Feest onder ouderlijk toezicht

Zomaar van die herinneringen die plots opkomen wanneer je een boek leest. In dit geval moest ik denken aan een verjaardagsfeest bij een klasgenoot tijdens mijn middelbare schooltijd. Dat kwam vanwege De tolk van Java door Alfred Birney. Daarin zoekt een Indische jongeman rond 1950 zijn correspondentievriendin op in Helmond of all places. Haar ouders hebben er een schoenwinkel in de Heistraat.

Ook de ouders van mijn klasgenoot hadden een winkel ergens in het centrum van Helmond. Op de uitnodiging stond dat het een Amerikaanse fuif zou gaan worden dus we werden geacht allemaal iets te eten of drinken mee te nemen. Ik wist niets beters te verzinnen dan een fles wijn thuis uit de drankvoorraad te pikken. Het bleek bij toeval een nogal dure en goede keus te zijn zo kreeg ik veel later te horen, maar dat terzijde.

Vooraf deden de wildste verhalen de ronde over het feest. Het klasgenootje had een aantal vriendinnen die op z’n zachts gezegd nogal losbandig waren. Ze speelden allen hockey en waren nogal makkelijk in de omgang, althans volgens enkele vage kennissen die lid waren van dezelfde hockeyclub. Een klasgenootje waar ik toendertijd een oogje op had zou ook van de partij zijn, dus ik had al met al hoge verwachtingen van de avond.

Groot was mijn teleurstelling toen we de huiskamer boven de winkel betraden. Als een stel kampbewaarders zat de familie van de jarige job in een hoek aan tafel zonder hun plaats ook maar voor een minuut te verlaten. Al het andere meubilair was tijdelijk verwijderd of aan de kant geschoven zodat er voldoende ruimte was om te dansen. Verder stonden er alleen nog wat hoge tafeltjes waarop we onze drankjes en hapjes konden zetten. De lichten waren zelfs gedempt om een intieme sfeer te creëeren, maar de stemming kwam er nooit echt in zolang we gadegeslagen werden door het groepje stilzwijgende volwassenen die iedere beweging van ons nauwlettend in de gaten hield.

Veel eerder dan gedacht verlieten de eerste klasgenoten vroeg in de avond het feestje. Ook ikzelf bood algauw excuses aan dat ik de volgende dag ‘s ochtends moest voetballen en mijn nachtrust hard nodig had. Eenmaal buiten vertrok ik linea recta richting binnenstad van Helmond en zocht een aantal vrienden op om alsnog flink te gaan feesten. Hoe dat afgelopen is staat me verder niets meer van bij.

Voor een Helmondse schoenmakersdochter, een Indische voormalige oorlogstolk en hun zoon bestaat er geen heden. Alleen een belast verleden. De zoon achtervolgt zijn ouders met vragen over de oorlog in Nederlands-Indië die doorwoedt in het gezin. Hun verhalen zijn spannend, hilarisch, gruwelijk, niet te bevatten, rauw, maar niet zonder humor.

De tolk van Java
Alfred Birney
Uitgever De Geus
ISBN 9789044538502

~ ~ ~

Het bleef nog lang rustig

Net als bijna iedere afgelopen oudjaarsdag zakten we ook vandaag weer af richting het zuiden om daar in mijn geboortedorp een bezoek aan mijn ouders te brengen. Onderweg was het weer dikke pret in de auto met de kleinkinderen op de achterbank en dat ging gewoon door toen we ter plekke waren. Het leek alsof er een wervelwind door het doorgaans zo rustige huis ging. Bezorgd hield ik mijn ouders in de gaten of dit niet allemaal wat te heftig voor hen was. Tenslotte zijn ze niet meer de jongsten. Maar toen we enkele uren later aanstalten maakten om weer richting Arnhem te vertrekken liet mijn moeder me weten dat we best wat langer hadden mogen blijven. Ze hadden dagen in overvloed om uit te rusten, zo gaf ze aan.

~ ~ ~

Grens

Gister reed ik richting Brabant. En elke keer weer denk ik dan dat ik dat vaker moet doen (maar dat is stof voor een andere blogpost die ik al ooit eerder geschreven heb). Afijn, bij Veghel aangekomen (want dat is de weg die ik vanuit Arnhem steeds vaker neem, en niet meer via Nijmegen richting Venlo en dan bij Venray van de snelweg af) nam ik de N279 van Den Bosch naar Helmond die langs het kanaal loopt. Deze weg heb ik vroeger ontelbaar vaak gereden.

