Misschien herkenbaar?

Deze blog­post is deel 22 van 43 in de serie Een per­fecte dag voor lit­er­atu­ur

Tom komt met zijn scheer­spiegel uit de bad­kamer, legt hem op tafel en loopt naar de keuken om een nieuwe fles wijn te halen. Daniël begint de coke voorzichtig fijn te hakken en op te delen.
[p.193, Miss­chien wel niet]

Zomaar een scène van een doorde­weekse don­derda­gavond waar rou­tineus zwaar gedronken en ges­noven wordt door enkele stellen in een Ams­ter­damse buurt. Mor­gen­vroeg moeten de kinderen weer naar school gebracht en het werk gedaan wor­den.

Herken­baar?

Niet voor mij. Toch staat in de flaptekst van Miss­chien wel niet te lezen dat deze roman een heden­daags beeld schetst ‘waarin velen zich zullen herken­nen’. Gelukkig komen er vol­doende andere zak­en aan bod in dit nieuwe boek door Jan­nah Loon­t­jens, dat die herken­baarheid voor mij er wel degelijk is. Het voor­naam­ste miss­chien wel het gegeven dat we lev­en in ‘een tijd waarin het steeds moeil­ijk­er wordt om te dur­ven kiezen’ (aldus nog steeds de flaptekst).

Wel vraag ik me af of het niet alleen ‘dur­ven kiezen’ betre­ft, maar ook ‘kun­nen kiezen’.

De stress van een veel­heid aan keuze­mogelijkhe­den die gepaard gaat met het onver­mo­gen om te weten wat men nas­treeft. Wat wil ik?

[Begin inter­mez­zo]

Jaren gele­den zat ik met een stel collega’s in een tour­ing­car richt­ing een of ander pret­park. We had­den een jaar lang hard gew­erkt, onze tar­gets gehaald en daarom iets te vieren. Al voor­dat we goed en wel Nijmegen uit waren wer­den de eerste flesjes bier en wijn opengetrokken. Er werd geproost op ons suc­ces. De bonus was bin­nen. Het lev­en was goed.

Volkomen onverwachts vroeg een col­le­ga waar ik verder niet veel mee had samengew­erkt in het project aan mij of dit het nu was. Ik wist in eerste instantie niet pre­cies wat ze bedoelde. Ze verk­laarde zich nad­er. Of dit (van dead­line naar dead­line werken) ons lev­en vor­mde. En of het dat­gene was wat ik alti­jd voor ogen had gehad toen ik aan deze job begon.

Ik keek rond of iemand nog bier in de aan­bied­ing had.

Als je hier, op dit moment, opnieuw zou kun­nen begin­nen, wat zou je dan willen doen? Wie zou je willen zijn? Dat waren de vra­gen waarmee ze ver­vol­gde ter­wi­jl ik mijn tweede flesje bier aan­gereikt kreeg. En als het iets anders was dan wat ik momenteel deed, voegde ze eraan toe, dan moest ik me maar eens serieus afvra­gen waarom ik nog steeds in deze bus zat. Proost! zei ik.

Enkele biert­jes lat­er was ik haar en haar vra­gen alweer ver­geten.

[Einde inter­mez­zo]

Als nie­mand iets van me zou verwacht­en, zou ik de bac­ter­iën het lief­st nateke­nen (…) Dat zou ik willen doen. Kijken en teke­nen.
[p.96, Miss­chien wel niet]

Mascha weet niet wat ze wil. Twi­jfel is haar tweede natu­ur.

Ooit heeft ze een wel­be­wuste keuze gemaakt (micro­bi­olo­gie in plaats van lit­er­atu­ur), maar daar­na is het min of meer alle­maal vanzelf gegaan. ‘Zo gaat dat’, verzucht ze zelf1. Alsof ze op een ocht­end wakker wordt, verd­waasd om zich heen kijkt en dan beseft dat dit het is: ‘dit is dus mijn lev­en. Dit is het bestaan dat ik leid2.’

Apathie lijkt haar eerste natu­ur.

