Feest onder ouderlijk toezicht

Zomaar van die herin­ner­in­gen die plots opkomen wan­neer je een boek leest. In dit geval moest ik denken aan een ver­jaardags­feest bij een klasgenoot tij­dens mijn mid­del­bare schoolti­jd. Dat kwam van­wege De tolk van Java door Alfred Bir­ney. Daarin zoekt een Indis­che jonge­man rond 1950 zijn cor­re­spon­den­tievriendin op in Hel­mond of all places. Haar oud­ers hebben er een schoen­winkel in de Heis­traat.

Ook de oud­ers van mijn klasgenoot had­den een winkel ergens in het cen­trum van Hel­mond. Op de uitn­odig­ing stond dat het een Amerikaanse fuif zou gaan wor­den dus we wer­den geacht alle­maal iets te eten of drinken mee te nemen. Ik wist niets beters te verzin­nen dan een fles wijn thuis uit de drankvoor­raad te pikken. Het bleek bij toe­val een nogal dure en goede keus te zijn zo kreeg ik veel lat­er te horen, maar dat terz­i­jde.

Vooraf deden de wild­ste ver­halen de ronde over het feest. Het klasgenoot­je had een aan­tal vriendin­nen die op z’n zachts gezegd nogal los­bandig waren. Ze speelden allen hock­ey en waren nogal makke­lijk in de omgang, althans vol­gens enkele vage ken­nis­sen die lid waren van dezelfde hock­ey­club. Een klasgenoot­je waar ik toen­der­ti­jd een oog­je op had zou ook van de par­tij zijn, dus ik had al met al hoge verwachtin­gen van de avond.

Groot was mijn teleurstelling toen we de huiskamer boven de winkel betraden. Als een stel kamp­be­waarders zat de fam­i­lie van de jarige job in een hoek aan tafel zon­der hun plaats ook maar voor een min­u­ut te ver­lat­en. Al het andere meu­bi­lair was tijdelijk ver­wi­jderd of aan de kant geschoven zodat er vol­doende ruimte was om te dansen. Verder ston­den er alleen nog wat hoge tafelt­jes waarop we onze drankjes en hap­jes kon­den zetten. De licht­en waren zelfs gedempt om een intieme sfeer te creëeren, maar de stem­ming kwam er nooit echt in zolang we gadeges­la­gen wer­den door het groep­je stilzwi­j­gende vol­wasse­nen die iedere beweg­ing van ons nauwlet­tend in de gat­en hield.

Veel eerder dan gedacht ver­li­eten de eerste klasgenoten vroeg in de avond het feestje. Ook ikzelf bood algauw excus­es aan dat ik de vol­gende dag ’s ocht­ends moest voet­ballen en mijn nachtrust hard nodig had. Een­maal buiten vertrok ik lin­ea rec­ta richt­ing bin­nen­stad van Hel­mond en zocht een aan­tal vrien­den op om alsnog flink te gaan feesten. Hoe dat afgelopen is staat me verder niets meer van bij.

Voor een Hel­mondse schoen­mak­ers­dochter, een Indis­che voor­ma­lige oor­logstolk en hun zoon bestaat er geen heden. Alleen een belast verleden. De zoon achter­vol­gt zijn oud­ers met vra­gen over de oor­log in Ned­er­lands-Indië die door­woedt in het gezin. Hun ver­halen zijn span­nend, hilar­isch, gruwelijk, niet te bevat­ten, rauw, maar niet zon­der humor.

De tolk van Java
Alfred Bir­ney
Uit­gev­er De Geus
ISBN 9789044538502

~ ~ ~

Het bleef nog lang rustig

Net als bij­na iedere afgelopen oud­jaars­dag zak­ten we ook van­daag weer af richt­ing het zuiden om daar in mijn geboorte­dorp een bezoek aan mijn oud­ers te bren­gen. Onder­weg was het weer dikke pret in de auto met de kleinkinderen op de achter­bank en dat ging gewoon door toen we ter plekke waren. Het leek alsof er een wervel­wind door het door­gaans zo rustige huis ging. Bezorgd hield ik mijn oud­ers in de gat­en of dit niet alle­maal wat te heftig voor hen was. Tenslotte zijn ze niet meer de jong­sten. Maar toen we enkele uren lat­er aanstal­ten maak­ten om weer richt­ing Arn­hem te vertrekken liet mijn moed­er me weten dat we best wat langer had­den mogen bli­jven. Ze had­den dagen in overvloed om uit te rusten, zo gaf ze aan.