Het was rustig op de weg dus ik kon ongestoord mijn blik over het Brabantse landschap laten gaan. Ik werd er wat melancholisch van. Was het een gevoel van thuiskomen? vroeg ik mij af. Niet dat ik in deze streek buiten het spoor van asfalt dat ik volgde zoveel stappen had gezet. En om nu te zeggen dat het landschap typisch Brabants zou zijn leek me ook moeilijk vol te houden. Want wat zou dat typisch Brabantse dan moeten zijn?

In gedachten verzonken reed ik verder.

Bijna thuis (lees: bij mijn ouders, oftewel mijn ouderlijk huis) was er een wegomleiding. De borden wezen een route aan over een gedeelte van het industrieterrein waar ik echt al vele jaren niet meer was geweest. Weinig herkende ik nog. Soms deed een bedrijfsnaam een belletje rinkelen maar was het bijbehorende pand gebouwd in een tijd dat ik Helmond allang verlaten had. Mijn thuiskom-gevoel brokkelde langzaam af.

Uiteindelijk kwam ik opnieuw bij het kanaal uit en stak de brug over. Bij de verkeerslichten moest ik wachten totdat het groen was. Aan de overkant van de kruising zag ik een boerderij die een eind verderop stond. Plots leek het alsof iemand een zwaar gordijn opzij schoof en ik mijn verleden zag. Ik stond aan de rand van tot hoever ik vroeger tijdens mijn rondzwervingen mocht komen. Het was een van de grenzen die mijn ouders hadden aangeven en waar ik mij aan diende te houden. Tot hier en niet verder, zei een stem in mijn hoofd bij het bereiken van dergelijke piketpaaltjes. Lange tijd hield ik me er keurig aan. Tenslotte was het totale gebied groot genoeg.

Ik bedacht me toen het licht op groen sprong en stak de kruising over in plaats van naar rechts te gaan. Meteen voelde ik me daadwerkelijk thuis. Hier had ik gelopen, gefietst, gespeeld. Hier kende ik elke vierkante meter. Dit was mijn geboortegrond. Na een paar honderd meter kon ik desondanks niet meer verder en moest ik omdraaien. Maar dat kon de pret niet drukken.

~ ~ ~

Rat

Er zit een rat in onze tuin. En geen kleintje ook. Het is een bruine. Met zo’n dikke naaktroze staart. Je ziet ‘m niet altijd want meestal houdt hij zich verscholen in het tuinhuisje. Maar wanneer je onverwachts via de keuken de hal in loopt dan kun je ‘m soms schielijk zien wegschieten tussen de struiken. Maar niet voordat hij (of zij) je eerst heel even doordringend heeft aangekeken. Overwegend of hij je misschien gaat aanvallen, ja of nee. Want een rat in het nauw… die maakt rare overwegingen.

Dit alles heb ik van horen zeggen. Door mijn vrouw. Zij heeft die rat al verscheidene keren gezien (ik vraag me nu trouwens af of het telkens dezelfde is geweest; zouden er meerdere ratten zich in ons tuinhuisje ophouden?). Zegt ze. En waarom zou ik haar niet geloven?

Omdat ik haar niet wil geloven!

Maar vooral omdat ik hoopte dat ik ze van me had afgeschud…

Tijdens mijn lagere schooltijd was het altijd weer een hele opluchting wanneer de laatste bel had geklonken en wij luid joelend naar huis renden om ons te gaan omkleden voor het echte leven. Oude klof aan en op weg naar het bos aan de rand van het dorp waar elk jaargetijde wel iets te beleven viel. In de winter schaatsen in het moerasachtige gedeelte, in de zomer waterpret in en rondom het kanaal, en in de herfst en lente allerlei spelletjes waarbij voornamelijk de ene groep kinderen op zoek (of jacht) ging naar de andere groep die zich diep in het bos had verstopt. Voor grote avonturen moest je in het bos wezen.

