De kat en het spek

Deze blogpost is deel 34 van 34 in de serie Don Quichot - Cervantes

Eerste deel – Drieëndertigste hoofdstuk:

Waarin het verhaal van de Ongepast Nieuwsgierige verteld wordt

Ja, ik weet het. Mijn oprechte excuses voor de lange blogpauze voor wat betreft de avonturen van Don Quichot. Sinds eind maart geen updates meer. Ik kijk er zelf ook van op. Het boek heeft hier al die tijd op mijn bureau gelegen maar het kwam er niet van en ik had er ook niet altijd zin in om verder te lezen. Dit weekend wel, dus wie weet gaat het mij weer lukken om iedere zondag een nieuw hoofdstuk te delen. Met betrekking tot het eerste deel ben ik tot ruim over de helft gevorderd. Slechts zeventien hoofdstukken (weken) te gaan. Waarna er nog eens vierenenzeventig hoofdstukken in het tweede deel staan te wachten.

‘Wel goed, luistert dan allen; het verhaal begint als volgt.’

Met deze woorden eindigde het vorige hoofdstuk. De pastoor, die enkele handgeschreven vellen papier van de herbergier in handen heeft, afkomstig uit een achtergelaten valies, wordt overgehaald Het verhaal van de Ongepast Nieuwsgierige hardop voor te lezen. Aangezien het een flinke lap tekst is lukt het de pastoor niet om het gehele verhaal in dit hoofdstuk af te ronden. Er wordt verder ook niet stilgestaan bij hoe de omstanders reageren op het verhaal. Iets wat in vorige hoofdstukken juist wel gebeurde. Nu is het is eerder een verhaal in een verhaal.

Hoofdrolspelers zijn Anselmo en Lotario, twee goed bevriende jongemannen uit Florence. Zij trekken dag en nacht met elkaar op en delen lief en leed, tot op een dag Anselmo verliefd wordt op de schone Camila. Met hulp van Lotario weet Anselmo de hand van Camila te veroveren en de goedkeuring van haar vader te verkrijgen voor een huwelijk. Tot zover geen vuiltje aan de lucht.

Dat gaat echter veranderen enkele dagen na de bruiloft wanneer de voornaamste festiviteiten en plichtplegingen achter de rug zijn. Lotario vindt het raadzaam vanaf nu wat minder Anselmo op te zoeken

omdat hij, als ieder verstandig mens, van mening was dat men een getrouwde vriend de deur niet plat mag lopen op dezelfde wijze als toen hij nog vrijgezel was. [p.241]

Anselmo ziet dit met lede ogen aan en probeert Lotario over te halen om hen vaker te blijven bezoeken. Hij haalt er zelfs Camila bij die volgens hem gegriefd was door het wegblijven van Lotario terwijl hij zou moeten weten hoe Anselmo elke keer weer uitkeek naar zijn gezelschap. Lotario laat zich echter niet voor de volle honderd procent overhalen indachtig hoe de omgeving erover zou kunnen gaan roddelen indien hij regelmatig in hetzelfde huis zou vertoeven waar ook de beeldschone echtgenote van zijn vriend zich bevond.

Want ofschoon zijn eer en goede naam wel in staat waren de lastertongen te beteugelen, hij wilde toch háár goede naam en die van zijn vriend niet in opspraak brengen. [p.242]

Moeilijker echter wordt zijn situatie wanneer op een dag Anselmo met een wel heel vreemd verzoek komt. Hij heeft zich plots in het hoofd gehaald dat hij bewezen wil zien dat zijn vrouw inderdaad zo ‘deugdzaam en volmaakt’ is als hij denkt dat ze is. In zijn ogen is er maar één manier om dit uit te vinden, en dat is om Lotario met haar alleen te laten en te zien of zij in gaat op zijn avances naar haar. Doet zij dat niet, dan is dat het bewijs wat hij nodig heeft. Lijkt zij wel te zwichten voor de charmes van Lotario dan kan die snel stoppen voordat het serieus wordt en zal Anselmo, zoals hij zelf aangeeft ‘slechts in gedachten beledigd zijn en mijn smaad zal dank zij jouw stilzwijgen verborgen blijven’.

De vraag is of Lotario daaraan mee wil werken.

Nou, nee dus. Vele pagina’s lang heeft hij nodig om Anselmo omstandig uit te leggen dat dit een belachelijk idee is omdat er hoe dan ook niets goeds van kan komen. Hij haalt alles uit de kast om Anselmo ervan te overtuigen dat zijn voorstel niet alleen oneerbaar is naar zowel Camila als hemzelf, maar dat het ook niet fair is om op deze geniepige wijze uit te willen vinden of zijn echtgenote wel zo trouw is. Tenslotte is dit een klassiek voorbeeld van de kat op het spek binden.