~ ~ ~

Grens

Gis­ter reed ik richt­ing Bra­bant. En elke keer weer denk ik dan dat ik dat vak­er moet doen (maar dat is stof voor een andere blog­post die ik al ooit eerder geschreven heb). Afi­jn, bij Veg­hel aangekomen (want dat is de weg die ik vanu­it Arn­hem steeds vak­er neem, en niet meer via Nijmegen richt­ing Ven­lo en dan bij Ven­ray van de snel­weg af) nam ik de N279 van Den Bosch naar Hel­mond die langs het kanaal loopt. Deze weg heb ik vroeger ontel­baar vaak gere­den.

Het was rustig op de weg dus ik kon ongesto­ord mijn blik over het Bra­bantse land­schap lat­en gaan. Ik werd er wat melan­cholisch van. Was het een gevoel van thuiskomen? vroeg ik mij af. Niet dat ik in deze streek buiten het spoor van asfalt dat ik vol­gde zoveel stap­pen had gezet. En om nu te zeggen dat het land­schap typ­isch Bra­bants zou zijn leek me ook moeil­ijk vol te houden. Want wat zou dat typ­isch Bra­bantse dan moeten zijn?

In gedacht­en ver­zonken reed ik verder.

Bij­na thuis (lees: bij mijn oud­ers, oftewel mijn oud­er­lijk huis) was er een wegom­lei­d­ing. De bor­den wezen een route aan over een gedeelte van het indus­tri­eter­rein waar ik echt al vele jaren niet meer was geweest. Weinig herk­ende ik nog. Soms deed een bedri­jf­s­naam een bel­let­je rinke­len maar was het bijbe­horende pand gebouwd in een tijd dat ik Hel­mond allang ver­lat­en had. Mijn thuiskom-gevoel brokkelde langza­am af.

Uitein­delijk kwam ik opnieuw bij het kanaal uit en stak de brug over. Bij de ver­keer­slicht­en moest ik wacht­en tot­dat het groen was. Aan de overkant van de kruis­ing zag ik een boerder­ij die een eind verderop stond. Plots leek het alsof iemand een zwaar gordi­jn opz­ij schoof en ik mijn verleden zag. Ik stond aan de rand van tot hoev­er ik vroeger tij­dens mijn rondzw­ervin­gen mocht komen. Het was een van de gren­zen die mijn oud­ers had­den aangeven en waar ik mij aan diende te houden. Tot hier en niet verder, zei een stem in mijn hoofd bij het bereiken van dergelijke piket­paalt­jes. Lange tijd hield ik me er keurig aan. Tenslotte was het totale gebied groot genoeg.

Ik bedacht me toen het licht op groen sprong en stak de kruis­ing over in plaats van naar rechts te gaan. Meteen voelde ik me daad­w­erke­lijk thuis. Hier had ik gelopen, gefi­etst, gespeeld. Hier kende ik elke vierkante meter. Dit was mijn geboorte­grond. Na een paar hon­derd meter kon ik des­on­danks niet meer verder en moest ik omdraaien. Maar dat kon de pret niet drukken.

~ ~ ~

Rat

Er zit een rat in onze tuin. En geen klein­t­je ook. Het is een bru­ine. Met zo’n dikke naak­troze staart. Je ziet ‘m niet alti­jd want meestal houdt hij zich ver­sc­holen in het tuin­huis­je. Maar wan­neer je onverwachts via de keuken de hal in loopt dan kun je ‘m soms schielijk zien wegschi­eten tussen de stru­iken. Maar niet voor­dat hij (of zij) je eerst heel even door­drin­gend heeft aangekeken. Over­we­gend of hij je miss­chien gaat aan­vallen, ja of nee. Want een rat in het nauw… die maakt rare over­weg­in­gen.