Op een dag was ik met twee andere schoolkameraadjes wat afgedwaald richting de uiterste rand van het bos waar het Eindhovens kanaal in de Zuid Willemsvaart uitkomt. We zaten wat uit te rusten in de berm toen we een eindje verderop iets in het water zagen hangen. Nieuwsgierig gingen we kijken. Het bleek een dik gevlochten stuk touw te zijn dat vastgemaakt was aan een ijzeren staaf die in de grond gestoken was. Eén van ons nam het touw in handen en gaf er een ruk aan. Er gebeurde weinig. Een rimpeling trok door het donkere water.

We tuurden langs het touw in het water maar konden niets ontwaren anders dan onze eigen weerspiegeling. Nogmaals pakte de dapperste van ons het touw vast en probeerde deze keer het touw uit het water te trekken. Een klein beetje lukte het hem het touw omhoog te halen. Totdat het strak kwam te staan. Alsof het op de bodem ook vastgemaakt zat.

Met z’n drieën dachten we het wel voor elkaar te krijgen. Als ervaren touwtrekkers spuwden we in onze handen, zetten de voeten schrap in de grond en lieten ons met het gecombineerde volle gewicht naar achteren hangen. Zonder ook maar het minste resultaat. Na enkele tellen lieten we ons uitgeput en met pijnlijke handen achterover vallen in het vochtige gras. Het touw gleed als een slang terug het water in. Omdat we in de verte onze ‘vijanden’ hoorden naderen maakten we ons snel uit de voeten en vergaten de hele gebeurtenis.

In diezelfde tijd ging ik ook regelmatig met mijn vader naar het kanaal om te vissen. Steevast plaagde hij me dan door af en toe geluiden te maken die me deden opschrikken. Hij gooide dan bijvoorbeeld (terwijl ik het niet in de gaten had) een steen een stukje verder weg in de bosjes of in het water. Wanneer ik dan verschrikt opkeek en me hardop afvroeg wat dit wel niet kon zijn, dan zei hij steevast dat het wel een muskusrat zou zijn geweest. Stoïcijns bleef hij dan naar zijn dobber kijken terwijl ik haast panisch om me heen bleef kijken op zoek naar dat beest. Rust had ik vanaf dat moment niet meer.

Want als ik ergens schrik voor had dan was het wel voor ratten. En mijn vader wist dat doordat hij een keer een aantal dode muskusratten mee naar huis had genomen. Gevangen in de strikken die hij op diverse plaatsen in het bos had uitgezet. Het was hem niet om dat smerig ongedierte te doen maar voor hazen en fazanten. Ik zat nietsvermoedend achter ons huis in de zandbak te spelen toen hij thuiskwam en zijn vangst voor mijn neus hield. Totaal overrompeld door de aanblik van de reeds half aangevreten dieren moet ik welhaast van schrik een meter omhoog gesprongen zijn. Daarna rende ik het huis in. Op zoek naar mijn moeder. En mijn vader maar lachen. Those were the days.

Het zal dus niemand verbazen dat door de jaren heen ik in dat grote bos steeds vaker bij elk geluid opzij sprong. Op mijn hoede voor elke rat die zich verborgen hield en een onbewaakt ogenblik afwachtte om opnieuw voor mij op te duiken. Het bos werd langzamerhand een spookbos. Vol met ratten. Die ik nooit zag. Maar die mij continu in de gaten hielden.

En juist in die periode moest ik opeens weer denken aan dat touw in het kanaal toen ik op een dag de hond uitliet. Opnieuw kwam ik in dat zelden bezochte stukje bos terecht omdat de hond achter een vogel aan bleef rennen en niet wilde luisteren, hoe ik ook riep. Bij de rand van het kanaal bleef hij staan. Hijgend kwam ik naderbij en lijnde hem aan. Vervolgens viel ik uitgeput in het gras. En zag een eindje verderop iets in het water hangen.

Ondanks mijn wild bonkend hart (het was me niet meer duidelijk of het van het rennen kwam of van een onduidelijke vrees voor wat komen ging) liep ik naar de plek toe. Natuurlijk hing er een touw in het water. Vastgemaakt aan een ijzeren staaf. Nieuwsgierigheid won ook nu. Ik legde de hondenriem op de grond, plaatste mijn voet er op, en pakte het touw in mijn handen. Opnieuw gaf het geen krimp. Maar ik was groter en sterker geworden. En ik bleef trekken. De hond stond voorovergebogen in het water te staren. De oren plat in de nek. En ik bleef trekken. En ik bleef trekken.

