Waar blijven de vraagtekens

Deze blog­post is deel 12 van 43 in de serie Een per­fecte dag voor lit­er­atu­ur

In 1987, het jaar waarin ze 35 wordt, ver­laat de schri­jf­ster Her­ta Müller haar geboorte­land Roe­menië. Op dat moment is Cauceșcu nog steeds aan de macht. Onder zijn lei­d­ing was het land eind zes­tiger jaren al snel tot een com­mu­nis­tis­che dic­tatu­ur ver­wor­den. Bij­na de gehele opbrengst uit de bin­nen­landse economie verd­ween richt­ing schatk­ist ter meerdere eer en glo­rie van de Con­d­u­ca­tor (oftewel ‘lei­der’ vol­gens zijn offi­ciële titel) die gehuisvest was in een mega­lo­maan paleis in Boekarest temid­den van alle denkbare luxe. De rest van de bevolk­ing leefde gro­ten­deels in armoede en kende geen enkele vri­jheid.

De Roe­meense bevolk­ing werd sys­tem­a­tisch onder­drukt en was door de vele infil­tran­ten bij de geheime dienst niet veilig. Door de grote onzek­er­heid en armoede waar men in leefde, zag men vaak geen andere oploss­ing dan te spi­oneren voor de Secu­ri­tate. Het was niet onge­woon dat iemands broer, zus, vad­er of moed­er een infil­trant kon zijn zodat men zelfs bin­nen­shuis niet kon zeggen wat men wilde.
[bron: Wikipedia]

Nadat ik de ver­haal­bun­del Bar­revoetse feb­ru­ari voor een eerste keer gelezen had bleef ik zit­ten met vele vraagtekens. Waar­van onder andere het ont­breken van vraagtekens in de ver­halen niet de ger­ing­ste was. Wat had ik van veel genoten, maar tegelijk­er­ti­jd van veel weinig begrepen.

Elke zin lijkt vol beteke­nis te zit­ten. Zo vol dat ze zwaar wor­den. Ze rem­men het (snel)lezen af en dwin­gen dat je je con­cen­treert op ieder woord. Alles heeft waarde voor het ver­haal. Bij mij had het een effect dat iedere vol­gende zin in een ver­haal, de vertelling grot­er maak­te. Met iedere vol­gende zin kreeg al het voor­gaande weer een extra dimen­sie. Dat wat nog moest vol­gen kreeg een afschaduwing vooraf. Zo voelde het. Maar helaas bleef veel in neve­len gehuld. Wist ik niet wat er nu echt bedoeld werd.

Wat te denken van:

Een kleine gri­jze man loopt langs de rand van het park. Boven in de bomen.
De kleine gri­jze man heeft twee harde schoe­nen aan als koude strijk­i­jz­ers.
De kleine gri­jze man laat een vuil jas­je, een lege hond en twee flessen melk uit.
De kleine gri­jze man bli­jft tussen de hoge bomen staan. Hij luis­tert.
De wind waait zijn schedel­dak open.
De wind waait zijn schedel­dak dicht.
De wind waait zijn schedel­dak open en dicht.
[Koude strijk­i­jz­ers, p.125]

Mooi. En tevens mys­terieus. Ondoor­gron­delijk. Als poëzie.

Als geheim­taal.

Ik weet niets van het lev­en in een dic­tatu­ur. Onder een dic­ta­tor. Zelfs niet na het her­haaldelijk lezen van de ver­halen in de bun­del geschreven door Her­ta Müller. Het is te onvoorstel­baar. Vol­wassen wor­den in een wereld waar niets en nie­mand te vertrouwen is. Wat dat met je doet. Het enige wat ik denk te weten is dat het je schri­jven kan beïn­vloe­den. Wan­neer je alti­jd op je hoede moet zijn met wat je tegen wie zegt, dan ga je cryp­tisch prat­en. In raad­se­len schri­jven. En alleen de ‘ervar­ings­deskundi­gen’ zullen miss­chien in staat zijn alle lagen te ontrafe­len en te horen wat niet gezegd mag wor­den. Maar wat er toch uit moet. Omdat de waarheid zich niet laat van­gen. De waarheid wil zich lat­en vertellen.

Her­ta Müller komt met een serie ver­halen die de con­touren schet­sen van het lev­en in Roe­menië op het plat­te­land vooraf­gaand aan de dic­tatu­ur en in de stad ten tijde van de over­heers­ing door Cauceșcu. Dat lev­en is hard en vooral uitzicht­loos. Op het plat­te­land over­heerst bijgeloof. Het gaat er prim­i­tief aan toe. In de stad is het niet veel beter. Daar wordt het lev­en gecon­troleerd door de over­heid. Slechts een enkel­ing komt in opstand:

De porti­er ver­warmt het grond­wa­ter in zijn uni­form. Schree­uwend merkt hij dat mijn kru­in niet schrikt omdat mijn gehoor een oor is en geen gehoorza­men.
Mijn mond­hoek is zwaar.
Telkens als het huis voor de instanties klaar is, is het mijn kleine en gek­nak­te recht dat mijn lichaam zicht­baar maakt. Gelu­id­loos jaagt het mij koude trap­pen op.
Als ze het slaan, wordt het koud.
Als ze het kne­den, wordt het zwaar. Het stu­itert niet als een bal.
Als ze het negeren, ligt het op de vlo­er­planken als een steen.
[Het koude sier­aad van het lev­en, p.109]

Een van de belan­grijk­ste thema’s die ik op vele plaat­sen terug zie komen, is de ver­wi­jz­ing naar de dood. Het lijkt alsof Müller het ont­breken van vri­jheid als voor­naam­ste oorza­ak ziet voor het ongelukkige lot dat de Roeme­nen getrof­fen heeft. Daar­bij maakt ze geen onder­scheid tussen het lev­en op het plat­te­land dat vast lijkt te zit­ten in de tra­di­tionele opeen­vol­ging van de seizoe­nen (‘De doden draaien de as rond als een paarde­molen zodat ook wij gauw dood zullen gaan. Dan helpen wij mee de as draaien. En hoe meer doden er zijn, hoe leg­er het dorp wordt, hoe sneller de tijd gaat.’) als in de stad waar net zomin hoop is om een toekomst op te bouwen (‘Omdat ik niet wil dat je het ooit koud zult hebben. Zo’n koud bed en hoog was de stad toen ik er voor het eerst mijn kof­fer heen droeg. […] Omdat ik niet wil dat je ooit in het hart van de wereld wordt getrokken, heb ik je nooit ter wereld gebracht.’). Ontsnap­ping is alleen mogelijk in dronken­schap, gek­te of door het land te ver­lat­en. Zelfs dege­nen die weten op te klim­men in de rangen van de dic­ta­to­ri­ale hier­ar­chie weten dat uitein­delijk slechts één man beslist over lev­en en dood:

De dic­ta­tor is een oude man. Al twintig jaar aan het hoofd van het land. ’s Ocht­ends slecht­ge­humeurd en gladgeschoren. De vad­er van alle doden.
[De dauw op de remis­es, p.93]

Ik vind het fascinerende, tot nadenken dwin­gende lit­er­atu­ur. Met pri­jzen heb ik niet veel. Dat het werk van Her­ta Müller de Nobel­pri­js voor lit­er­atu­ur heeft gewon­nen zegt me niets. Doet me niets. Wel de taal van Müller. Haar ver­halen. Die lat­en me nu al niet meer los. Ondanks dat ik naar alle waarschi­jn­lijk nog niet voor de helft meekri­jg wat ze pre­cies wil vertellen, wil ik meer lezen van haar. Al is het maar om te begri­jpen of mijn ver­moe­den juist is waar al die vraagtekens zijn gebleven:

En zoals de leer­ling in de trein­coupé naar de zwarte jurk vroeg, zo moet ik mezelf vra­gen: Waar bli­jven de lichamen die proberen het land te ontvlucht­en.
[Over­al waar je de dood hebt gezien, p.147]

Een groep zige­uners die onrust in het dorp brengt; een straat die alleen geas­fal­teerd is aan de kant van de burge­meester­swon­ing; de zonda­gen waarop een vad­er in een zwarte jas het huis ver­laat en ’s avonds dronken thuiskomt. In Bar­revoetse feb­ru­ari ver­w­erk­te Her­ta Müller ervarin­gen uit haar jeugd in een prim­i­tief Roe­meens dorp met een Duit­stal­ige bevolk­ing, en uit haar lev­en in de stad onder de dic­tatu­ur van Ceaus­es­cu. Angst en wantrouwen, en pijn om het ver­lies van vrien­den, vor­men de rode draad in deze schet­sen.

Bar­revoetse feb­ru­ari
Her­ta Müller
Uit­gev­er­ij De Geus
ISBN 9789023485414

~ ~ ~

Die dag

Die dag — het was een schooldag, want Inge kwam thuis uit school en zeepte haar kri­jthanden in — die dag, toen het kri­jt zoals elke dag niet van haar han­den ging, toen het zeep­schuim op haar vingers in tal­loze blaas­jes dik opbolde als een zweer en fijngewreven werd en langs zichzelf heen waste zon­der de huid te rak­en; die dag, toen de keuken een afval­berg van bor­den en messen en kan­nen en pot­ten en schalen en glazen was die uit zichzelf lawaai maak­ten en zuur roken; die dag, toen de kamer omge­woeld was van louter gebuk­te, gekrompen, ver­sleten werkkleren; die dag, toen boeken en snip­pers papi­er ver­from­meld en openges­la­gen op de meubels lagen, toen Inge alleen maar ver­warde, zware zin­nen in haar hoofd had; die dag deed Inge iets wat ze alti­jd al had willen doen en tot dan toe niet gedaan had omdat ze niet wist wat het was.

[p.41, Bar­revoetse feb­ru­ari, Her­ta Müller]

blog­da­tum: 15 maart 2014

~ ~ ~