Bedenk toch, beste vriend, de vrouw is een onvolmaakt schepsel, men moet haar niets in de weg leggen waarover zij kan struikelen en vallen, maar die hinderpalen juist voor haar wegruimen en haar een pad banen vrij van alle beletselen, opdat zij ongehinderd haars weegs kan gaan en de volmaaktheid bereiken die zij nog mist, en die de deugd is. [p.245]

Ondanks de strofes poëzie en referenties naar de bijbel die hij er ten overvloede ook nog bij haalt om zijn betoog te ondersteunen lukt het hem niet Anselmo op ander gedachtes te brengen. Die blijft bij zijn voornemen en speelt op het gemoed bij Lotario door hem voor te houden dat als die niet meewerkt Anselmo wel gedwongen is om er iemand anders bij te halen en dan zou het inderdaad wel eens helemaal mis kunnen gaan indachtig de voorbeelden die Lotario zelf allemaal beschreven heeft. Schoorvoetend geeft Lotario toe om dan toch maar te doen wat Anselmo van hem verlangt om op die manier de schade hopelijk beperkt te houden.

In de periode die hierop volgt geeft Anselmo zijn vrouw en zijn vriend volop de gelegenheid om tijd met elkaar door te brengen, maar wat hij niet weet is dat Lotario er alles aan doet om te voorkomen dat Camila iets voor hem zou kunnen voelen, terwijl hij ondertussen tegen Anselmo vertelt dat hij alles in het werk stelt om Camila te behagen maar dat het geen enkel effect op haar heeft, deugdzaam en trouw als zij is naar haar echtgenoot.

Wat Lotario op zijn beurt echter doorhad is dat Anselmo zo achterdochtig was geworden dat hij hen op verschillende momenten heimelijk bespiedt en zo ontdekt dat Lotario hem voorliegt. Lotario is zo beschaamd dat hij betrapt is, dat hij nogmaals toegeeft met het voorstel van Anselmo om een aantal dagen op rij met Camila door te brengen terwijl Anselmo zogenaamd op zakenreis is. Ook nu probeert Lotario in eerste instantie zo afstandelijk als mogelijk te blijven richting Camila, totdat het noodlot alsnog toeslaat. Juist dooe zijn stilzwijgen kreeg hij meer oog voor de bevalligheid van Camila en ‘hij bedacht hoezeer zij waard was bemind te worden, een gedachte die al meer en meer de gevoelens die hij voor Anselmo koesterde begon te ondermijnen’.

Om kort te gaan, de schoonheid en deugd van Camila, gevoegd bij de gelegenheid die de domme echtgenoot hem had geboden, deden Lotario’s trouw bezwijken [p.250]

Camila is met stomheid geslagen en weet niet wat te doen met deze situatie. In haar wanhoop besluit zij een knecht met een briefje naar Anselmo te sturen, en wat er in dat briefje staat en hoe het verhaal verder gaat krijgen we te lezen in het volgende hoofdstuk.

De vraag is natuurlijk wat de bedoeling van dit intermezzo is in de context van het verhaal met Don Quichot in de hoofdrol. Is het zomaar een verhaaltje voor het slapen gaan, of krijgen we later een soort van moraal of duiding voorgeschoteld die de avonturen van Don Quichot in een ander daglicht zet? Ik ben benieuwd en heb de smaak weer te pakken om verder te lezen.

~ ~ ~

Zo waar als het gedrukt staat

Deze blogpost is deel 33 van 34 in de serie Don Quichot - Cervantes

Eerste deel – Tweeëndertigste hoofdstuk:

Hetwelk handelt over hetgeen Don Quichot en gans zijn gezelschap in de herberg overkwam

Eindelijk komt het gezelschap bij de herberg aan waar Don Quichot en Sancho al eens eerder op hun tocht onderdak hadden gevonden (waarbij de dolende ridder zelfs het idee had dat het hier een kasteel betrof). Er wordt allereerst een kamer voor Don Quichot in orde gebracht zodat hij zich te ruste kan begeven terwijl de rest aanschuift voor een avondmaal. Omdat Sancho eerst nog wat andere klusjes moet afhandelen gaan de gesprekken aan tafel al snel over de vermeende gekkigheid van onze in diepe rust verkerende held.

