achter me hoor ik enkele jongens in lachen uitbarsten. “De mussen vallen van het dak”, roept er eentje. “Zo warm is het”, vult een ander aan. Gierend van de pret rollen ze over het dak. Verbijsterd kijk ik hen aan. Waren ze echt zo gek geweest om ‘de Mus’ een zetje te hebben gegeven? Zomaar, voor de grap? Beneden ligt ‘de Mus’. Net wanneer ik van plan ben om de sprong te wagen staat hij op. Lachend klopt hij zijn kleren af. Op zijn knie vormt zich een rode plek. Bloed loopt over zijn scheenbeen in zijn sok. “Zullen we gaan voetballen?”, zo vraagt hij.

In China waren in 1958 mussen het doelwit om massaal bestreden te worden. Omdat ze graanzaden aten. En dat kon men tijdens ‘de Grote Sprong Voorwaarts’ niet gebruiken. Mao mobiliseerde het land voor een totale oorlog tegen de mus:

Door op trommels te roffelen, potten te laten kletteren of op gongen te slaan werd een reusachtige herrie gecreëerd, zodat de mussen bleven vliegen tot ze zo uitgeput waren dat ze gewoon uit de lucht vielen. Eieren werden kapotgemaakt en jonge vogels gedood; de vogels werden ook uit de lucht geschoten.
[p.220, Mao’s massamoord, door Frank Dikötter]

Maar:

Er deden zich ongelukken voor doordat mensen van daken, palen en ladders afvielen. In Nanjing klom Li Haoding op het dak van een schoolgebouw om bij een mussennest te komen, maar verloor zijn evenwicht en viel drie verdiepingen naar beneden.
[p.221, Mao’s massamoord, door Frank Dikötter]

Toen we later voldoende buurtgenootjes hadden gevonden om een partijtje te voetballen heeft ‘de Mus’ beide grappenmakers uiterst trefzeker met enkele gerichte tackles uitgeschakeld. In China namen de mussen op een andere manier wraak. Omdat ze compleet waren uitgeroeid konden allerlei insecten (waaronder de gevreesde sprinkhanen) ongehinderd alle gewas verorberen zonder dat de boeren daar iets tegen konden doen.

Illustratie: Everybody comes to beat (or kill) sparrowsChineseposters.net

~ ~ ~

City of Life and Death

Afgelopen weekend nam ik eindelijk de tijd om de opgenomen film City of Life and Death te kijken. Ik was er na afloop redelijk kapot van. Over het onderwerp van de film, het bloedbad in Nanjing gedurende de wintermaanden van 1937 door de Japanners, was ik na mijn bezoek aan deze Chinese voormalige hoofdstad inmiddels goed op de hoogte. Het lezen van enkele boeken, vele internet-artikelen en het zien van de John Rabe dagboekverfilming hadden me mentaal voorbereid op de gruwelen die ik ongetwijfeld zou gaan zien. Toch greep het me meer naar de keel dan ik verwacht had. Of misschien anders dan ik verwacht. Maar ik kon het niet precies duiden.

Vanochtend bij de dagelijkse twitterroutine tussen opstaan en douchen zag ik als nieuwe volger @NankingMassacre in mijn lijst staan. Het zal naar aanleiding zijn geweest van mijn #nw tweet over City of Life and Death. Uit nieuwsgierigheid keek ik in de tijdlijn en zag meteen bovenaan deze ReTweet:

Just watched City of Life and Death… Think Schindlers List on the Nanking massacre without anyone getting saved… Christ

— Wu (@MauryGarner) januari 5, 2012

Meteen had ik het gevoel dat dit statement goed onder woorden bracht waar ik naar zocht na het kijken van de film. Ook hier een grote groep mensen die bij elkaar gedreven wordt in bange onzekere afwachting van wat hun boven het hoofd hangt. En ook hier redding uit een hoek waar je het niet verwacht, de Duitse John Rabe (hoofd van een Siemens vestiging) die als Nazi-partijlid in staat is een veiligheidszone op te richten.