Totdat plots ik iets voelde loskomen. Bijna verloor ik mijn evenwicht. Vanuit de diepte van het troebele water borrelden ontelbaar kleine luchtbelletjes omhoog. De hond begon zachtjes te janken en trok aan de riem. Ik haalde het touw nog een enkele meter verder uit het water voordat ik het met een luide gil losliet. Aan de andere kant van het touw, onzichtbaar voor mij, had zich iets bewogen. Ik voelde hoe het touw  bijna uit mijn handen werd getrokken voordat ik het in paniek had losgelaten. En tegelijkertijd kwamen alle visioenen van al die ratten in dat grote bos bij elkaar in die borrelende brij voor mij in het water. Het was slechts een kwestie van tijd en dan zouden ratten in alle soorten en maten door het wateroppervlak heen breken. Op zoek naar mij. 

En ik begon te rennen. Te rennen alsof mijn leven er vanaf hing. Zonder een enkele keer om te kijken. Zonder te stoppen. Alsmaar door en door en door. Tot ik eindelijk ons veilige huis had bereikt. Daar stormde ik naar binnen. Deed de deur op slot en ging naar mijn kamer waar ik besloot nooit meer een voet in dat bos te zetten. 

Nu hebben ze me alsnog gevonden…

~ ~ ~

Zo is het lang geleden ooit gegaan. Niet helemaal (ik kan me niet alle details meer herinneren en heb her en der de fantasie de vrije loop gegeven; “goh Peter, dat is ook de eerste keer dat je dat doet…”) maar wat wel klopt is dat ik op een gegeven moment aan dat touw heb gehangen en daadwerkelijk voelde alsof iets of iemand terugtrok. Ik durfde het touw niet verder op te halen en heb me half rennend uit de voeten gemaakt. Nog altijd vraag ik me af wat het is geweest.

Eerder is dit voorval ook al inspiratie geweest voor een geheel fictief verhaal in twee delen => Sterk water gevolgd door Sterk woud.

~ ~ ~

Oneerbaar voorstel

Ik ben veel niet. Al eerder heb ik hier publiekelijk bekendgemaakt geen echte vader of kok te zijn. Vandaag zal ik ook maar toegeven geen timmerman te zijn. Zelfs al zou ik twee rechterhanden hebben, dan nog zou geen van beiden in staat zijn slechts de spijker in de andere hand op de kop te raken. Mijn vader wel. Die was daar zo goed in dat hij zelfs de baas van de timmermensen mocht zijn. Hij hoefde vanaf dat moment niet meer mee te timmeren en werd voortaan uitvoerder genoemd. Iets wat ik altijd moeilijk vond te begrijpen. Tegelijkertijd vond ik het wel bijzonder.

Ook de vader van de ik-persoon in ‘De kraai‘ van Kader Abdolah (dus niet de Vader van Kader) was timmerman. Maar die is nooit opgeklommen tot uitvoerder. Maar toch was hij bijzonder. Althans in de ogen van de ik-persoon. Want eigenlijk was hij kunstenaar. Hij tekende. Dat was apart in de wijk waar zij woonden:

Bij ons hadden de mannen allemaal gewone beroepen, zoals timmerman, kruidenier, metselaar, bakker, wever en kapper. [blz.7]

In de wijk waar ik ben opgegroeid zag je hetzelfde. Vooral veel bouwvakkers en fabrieksarbeiders. Elke ochtend vertrok mijn vader voor dag en dauw met een vast groepje op weg naar een bouwplaats vaak ver weg gelegen. Onderweg kwamen ze vergelijkbare groepjes werklieden tegen op weg naar bouwplaatsen vlak bij ons in de buurt. Iets wat ik altijd moeilijk vond te begrijpen. Nu nog steeds. De fabrieksarbeiders werkten voornamelijk in ploegendienst bij de Vlisco en Begeman in Helmond of bij Philips en Daf in Eindhoven. Lekker dichtbij, in hun geval. Verder waren er in die tijd ook veel boeren in de omgeving. Het was nog niet zo verstedelijkt toen. Ik keek altijd uit naar de schillenboer, en in de zomer kon je makkelijk een zakcentje verdienen door aardbeien te gaan plukken.