Ieder voor zich zijn ze er volledig van overtuigd dat er bij Don Quichot iets niet helemaal in orde is in zijn bovenkamer, maar toen de pastoor aangaf dat er een duidelijk verband is met de vele ridderromans die Don Quichot gelezen had was de waard het daar toch niet helemaal mee eens:

Ik begrijp niet hoe dat kan; want waarachtig, voor zover ik er verstand van heb, is er niets beters ter wereld om te lezen en ik heb er hier zelf een stuk of drie en nog wat andere geschriften ook, die mij werkelijk het hart verheugd hebben [p.236]

Het is aanleiding voor de tafelgenoten om enthousiast te vertellen hoe ze ieder voor zich kunnen genieten van de verschillende aspecten die in de ridderromans voorbij komen. Zo is de waard erg onder de indruk van de vele vechtpartijen, terwijl zijn dochter vooral kan genieten van de liefdesperikelen waarbij ze vooral medelijden heeft met de ridders die altijd maar weer in het ongewisse worden gehouden door hun onbereikbare geliefdes.

Wanneer de pastoor vraagt of de waard de boeken kan laten zien die hij in zijn bezit heeft velt hij al snel het oordeel dat het beter is dat twee van de drie op de brandstapel zouden moeten, namelijk de fictieve ridderromans. De beschrijving van het leven van een historische persoon (Gran Capitan Gonzalo Fernández de Córdoba) mag wat hem betreft terug in de kast omdat het op waarheid is gebaseerd. De waard is het daar volstrekt niet mee eens en begint uitvoerig en vol enthousiasme te vertellen hoe de avonturen van de fictieve ridders toch in hoge mate de heldendaden van de Gran Capitan overstijgen. Als hij hoog opgeeft over hoe één van die ridders op de rug van een zeeslang gezeten om deze met blote handen te wurgen en zelfs hiermee doorgaat terwijl het dier onder water verdwijnt beginnen de reizigers zich af te vragen of hij niet ook besmet is met dezelfde krankzinnigheid als Don Quichot.

De pastoor probeert hem voorzichtig uit te leggen dat er een verschil is tussen fictie en waargebeurde geschiedenis maar het is aan dovemansoren gericht. Een belangrijk argument voor de waard is dat de ridderromans gedrukt zijn ‘met verlof van de heren van de Koninklijke Raad, en dat zijn mensen die zoveel leugens bij elkander zouden laten drukken en zoveel veldslagen en zoveel betoveringen, dat zij een mens het hoofd op hol brengen’. Dat het hier gaat om een onschuldige vorm van verpozing op die moment dat er niet gewerkt hoeft te worden wil er bij de waard niet in, en het sterkt de pastoor alleen maar meer in zijn overtuiging dat het juist verre van onschuldig is dit soort boeken te verspreiden. Hij ziet echter wel in dat het geen nut heeft om de waard op andere gedachten te brengen en laat zijn plan varen om de boeken te verbranden waarbij hij echter wel de waard op het hart drukt niet zo ver te gaan als Don Quichot in zijn waan.

‘Dat nooit’, antwoordde de waard, ‘ik zal niet zo gek zijn voor dolend ridder te gaan spelen; want ik weet best dat het heden ten dage heel anders in de wereld toegaat dan het toeging in de tijd toen naar men zegt, die beroemde ridders over de wereld zwierven.’ [p.240]

Sancho, die zich ondertussen bij het gezelschap had gevoegd is verbijsterd als hij hoort dat een dolende ridder iets is uit lang vervlogen tijden en hij besluit om voor zichzelf na te gaan of er eigenlijk wel iets voor te halen valt als knecht van Don Quichot.  Zo niet, dan is het misschien beter huiswaarts te keren en zijn gezin weer op te zoeken.

Terwijl Sancho in gedachten verzonken is ontdekt de pastoor naast de boeken die de waard hem heeft gebracht nog een ander handgeschreven werk met als titel Het verhaal van de Ongepast Nieuwsgierige. Na wat over en weer gepraat is iedereen het erover eens dat het een mooie afsluiting van de dag zou zijn indien de pastoor dit verhaal zou voorlezen. In het volgende hoofdstuk zal dit geschieden.

~ ~ ~

Laat me met rust!

Deze blogpost is deel 32 van 34 in de serie Don Quichot - Cervantes

Eerste deel – Eenendertigste hoofdstuk:

Over de kostelijke gesprekken die gevoerd werden tussen Don Quichot en Sancho Panza, zijn schildknaap, en wat er meer volgt

Terwijl het gezelschap nog steeds onderweg is naar het dichtsbijzijnde dorp om Don Quichot de hulp te bieden die hij dringend nodig heeft (hoewel hij dat zelf zal ontkennen) wil hij nu toch wel eens weten hoe het gesprek is gegaan tussen zijn knecht Sancho en zijn aanbeden Dulcinea. Het brengt Sancho in een moeilijke situatie gezien hij de vrouw nog nooit eerder heeft ontmoet, laat staan dat hij de brief van Don Quichot aan haar heeft weten te overhandigen vanwege de toevallige ontmoeting met de pastoor en de barbier bij de herberg.