Echter Rabe (met hulp van verscheidene andere buitenlanders die Nanjing niet verlaten) is uiteindelijk niet in staat om het onheil af te wenden. Hij wordt terugroepen naar Duitsland want men kan het zich niet veroorloven dat een Duits staatsburger openlijk partij kiest tegen de Japanners (tenslotte hadden de Duitsers een verdrag met de Japanners getekend). Nadat hij is vertrokken wordt de veiligheidszone ontmanteld en gaan de Japanners verder met het executeren van ondergedoken Chinese soldaten en het selecteren van Chinese vrouwen voor de Japanse bordelen waar deze zogenaamde ‘troostmeisjes’ letterlijk doodgeneukt worden.

Dit alles wordt redelijk expliciet getoond in deze stilistisch zeer fraaie maar uiterst deprimerende zwart/wit film. Met natuurlijk de kanttekening dat lang niet alles qua gruwelen getoond kan of mag worden wat zich daar in Nanjing heeft afgespeeld. Het zou alle leeftijdskeuringen te buiten gaan en grote aantallen bezoekers wegjagen vanwege het onbevattelijke gedrag wat de Japanners daar hebben tentoongespreid. Ik citeerde in mijn vorige blog Iris Chang uit haar boek ‘The rape of Nanking’ en gebruik hier dezelfde passage. Lees ‘m aandachtig en laat ‘m op je inwerken:

The Rape of Nanking should be remembered not only for the number of people slaughtered but for the cruel manner in which many met their deaths. Chinese men were used for bayonet practice and in decapitation contests. An estimated 20.000-80.000 Chinese women were raped. Many soldiers went beyond rape to disembowel women, slice off their breasts, nail them alive to walls. Fathers were forced to rape their daughters, and sons their mothers, as other family members watched. Not only did live burials, castration, the carving of organs, and the roasting of people become routine, but more diabolical tortures were practiced, such as hanging people by their tongues on iron hooks or burying people to their waists and watching them get torn apart by German shepherds.

Dit speelde continu door mijn hoofd tijdens het kijken naar de film. Ik zag gruwelijkheden die mijn verstand te boven gingen, maar wist dat achter elk decorstuk zich iets afspeelde, dat wanneer het getoond zou worden, ik mijn verstand zou verliezen.

Think Schindlers List on the Nanking massacre without anyone getting saved

~ ~ ~

Ik scrolde nog wat verder door in de tijdlijn van @NankingMassacre en zag daar ook nog de aankondiging van een onlangs uitgebrachte film over een gebeurtenis die zich ook in die zwarte maanden in Nanjing heeft afgespeeld, The Flowers of War:

Klik op de afbeelding om de trailer op youtube te bekijken

Het verhaal over deze episode had ik al eerder gelezen maar op de een of andere manier ziet deze verfilming met Christian Bale er toch net iets te gelikt uit om recht te doen aan wat het gros van de inwoners van Nanjing heeft moeten doorstaan. Maar dat kan veranderen wanneer ik de kans zie om deze film te bekijken.

~ ~ ~

The Fat Years – Chan Koonchung

Begin 1989 werkte ik als logistiek medewerker voor Philips. Dat kan ik me nog goed herinneren. Later dat jaar zou ik Geschiedenis gaan studeren aan de Universiteit van Utrecht. Ik had namelijk de knoop doorgehakt en besloten een vast dienstverband op te zeggen dat in 1986 begonnen was. Wat ik me ook goed herinner.
Die eerste dag waarop ik samen met een twee andere nieuwe collega’s onder de hoede werd genomen door oude rotten in het logistieke vak staat me nog steeds bij. Al na een halve dag zaten we uitgeput door wat we nu ‘Information Overload’ zouden noemen, elkaar aan te kijken in de kantine boven onze gesmeerde boterhammen. Het was pas maandag. Nog in dezelfde week werden we elk toegedeeld aan een andere afdeling. Maar we bleven elkaar trouw in de middagpauze opzoeken.

Zo ook in 1989 toen de eerste van ons drietal al zijn ontslag had ingediend en met zijn laatste werkdagen bezig was voordat hij bij een andere werkgever zou beginnen. Ook dat staat me nog helder voor de geest. Het had mij aan het twijfelen gebracht of ik toch niet beter bij Philips kon blijven, want wanneer ik nu ook nog mijn ontslag zou indienen… dat zou misschien teveel van het goede zijn voor mijn leidinggevende. Ik dacht nog onmisbaar te zijn en loyaliteitsgevoel was er thuis met de paplepel ingebracht. Uiteindelijk nam ik toch de beslissing om Philips vaarwel te zeggen en alsnog een vervolg te geven aan mijn VWO opleiding.
We zaten dus elke middag in de kantine en bespraken daar van alles wat ons maar de moeite waard leek. Het mooie was dat we alledrie heel verschillend waren en we het zelden of nooit gelijkertijd eens waren over de onderwerpen die voorbij kwamen. Niet dat we ruzie maakten of heftige discussies voerden. Het was eerder dat veelal twee van ons op één lijn zaten en de derde een afwijkende mening had. En dat was dat. Wederzijds respect voor elkaars standpunten was voldoende om zinnige gesprekken te kunnen voeren.

