Het universele leed dat twijfel heet

Deze blog­post is deel 14 van 43 in de serie Een per­fecte dag voor lit­er­atu­ur

Vri­jdagocht­end zocht­en mijn col­le­ga en ikzelf een zit­plek in de wachtru­imte van het vliegveld in Leices­ter. Onze test­week zat erop en we mocht­en weer naar huis. Uit mijn tas haalde ik een boek. ‘Als we een plek­je gevon­den hebben, dan ga ik nog wat lezen als je het niet al te ongezel­lig vin­dt,’ zo vertelde ik hem. Hij vroeg wat ik bij me had en ik liet hem het boek van Eva Kelder zien wat we voor onze blog­ger­sleesclub bin­nenko­rt gin­gen bespreken. ‘Oh, een roman. Dat is toch voor vrouwen?’ In zijn stem klonk teleurstelling door. Ik had het gevoel een beet­je in zijn acht­ing te zijn gedaald ondanks de goede indruk die ik tij­dens het testen had gegeven. Ongeïn­ter­esseerd gaf hij het boek terug en pak­te een Voet­bal Inter­na­tion­al uit zijn tas. Al snel waren we alle­bei verdiept in onze lec­tu­ur.

Een dag lat­er zit ik met een groep­je blog­gers te wacht­en op Eva Kelder in een café tegen­over Ams­ter­dam Cen­traal Sta­tion. We wis­se­len alvast wat leeser­varin­gen uit. Plots wordt mij recht op de man (op dat moment was ik het enige exem­plaar in het gezelschap, een makke­lijk doel­wit) gevraagd of ik het the­ma van alti­jd maar twi­jfe­len aan jezelf en nooit zek­er weten of je het wel goed doet, ook herken. Of dat het toch iets typ­isch vrouwelijk is. Ik moet onwillekeurig grin­niken bij deze vraag.

In het boek Het leek stiller dan het was is de hoof­drol weggelegd voor Sei­je. Haar jeugd brengt ze door op Vlieland, samen met haar moed­er. Wie haar vad­er is kri­jgt ze pas veel lat­er te horen. Het ont­breken van een vad­er en het opgroeien bij een moed­er die nauwelijks naar haar omk­ijkt trekt een zware wis­sel op Sei­je. De gewone din­gen van alledag moet zij alleen of met haar enige vriend Teun zien te ver­w­erken. Zon­der de broodnodi­ge reflec­tie van vol­wasse­nen om haar heen ontstaat er zodoende een con­creet gevaar dat Seije’s wereld­beeld niet hele­maal met de realiteit strookt. Maar hoe moet zij dat weten? Opges­loten als ze zit in haar eigen cocon. Heftige zak­en die zich in elk kinder­leven voor­doen kun­nen op deze manier uit­groeien tot trau­ma­tis­che ervarin­gen.

Even een inter­mez­zo, en bij voor­baat excus­es voor het vol­gende iet­wat lang uit­gevallen citaat:

De derde eigen­schap van automa­tis­che gedacht­en is dat ze onge­hin­derd kun­nen bli­jven bestaan omdat we ons van hun bestaan maar vaag bewust zijn. Omdat ze zich voor een groot deel aan onze bewuste aan­dacht ont­trekken, komen we er niet toe ons af te vra­gen of deze gedacht­en en opvat­ting wel zo waar zijn. […] Wellicht zouden we ont­dekken dat het uitein­delijk alle­maal draait om één of enkele basale dis­func­tionele assump­ties waarte­gen we voort­durend aan­lopen. Deze basale dis­func­tionele assump­ties zijn te beschouwen als een soort van blauwe plek waar iemand zich vroeger ooit ste­vig of her­haaldelijk gestoten heeft en die nu nog steeds extra zeer doet. Een klein stoot­je nu, kan nog steeds dezelfde hevige pijn oproepen. Typ­is­che voor­beelden van dergelijke basale dis­func­tionele assump­ties zijn: ‘Uitein­delijk word ik afgewezen.’, ‘Uitein­delijk ben ik niets waard.’, ‘Ik word onrecht­vaardig behan­deld.’, ‘Er gaat vast iets heel ergs met me gebeuren.’
[p.20, Werk­boek Burnout — Reïn­te­grati­etrain­ing, Bowen & Kriens]