Het lukt Sancho echter om met veel fantasie zijn meester te doen geloven dat hij wel degelijk in het zeer korte tijdsbestek op en neer is geweest om te vertellen hoe het met haar aanbidder gesteld is. Wat hierbij zeker hielp is dat Don Quichot waar nodig zelf de opvallende hiaten in de leugens van Sancho wist op te vullen met creatieve bedenksels om zo een sluitend verhaal tot stand te brengen. Want ook nu prikt zijn scherpe geest meteen door de bedenksels van Sancho en de onmogelijkheid om haar te hebben bezocht in slechts drie dagen.

Zodoende, beste Sancho, valt het mij ook in het geheel niet moeilijk te geloven dat je in zo korte tijd vanhier naar El Toboso en terug bent geweest; want, zoals ik al gezegd heb, een bevriende tovenaar zal je wel door de lucht hebben laten vliegen, zonder dat jij er van wist. [p.232]

Vervolgens gaat het gesprek over de belofte die Don Quichot gedaan heeft om Dorotea aka prinses Micomicona te helpen haar koninkrijk terug te veroveren tegenover het verlangen om zijn geliefde Dulcinea op te zoeken. Sancho ziet niets liever dan dat de heldhaftige ridder de strijd met de reus aangaat en na zijn roemrijke overwinning in het huwelijk zal treden met de prinses. Op die manier denkt hij voor zichzelf een hoop rijkdom en aanzien veilig te stellen als beloning voor zijn bijdrage in de strijd als schildknaap. Don Quichot wil echter nog steeds niets weten van een trouwpartij aangezien voor hem er maar één vrouw is waar hij zijn hart aan heeft verpand en dat is Dulcinea.

Het gesprek wordt onderbroken door de komst van een nieuwe reiziger die ze bij toeval ontmoeten tijdens een rustpauze bij een bron waar ze hun dorst kunnen lessen. Het blijkt de jongen te zijn die Don Quichot een hele tijd geleden hulp had geboden toen hij afgeranseld werd door de boer waar hij in dienst was alleen maar omdat hij om zijn loon had gevraagd. Het is de perfecte aanleiding voor onze nobele ridder om uitgebreid stil te staan bij zijn rol en van zijns gelijken ‘die het onrecht rechtmaken en de onrechtvaardigheid wreken welke de gewelddadigen en verdorven die er op leven er in uitrichten’.

Helaas voor Don Quichot denkt de jongeman hier toch heel anders over. Niet lang nadat zijn redder was vertrokken had de boer hem opnieuw vastgebonden en was verder gegaan met de afranseling zonder zich te houden aan de belofte gedaan richting Don Quichot om gezamenlijk huiswaarts te keren en de boerenknecht het geld te overhandigen dat hem rechtelijk toekwam voor gedane diensten. En dat was allemaal de schuld vanwege de ingreep door Don Quichot die dit echter niet met hem eens is, hooguit dat hij de fout had gemaakt om weg te rijden.

Ik had dat niet moeten doen aleer hij je betaald had; ik had met mijn jarenlange ervaring moeten weten dat geen dorper zijn gegeven woord gestand doet als hij ziet dat zijn voordeel elders ligt. [p.234]

Dit zeggende herinnert hij zich ook dat hij de jongen gezworen had de boer achterna te gaan tot in alle uithoeken van de wereld indien hij niet zou betalen en dat is wat hij nu van plan is te gaan doen. Het is Dorotea die hem doet wijzen op zijn gelofte haar toch allereerst te helpen voordat hij zich weer in andere avonturen kan storten. Schoorvoetend geeft Don Quichot haar gelijk en laat de jongen weten dat hij nog wat geduld moet hebben. Met slechts wat brood en kaas als tijdelijke compensatie ziet die echter wel in dat hij niet veel te verwachten heeft van Don Quichot of de rest van het gezelschap en maakt zich daarom snel uit de voeten met een laatste verwensing aan het adres van de hulpvaardige ridder om van zijn levensdagen nooit meer tegen te komen. En mocht dat onverhoopt toch gebeuren,

verleent u mij dan als het u belieft geen hulp of bijstand, al ziet u dat ik in stukken gehakt word: laat u mij maar rustig in mijn ongeluk, want het kan nooit zo groot wezen of U Eds. hulp maakt het nog erger; en God straffe U Ed. en alle dolende ridders ter wereld. [p.234]

En weg is hij, Don Quichot beschaamd achterlatend.

~ ~ ~

Don’t mention the ridderschap!