Dit alles heb ik van horen zeggen. Door mijn vrouw. Zij heeft die rat al ver­schei­dene keren gezien (ik vraag me nu trouwens af of het telkens dezelfde is geweest; zouden er meerdere rat­ten zich in ons tuin­huis­je ophouden?). Zegt ze. En waarom zou ik haar niet geloven?

Omdat ik haar niet wil geloven!

Maar vooral omdat ik hoopte dat ik ze van me had afgeschud…

Tij­dens mijn lagere schoolti­jd was het alti­jd weer een hele oplucht­ing wan­neer de laat­ste bel had gek­lonken en wij luid joe­lend naar huis ren­den om ons te gaan omk­le­den voor het echte lev­en. Oude klof aan en op weg naar het bos aan de rand van het dorp waar elk jaar­geti­jde wel iets te beleven viel. In de win­ter schaat­sen in het moerasachtige gedeelte, in de zomer water­pret in en ron­dom het kanaal, en in de herf­st en lente aller­lei spel­let­jes waar­bij voor­namelijk de ene groep kinderen op zoek (of jacht) ging naar de andere groep die zich diep in het bos had ver­stopt. Voor grote avon­turen moest je in het bos wezen.

Op een dag was ik met twee andere schoolka­m­er­aad­jes wat afged­waald richt­ing de uiter­ste rand van het bos waar het Eind­hovens kanaal in de Zuid Willemsvaart uitkomt. We zat­en wat uit te rusten in de berm toen we een eind­je verderop iets in het water zagen hangen. Nieuws­gierig gin­gen we kijken. Het bleek een dik gevlocht­en stuk touw te zijn dat vast­ge­maakt was aan een ijz­eren staaf die in de grond gesto­ken was. Eén van ons nam het touw in han­den en gaf er een ruk aan. Er gebeurde weinig. Een rimpel­ing trok door het donkere water.

We tuur­den langs het touw in het water maar kon­den niets ont­waren anders dan onze eigen weer­spiegeling. Nog­maals pak­te de dap­per­ste van ons het touw vast en probeerde deze keer het touw uit het water te trekken. Een klein beet­je luk­te het hem het touw omhoog te halen. Tot­dat het strak kwam te staan. Alsof het op de bodem ook vast­ge­maakt zat.

Met z’n drieën dacht­en we het wel voor elka­ar te kri­j­gen. Als ervaren touwtrekkers spuw­den we in onze han­den, zetten de voeten schrap in de grond en lieten ons met het gecom­bi­neerde volle gewicht naar achteren hangen. Zon­der ook maar het min­ste resul­taat. Na enkele tellen lieten we ons uit­geput en met pijn­lijke han­den achterover vallen in het vochtige gras. Het touw gleed als een slang terug het water in. Omdat we in de verte onze ‘vijan­den’ hoor­den naderen maak­ten we ons snel uit de voeten en ver­gat­en de hele gebeurte­nis.

In diezelfde tijd ging ik ook regel­matig met mijn vad­er naar het kanaal om te vis­sen. Steev­ast plaagde hij me dan door af en toe gelu­iden te mak­en die me deden opschrikken. Hij gooide dan bijvoor­beeld (ter­wi­jl ik het niet in de gat­en had) een steen een stuk­je verder weg in de bosjes of in het water. Wan­neer ik dan ver­schrikt opkeek en me hardop afvroeg wat dit wel niet kon zijn, dan zei hij steev­ast dat het wel een muskus­rat zou zijn geweest. Stoï­ci­jns bleef hij dan naar zijn dob­ber kijken ter­wi­jl ik haast panisch om me heen bleef kijken op zoek naar dat beest. Rust had ik vanaf dat moment niet meer.

Want als ik ergens schrik voor had dan was het wel voor rat­ten. En mijn vad­er wist dat door­dat hij een keer een aan­tal dode muskus­rat­ten mee naar huis had genomen. Gevan­gen in de strikken die hij op diverse plaat­sen in het bos had uit­gezet. Het was hem niet om dat smerig ongedierte te doen maar voor hazen en fazan­ten. Ik zat nietsver­moe­dend achter ons huis in de zand­bak te spe­len toen hij thuiskwam en zijn vangst voor mijn neus hield. Totaal over­rompeld door de aan­blik van de reeds half aangevreten dieren moet ik wel­haast van schrik een meter omhoog gespron­gen zijn. Daar­na rende ik het huis in. Op zoek naar mijn moed­er. En mijn vad­er maar lachen. Those were the days.