Sei­je heeft ook diverse blauwe plekken opgelopen. Vooral de gene­gen­heid die ze bij haar moed­er nooit gek­end heeft bli­jft haar achter­vol­gen. Tij­dens haar studie in Edin­burgh ont­moet ze in ‘de Belg’ een lotgenoot. Alle­bei voe­len ze zich in de steek gelat­en. Het lev­ert een mooi beeld op hoe ze samen in zijn kleine slaap­kamer op het bed gezeten via citat­en van geadoreerde schri­jvers hun toe­s­tand ver­wo­or­den. De con­clusie is hartver­scheurend:

Twee ver­stoten kinderen. Vol­wassen al, maar dat maak­te de ver­laten­heid niet min­der groot. [p.138]

Dit gebrek aan aan­dacht (‘ik kwam maar al te graag bede­len om haar aan­dacht, ieders aan­dacht overi­gens, want wat schaars is, dat wil je. Het is net als met ijs, of met kroket­ten.’) gaat ze gaan­deweg com­penseren door haar hele bestaan af te lat­en hangen van de aan­dacht van de ander. Een com­plete over­gave aan één per­soon (eerst Teun, lat­er Daniel). In feite cijfert ze zichzelf weg voor de ander. Ze lijkt alleen te lev­en in de nabi­jheid van de ander. Iets wat ze zich goed realiseert. En waar­van ze ook het impli­ci­ete risi­co herkent:

Gedi­jde ik alleen als ik Daniels lev­enss­ap­pen uit hem kon zuigen? Ik moest oppassen. Daniel zou me ver­plet­teren als ik niet uit­keek. [p.173]

Het grote prob­leem is natu­urlijk dat alles afhangt van hoe de ander naar je kijkt. Wan­neer Sei­je met alle macht probeert het goede te doen voor de ander, zodat ze hun aan­dacht waard is en kan gedi­jen in hun nabi­jheid, dan is het uiter­mate hand­ig te weten hoe de ander jou ziet. Daar schort het bij Sei­je (maar niet alleen bij haar, getu­ige het uiterst toepas­selijke en goed gekozen mot­to van de Schotse dichter Robert Burns) nogal aan. Maar opnieuw, kun­nen we het haar kwal­ijk nemen? Tenslotte zijn al haar wan­hopige inspan­nin­gen er op gericht te bewi­jzen  dat ze het waard is te bestaan. Dat ze ergens goed in is. Ze wil gezien wor­den. Omdat er een tijd was waarin ze niet gezien werd door de enige per­soon waar­van ze wilde dat die haar zag. Hoewel dat ook niet zo zwart-wit blijkt te zijn als Sei­je al die tijd heeft gedacht. In die zin vind ik de titel van het boek type­r­end: Het leek stiller dan het was.

Eva Kelder weet de ontwikkels­gang van Sei­je erg geloofwaardig en intens tot lev­en te wekken. De gekozen vorm waarin ze via Edin­burgh en New York uitein­delijk weer op Vlieland terechtkomt waar haar ver­vol­gens veel duidelijk wordt maar tegelijk­er­ti­jd onduidelijk bli­jft hoe haar toekomst er uit gaat zien, vind ik goed gekozen. Het ver­haal over­sti­jgt naar mijn idee de mid­del­maat door de ver­fi­jnde manier waarop het geheel verteld wordt. Er staan prachtige zin­nen en metaforen in het boek. Soms is het ‘down to earth’, andere keren over­heerst het lyrische. Ook de sfeer van de diverse plekken waar Sei­je terechtkomt is elke keer weer goed getrof­fen. Het lijkt of de taal zich aan­past aan de locatie. Daar heb ik erg van genoten. Zoals ik van het hele boek heb genoten. En ik zie uit naar de ver­halen­bun­del waar Eva Kelder momenteel aan werkt en wat voor moois er nog meer gaat vol­gen. Hopelijk bli­jft het niet bij dit debu­ut.

Dan rest me als laat­ste nog te vertellen dat het Werk­boek Burnout uit mijn eigen kast komt. In 2001 had ik het hard nodig om de angstaan­vallen en slapeloze nacht­en te lijf te gaan die veroorza­akt wer­den door een als­maar groeiend waan­beeld dat ik ont­maskerd zou wor­den. Het zorgde ervoor dat ik niet meer nor­maal kon func­tioneren. Tij­dens de ther­a­pie bleek al snel dat ik erg aan mezelf twi­jfelde en nooit het idee had iets goed te doen.