Deze blogpost is deel 31 van 34 in de serie Don Quichot - Cervantes

Eerste deel – Dertigste hoofdstuk:

Gaande over de gevatheid van de schone Dorotea en andere aardige en vermakelijke aangelegenheden

Voor wie vorige week zondag vergeefs heeft zitten wachten op een nieuw deeltje in deze almaar groeiende reeks over het boek Don Quichot door Cervantes wil ik graag mijn excuses aanbieden. Het had een simpele reden: ik had een paar daagjes vrijaf genomen op donderdag en vrijdag en trok dat vakantiegevoel door naar het weekend. Pas laat op de zondagavond bij het naar bed gaan realiseerde ik me hoe ik in gebreke was gebleven. Sorry.

Deze keer een korter hoofdstuk dan de voorgaande keren. Ik dacht dat zich een nieuwe trend had ingezet en dat kan natuurlijk nog steeds het geval zijn en dan is dit hoofdstuk slechts een uitzondering. We gaan het zien.

De draad wordt opgepakt met het verhaal van de pastoor die overvallen was door de bende misdadigers die door tussenkomst van Don Quichot wisten te ontsnappen op weg naar hun lot als galleislaaf. Hoewel Don Quichot slim genoeg was om hier maar beter zijn mond over te houden was dit niet het geval voor Sancho Panza. Hij klapte pardoes uit de school door de rol van zijn meester in geuren en kleuren te beschrijven die daar vanzelfsprekend niet blij van werd.

‘Stommeling’, zei Don Quichot daarop, ‘voegt of past het dolenden ridders uit te vorsen of de verdrukten, de geknechten en de geketenden die zij op hunne wegen ontmoeten zo huns weegs gaan en in deze ellende verkeren wegen hun schuld of wegens hun verdienste? Hun enige taak is hen als hulpbehoevenden bij te staan en daarbij rekening te houden met hun lijden en niet met hun schelmerijen. [p.224]

In het nauw gebracht door de uitspraken van Sancho ging Don Quichot zelfs zover dat hij de pastoor begon te betichten niet op de hoogte te zijn van de nobele verplichtingen die gepaard gaan met het ridderschap en hij zou hem zelfs te lijf zijn gegaan als Dorotea (waarvan hij dacht dat ze een prinses op de vlucht was die zijn hulp nodig had) niet op het allerlaatste moment er in slaagde zijn aandacht te trekken door hem aan zijn belofte te herinneren de reus in haar vaderland te komen verslaan zodat zij alsnog aanspraak kon maken op de troon harer vader.

Met veel fantasie vertelde zij over haar lotgevallen nadat haar ouders waren komen te overlijden. Met de hulp van de pastoor die af en toe moest bijspringen om de verzinsels enigszins recht te praten om de argwaan van Don Quichot niet te wekken verzon zij ter plekke een hele familiegeschiedenis waarin haar vader op mysterieuze wijze voorkennis had weten te verkrijgen van al wat prinses Micomicona (Dorotea dus) zou overkomen na het heengaan van haar vader en moeder. Inclusief de ontmoeting met een dolende ridder waarvan de heldendaden al doorgedrongen waren tot overzeese gebieden.

Het was koren op de molen van zowel Don Quichot als Sancho Panza die zichzelf al rijk rekende, zeker toen hij hoorde dat de helderziende vader van Micomicona ook nog had gezien dat de heldhaftige ridder na het verjagen van de reus met zijn dochter in het huwelijk zou treden. Dat leidde weer tot de volgende ruzie tussen meester en knecht omdat Don Quichot niets wilde horen van zulk een beschikking. Hij was immers voorbestemd om ooit te huwen met de schone Dulcinea en niemand anders.

Zij strijdt door mij en triomfeert door mij en ik leef en adem door haar en dank haar leven en bestaan.

De andere aanwezigen volgden deze woordenwisseling (gepaard gaande met enkele felle slagen van zijn lans door Don Quichot richting zijn knecht) op gepaste afstand en zij konden het niet laten zich te verbazen over ‘de zotternij van de meester en de onnozelheid van de knecht’, zeker voor wat hun goedgelovigheid betrof met betrekking tot het verhaal door Dorotea zo kundig gebracht. Was het ‘alleen omdat zij in de trant en op de manier van de dwaasheden uit zijn boeken worden opgedist?’ De pastoor kon er niet over uit.

‘En wat nog vreemder is’, zei de pastoor, ‘afgezien van de dwaasheden die deze brave hidalgo uitslaat en die men aan zijn krankzinnigheid kan wijten redeneert hij, als men hem over andere aangelegenheden spreekt met zeer goed gekozen woorden en toont in alles een helder en gezond verstand; zolang men maar niet met hem over de ridderschap begint, zal iedereen hem voor een hoogst redelijk mens houden.’

Nu zou ik niet zover willen gaan om Don Quichot als ‘een hoogst redelijk mens’ te bestempelen, maar ik kan wel vinden in de constatering van mijnheer de pastoor. Don Quichot blijkt over een zeer scherpe geest te beschikken die echter zodra het onderwerp van ridders en het ridderschap te sprake komt ogenblikkelijk vertroebeld en zijn zicht op de realiteit doet verdwijnen. Ik vind het een fascinerend gegeven hoe dit in deze roman wordt uitgewerkt.