Rond mijn middelbare schooltijd kwamen wij te verhuizen. Al snel maakte ik vriendschap met een jongen die tegenover ons woonde. Op een middag na school, gingen we bij hem thuis eerst wat huiswerk maken voordat we zouden gaan voetballen. Ik was nog nooit eerder bij hen binnen geweest. We gingen achterom en kwamen zo in de keuken terecht. Daar was een bar geïnstalleerd waaraan we plaatsnamen. De moeder van mijn vriend was thuis en schonk voor ons beiden een groot glas fris in. Ze vroeg of we er chips bij wilden. Dat wilden we wel. Daarna ging ze aan tafel zitten om de administratie verder in orde te brengen. Mijn vriend legde uit dat ze een eigen bedrijf hadden. Zijn vader was rondreizend verkoper van damesondergoed. Ik verslikte me.

In de woonkamer liet hij me stapels dozen zien vol met slips en beha’s, maar ook jarretels, panty’s en doorschijnende nachthemden. Alle maten, maar weinig kleuren. Vooral wit, zwart en vleeskleurig (voor de blanke medemens, welteverstaan). En veel reclame- en winkelmateriaal. Folders, posters, complete paspoppen, maar ook losse boven- of ondergedeeltes. Hij pakte een brochure en liet me verschillende foto’s zien. Vanuit de keuken vroeg zijn moeder of mijn moeder misschien niet geïnteresseerd was om eens een keertje iets leuks uit te komen zoeken. Ik wist dat mijn wangen ondertussen donkerrood van kleur waren.

“Ze kan zich in de hal omkleden of anders wat spulletjes mee naar huis nemen om te passen”, klonk het vanachter de stapel dozen. De vader van mijn vriend lag daar op de bank uit te rusten van een ritje naar Duitsland. Daar bevond zich het hoofdkantoor van Naturana, het bedrijf waarvoor hij importeur in Nederland was. Hij verzamelde wat folders en vroeg om de cupmaat van mijn moeder zodat hij alvast wat mee kon geven. Vol schaamte (iets wat ik later moeilijk vond te begrijpen) moest ik toegeven die niet te weten. Zonder nog aan huiswerk of voetbal te denken ben ik het huis uitgerend. Eenmaal op straat was ik bang dat iedereen kon zien dat ik mijn handen vol had met half ontkleedde vrouwen. Ik heb de folders meteen in de vuilnisbak gegooid en het in mijn ogen oneerbare voorstel niet aan mijn moeder doorgegeven.

~ ~ ~

Geestelijke dekmantels

De St. Lucia school in Mierlo-Hout was een voormalig nonnenklooster en meisjesschool. Tegen de tijd dat ik rijp was voor de kleuterschool, we spreken hier over het jaar 1967, waren de klaslokalen inmiddels al opengesteld voor kindertjes van beiderlei kunne. Zodoende betrad ik een gebied, waar zeker de eerste jaren van mijn verblijf aldaar, de nonnen alomtegenwoordig waren.
Zacht ruisend bewogen deze heilige maagden in hun eenvoudige jurken zich welhaast zwevend door het immer fris geboende gangenstelsel. Ze kwamen en gingen door deuren die voor ons, normale stervelingen, vaak verboden toegang waren. Slechts een gedeelte van het immense gebouw was vrijgemaakt om leerplichtige jongelingen te kunnen ontvangen en vormen.
In die mysterieuze sfeer bracht ik mijn eerste schooljaren door. En deed zelfs mijn eerste communie. Ik was een voorbeeldig leerling en goed bezig een heilig boontje te worden.

Voordat ik mijn Heilig Vormsel mocht doen, kwam ik echter in aanraking met dusdanig explosief materiaal welke mijn zorgvuldig opgebouwde maar o zo wankele wereldbeeld volkomen op zijn kop zette.