Maar diep van bin­nen weet Mascha heel goed wat ze wil (net als dat ik heel goed wist wat ik wilde, toen in die bus). Kijken en teke­nen. Of, naar­mate de roman vordert, vrij en gelukkig zijn. Het prob­leem is alleen dat Mascha zich naar mijn idee schaamt voor deze ver­lan­gens. Ze kan het niet rij­men met andere gevoe­lens die er haaks op staan. En deze con­stante worstel­ing sloopt haar gelei­delijk.

Ga maar na. Er is de ver­ant­wo­ordelijkheid voor de kinderen tegen­over het ver­lan­gen naar vri­jheid. Het niet afgewezen willen wor­den tegen­over de wens ontsla­gen te wor­den. De onzek­er­heid wan­neer haar vad­er haar gadeslaat tegen­over het willen lat­en zien hoe goed ze ergens in kan zijn. Wat haar rest is te vlucht­en. Door een inter­net affaire te begin­nen. Alles te zien als een spel. Geloof te hecht­en aan het nood­lot. Om maar niet de con­frontatie met zichzelf aan te gaan.

Haar vad­er vat het ker­nachtig samen in zijn ver­wi­jt dat de gen­er­atie van Mascha geen toewi­jd­ing en doorzettingsver­mo­gen heeft3. Alleen denk ik niet dat hij gelijk heeft. Ten­min­ste, niet hele­maal. Er is meer. In de lez­ing van Tom (de part­ner van Mascha) vin­den we ook aan­knop­ingspun­ten waar hij ref­er­eert naar het verd­waald zijn van de heden­daagse mens.

We lev­en miss­chien wel meer dan ooit in het nu. Toch komt dit niet voort uit een bewustz­i­jn van tijd en ver­ganke­lijkheid, eerder komt het voort uit een ver­lies aan richt­ing.
[p.164, Miss­chien wel niet]

Ik ben geneigd het laat­ste woord ‘richt­ing’ te ver­van­gen door ‘zingev­ing’. In de meest brede zin van de beteke­nis. Het zin geven aan een activiteit. Het zin­vol bezig zijn.

Met het weg­vallen van de allesover­heersende rol van religie en ide­olo­gie in onze west­erse samen­lev­ing, is er ook een con­text van zingev­ing weggevallen waar velen van ons niets voor in de plaats hebben weten te stellen. Zo ook Mascha. Zij is verd­waald ger­aakt in een wereld waar alles kan en mag maar waar nie­mand haar verteld of ze goed bezig is. En alleen is ze niet in staat om haar onzek­er­heid te over­win­nen. Haar part­ner heeft wel duid­ing maar geen antwo­or­den. Hoe zal ze ooit weten of ze de juiste keuzes heeft gemaakt?

Miss­chien wel niet is een boeiende roman waarin je meege­zo­gen wordt in de gedacht­en- en leefw­ereld van een heden­daagse vrouw die ten onder dreigt te gaan aan haar onver­mo­gen om haar lev­en richt­ing te geven. Een wereld die afwis­se­lend herken­baar en min­der herken­baar voor mij was (en bij tijd en wijle ‘over the top’) maar alti­jd fascinerend genoeg om door te bli­jven lezen. Na afloop heb je geen idee hoe het verder moet met Mascha, maar je hebt wel een beeld gekre­gen van de uitzicht­loze wan­hoop wan­neer iemand verz­wol­gen wordt door een exis­ten­tiële cri­sis.

Miss­chien wel niet beschri­jft vier dagen uit het lev­en van Mascha. Ze woont in Ams­ter­dam, heeft net als haar vriend een goede baan en samen hebben ze twee kinderen. Ze lei­dt een lev­en dat exem­plar­isch lijkt voor deze tijd, waarin een grote keuzevri­jheid, What­sApp en Face­book het lev­en ver­aan­ge­na­men, maar ook ingewikkeld mak­en.
Deze dagen uit Mascha’s lev­en schet­sen een heden­daags beeld waarin velen zich zullen herken­nen. Ze beleeft los­bandi­ge avon­den met haar vrien­den, doet haar best een goede moed­er te zijn, houdt haar relatie onder de loep en heeft een geheime Face­book-affaire. Dagelijks voert ze stri­jd met het nemen van ver­ant­wo­ordelijkhe­den.