Het zal dus nie­mand ver­bazen dat door de jaren heen ik in dat grote bos steeds vak­er bij elk gelu­id opz­ij sprong. Op mijn hoede voor elke rat die zich ver­bor­gen hield en een onbe­waakt ogen­blik afwachtte om opnieuw voor mij op te duiken. Het bos werd langza­mer­hand een spook­bos. Vol met rat­ten. Die ik nooit zag. Maar die mij con­tinu in de gat­en hield­en.

En juist in die peri­ode moest ik opeens weer denken aan dat touw in het kanaal toen ik op een dag de hond uitli­et. Opnieuw kwam ik in dat zelden bezochte stuk­je bos terecht omdat de hond achter een vogel aan bleef ren­nen en niet wilde luis­teren, hoe ik ook riep. Bij de rand van het kanaal bleef hij staan. Hij­gend kwam ik nader­bij en lijnde hem aan. Ver­vol­gens viel ik uit­geput in het gras. En zag een eind­je verderop iets in het water hangen.

Ondanks mijn wild bonk­end hart (het was me niet meer duidelijk of het van het ren­nen kwam of van een onduidelijke vrees voor wat komen ging) liep ik naar de plek toe. Natu­urlijk hing er een touw in het water. Vast­ge­maakt aan een ijz­eren staaf. Nieuws­gierigheid won ook nu. Ik legde de hon­den­riem op de grond, plaat­ste mijn voet er op, en pak­te het touw in mijn han­den. Opnieuw gaf het geen krimp. Maar ik was grot­er en sterk­er gewor­den. En ik bleef trekken. De hond stond vooroverge­bo­gen in het water te staren. De oren plat in de nek. En ik bleef trekken. En ik bleef trekken.

Tot­dat plots ik iets voelde loskomen. Bij­na ver­loor ik mijn even­wicht. Vanu­it de diepte van het troe­bele water bor­relden ontel­baar kleine lucht­bel­let­jes omhoog. De hond begon zacht­jes te janken en trok aan de riem. Ik haalde het touw nog een enkele meter verder uit het water voor­dat ik het met een luide gil losli­et. Aan de andere kant van het touw, onzicht­baar voor mij, had zich iets bewogen. Ik voelde hoe het touw  bij­na uit mijn han­den werd getrokken voor­dat ik het in paniek had los­ge­lat­en. En tegelijk­er­ti­jd kwa­men alle visioe­nen van al die rat­ten in dat grote bos bij elka­ar in die bor­re­lende brij voor mij in het water. Het was slechts een kwest­ie van tijd en dan zouden rat­ten in alle soorten en mat­en door het waterop­per­vlak heen breken. Op zoek naar mij. 

En ik begon te ren­nen. Te ren­nen alsof mijn lev­en er vanaf hing. Zon­der een enkele keer om te kijken. Zon­der te stop­pen. Als­maar door en door en door. Tot ik ein­delijk ons veilige huis had bereikt. Daar stor­mde ik naar bin­nen. Deed de deur op slot en ging naar mijn kamer waar ik besloot nooit meer een voet in dat bos te zetten. 

Nu hebben ze me alsnog gevon­den…

~ ~ ~

Zo is het lang gele­den ooit gegaan. Niet hele­maal (ik kan me niet alle details meer herin­neren en heb her en der de fan­tasie de vri­je loop gegeven; “goh Peter, dat is ook de eerste keer dat je dat doet…”) maar wat wel klopt is dat ik op een gegeven moment aan dat touw heb gehangen en daad­w­erke­lijk voelde alsof iets of iemand terugtrok. Ik durfde het touw niet verder op te halen en heb me half ren­nend uit de voeten gemaakt. Nog alti­jd vraag ik me af wat het is geweest.

Eerder is dit voor­val ook al inspi­ratie geweest voor een geheel fic­tief ver­haal in twee delen => Sterk water gevol­gd door Sterk woud.