Het was tijdens een weekendbezoekje bij vage werkkennissen van mijn vader dat het enige kind des huizes mij meetroonde naar zijn zolderkamertje en aldaar een complete verzameling pornografisch getinte stripboeken onder zijn bed vandaan haalde.
Geschokt bladerde ik door de talloze pagina’s gevuld met seksuele handelingen waarvan ik, gezien mijn tot dan toe onschuldig verlopen jeugd, nog nooit gedroomd kon hebben. Bijkomend feit: in de meeste gevallen speelde al dat onoorbaars zich af in het klooster. Lang geleden, tijdens de donkere middeleeuwen, maar toch.
Ik durfde niet op te kijken, bang dat ik was dat mijn pril verworven kameraad zou zien hoe bleu ik was, en mij de boekjes zou afpakken. Want, eerlijk is eerlijk, ik was ter plekke verslaafd.

Het zou me niets verbazen als ik die zondagnacht mijn eerste natte droom had gehad. Hallelujah!

Eenmaal op maandag weer in de schoolbankjes plaatsgenomen, zag de wereld er compleet anders uit. Had ik al die jaren uitgekeken op de binnentuin van het klooster waar de nonnen meeste tijd bezig waren met allerlei tuinwerkzaamheden, nu was diezelfde plek het oord van de zondeval.
Zuster X die altijd zo moeilijk liep, droeg natuurlijk altijd wat vers fruit op maat tussen haar benen. En Zusters Y en Z, die zojuist heimelijk de kleine groentenkas binnengeslopen waren, gingen heel wat minder onschuldig werk verrichten. Het viel me steeds moeilijker de juiste concentratie voor de aangeboden lesstof op te brengen nu zich zulke liederlijke taferelen vlak onder mijn neus afspeelden.

Naarmate ik vaker mijn vriendje opzocht om verder te kunnen lezen in zijn ‘bibliotheek’, werd alles wat zich op school afspeelde steeds dubbelzinniger. Jantje werd de klas uitgestuurd en moest zich melden bij moeder overste. Miesje moest even mee naar boven om extra letterbakken te halen. In mijn hoofd vormden deze simpele gebeurtenissen aanleiding voor orgiastische bachanalen van oversexte nonnen die zich uitleefden op onschuldige leerlingen.

Soms liet ik mijzelf ook de klas uitsturen, of bood mij aan als vrijwilliger. Nooit werd ik lijdend (of meewerkend?) voorwerp. Zouden ze door hebben gehad dat ik ze doorhad?

Maar ik vond het spannend, alsook vanzelfsprekend dat Het Heilig Vormsel maar aan mij voorbij moest gaan. Enerzijds week mijn huidig ontheiligend vormsel toch wel radicaal af van de grondbeginselen die we in onze voorbereidende klassen voorgeschoteld kregen, terwijl anderzijds de sporen van mijn religieuze opvoeding nog niet geheel verdwenen waren. Er heerste een lichte angst dat mijn confrontatie met De Heer niet zonder kleerscheuren zou verlopen.

Ik koos voor de makkelijke weg. Ontkenning. God bestaat niet. Religie maakt meer kapot dan je lief is. En alle monniken en nonnen konden maar aan één ding denken. Net als ik.

Het Canisiusgymnasium in Berlijn is een kostschool. Geleid door Jezuïten. Op Nu.nl staat ‘Duitse Jezuïten’. Zou die toevoeging nog iets te betekenen hebben?

Bij het woord kostschool moet ik altijd denken aan het boek De zondvloed van Jeroen Brouwers. Eén van de verhaallijnen gaat over de traumatische schooljeugd van de ik-persoon op een kostschool. Geen groter contrast dan met z’n jeugdjaren in Indonesië. Geen groter verraad dan zijn ouders hem ooit hadden kunnen aandoen.

‘Altijd, overal, ben ik door spiedende kostschoolcipiers omgeven, ze lijken jacht op mij te maken. In de slaapzaal wordt soms opeens het beddegoed van mij afgetrokken; soms wordt de deur van de wc opeens geopend en staat de prefect of een van zijn handlangers in de opening, iedere surveillant beschikt over de speciale sleutel waarmee hij het slot van buitenaf van Bezet op Vrij kan draaien; dit kloostervolk is ziek en bezeten, en belust of betrappen en straffen.’
[p. 227, De zondvloed, Jeroen Brouwers]

Ik pak weer eens het boek van Karen Liebreich erbij, Fallen Order. Een onderzoek naar de orde der Piaristen. Het richt zich op de vraag waarom de orde in 1646 ontbonden werd, om vervolgens in 1656 opnieuw opgericht te worden. Over deze zwarte periode in de geschiedenis van de orde, opgericht door de Spanjaard Josephus Calsanza was lange tijd niets bekend. Alle stukken bevonden zich in de Pauselijke Archieven en waren niet toegankelijk. Daar kwam pas rond 1998 verandering in. En Karen Liebreich maakte daar dankbaar gebruik van.