Miss­chien wel niet
Jan­nah Loon­t­jens
Uit­gev­er­ij ambo | anthos
ISBN 9789026326523

~ ~ ~


  1. blz.118, Miss­chien wel niet 

  2. blz.91, Miss­chien wel niet 

  3. blz.228, Miss­chien wel niet 

Monday Morning Blues…

Hoe vaak heb ik er niet naar ver­langd om zomaar te stop­pen. Om gewoon maar te bli­jven liggen. Niet uit bed te komen, niet te ont­bi­jten, niet naar school te bren­gen, geen werk, geen ver­gader­ing, geen crèche, geen school, geen eten, geen vra­gende blikken van anal­is­ten, of van kinderen, geen ver­haalt­je bij bedti­jd, geen tv, geen inter­net. Er zomaar mee op te houden. Een­voudig stop­pen. To be or not to be. Gewoon bli­jven liggen. Op mijn rug.

[p.15 — Miss­chien wel niet — Jan­nah Loon­t­jens]

Vanocht­end mocht ik na drie weken zomer­vakantie weer naar kan­toor. Ik was liev­er gewoon bli­jven liggen. Op mijn zij, want als ik op mijn rug lig ga ik snurken vol­gens Inge. Dan moet ik er alsnog uit. En kan ik net zo goed gaan werken.

Het viel overi­gens ontzettend mee. De dag vloog voor­bij. Wan­neer de vol­gende dagen ook zo snel voor­bij vliegen, dan is het zo weer vakantie.

~ ~ ~

UITGELICHT want SHARING is CARING

Nieuw blog­pro­ject — Tes­sa Heit­mei­jer

Het hangt blijk­baar in de boek­bl­o­gos­feer, want nadat ik zelf onlangs met mijn Read-a-long project van start ben gegaan, las ik dit week­end bij Tes­sa dat zij met iets soort­gelijks gaat begin­nen:

Ik Twit­ter­de er al over, en ik maak­te mensen al nieuws­gierig. Ik ben de afgelopen weken bezig geweest met het uitwerken van plan­nen voor een nieuw blog­pro­ject. Een blog­pro­ject dat mij maan­den­lang zoet zal houden. Een blog­pro­ject waar ik boven­di­en ontzettend veel zin in heb.
Het idee heeft zich nu dus­danig goed gevor­md in mijn hoofd dat ik mijn nieuwe blog­pro­ject graag met jul­lie wil delen. Ik ga *denkbeeldig tromgerof­fel* elke maand een boek van …

En de rest mogen jul­lie zelf lezen op de site van Tes­sa.

~ ~ ~

Misschien wel

Op de laat­ste dag van mijn vakantie bezorgt de post­bode het eerste boek om te lezen na de ver­plichte zomer­pauze voor Een per­fecte dag voor lit­er­atu­ur. Het is Miss­chien wel niet, geschreven door Jan­nah Loon­t­jens1. De datum waarop we erover gaan bloggen is 15 sep­tem­ber. Dit zijn de vol­gende drie boeken die we daar­na gaan lezen en reviewen:

  • Hol­lands Siber­ië – Mar­iët Meester2 — blog­da­tum 30 sep­tem­ber
  • Hier bli­jf ik (korte ver­halen) – San­neke van Has­sel — blog­da­tum 15 okto­ber
  • De evo­lu­tie van een huwelijk – Rebek­ka W.R. Brem­mer — blog­da­tum 30 okto­ber

Even kwam ik in de ver­lei­d­ing om meteen aan het boek van Loon­t­jens te begin­nen. De vorige keren is het me goed bevallen om de boeken tijdig gelezen te hebben zodat ze kun­nen bezinken en mijn onder­be­wuste alvast wat kan brain­stor­men over een orig­inele insteek van de recen­sie. Ik wist me echter te bed­win­gen. Eerst wil ik nog wat verder lezen in de boeken die ik voor mezelf heb ges­e­lecteerd om in de vakantie te lezen. Tenslotte is het nog steeds vakantie. En verder werd mij ook vrien­delijk doch dwin­gend ver­zocht wan­neer ik nu ein­delijk eens een begin zou mak­en met het schuren en in de grond­verf zetten van de fietss­chu­ur. Iets wat ik al maan­den had uit­gesteld om (ja schat­je, echt waar) dat op mijn gemak in de vakantie te gaan doen.