~ ~ ~

Oneerbaar voorstel

Ik ben veel niet. Al eerder heb ik hier pub­lieke­lijk bek­endge­maakt geen echte vad­er of kok te zijn. Van­daag zal ik ook maar toegeven geen tim­mer­man te zijn. Zelfs al zou ik twee rechter­han­den hebben, dan nog zou geen van bei­den in staat zijn slechts de spijk­er in de andere hand op de kop te rak­en. Mijn vad­er wel. Die was daar zo goed in dat hij zelfs de baas van de tim­mer­mensen mocht zijn. Hij hoefde vanaf dat moment niet meer mee te tim­meren en werd voor­taan uitvo­erder genoemd. Iets wat ik alti­jd moeil­ijk vond te begri­jpen. Tegelijk­er­ti­jd vond ik het wel bij­zon­der.

Ook de vad­er van de ik-per­soon in ‘De kraai’ van Kad­er Abdolah (dus niet de Vad­er van Kad­er) was tim­mer­man. Maar die is nooit opgek­lom­men tot uitvo­erder. Maar toch was hij bij­zon­der. Althans in de ogen van de ik-per­soon. Want eigen­lijk was hij kun­ste­naar. Hij tek­ende. Dat was apart in de wijk waar zij woon­den:

Bij ons had­den de man­nen alle­maal gewone beroepen, zoals tim­mer­man, kruide­nier, met­se­laar, bakker, wev­er en kap­per. [blz.7]

In de wijk waar ik ben opge­groeid zag je het­zelfde. Vooral veel bouw­vakkers en fab­riek­sar­bei­ders. Elke ocht­end vertrok mijn vad­er voor dag en dauw met een vast groep­je op weg naar een bouw­plaats vaak ver weg gele­gen. Onder­weg kwa­men ze vergelijk­bare groep­jes werk­lieden tegen op weg naar bouw­plaat­sen vlak bij ons in de buurt. Iets wat ik alti­jd moeil­ijk vond te begri­jpen. Nu nog steeds. De fab­riek­sar­bei­ders werk­ten voor­namelijk in ploe­gen­di­enst bij de Vlis­co en Bege­man in Hel­mond of bij Philips en Daf in Eind­hoven. Lekker dicht­bij, in hun geval. Verder waren er in die tijd ook veel boeren in de omgev­ing. Het was nog niet zo ver­st­edelijkt toen. Ik keek alti­jd uit naar de schil­len­boer, en in de zomer kon je makke­lijk een zak­cen­t­je ver­di­enen door aard­beien te gaan plukken.

Rond mijn mid­del­bare schoolti­jd kwa­men wij te ver­huizen. Al snel maak­te ik vriend­schap met een jon­gen die tegen­over ons woonde. Op een mid­dag na school, gin­gen we bij hem thuis eerst wat huiswerk mak­en voor­dat we zouden gaan voet­ballen. Ik was nog nooit eerder bij hen bin­nen geweest. We gin­gen achterom en kwa­men zo in de keuken terecht. Daar was een bar geïn­stalleerd waaraan we plaat­sna­men. De moed­er van mijn vriend was thuis en schonk voor ons bei­den een groot glas fris in. Ze vroeg of we er chips bij wilden. Dat wilden we wel. Daar­na ging ze aan tafel zit­ten om de admin­is­tratie verder in orde te bren­gen. Mijn vriend legde uit dat ze een eigen bedri­jf had­den. Zijn vad­er was ron­dreizend verkop­er van dameson­der­goed. Ik ver­s­lik­te me.

In de woonkamer liet hij me stapels dozen zien vol met slips en beha’s, maar ook jar­re­tels, panty’s en doorschi­j­nende nachthem­den. Alle mat­en, maar weinig kleuren. Vooral wit, zwart en vleeskleurig (voor de blanke mede­mens, wel­tev­er­staan). En veel reclame- en winkel­ma­te­ri­aal. Fold­ers, posters, com­plete paspop­pen, maar ook losse boven- of ondergedeeltes. Hij pak­te een brochure en liet me ver­schil­lende foto’s zien. Vanu­it de keuken vroeg zijn moed­er of mijn moed­er miss­chien niet geïn­ter­esseerd was om eens een keert­je iets leuks uit te komen zoeken. Ik wist dat mijn wan­gen onder­tussen donker­rood van kleur waren.

