Een welhaast onbedwingbare berg papier

Deze blog­post is deel 8 van 8 in de serie 2666 — Rober­to Bolaño

Kort nadat ik een blog­post over het tweede deel (over Amal­fi­tano) van 2666 had geschreven ver­scheen er een ver­zoek op de site van The Mookse and the Gripes om de plan­ning van de Read-Along aan te passen. Het voors­tel werd gedaan in de com­men­taar­sec­tie bij de behan­del­ing van het vierde deel (over de mis­daden). Waarmee meteen duidelijk wordt dat ik zelf op dat moment al flink achter­lag. Niet zozeer met lezen, maar wel degelijk met duiden zoals mijn opzet was met de Read-A-Long serie.

Het valt me namelijk zwaar om grip te kri­j­gen op dit (in alle opzicht­en) waanzin­nige boek. Was ik aan­vanke­lijk druk bezig om tij­dens het lezen volop aan­tekenin­gen te mak­en, bij aan­vang van het derde deel (over Fate) ben ik daar mee gestopt. Ik had het idee dat ik allereerst het boek gewoon­weg moest uitlezen om pas daar­na te begin­nen met al mijn gedacht­en over het boek op papi­er te zetten. Het is een meth­ode die me uitein­delijk het beste bevalt. Het kost me meer tijd, zek­er wan­neer ik gedurende de eerste lez­ing zelfs geen streep­jes of iets dergelijks in de kantli­jn zet zodat ik veel niet meer (snel) terug kan vin­den. Maar het helpt me wel om een beter begrip van de tekst te kri­j­gen omdat de ‘ver­w­erk­ing’ gelei­delijk­er ver­loopt. Hele­maal wan­neer ik na die eerste lez­ing het boek een paar dagen weg­leg om te lat­en bezinken.

Dat is nu dus mijn plan van aan­pak. Deze week lees ik het restant van het vijfde deel (over Archim­bol­di) uit, leg 2666 ver­vol­gens aan de kant om me te richt­en op ander lees- en recenseer­w­erk en ga daar­na aan de slag om in enkele blog­posts te vertellen wat ik alle­maal kwi­jt wil over dit boek. Niet geheel in lijn met hoe ik deze Read-A-Long voor ogen had, maar hé!, had­den jul­lie anders van mij verwacht?

Mocht iemand miss­chien denken dat ik spi­jt heb dat ik ooit aan dit boek begonnen ben, dan kan ik die gedachte meteen naar het rijk van de fabe­len ver­wi­jzen. Ik geni­et van elke bladz­i­jde. Het is geschreven in ontzettend bloem­rijk proza en ver­haal­tech­nisch waaiert het alle kan­ten uit zon­der dat het gaat verve­len. Maar het is zoveel dat het me niet lukt overzicht te kri­j­gen. Ik zal eerst deze papier­berg moeten zien te bed­win­gen om vanaf de top het totale land­schap beter te kun­nen aan­schouwen.

~ ~ ~

Om gek van te worden

Deze blog­post is deel 7 van 8 in de serie 2666 — Rober­to Bolaño

Nog 250 pagina’s te gaan en dan weet ik hoe 2666 eindigt. Ik ben alleen bang dat ik met zoveel vraagtekens bli­jf zit­ten dat een onmid­del­lijke her­lez­ing bij­na ver­plicht is wil ik niet gek wor­den van alle onbeant­wo­orde vra­gen die zich in mijn hoofd bli­jven opstape­len bij elke vol­gende pag­i­na die ik lees. Tot nu toe lukt het me niet ook maar enige grip te kri­j­gen op de ontstel­lende hoeveel­heid infor­matie die door Rober­to Bolaño in deze roman is ver­w­erkt. Het is als zo’n Rus­sisch pop­pet­je met daarin een nieuw pop­pet­je. En dat tot in de oneindigheid. Nog nooit eerder heb ik zo’n boek gelezen.