~ ~ ~

Alles komt samen

Deze blogpost is deel 30 van 34 in de serie Don Quichot - Cervantes

Eerste deel – Negenentwintigste hoofdstuk:

Hetwelk handelt over de dwaze listen en lagen die men bedacht en de maatregelen die men trof om onze verliefde ridder te verlossen uit de zeer strenge penitentie welke hij zich had opgelegd

Nadat de schone Dorotea haar verhaal heeft gedaan hoe zij bedrogen is door Don Fernando wil zij slechts één ding, en dat is met rust gelaten te worden. Of haar toehoorders misschien een plek weten waar zij de rest van haar leven in volledige isolatie kan doorbrengen want haar schaamte is zo groot,

dat ik liever voorgoed in vrijwillige ballingschap ga dan hen in het gezicht te moeten kijken met de gedachte dat zij het mijne zien, beroofd van de eer waarop zij zo vast vertrouwd hebben.
[p.213]

Tijd voor Cardenio om Dorotea te vertellen wie hij is en hoe zij beiden in de luren zijn gelegd door Don Fernando. Het verrassende is dat deze onthulling en het samenvoegen van hun verhalen er toe leidt dat zij tot de overtuiging komen dat zij wellicht hun lotgevallen toch nog een positieve wending kunnen geven.

Zo geeft de uitleg van Dorotea dat de lieftallige Luscinda weliswaar haar ja-woord had gegeven maar tegelijkertijd op schrift had gesteld dat haar ware echtgenoot alleen maar Cardenio kan zijn gecombineerd met alle beloftes door Don Fernando gedaan dat hij hoe dan ook met Dorotea zal huwen hen de hoop dat

de Hemel ons nog teruggeeft wat ons eigen is; het is immers nog onverlet en en nog geenszins beschadigd of in vreemde handen overgegaan.
[p.214]

Cardenio zweert Dorotea dat hij er alles aan zal doen wat in zijn macht ligt om Don Fernando ‘zijn plicht jegens u te erkennen’.

De pastoor en de barbier zijn het hier volmondig mee eens en stellen voor dat het dan verstandiger is het gebergte te verlaten om terug in de bewoonde wereld te bespreken wat eventuele vervolgstappen kunnen zijn. Wat hen brengt op de reden waarom zij naar deze verlaten plek zijn gereisd want Dorotea is natuurlijk niet op de hoogte van het feit dat er zich buiten Cardenio en haarzelf nog iemand heeft teruggetrokken om alleen te zijn, en dat is niemand anders dan Don Quichot.

Een korte uitleg volstaat voor Dorotea om aan te bieden dat het veel beter is dat zij de rol van wanhopige maagd overneemt om Don Quichot met een of andere smoes mee te lokken uit het gebergte zodat hij wanneer zij eenmaal in het dorp terug zijn de hulp kan krijgen die hij ten zeerste nodig heeft.

Het plan pakt goed uit. Dorotea hijst zich in een jurk die zij bij zich had en de barbier plakt een baard op gemaakt van een paardenstaart en samen met Sancho Panza voeren ze een mooie show op die ertoe leidt dat Don Quichot onverwijld zijn spullen pakt om de reis te aanvaarden richting Micomicón, het land waar Dorotea beweert vandaan te komen alwaar volgens Sancho ‘alleen maar een grote reus afgeslacht’ moet worden.

Cardenio en de pastoor hebben ondertussen te voet binnendoor een route genomen die hen het viertal doet ontmoeten bij het verlaten van het gebergte. De pastoor is wel zo verstandig om Cardenio van een vermomming te voorzien omdat hij vermoed dat Don Quichot argwaan krijgt, maar zelf presenteert hij zich aan de verbaasde ridder in zijn ware gedaante met de mededeling dat hij al tijden op zoek was naar hem omdat iedereen in het dorp ongerust was nu ze al zo lang niets van hem gehoord hadden.

Don Quichot heeft geen reden om aan dat verhaal te twijfelen, wel vraagt hij de pastoor waarom die zo licht gekleed is gezien de barre omgeving. De pastoor, die moeilijk kan vertellen dat hij zijn kleding aan Cardenio gegeven heeft, herinnert zich het verhaal van Sancho dat Don Quichot een tijd geleden enkele veroordeelde boeven heeft bevrijd van hun begeleiders en verzint een verhaal dat zij overvallen zijn door een bende ontsnapte misdadigers. Een verhaal waar Don Quichot wijselijk maar niet verder op ingaat.