Ze kan zich in de hal omk­le­den of anders wat spul­let­jes mee naar huis nemen om te passen”, klonk het vanachter de stapel dozen. De vad­er van mijn vriend lag daar op de bank uit te rusten van een rit­je naar Duit­s­land. Daar bevond zich het hoofd­kan­toor van Nat­u­rana, het bedri­jf waar­voor hij impor­teur in Ned­er­land was. Hij verza­melde wat fold­ers en vroeg om de cup­maat van mijn moed­er zodat hij alvast wat mee kon geven. Vol schaamte (iets wat ik lat­er moeil­ijk vond te begri­jpen) moest ik toegeven die niet te weten. Zon­der nog aan huiswerk of voet­bal te denken ben ik het huis uit­gerend. Een­maal op straat was ik bang dat iedereen kon zien dat ik mijn han­den vol had met half ontk­leed­de vrouwen. Ik heb de fold­ers meteen in de vuil­nis­bak gegooid en het in mijn ogen oneer­bare voors­tel niet aan mijn moed­er doorgegeven.

~ ~ ~

Geestelijke dekmantels

De St. Lucia school in Mier­lo-Hout was een voor­ma­lig non­nen­kloost­er en meis­jess­chool. Tegen de tijd dat ik rijp was voor de kleuter­school, we spreken hier over het jaar 1967, waren de klaslokalen inmid­dels al opengesteld voor kindert­jes van bei­der­lei kunne. Zodoende betrad ik een gebied, waar zek­er de eerste jaren van mijn verbli­jf aldaar, de non­nen alomte­gen­wo­ordig waren.
Zacht ruisend bewogen deze heilige maag­den in hun een­voudi­ge jurken zich wel­haast zwevend door het immer fris geboende gan­gen­s­telsel. Ze kwa­men en gin­gen door deuren die voor ons, nor­male ster­velin­gen, vaak ver­bo­den toe­gang waren. Slechts een gedeelte van het immense gebouw was vri­jge­maakt om leer­plichtige jon­gelin­gen te kun­nen ont­van­gen en vor­men.
In die mys­terieuze sfeer bracht ik mijn eerste school­jaren door. En deed zelfs mijn eerste com­mu­nie. Ik was een voor­beeldig leer­ling en goed bezig een heilig boon­t­je te wor­den.

Voor­dat ik mijn Heilig Vorm­sel mocht doen, kwam ik echter in aan­rak­ing met dus­danig explosief mate­ri­aal welke mijn zorgvuldig opge­bouwde maar o zo wankele wereld­beeld volkomen op zijn kop zette.

Het was tij­dens een week­end­be­zoek­je bij vage werkken­nis­sen van mijn vad­er dat het enige kind des huizes mij meetroonde naar zijn zold­erkamert­je en aldaar een com­plete verza­mel­ing pornografisch get­inte strip­boeken onder zijn bed van­daan haalde.
Geschokt bladerde ik door de tal­loze pagina’s gevuld met sek­suele han­delin­gen waar­van ik, gezien mijn tot dan toe onschuldig ver­lopen jeugd, nog nooit ged­roomd kon hebben. Bijkomend feit: in de meeste gevallen speelde al dat onoor­baars zich af in het kloost­er. Lang gele­den, tij­dens de donkere mid­deleeuwen, maar toch.
Ik durfde niet op te kijken, bang dat ik was dat mijn pril ver­wor­ven kam­er­aad zou zien hoe bleu ik was, en mij de boek­jes zou afpakken. Want, eerlijk is eerlijk, ik was ter plekke ver­slaafd.

Het zou me niets ver­bazen als ik die zonda­gnacht mijn eerste nat­te droom had gehad. Hal­lelu­jah!

Een­maal op maandag weer in de school­bankjes plaatsgenomen, zag de wereld er com­pleet anders uit. Had ik al die jaren uit­gekeken op de bin­nen­tu­in van het kloost­er waar de non­nen meeste tijd bezig waren met aller­lei tuin­werkza­amhe­den, nu was diezelfde plek het oord van de zon­de­val.
Zuster X die alti­jd zo moeil­ijk liep, droeg natu­urlijk alti­jd wat vers fruit op maat tussen haar benen. En Zusters Y en Z, die zojuist heimelijk de kleine groen­tenkas bin­nenges­lopen waren, gin­gen heel wat min­der onschuldig werk ver­richt­en. Het viel me steeds moeil­ijk­er de juiste con­cen­tratie voor de aange­bo­den lesstof op te bren­gen nu zich zulke lieder­lijke tafer­e­len vlak onder mijn neus afspeelden.