Sei­je groeit op op Vlieland bij haar alleen­staande moed­er Fen­na. Ze voelt zich buiten­staan­der op het kleine Wad­denei­land, waar ze alleen kan reke­nen op haar beste vriend Teun. Uren stru­inen ze door de duinen: zilte lucht in de lon­gen, blote voeten in het zand, en lat­er ook de roes van net te veel drank en feestjes tot het ocht­end­glo­ren. Intussen lijkt Fen­na te ver­geten haar dochter op te voe­den.
Na een ingri­jpende gebeurte­nis ver­laat Sei­je het eiland en gaat ze stud­eren in Edin­burgh. Haar acad­emis­che car­rière en een nieuwe liefde voeren haar zelfs nog verder van het eiland, naar New York. Maar haar ambitie houdt geen gelijke tred met haar zelfvertrouwen. Kan ze dat kna­gende gevoel dat ze het nooit goed genoeg doet de baas wor­den nu haar wereld grot­er wordt?

Het leek stiller dan het was
Eva Kelder
Uit­gev­er­ij Meu­len­hoff
ISBN 9789460239182

~ ~ ~

Waar ik aan denk wanneer ik aan hardlopen doe

Denk ik wan­neer ik hard­loop? In het begin wel. Dan ben ik fit. Geni­et ik van het ren­nen in de open­lucht. Kijk ik om me heen en laat ik gebeurtenis­sen van de afgelopen dagen de revue passeren. Zo dacht ik vanocht­end aan de ont­moet­ing die we (enkele blog­gers van ‘Een per­fecte dag voor lit­er­atu­ur’) gis­ter had­den met Eva Kelder, schri­jf­ster van Het leek stiller dan het was, een boek dat we komende dins­dag 15 april (zet dat nu METEEN in je agen­da mocht je dat nog niet gedaan hebben) voor onze blog­ger­sleesclub gaan bespreken. Omdat ik het van­daag niet verder over het boek ga hebben, hier­bij een kort frag­ment:

Ik ben ook geboren aan de rand, dacht ik, en zo slecht is het niet. De per­iferie biedt kansen, oplich­t­ende plekken tussen het zeewier, een baan zon­licht in de smalle steeg­jes. Als er niets van je wordt verwacht, behalve dat je je verzet tegen dat wat grot­er is dan jij, kruip je door de kieren van verwacht­ing en ben je vrij. [p.139]

Mooi hè? Dacht ik ook. En zo staat er een hele hoop meer moois te lezen in dat boek. Kopen dus.

Maar daar dacht ik dus alle­maal niet aan toen ik aan het hard­lopen was. Ik dacht meer aan het gesprek dat we had­den over het ver­schil tussen organ­isch schri­jven (zoals Eva (ja, dat mag ik) het noemde) en een meer gestruc­tureerde aan­pak. Bij die eerste meth­ode ‘groeit’ het ver­haal tij­dens het schri­jf­pro­ces. De schrijver/schrijfster weet zelf ook niet alti­jd welke kant het pre­cies op zal gaan. Kan zelfs soms zelf ver­rast wor­den.

Eva gaf aan dat het bij haar ook zo ging. Wat me voor haar innam, want bij mij gaat het vaak ook op die manier.

Lat­en we deze blog­post als voor­beeld nemen. Al lopende bedacht ik me hoe ik er lat­er deze dag over zou willen schri­jven. Na drie kilo­me­ter had ik het bij­na geheel uitgedacht. Ik was tevre­den met het resul­taat. Toch is het nu al, ter­wi­jl ik miss­chien pas halver­wege ben (ook ik weet niet waar en hoe het gaat eindi­gen) een heel andere blog­post gewor­den dan ik in mijn hoofd had. Hoe komt dat toch?