In die laatste maand dat we gedrieën bij Philips werkten was er echter een gebeurtenis welke ons op een bijzondere manier raakte en waar we veel over gesproken hebben. Het waren de aanhoudende protesten op het Tiananmen Plein en hoe die uiteindelijk bloedig werden neergeslagen door de Chinese overheid. De spaarzame beelden die we op tv te zien kregen (het was in de tijd voordat we massaal online waren om bijna realtime het een en ander te kunnen volgen) kan ik nog zonder moeite oproepen. Ik zal ze nooit vergeten, denk alleen maar aan dat iconische beeld van de eenzame man die heldhaftig voor de oprukkende tanks staat. Zie je hem nu ook weer voor je?

Een bepalende rol waarom wij deze, voor velen toch wel ver-van-het-bed-gebeurtenis, elke middag nauwgezet bespraken zal zijn geweest dat één van ons drieën kind was van Chinese ouders. Zelf in Nederland geboren maar met broers en zussen die in China geboren waren, en met nog veel familie woonachtig daarginder, had zij vaak informatie die de tv of krant nog niet gehaald had. En hadden wij het gevoel dichter bij het nieuws te staan. Het sterkte mij in de overtuiging dat Geschiedenis een juiste keuze was, want ik wilde veel meer weten van het ontstaan van deze opstand.

Door omstandigheden kon ik mijn studie niet afmaken. Na afloop van het derde jaar (alle studiepunten tot dan toe moeiteloos gehaald) had ik het geluk dat Philips voor mij opnieuw een baan beschikbaar had, en daar maakte ik gretig gebruik van. Ik zie mezelf zo weer naar binnen lopen om mijn oud-collega’s de hand te schudden.
In 2003 mocht ik voor Philips een eerste keer naar China. De zakenreis ging naar Shanghai. Een volle week lang vermoeiende vergaderingen met gelukkig het weekend vooraf om iets van de stad en omgeving te zien. Ik hoef de foto’s niet voor de dag te halen om nu weer opnieuw te ervaren hoe Shanghai mij overrompelde. Het was of ik de stad om me heen kon voelen groeien. Alsof de gebouwen uit de grond schoten als onkruid. Je kon het horen. En Shanghai scheen niet de enige stad in China te zijn die op deze overweldigende manier opschoot in de vaart der volkeren. Alles wat je las of hoorde ging in op die spectaculaire groei die China doormaakte. Dezelfde ervaring had ik enkele jaren later bij een tweede bezoek in 2008, deze keer aan Beijing en Nanjing.

Waar ik bij mijn twee bezoeken mee worstelde, en ook in de omgang met onze Chinese collega’s wanneer we elkaar troffen in workshops in Nederland of in de Verenigde Staten, was de vraag of het verstandig was om over de gebeurtenissen in 1989 te spreken. Toen ik in 2008 zelf rondliep op het Tiananmen Plein had ik als toerist met maar een minimum aan historische bagage voor wat betreft het Chinese verleden toch het idee op een beladen plek te zijn. Dit zag ik niet terug bij de meeste Chinezen om me heen. Ze zouden het toch niet vergeten zijn? Eerder misschien diep weggestopt omdat het onbespreekbaar zou zijn. Een taboe.