Bijna mislukt hun hele opzet nog wanneer de barbier van zijn ezel valt en daarbij zijn aangeplakte baard verliest, maar het is opnieuw de pastoor die met veel tegenwoordigheid van geest de situatie weet te redden.

Aldus trekken zij verder richting het dorp waar de pastoor hoopt Don Quichot de hulp te kunnen bieden die noodzakelijk is en waar hij Cardenio en Dorotea raad zou kunnen verschaffen hoe in contact te komen met Don Fernando en Luscinda.

Sancho Panza was bezig met heel andere zaken. Simpel van geest is hij net als Don Quichot helemaal overtuigd van het verhaal door Dorotea opgedist dat zij hen nodig heeft om Micomicón te bevrijden van de kwaadaardige reus. Hij schat de kansen van Don Quichot hoog in om deze reus te verslaan en ziet het als een logisch vervolg dat Don Quichot daarna met Dorotea zal huwen. Als trouwe schildknaap zal hem dan voldoende beloning ten deel vallen bijvoorbeeld in de vorm van een deel van het gebied waarover hij kan heersen, wat alleen wel een nadeel heeft, namelijk

dat dit koninkrijk in het negerland lag en dat het volk dat hij te regeren kreeg bijgevolg negers waren; maar daar verzon hij in zijn verbeelding terstond een prachtige oplossing voor en hij zei tot zichzelf: ‘Wat geeft het of mijn onderdanen negers zijn? Ik hoef ze immers maar in te laden en naar Spanje te verschepen, waar ik ze verkopen kan en ze mij in klinkende munt betaald worden. […] Zo waar God leeft, dat zal ik wel eens opknappen, en groot en klein, hoe het valt, en zo zwart als ze zijn, ik krijg er wel blank of goud voor.’
[p.218]

Het is te hopen voor de fictieve bewoners van Micomicón dat hen voorlopig de komst van Don Quichot en Sancho Panza bespaard zal blijven.

~ ~ ~

Hoe meer zielen, hoe meer liefdesverdriet

Deze blogpost is deel 29 van 34 in de serie Don Quichot - Cervantes

Eerste deel – Achtentwintigste hoofdstuk:

Hetwelk handelt over het nieuw en verkwikkelijk avontuur dat de pastoor en de barbier in hetzelfde gebergte overkwam

Niet gehinderd door enige kennis verkeerde ik altijd in de veronderstelling dat het boek Don Quichot voornamelijk was opgebouwd uit vele afgeronde hoofdstukken waar iedere keer Don Quichot en/of zijn knecht Sancho centraal stonden en allerlei avonturen beleefden terwijl ze door het Spaanse land trekken. Tot een aantal hoofdstukken geleden leek mijn leeservaring overeen te komen met het beeld dat ik ervan had. Ik moet dat echter bijstellen.

Zo heel af en toe ging een verhaal over twee of soms drie hoofdstukken, maar de hoofdpersonen bleven onze twee helden. Dat is aan het veranderen sinds ze het gebergte Sierra Morena zijn binnengereden. Diep in het meest onherbergzame gedeelte komen ze in contact met de jongeman Cardenio die zich heeft afgezonderd van alles en iedereen om alleen te zijn met zijn liefdesverdriet. Wat zich precies heeft voorgevallen krijgen we we niet in één keer te horen. De informatie komt dan weer via de herders en dan weer via Cardenio zelf.

De lotgevallen van Cardenio zijn voor Don Quichot reden om zich ook plots op een gelijke manier in het liefdesverdriet te storten omdat hij parallelen ziet met roemruchte ridderverhalen uit het verleden. Sancho wordt er opuit gestuurd om bevestiging te zoeken bij Dulcinea van El Toboso dat zij (die van niets weet) gedurende de afwezigheid van Don Quichot niet op de avances van een andere aanbidder is ingegaan. Onderweg ontmoet Sancho de pastoor en de barbier uit zijn dorp die op zoek zijn naar Don Quichot omdat ze er niet gerust op zijn dat hij in staat is voor zichzelf te zorgen en hem weer terug willen brengen naar zijn kasteel.

Omdat de pastoor een idee heeft hoe ze Don Quichot kunnen misleiden om hem uit het gebergte te lokken wijst Sancho hen de weg waar zijn meester zich verschanst heeft. Op hun tocht ontmoeten ze Cardenio en krijgen ze van hem uit de eerste hand meer details te horen over zijn trieste geschiedenis, waarvan Sancho al het een en ander uit de doeken heeft gedaan. Bij aanvang van dit hoofdstuk horen ze plots een ander persoon zich beklagen over hoe onrechtvaardig en hard het noodlot een onschuldig iemand kan treffen:

“O, mijn God! Heb ik dan werkelijk de plaats gevonden voor het eenzaam graf waarin de zware last van dit lichaam, die ik zo node meedraag eindelijk rusten kan? Als de stilte dezer bergen mij niet bedriegt, is het waar. Ach ik arme, wee mij, hoeveel welkomer gezelschap dan enig menselijk wezen zullen mij deze rotsen en struiken zijn die mij toestaan met mijn klachten mijn ongeluk ten hemel te slaken, want geen sterveling ter aarde biedt mij raad in twijfel, troost in leed of hulp in nood!”
[p.202]

Het onherbergzame gebied blijkt een drukke verzamelplek te zijn voor vele slachtoffers van menig noodlottige gebeurtenis waar het de liefde betreft, want ook hier is daar sprake van zo leert het gezelschap wanneer zij contact maken met de persoon die bij een kabbelend riviertje druk doende is de voeten te wassen en hen niet had zien aankomen. Wat zij echter niet zien aankomen is dat de ongelukkige aan het water geen jongeman is maar een zeer knappe jongedame. Na enig aandringen doet zij haar verhaal en het wordt voor Cardenio al heel snel duidelijk wie zij is.

Daarvoor moeten we terug naar hoofdstuk 24 waar hij vertelde hoe zijn geliefde Luscinda nog even moest wachten voordat zij zich in de echt konden verenigen omdat Cardenio door zijn vader naar de hertog gestuurd werd om daar een tijd aan het hof te verblijven. Eenmaal aan het hof raakt Cardenio bevriend met Don Fernando, de jongste zoon van de hertog. Deze is op zijn beurt tot over de oren verliefd op de dochter van een rijke boer en heeft zijn zinnen op haar gezet ondanks dat zijn vader de hertog, indien dit hem ter ore zou komen geen toestemming zou geven voor een huwelijk omdat de boerenfamilie, hoe rijk ook geen partij voor zijn zoon zou zijn. Don Fernando weet echter het boerenmeisje in bed te praten met de belofte haar te huwen. Na gedane (seksuele) zaken maakt hij zich echter uit de voeten, het meisje met een gebroken hart en onteerd achterlatend.

Welnu, laat dat nu juist de bevallige jongedame aan de oever zijn die zij hier bij toeval ontmoet hebben. Haar naam is Dorotea en nadat zij heeft verteld hoe Don Fernando haar op slinkse wijze bedrogen heeft en vervolgens verdwenen is, ontvlucht zij met hulp van een boerenknecht haar ouderlijk huis op zoek naar haar gevlogen verleider. Enkele dagen later komt zij aan in het stadje waar ze hoort dat Don Fernando inmiddels in het huwelijk is getreden met Luscinda, de aanstaande bruid van Cardenio. Ook weet ze te vertellen wat er in de brief stond die Don Fernando bij toeval in handen kreeg toen Luscinda in katzwijm viel. De inhoud was voor hem reden om allereerst Luscinda aan te vallen terwijl ze nog buiten bewustzijn was en toen hij hiervan weerhouden werd door de omstanders zijn kersverse bruid achter te laten en te verdwijnen. Ook Luscinda vertrok in het geniep eenmaal zij weer bij kennis was, dit tot wanhoop van haar ouders.

Dorotea, die nog enige hoop had Don Fernando te vinden en hem misschien over te halen alsnog met haar in het huwelijk te treden nu de hele ceremonie met Luscinda op een fiasco was uitgelopen, moest helaas onderduiken omdat de stadsomroeper melding maakte van een beloning voor wie haar kon vinden. Ook zij trok zich terug in het Sierra Moreno gebergte waar ze allereerst lastig gevallen werd door de boerenknecht die al die tijd haar trouw vergezeld had maar nu zijn kans zag om van de situatie misbruik te maken. In de worsteling die onstond wist Dorotea met al haar kracht hem van zich af te duwen recht een afgrond in waar ze hem aan zijn lot overliet. Daarna zocht ze, verkleed als jongeman emplooi bij een veeboer die helaas voor haar op een gegeven moment achter haar ware geslacht kwam en het ook niet kon laten zijn handjes thuis te houden. Opnieuw nam ze de vlucht en trok verder het gebergte in alwaar zij zich veilig waande totdat zij ontdekt werd tijdens het wassen van haar voeten.

Het is mooi hoe je door deze veranderingen van personages die ieder op zich hun deel van het verhaal vertellen gaandeweg het totale plaatje en al wie erbij betrokken was vanuit wisselend perspectief meekrijgt. Ik had dat zoals gezegd niet verwacht toen ik dit boek ging lezen en het maakt de leeservaring alleen maar rijker. Het lijkt me dat er nog geen einde gekomen is aan deze geschiedenis die begon bij Cardenio en ik ben benieuwd hoe het verder gaat en wat voor rol deze nieuwe personages in het verdere verloop van het boek gaan spelen.

~ ~ ~