Tij­dens het schuren bedacht ik me dat ik voor de blog­ger­sleesclub gemid­deld twee boeken per maand lees en daarover ook een besprek­ing schri­jf. Voor de andere boeken die ik gelezen heb dit jaar3 doe ik dat eigen­lijk niet, of spo­radisch, of slechts gedeel­telijk. Dat is jam­mer want daar­door miste ik de kans hier­boven om een link naar de besprek­ing van Mijn lev­en is mooier dan lit­er­atu­ur te plaat­sen4.

Ik bedacht me ook dat mijn onder­be­wuste alvast wat brain­storm­sessies had door­lopen met betrekking tot dit onder­w­erp en één van de manieren waarop ik invulling aan dit hiaat wil geven is door de start van de Read-a-long serie. Maar wat die andere manieren dan zijn of waarom ik daar über­haupt gewag van maak is mij ook een raad­sel. Mijn onder­be­wuste houdt veel voor me ver­bor­gen, zo blijkt.

Any­ways, de vakantie is over enkele uurt­jes voor­bij en een welver­di­end week­end kan begin­nen. Een week­end waarin ik miss­chien toch wel aan Miss­chien wel niet ga begin­nen. Miss­chien ook niet.

Miss­chien wel niet beschri­jft vier dagen uit het lev­en van Mascha. Ze woont in Ams­ter­dam, heeft net als haar vriend een goede baan en samen hebben ze twee kinderen. Ze lei­dt een lev­en dat exem­plar­isch lijkt voor deze tijd, waarin een grote keuzevri­jheid, What­sApp en Face­book het lev­en ver­aan­ge­na­men, maar ook ingewikkeld mak­en.
Deze dagen uit Mascha’s lev­en schet­sen een heden­daags beeld waarin velen zich zullen herken­nen. Ze beleeft los­bandi­ge avon­den met haar vrien­den, doet haar best een goede moed­er te zijn, houdt haar relatie onder de loep en heeft een geheime Face­book-affaire. Dagelijks voert ze stri­jd met het nemen van ver­ant­wo­ordelijkhe­den.

Miss­chien wel niet
Jan­nah Loon­t­jens
Uit­gev­er­ij ambo | anthos
ISBN 9789026326523

~ ~ ~

UITGELICHT want SHARING is CARING

Pauw & Vrouwen — Michelle van Dijk

Er is al veel geschreven over de opmerk­ing van Jeroen Pauw dat vrouwen niet zoveel beteke­nen in onze samen­lev­ing, maar als Michelle van Dijk er over gaat bloggen, dan wil ik dat niet mis­sen.

~ ~ ~


  1. Eerder las ik van haar het essay Mijn lev­en is mooier dan lit­er­atu­ur, en ik dacht een linkje naar mijn blog­post daarover te ver­melden. Maar wat blijkt? Ik heb er nooit over geblogd ter­wi­jl ik toch zou zweren dat wel gedaan te hebben. 

  2. Op 11 sep­tem­ber is de boekp­re­sen­tatie in Veen­huizen. De locatie is het Nation­aal Gevan­genis­mu­se­um. Erg orig­i­neel. Of ik er naar toe ga is weer een ander ver­haal. Best wel een flinke afs­tand vanu­it Arn­hem. 

  3. Zes tot nu toe, en als je wilt weten welke dat zijn, neem dan hier een kijk­je. 

  4. Om deze inter­textuele ver­wi­jz­ing beter te kun­nen waarderen is het wel nodig dat je de voet­noten ook leest. Hoewel dit dan miss­chien weer niet de meest hand­i­ge plaats is om je daar op te wijzen als je de voet­noten toch nooit leest… 

50books — Vraag 40

Deze blog­post is deel 40 van 50 in de serie 50books — 2013

Iedereen kent er wel een paar. Zo’n flauw grap­je tij­dens je jeugd dat elke keer weer voor­bij kwam. Niet omdat ze zo leuk waren maar omdat ze vaak onlos­make­lijk ver­bon­den waren met een bepaalde per­soon of terugk­erende sit­u­atie. Zo herin­ner ik mijzelf nog alti­jd de opmerk­ing die mijn vad­er alti­jd maak­te wan­neer we gin­gen vis­sen. In de auto op weg naar de vis­plek van de dag, vroeg ik hem dan steev­ast waar de meeste vis zat hoewel ik het antwo­ord allang wist. ‘Tussen de kop en de staart, jon­gen’, zei hij olijk en gaf me ver­vol­gens vaak ook nog een por in mijn zij of een klap op mijn schoud­ers. Ik kon er niets aan doen maar moest er elke keer weer om lachen. Ook nu ter­wi­jl ik dit schri­jf heb ik een gri­jns op mijn gezicht.