Op de site van The Mookse and the Gripes zie je dat ook terug in de com­mentaren bij de Read-along die daar gaande is. Iedereen (of je 2666 nu voor de eerste of de tig­ste keer leest) worstelt met het door­gron­den van de diepere beteke­nis die Bolaño ongetwi­jfeld in dit mega­lo­maan bouww­erk heeft ver­stopt. Maar het lijkt onbe­gonnen werk. En hoewel ik eerder heb aangegeven niet te ver­wi­jzen naar stukken tekst uit de gedeeltes die nog aan bod moeten komen, breek ik hier met die ongeschreven regel. Want de vol­gende alin­ea ver­wo­ordt per­fect waar dit frus­tr­erende gevoel van­daan komt. Bolaño vertelt hier over een wiskundi­ge

[…] die zich de laat­ste twintig jaar van zijn lev­en had bezigge­houden met het zoeken naar ‘enkele mys­terieuze getallen’ die ergens ver­bor­gen zijn in het uit­gestrek­te land­schap dat zicht­baar is voor de mens, maar die niet zicht­baar zijn en die zich tussen de rot­sen of tussen de ene en de andere kamer kun­nen ophouden en zelfs tussen het ene getal en het andere, zogezegd een alter­natieve wiskunde, gecam­ou­fleerd tussen de zeven en de acht, in afwacht­ing van iemand die in staat is die te zien en te ont­ci­jfer­en. Het enige prob­leem was dat je om die wiskunde te kun­nen ont­ci­jfer­en die eerst moest zien, en om die te kun­nen zien die eerst moest ont­ci­jfer­en.
[p. 812, 2666, vet gedrukt door mij]

Het zal geen ver­baz­ing wekken dat de wiskundi­ge in een gekken­huis terecht komt.

Waar­bij we zijn aan­be­land wat vol­gens mij het cen­trale the­ma is van Het deel van Amal­fi­tano: de gek­te die hem sluipen­der­wi­js in bez­it neemt.

Ik vind krankzin­nigheid een fascinerend onder­w­erp in de lit­er­atu­ur en tegelijk­er­ti­jd beangstigt het mij even­zeer. Wat nu wan­neer je als lez­er ver­strikt raakt in de ijz­eren log­i­ca van een (geestelijk gesto­ord?) roman­per­son­age? Kun je dan nog terug? Miss­chien heb je je wel geheel onbe­wust lat­en inpal­men door de (geestelijk gesto­orde?) auteur en besef je niet dat je voor de buiten­wereld rijp bent om opgenomen te wor­den in een ges­ticht wan­neer je na dagen obsessief lezen weer eens opkijkt van je boek. Alsof een virus je te grazen heeft genomen.

De een­nalaat­ste vraag uit het lijst­je dat op The Mookse and the Gripes staat ver­meld naar aan­lei­d­ing van dit tweede deel, vind ik dan ook zeer tot de ver­beeld­ing spreken:

  • Part 2 men­tions telepa­thy at least three times, and oth­er forms of cod­ed com­mu­ni­ca­tion often, includ­ing Arau­ca­ni­ans’ “secret” tri­an­gle of writ­ing (which links to Dieste’s book) and Adkin­tuwe. What is the sig­nif­i­cance of such mat­ters in 2666? Is there a cod­ed mes­sage in the mass mur­der? Does Amalfitano’s vivid image of Lola work­ing as a clean­er in Paris sug­gest telepa­thy? And what of Amalfitano’s strange and yet inter­est­ing the­o­ry of jet lag, that phe­nom­e­non of turn­ing “the pain of oth­ers into mem­o­ries of one’s own”?
  • What do we make of Mar­co Anto­nio Guer­ra?
  • Why does Bolaño end with a dream about Boris Yeltsin, which pro­vides Amal­fi­tano with a con­ver­sa­tion about “the third leg of the human table” and an equa­tion: “sup­ply + demand + mag­ic”?
  • Who or what do the voic­es in Amalfitano’s head rep­re­sent?
  • If “mad­ness is con­ta­gious,” what is the source of the con­ta­gion in 2666?
  • What do we make of the con­nec­tions to ancient Greece, both in Lola’s visions of her­self and in the alleged con­nec­tion between Greece and Chile?

Is mad­ness con­ta­gious?

Is gek­te besmet­telijk? Over­draag­baar?

Ik denk van wel. Ik denk dat Amal­fi­tano gek aan het wor­den is. Ik denk dat dit te mak­en heeft met zijn vrouw Lola.