Naar­mate ik vak­er mijn vriend­je opzocht om verder te kun­nen lezen in zijn ‘bib­lio­theek’, werd alles wat zich op school afspeelde steeds dubbelzin­niger. Jan­t­je werd de klas uit­ges­tu­urd en moest zich melden bij moed­er over­ste. Mies­je moest even mee naar boven om extra let­ter­bakken te halen. In mijn hoofd vor­m­den deze sim­pele gebeurtenis­sen aan­lei­d­ing voor orgiastis­che bachanalen van over­sexte non­nen die zich uitleef­den op onschuldige leer­lin­gen.

Soms liet ik mijzelf ook de klas uit­s­turen, of bood mij aan als vri­jwilliger. Nooit werd ik lij­dend (of meew­erk­end?) voor­w­erp. Zouden ze door hebben gehad dat ik ze doorhad?

Maar ik vond het span­nend, alsook vanzelf­sprek­end dat Het Heilig Vorm­sel maar aan mij voor­bij moest gaan. Enerz­i­jds week mijn huidig ontheili­gend vorm­sel toch wel rad­i­caal af van de grond­be­gin­se­len die we in onze voor­berei­dende klassen voorgeschoteld kre­gen, ter­wi­jl anderz­i­jds de sporen van mijn religieuze opvoed­ing nog niet geheel verd­we­nen waren. Er heer­ste een lichte angst dat mijn con­frontatie met De Heer niet zon­der kleer­scheuren zou ver­lopen.

Ik koos voor de makke­lijke weg. Ontken­ning. God bestaat niet. Religie maakt meer kapot dan je lief is. En alle mon­niken en non­nen kon­den maar aan één ding denken. Net als ik.

Het Can­i­sius­gym­na­si­um in Berli­jn is een kostschool. Geleid door Jezuïten. Op Nu.nl staat ‘Duitse Jezuïten’. Zou die toevoeg­ing nog iets te beteke­nen hebben?

Bij het woord kostschool moet ik alti­jd denken aan het boek De zond­vloed van Jeroen Brouw­ers. Eén van de ver­haal­li­j­nen gaat over de trau­ma­tis­che school­jeugd van de ik-per­soon op een kostschool. Geen grot­er con­trast dan met z’n jeugd­jaren in Indone­sië. Geen grot­er ver­raad dan zijn oud­ers hem ooit had­den kun­nen aan­doen.

Alti­jd, over­al, ben ik door spiedende kostschool­cip­iers omgeven, ze lijken jacht op mij te mak­en. In de slaapza­al wordt soms opeens het bed­de­goed van mij afgetrokken; soms wordt de deur van de wc opeens geopend en staat de pre­fect of een van zijn hand­langers in de open­ing, iedere sur­veil­lant beschikt over de spe­ciale sleu­tel waarmee hij het slot van buite­naf van Bezet op Vrij kan draaien; dit kloost­er­volk is ziek en bezeten, en belust of betrap­pen en straf­fen.’
[p. 227, De zond­vloed, Jeroen Brouw­ers]

Ik pak weer eens het boek van Karen Liebre­ich erbij, Fall­en Order. Een onder­zoek naar de orde der Piaris­ten. Het richt zich op de vraag waarom de orde in 1646 ont­bon­den werd, om ver­vol­gens in 1656 opnieuw opgericht te wor­den. Over deze zwarte peri­ode in de geschiede­nis van de orde, opgericht door de Span­jaard Jose­phus Cal­san­za was lange tijd niets bek­end. Alle stukken bevon­den zich in de Pauselijke Archieven en waren niet toe­ganke­lijk. Daar kwam pas rond 1998 veran­der­ing in. En Karen Liebre­ich maak­te daar dankbaar gebruik van.