Als boekenlegger zie ik dat ik dit keer gebruik gemaakt heb van een knipsel uit de NRC van vrijdag 22 mei 2009. De kop luidt ‘Decennia misbruik bij ordes kerk in Ierland’. Maar ik herinner me het boek een jaar eerder gekocht te hebben. Naar aanleiding van de onthullingen over sexueel misbruik met kinderen door Amerikaanse priesters.

Het knipsel geeft de conclusies weer van een commissie die alle gevallen tot in detail had onderzocht.
Enkele citaten:

‘Het misbruik liep uiteen van het geselen van kinderen tot verkrachting, van het veroorzaken van brandwonden tot het onder water houden. Zowel jongens als meisjes werden het slachtoffer van zulke praktijken.’ 

‘De kerkelijke autoriteiten waren bij klachten in het algemeen veel coulanter met de daders dan met de slachtoffers, stelt de commissie vast.’

Het is dat laatste citaat wat in het boek van Liebreich prominent naar voren komt. Want wat blijkt de reden te zijn geweest om de orde der Piaristen, of ook wel Le Sciole Pie (religieuze scholen) te ontbinden? Juist. Sexueel misbruik van de hun toegewezen leerlingen. Voornamelijk kinderen uit de laagste klassen van de samenleving. Weerlozer kun je ze niet krijgen.

En ook toen al was dit gedrag van sommige priesters bij de leiding bekend. Wat vervolgens op een manier werd opgelost die door de eeuwen heen niet noemenswaardig is veranderd, namelijk die van ontkenning en verhulling. Steeds werden de schuldigen overgeplaatst. Soms naar plaatsen waar zij niet in contact konden komen met nieuwe jonge slachtoffers. Maar lang niet altijd.
Tekenend is een brief van Josephus (let wel: later heiligverklaard, en nu patroonheilige van colleges en scholen) die hij op hoge leeftijd schreef:

‘I, the undersigned, testify that when Father Pietro Casani of the Nativity was provincial of the Pious Schools in the kingdom of Naples, I was frequently informed of the wicked practices that Father Stefano degli Angeli, at that time headmaster of the Pious Schools of Duchesca, did with some pupils, and to avoid the scandal, which could have occurred if the parents of the youngsters had heard about it, I took him away from Naples and brought him to Rome with an honourable title out of respect for his family.’
[p. 213, Fallen Order, Karen Liebreich]

Ziedaar, de dekmantel was geworpen.

De eerste tekenen in Duitsland gaan ook weer deze kant op. Sommige bisdommen weigeren medewerking. Schuldigen zijn al jarenlang bekend en inmiddels overgeplaatst of overleden zonder dat ze schuld hebben bekend. Er zal wat geld worden vrijgemaakt en met de nodige vertraging worden uitgekeerd. Damage control.
Afkoopsom voor tijdelijke rust in de kerk.
En daarna gaan we weer vrolijk verder. Tenslotte werd ook de orde der Piaristen enkele jaren later weer heropgericht. Trokken hun geestelijke dekmantels weer aan om ongezien jeugdig geluk in de kiem te smoren.

Het wachten is nu op de eerste onthullingen vanuit Mierlo-Hout. Ik weet zeker dat op mijn school ook iets gaande was.

Saillant detail: Het laatste hoofdstuk van Fallen Order sloeg ik open terwijl Balkenende stuntelend fraseringen als “Met de kennis van morgen zou ik huidige uitlatingen over vermeende foute beslissingen in het verleden genomen met de kennis van toen zeker anders formuleren dan ik vandaag kan doen” n.a.v. de commissie David de wereld inwierp.
Titel van dit laatste hoofdstuk:
‘I only wish that the knowledge that we have today had been available to us earlier.’

~ ~ ~