Het kan ook zijn dat ik dit denk omdat Bolaño wil dat ik denk dat het nor­maal is dat Amal­fi­tano gek kan wor­den door­dat hij besmet is ger­aakt door de gek­te van zijn vrouw. Dat maakt het nog erg­er. Dat maakt dat ik gek aan het wor­den ben. Dat maakt het aan­nemelijk dat gek­te over­draag­baar is.

Echt, ik word gek van dit boek.

~ ~ ~

Mexico, Mexicohoo…

Deze blog­post is deel 6 van 8 in de serie 2666 — Rober­to Bolaño

Van­daag las ik een boeiend artikel op De Cor­re­spon­dent:

 Na de bestelde dood van 43 stu­den­ten is de maat vol in Mex­i­co (« Shar­ing is Car­ing «).

Het is een gast­bi­j­drage door Jan-Albert Hoot­sen die vanu­it Mex­i­co ver­slag doet bij de gebeurtenis­sen in de deel­staat Guer­rero waar duidelijk is gewor­den dat 43 ver­miste stu­den­ten door een drugs­bende op gruwelijke wijze zijn ver­mo­ord. Met medeweten, nee veel erg­er, met volle medew­erk­ing van de plaat­selijke over­heid. Inmid­dels zijn de gevluchte burge­meester en zijn vrouw opgepakt samen met nog veel meer cor­rupte politi­ci en poli­tieagen­ten. Maar het is de bevolk­ing niet genoeg. De protesten die al vanaf het moment van de verd­wi­jn­ing bezig zijn, gaan gewoon door. Blijk­baar is er een grens over­schre­den en eist men rad­i­cale her­vormin­gen.

Ik ben verre van een Mex­i­co-deskundi­ge en mijn ken­nis van het land is erg sum­mi­er. Eigen­lijk ben ik me pas de laat­ste jaren iets meer in de geschiede­nis en cul­tu­ur van dit land gaan verdiepen omdat mijn werkgev­er een grote fab­riek in Chi­huahua heeft staan. Niet dat ik veel con­tact heb met mijn Mex­i­caanse collega’s, maar desal­ni­et­temin kijk ik toch anders naar het nieuws zek­er als het zich bijvoor­beeld in de regio afspeelt waar die fab­riek staat. Wat met deze 43 stu­den­ten trouwens niet het geval is.

Een andere reden dat ik het artikel op De Cor­re­spon­dent met meer dan gewone belang­stelling las, heeft te mak­en met het boek 2666, waar ik momenteel mid­dels een ‘Read-A-Long’-serie over mijn leeser­varin­gen blog. Het gehele vierde deel, Het deel van de mis­daden getiteld, gaat over de mis­daden in de fic­tieve stad San­ta Tere­sa waar jaren­lang de lichamen van meestal jonge vrouwen en meis­jes gevon­den wer­den. Ver­mo­ord en verkracht. Nooit is aan het licht gekomen wie hier achter zat. Was dit het werk van een seriemo­or­de­naar? Een drugskar­tel? Een per­verse groep hoog­waardighei­ds­bek­led­ers die de macht en het geld had­den om het in de doof­pot te houden? (Complot)theorieën te over.

Het feit dat Rober­to Bolaño zo uitvo­erig over deze moor­den schreef was de hoof­dreden dat ik des­ti­jds deze roman had aangeschaft. De werke­lijke plaats waar deze moor­den namelijk plaatsvin­den is Ciu­dad Juárez, en laat dat nu wel in de regio zijn waar mijn werkgev­er die fab­riek heeft staan. Ik vond het een bizar gegeven dat op een plek waar zovele van mijn Ned­er­landse en Amerikaanse collega’s regel­matig naar toe gin­gen voor een zak­en­reis, en waar mijn Mex­i­caanse collega’s iedere dag weer opnieuw op en neer pen­delden tussen werk en huis, dat zich daar zulke afschuwelijke mis­daden afspeelden ter­wi­jl er ogen­schi­jn­lijk zo weinig tegen gedaan werd. In het boek van Bolaño hoopte ik er meer over te weten te komen ondanks dat het een fic­tieve weer­gave zou zijn.