Aan dit alles moest ik denken toen ik afgelopen weekend de volgende passage las in het boek The Fat Years door Chan Koonchun:

In the last twenty years, Chinese official discourse has hardly ever mentioned the events of 1989, as though not mentioning them would make them disappear from history. In order to avoid trouble, popular discourse also avoided discussing the entire year of 1989. Even when recalling events of the 1980s, discussions always ended with the end of 1988. So everybody joked that in China 1988 was immediately followed by 1990. One year was not to be mentioned. Had it disappeared? For some people that year was an indelible memory. It was just like the title of a book commemorating the 4 June 1989 Tiananmen Massacre by the Hong Kong Journalists’ Association: The People Will Never Forget. But will the people really never forget? [p.238-239, The Fat Years, Chan Koonchun]

Aan het woord is He Dongsheng, een hoge regeringsfunctionaris die is ontvoerd door een groepje samenzweerders die elkaar min of meer bij toeval hebben ontmoet. Centrale spil is ‘Old Chen’ een Taiwanese schrijver met een writers’ blok die zich in China heeft gevestigd. Het verhaal speelt zich af ergens in 2013 en geeft een beeld van een vreedzame Chinese samenleving waar gaandeweg de economische voorspoed voor een steeds hogere levensstandaard heeft gezorgd. Het lijkt of de gehele bevolking in een gelukzalige staat van tevredenheid verkeert met deze stand van zaken. Terwijl de rest van de wereld weggezakt is in een almaar aanhoudende crisis waar faillissementen en massale werkloosheid aan de orde van de dag zijn.

De roman begint wanneer Old Chen bij toeval een oude kennis ontmoet die hem vraagt of hij zich de gebeurtenissen kan herinneren die gepaard gingen met deze plotselinge economische voorspoed van China, welke samenviel met de neergang van o.a. de Verenigde Staten. In het geheugen van Old Chen ging dat van de ene op de andere dag, terwijl die oude kennis hem verzekerd dat er een maand van hevige onlusten mee gepaard is gegaan. Niet veel later zorgt een tweede ontmoeting, met een oude vlam ditmaal, opnieuw ervoor dat er twijfels gezaaid worden of alles wel klopt met zijn eigen beleving van de werkelijkheid. Er schijnt een kleine groep mensen te zijn die door een niet nader verklaarde samenloop van omstandigheden in staat is om zich flarden te herinneren van een periode die officieel niet bestaan heeft. Of die zich niemand meer kan of wil herinneren. Iedereen leeft in het heden, waar de Chinese overheid ruimte heeft geschapen voor de burgers om aan de eigen materiële welvaart te werken en er bijvoorbeeld geen repressie is tegen groeiende religieuze groeperingen. Heeft men de teugels laten vieren of is hier sprake van een groter plan?

De eerste tweehonderd bladzijden van het boek laten zien hoe Old Chen aan het denken wordt gezet over wat zijn oude vrienden hem proberen te vertellen. Deze vrienden worden zelf ook gevolgd op hun zoektocht naar de waarheid, en zo krijgen we regelmatig verschillende zienswijzen voorgeschoteld met betrekking tot de machtspolitiek zoals die in China bestaat. Centraal terugkerende vraag blijft in hoeverre een regering repressief mag zijn en belangrijke keuzes voor het volk kan en mag maken. En wat uiteindelijk het beste is voor de bevolking, totale anarchie of dictatorschap? Het doet Old Chen komen met het concept van 90% vrijheid:

We are already very free now: 90 per cent, or even more, of all subjects can be freely discussed, and 90 per cent, or even more, of all activities are no longer subject to government control. Isn’t that enough? The vast majority of the population cannot even handle 90 per cent freedom, they think it’s too much. Aren’t they already complaining about information overload and being entertained to death?

In de laatste honderd bladzijden wordt de ontvoerde regeringsfunctionaris gedwongen openheid van zaken te geven over wat zich daadwerkelijk heeft afgespeeld. Zijn monoloog geeft een ontluisterende kijk op hoe de Chinese regering opportunistisch bezig is geweest om van de economische crisis gebruik te maken om haar positie op het wereldtoneel te verstevigen. Op alle continenten heeft China zich weten te ontwikkelen als machtsfactor waarmee rekening gehouden moet worden.
Alles is vooraf minutieus doordacht en feilloos ten uitvoer gebracht. Zoals dat eigenlijk alleen mogelijk is in een land waar slechts één partij de macht in handen heeft. En waar het lijkt of de bevolking vrij is om te doen en laten wat het wil. Of waar diezelfde bevolking het wel goed vindt zoals het nu gaat. Misschien tevreden is met die ‘90% vrijheid’.