Niet zo lang gele­den schreef ik over Matt Mul­len­weg die de tip gaf om slechts twee per­so­n­en voor ogen te nemen wan­neer je aan het bloggen bent. Jezelf en jij. Ik denk nu dat dit niet klopt. Althans, niet voor mij. Ik schri­jf niet voor mezelf (hèhè, het hoge woord is eruit). Nee, uitein­delijk schri­jf ik slechts voor één per­soon, en dat ben jij. Wat ik mezelf te zeggen heb heeft zich al in mijn hoofd afge­speeld. Daar­van lukt het me niet meer om dit pre­cies het­zelfde uit te werken. Wat ik probeer is om jou te vertellen wat ik mezelf verteld heb. Maar ik kan mezelf niet let­ter­lijk her­halen. Het komt er anders uit te zien. Voor­namelijk omdat wan­neer ik tegen jou begin te bloggen ik andere woor­den gebruik dan wan­neer ik het tegen mezelf heb. Snap je?

Het begint bij de eerste zin. Die heb ik zow­el gebruikt voor het ver­haal dat ik tegen mezelf afs­tak als dat het hier een begin vormt voor mijn ver­haal aan jou. Daar­na gaan bei­de ver­halen een ver­schil­lende kant uit. Deze blog­post staat ver af van wat ik mijzelf tij­dens het hard­lopen alle­maal toev­ertrouwd heb. Waar ik aldus tij­dens het hard­lopen aan denk is niet wat je hier terug kunt lezen. Dan had je tij­dens het lopen in mijn hoofd moeten meereizen. Wat je hier leest is dat­gene wat ik jou achter­af wil meegeven over hoe het denken tij­dens mijn hard­lopen gaat. Gelardeerd met enkele voor­beelden. Zelf lev­ert het me niets meer op. Hoo­gu­it het frus­tr­erende gevoel dat het me nooit lukt om duidelijk te mak­en wat ik denk wan­neer ik denk.

Teruglezend is het weer zo’n blog­post gewor­den waar­van ik me afvraag wat jij er mee moet. Miss­chien is je enigszins duidelijk gewor­den hoe bij mij het organ­isch bloggen in z’n werk gaat. Maar eerlijk gezegd twi­jfel ik daar zelf sterk aan. Daarom laat ik het eindi­gen met een foto van Eva die mijn exem­plaar van haar boek signeert.

evakeldersigneert
Eva Kelder signeert

Voor Peter, blog­ger met de beschouwende pen”, schreef Eva Kelder in mijn exem­plaar van haar roman Het leek stiller dan het was. Op dat moment kende ze me pas ander­half uur. Ik denk dat ook bij haar het organ­isch schri­jven op hol sloeg.

PS: Waar ik ook tij­dens het lopen aan dacht is dat ik een einzel­gänger ben. Dit week­end had ik de blog­post van Cor Noltee gelezen met daarin de vraag wat voor jou een stuk­je paradi­js op aarde verte­gen­wo­ordigt. Antwo­ord van John­ny Cash: ‘This morn­ing, with her, hav­ing cof­fee’. Zelf dacht ik meer aan: ‘This morn­ing, with me, run­ning.’ Op de een of andere manier is het niet in de blog­post aan jou teruggekomen. Bij deze alsnog. Van­wege John­ny Cash.

PS1: Deze PS-jes heb ik afgekeken van Elja. Dat is nog iets waar ik aan dacht toen ik aan het hard­lopen was. Weliswaar eerder dan aan Cor Noltee, maar ik wilde Elja graag bij een PS1 hebben en niet bij een gewone PS. En ook daarom lukt het soms niet.

PS2: Waar ik naar kijk wan­neer ik aan hard­lopen doe, was miss­chien beter geweest als onder­w­erp. Na enkele kilo­me­ters (afhanke­lijk van mijn con­di­tie), denk ik namelijk niet meer. Dan staar ik slechts recht voor me uit. Zo heb ik ont­dekt dat ik een bil­len­mens ben. Ik ben ver­zot op de billen van de hard­loop­sters die ik (soms) inhaal of die mij (veel vak­er dan soms) inhalen. Op het gevaar af voor sek­sist ver­sleten te wor­den (ga je gang, ik zit er niet mee) bewon­der ik die vee­lal prachtige billen en moet daar­bij aan de flanken van ras­paar­den denken. Die ele­gantie. Het statige. De ver­bor­gen kracht. En dat alles ver­pakt in de soe­pele stof van de heden­daagse ren­kled­ing. Ik zou er wel­haast mijn ogen voor gaan lat­en laseren of con­tactlen­zen over­we­gen, want het genot is me slechts kort gegund wegens het ont­breken van een goede sport­bril met glazen op sterk­te.

~ ~ ~