Natu­urlijk doe je wel onrecht aan de kop en de staart. Tenslotte is dat ook vis. En min­stens zo belan­grijk als de rest. Het zou het­zelfde zijn als wan­neer je zou zeggen dat het meeste ver­haal tussen de begin- en de eindzin zou zit­ten. Dat klopt op zich hele­maal. Maar we weten alle­maal dat een eindzin het voor­gaande com­pleet op zijn kop kan zetten. Er zit soms net zoveel ver­haal in die laat­ste zin als in alle voor­gaande zin­nen. Met terug­w­erk­ende kracht wordt het ver­haal in een ander daglicht gezet en zet zich in je hoofd een trein van gedacht­en in werk­ing om de nieuwe ver­haal­li­jn te vol­gen die door die laat­ste zin in werk­ing is gezet.

En wat te denken van die eerste zin? Een­t­je waar de schri­jver vaak tij­den tege­naan zit te hikken. Het is tenslotte wel het eerste waar je als lez­er mee te mak­en kri­jgt. Daar kun je niet al te luchtig over doen. Ik bedoel, het maakt nogal een ver­schil wan­neer voor een hier niet nad­er te noe­men boek, de beginzin als vol­gt was geweest ‘Met een schok schoot hij wakker en zag op z’n wekker dat hij zich ver­slapen had’, in plaats van ‘In het begin schiep God de hemel en de aarde’. Het zou veel lez­ers toch een heel ander beeld hebben gegeven van de hoofd­per­soon. Zo’n eerste zin kan voor een schri­jver soms echt een obsessie gaan vor­men dat ze er com­pleet door geblok­keerd rak­en. Om maar aan te geven hoe belan­grijk het voor hen is.

Ik herin­ner me een uit­spraak van een schri­jver die aan­gaf alti­jd met de tweede zin van zijn ver­haal te begin­nen om dan pas lat­er, wan­neer hij meer overzicht had over het geheel, de eerste zin erbij te schri­jven. Iets van deze worstel­ing zag ik ook terug bij Jan­nah Loon­t­jes in haar boek ‘Mijn lev­en is mooier dan lit­er­atu­ur’:

Als een schri­jver al maan­den aan een begin werkt, is dit dan nog een begin te noe­men? Zit hij vast omdat hij geen geschikt begin kan vin­den of kan hij geen geschikt begin vin­den omdat hij sowieso in zijn lev­en en denken vastz­it? We kun­nen eigen­lijk pas iets zin­nigs over het begin van het schri­jven zeggen als we al verder zijn. Zelfs als er maar één zin van een tekst is, kun je die zin alleen als ‘eerste zin’ herken­nen als er op zijn minst een belofte van een ver­volg is.
[p.14, Mijn lev­en is mooier dan lit­er­atu­ur, Jan­nah Loon­t­jens]

Kor­tom, de schri­jver doet dus in de meeste gevallen erg zijn best om een goede eerste zin neer te zetten. Maar lukt dat ook alti­jd? En herken­nen jul­lie dit zelf ook als lez­er dat een beginzin bepal­end kan zijn voor het eventuele verder lezen? Hebben jul­lie voor­beelden van beginzin­nen die zo pakkend zijn dat ze je alti­jd zijn bijge­bleven? Met andere woor­den hoe belan­grijk vin­den jul­lie die eerste beginzin van een ver­haal? Of ervaar je die eerste zin gelijk alle andere en ben je uitein­delijk geïn­ter­esseerd in het gehele ver­haal? Zit voor jou dus het meeste ver­haal wel degelijk tussen de begin- en de eindzin?

Ik ben zoals elke week weer erg benieuwd naar jul­lie reac­ties. Veel schri­jf­plezi­er, en laat je niet tegen­houden door die eerste zin.

Vraag 40:
Hoe belan­grijk is de eerste zin van een boek en welke goede voor­beelden ken je?

~ ~ ~