Na het relaas van de regeringsfunctionaris blijven de ontvoerders gedesillusioneerd achter. Ze hebben een stuk waarheid gehoord waar ze al die jaren naarstig naar op zoek waren, maar of het de informatie was die ze graag wilden horen? Het stemt hen droevig te weten hoe de ware aard van hun volk, of misschien wel van de gehele mensheid in elkaar zit. Het liefst zouden ze het allemaal willen vergeten.

Oh ja, u vraagt zich natuurlijk af wat er in die ene maand is voorgevallen. Heeft de Chinese overheid daadwerkelijk deze maand laten ‘verdwijnen’ of is er iets anders voorgevallen. Nou, ik raad u allen aan het boek zelf te lezen, want ik kan het me eerlijk gezegd niet meer herinneren. Heel vreemd…

~ ~ ~

Steigerbouwer is wat ik ben

“Er is een Chinees gezegde, en dat gaat als volgt: ‘Je moet jezelf vergeten om succesvol te zijn. Er bestaat geen zelf.'”

Aan het woord is een zeer succesvolle onroerendgoedmagnaat uit China. Samen met o.a. een autoverkoper en een steigerbouwer wordt hij gevolgd in de documentaire ‘De Chinese Bubble’ van Tegenlicht. Op het eerste gezicht geen groter contrast tussen deze mannen, maar bij nadere beschouwing delen zij allen dezelfde ‘Chinese droom’ en werken ze hard mee aan het economische wonder. Met wisselend succes. Maar met dezelfde opofferingsbereidheid.

De onroerendgoedmagnaat praat verder: Mijn dochter studeert in Engeland. We zien elkaar weinig. Ze voelt zich altijd ongemakkelijk in mijn omgeving. Tijdens onze laatste ontmoeting gaf ze aan met me te willen praten. Automatisch vertelde ik haar dat ze een afspraak kon maken.”

Ik moest als vanzelf denken aan een vergelijkbare situatie welke ik onlangs nog gelezen had:

“My father’s offices are in Century City. I wait around for him in the large, expensively furnished reception room […] It doesn’t bother me that my father leaves me waiting there for thirty minutes while’s he in some meeting and then asks me why I’m late.”
[p.41 Less than zero, Bret Easton Ellis]

Vorig jaar kwam ‘Imperial bedrooms’ uit. Het is het vervolg op ‘Less than zero’. Omdat ik laatstgenoemde boek alweer jaren geleden had gelezen besloot ik het opnieuw door te nemen om mijn herinnering op te frissen voordat ik aan ‘Imperial bedrooms’ zou beginnen. Wederom was ik onder de indruk. Het toeval wil dat rond de kerstdagen op Film 1 ook de verfilming van het boek ‘Less than zero’ werd uitgezonden. Die had ik tot nu toe nog nooit gezien, dus bij uitstek de ideale gelegenheid om de film kort na lezing van het boek te bekijken en te vergelijken. Zoals zo vaak (of bijna altijd) viel me die tegen.

Gisteren deed ik eenzelfde verzuchting opnieuw in mijn blogje over ‘Norwegian Wood’ (hoewel dit eerder een ingevulde verwachting is, want die verfilming heb ik nog niet gezien). Na het posten van dit blogje deed ik mijn laptop uit, pakte ‘Imperial bedrooms’, zocht mijn eigen slaapkamer op, kroop in bed en begon dan eindelijk te lezen in dit boek wat al maanden eerder van plan was. Niet veel later lag ik in een deuk om de (in mijn ogen) briljante openingsalinea’s.
We maken daar opnieuw kennis met de hoofdpersoon Clay uit ‘Less than zero’. Vijfentwintig jaar zijn verstreken. En opnieuw is hij op weg naar Los Angeles.

“They had made a movie about us. The movie was based on a book written by someone we knew. […] The movie was very different from the book in that there was nothing from the book in the movie. […] In the book everything about me had happened. […] The book was blunt and had an honesty about it, whereas the movie was just a beautiful lie. (It was also a bummer: very colorful and busy but also grim and expensive, and it didn’t recoup its cost when released that November).”
[p.3&7 Imperial bedrooms, Bret Easton Ellis]