Als boeken­leg­ger zie ik dat ik dit keer gebruik gemaakt heb van een knipsel uit de NRC van vri­jdag 22 mei 2009. De kop luidt ‘Decen­nia mis­bruik bij ordes kerk in Ier­land’. Maar ik herin­ner me het boek een jaar eerder gekocht te hebben. Naar aan­lei­d­ing van de onthullin­gen over sex­ueel mis­bruik met kinderen door Amerikaanse priesters.

Het knipsel geeft de con­clusies weer van een com­missie die alle gevallen tot in detail had onder­zocht.
Enkele citat­en:

Het mis­bruik liep uiteen van het gese­len van kinderen tot verkracht­ing, van het veroorza­k­en van brand­won­den tot het onder water houden. Zow­el jon­gens als meis­jes wer­den het slachtof­fer van zulke prak­tijken.’ 

De kerke­lijke autoriteit­en waren bij klacht­en in het alge­meen veel coulanter met de daders dan met de slachtof­fers, stelt de com­missie vast.’

Het is dat laat­ste citaat wat in het boek van Liebre­ich promi­nent naar voren komt. Want wat blijkt de reden te zijn geweest om de orde der Piaris­ten, of ook wel Le Sci­ole Pie (religieuze scholen) te ont­binden? Juist. Sex­ueel mis­bruik van de hun toegewezen leer­lin­gen. Voor­namelijk kinderen uit de laag­ste klassen van de samen­lev­ing. Weer­loz­er kun je ze niet kri­j­gen.

En ook toen al was dit gedrag van som­mige priesters bij de lei­d­ing bek­end. Wat ver­vol­gens op een manier werd opgelost die door de eeuwen heen niet noe­menswaardig is veran­derd, namelijk die van ontken­ning en ver­hulling. Steeds wer­den de schuldigen overge­plaatst. Soms naar plaat­sen waar zij niet in con­tact kon­den komen met nieuwe jonge slachtof­fers. Maar lang niet alti­jd.
Teke­nend is een brief van Jose­phus (let wel: lat­er heiligverk­laard, en nu patroon­heilige van col­leges en scholen) die hij op hoge leefti­jd schreef:

I, the under­signed, tes­ti­fy that when Father Pietro Casani of the Nativ­i­ty was provin­cial of the Pious Schools in the king­dom of Naples, I was fre­quent­ly informed of the wicked prac­tices that Father Ste­fano degli Angeli, at that time head­mas­ter of the Pious Schools of Duch­esca, did with some pupils, and to avoid the scan­dal, which could have occurred if the par­ents of the young­sters had heard about it, I took him away from Naples and brought him to Rome with an hon­ourable title out of respect for his fam­i­ly.’
[p. 213, Fall­en Order, Karen Liebre­ich]

Ziedaar, de dek­man­tel was gewor­pen.

De eerste teke­nen in Duit­s­land gaan ook weer deze kant op. Som­mige bis­dom­men weigeren medew­erk­ing. Schuldigen zijn al jaren­lang bek­end en inmid­dels overge­plaatst of overleden zon­der dat ze schuld hebben bek­end. Er zal wat geld wor­den vri­jge­maakt en met de nodi­ge ver­trag­ing wor­den uit­ge­keerd. Dam­age con­trol.
Afkoop­som voor tijdelijke rust in de kerk.
En daar­na gaan we weer vrolijk verder. Tenslotte werd ook de orde der Piaris­ten enkele jaren lat­er weer heropgericht. Trokken hun geestelijke dek­man­tels weer aan om ongezien jeugdig geluk in de kiem te smoren.

Het wacht­en is nu op de eerste onthullin­gen vanu­it Mier­lo-Hout. Ik weet zek­er dat op mijn school ook iets gaande was.

Sail­lant detail: Het laat­ste hoofd­stuk van Fall­en Order sloeg ik open ter­wi­jl Balke­nende stun­te­lend fraserin­gen als “Met de ken­nis van mor­gen zou ik huidi­ge uit­latin­gen over ver­meende foute beslissin­gen in het verleden genomen met de ken­nis van toen zek­er anders for­muleren dan ik van­daag kan doen” n.a.v. de com­missie David de wereld inwierp.
Titel van dit laat­ste hoofd­stuk:
‘I only wish that the knowl­edge that we have today had been avail­able to us ear­li­er.’

~ ~ ~