Terug naar China. Daar zien we de steigerbouwer worstelend met geheel geheel andere zorgen. Zijn spaarzame vrije nachtelijke uren brengt hij filosoferend door. Hij wil wel degelijk ook succesvol worden, maar het lukt hem niet om zichzelf te vergeten. De opofferingsbereidheid valt hem zwaar. Gezeten in een kleine bedompte ruimte die door moet gaan voor een slaapkamer zit hij te schrijven in een notitieboekje. De voice-over laat horen wat de steigerbouwer aan het papier toevertrouwt:

steigerbouwer is wat ik ben
één dag rust per jaar heet luxe
als ik werk, vlieg ik als een grijze rat
zelfs in m’n dromen
bevind ik me hoog in de lucht

één dag op de bouwplaats voelt als een jaar
twee betraande ogen staren uit het raam
drie uur ‘s nachts ik kan niet slapen
vier seizoenen na elkaar geen tijd om te genieten
vijf uur verschijnt de baas als een haan in de ochtend

~ ~ ~

Avatar en de verdwijnende hutongs van Beijing

In de film Avatar van regisseur James Cameron zijn we getuige van de strijd tussen een neergestreken groep wetenschappers en militairen op een verre planeet en de inheemse bevolking aldaar.

Het blijkt dat diep in het oerwoud waar deze blauwe wezens van het ras Na’vi zich schuilhouden een erg kostbare grondstof (het mineraal unobtaniumin) in de grond zit. Wanneer onderhandelingen niet de gewenste resultaten opleveren (namelijk dat de Na’vi bereid zijn te verhuizen naar verder gelegen gebied, zodat de mensen de grond kunnen ontginnen), besluit men het leger in te zetten. Het plan is om de heilige plek van de Na’vi (Tree of Souls) plat te bombarderen om zo hun moreel te breken.

Deze boom is voor de Na’vi het communicatiemiddel met hun god Eywa. Het is vergelijkbaar met een netwerk, waar men niet alleen contact kan krijgen met deze op Moeder Natuur lijkende god, maar zelfs met alle voorouders. Op de Avatar Wiki site staat de volgende omschrijving:

“The Tree of Souls, besides being a connection to Eywa, also works as a way for her to directly interact with the world through the seeds of the tree. The tree has the capability to connect directly to the nervous system of all living things and is not limited to the queue that Pandoran wildlife possesses.”

Ik moest denken aan een bericht uit de NRC van 29 december 2010 wat ik diezelfde dag gelezen had. Het ging over het dichtslibben van de snelwegen in de Chinese hoofdstad Beijing. Vanwege de toegenomen welvaart wil iedere Chinees tegenwoordig niet meer gezien worden op een fiets, maar zich alleen nog maar verplaatsen in een auto. Inmiddels is China de VS voorbij gegaan v.w.b. de grootste afzetmarkt voor auto’s. Files van meer dan honderd kilometer die enkele dagen aanhouden zijn geen uitzondering. In het artikel vertelt een geïnterviewde taxichauffeur dat het bouwen van een nieuwe hoofdstad de beste remedie is. Iets wat men in China als een van de vele mogelijke scenario’s ziet. Want wat duidelijk niet geholpen heeft is het tegen de vlakte gooien van grote delen van de oude binnenstad die ooit gevormd werd door de zo kenmerkende hutongs. Dit unieke stukje cultureel erfgoed is nu zo goed als bijna verdwenen en heeft plaats moeten maken voor ontelbare wolkenkrabbers en acht- of zelfs tienbaanssnelwegen (diverse lagen over elkaar). Toen ik in 2008 Beijing bezocht, maakte onze gids de opmerking dat met het verdwijnen van de hutongs er ook een directe lijn met de geschiedenis dreigde te verdwijnen. Op wikipedia staat de volgende omschrijving:

“Hutong represents an important culture element of Beijing city. Thanks to Beijing’s long history and status as capital for six dynasties, almost every hutong has its anecdotes, and some are even associated with historic events. In contrast to the court life and elite culture represented by the Forbidden City, Summer Palace, and the Temple of Heaven, the hutongs reflect the culture of grassroots Beijingers. The hutongs are residential neighborhoods which still form the heart of Old Beijing.”

De overeenkomst tussen de functie van de Tree of Souls in Avatar en de hutongs in Beijing vind ik treffend. In de film zijn de Na’vi in staat om de aanval van het leger (tijdelijk?) af te slaan. Voor de inwoners van Beijing ben ik bevreesd dat zij hun hutongs niet kunnen behouden tegen de vernietigende kracht van de vooruitgang.

~ ~ ~