Alleen kwam ik er niet aan toe om er in te begin­nen. Zoals zo vaak verd­ween ook dit boek in de als­maar groeiende berg Nog-Te-Lezen-boeken. Gelukkig zag ik dit jaar een oproep op de site The Mookse and the Gripes (waar ik nog nooit eerder had rond­geneusd) voor een Read-Along van 2666. Ik besloot mee te doen. En nu ploeg ik me aldus een weg door de ein­de­loze opsom­ming van ver­mo­orde meis­jes. Elk indi­vidueel geval wordt afs­tandelijk en op een bepaalde cynis­che manier beschreven. We zijn getu­ige hoe de poli­tie half­s­lachtig werk lev­ert met als voor­naam­ste resul­taat dat er geen daders gevon­den wor­den en de dossiers onver­richterza­ke ges­loten wor­den.

Een willekeurig voor­beeld:

Een paar dagen na de moord op Paula Sánchez Gar­cés werd vlak bij de weg naar Casas Negras het lev­en­loze lichaam aangetrof­fen van een vrouw van ongeveer zeven­tien jaar. Ze was een meter zeventig, tenger gebouwd en had lang haar. Het lichaam ver­toonde drie won­den veroorza­akt door een scherp­sni­j­dend wapen, schaaf­won­den aan polsen en enkels en afdrukken in de hals. Vol­gens de foren­sisch arts was de dood het gevolg van een van de steek­won­den. Ze droeg een rood T-shirt, witte beha, zwart slip­je en rode naald­hakken. Geen broek of rok. Na onder­zoek van een vagi­naal en anaal uit­strijk­je kwam men tot de con­clusie dat het slachtof­fer was verkracht. Lat­er ont­dek­te een assis­tent van de foren­sisch arts dat de schoe­nen die het slachtof­fer droeg min­stens twee mat­en te groot waren. Er werd geen enkel iden­titeits­be­wi­js gevon­den en de zaak werd ges­loten.
[p.602–603, 2666]

Zo gaat het maar door, 330 bladz­i­jdes lang. Vaak raakt bewi­js­ma­te­ri­aal zoek of wor­den incom­pe­tente rechercheurs op de zaak gezet. Het is om moede­loos van te wor­den en je begri­jpt niet dat de plaat­selijke bevolk­ing niet in opstand komt.

Op de site van The Mookse and the Gripes is vanaf afgelopen vri­jdag dit vierde deel onder­w­erp van besprek­ing. En één van de vra­gen, miss­chien wel de kern­vraag, is wat Bolaño pre­cies in gedacht­en heeft gehad met deze con­tin­ue stroom van verd­we­nen vrouwen. Waarom ruimt hij er zoveel plaats (bij­na een derde van de com­plete roman) voor in? Waarom beschri­jft hij al die onopgeloste zak­en zo uitvo­erig zon­der echt in te gaan op het speur­w­erk dat de poli­tie ver­richt (of nalaat).

We zijn er nog niet over uit. Maar een artikel zoals van Jan-Albert Hoot­sen op De Cor­re­spon­dent geeft miss­chien weer wat aan­vul­lende infor­matie om Mex­i­co en het Mex­i­caanse volk iet­sjes beter te begri­jpen. Net zoals een ‘Lon­gread’ op de site van The New York Review of Books:

Mex­i­co: ‘We Are Not Sheep to Be Killed’ (nog meer « Shar­ing is Car­ing «)

door Alma Guiller­mo­pri­eto. Boeiende lec­tu­ur.

~ ~ ~

Het deel van Amalfitano

Deze blog­post is deel 5 van 8 in de serie 2666 — Rober­to Bolaño

Waar waren we ook alweer gebleven sinds ik bij­na een maand gele­den voor het laatst mijn leeser­varin­gen deelde met betrekking tot het boek 2666 door Robert Bolaño? Oh ja, bij deel 2, oftewel Het deel van Amal­fi­tano. Laat ik opnieuw maar eens begin­nen met een weer­gave van de verhaallijn(en). We kri­j­gen meteen een ver­rass­ing te ver­w­erken:

Exit: de vier crit­i­ci.

In dit tweede (met nog geen tachtig pagina’s tevens het kort­ste) deel, zoomen we in op de per­soon Amal­fi­tano. Deze Chileense balling die we in het eerste deel hebben leren ken­nen als de gids voor de crit­i­ci op zoek naar Archim­bol­di, leeft samen met zijn puber­dochter Rosa in San­ta Tere­sa nadat zijn vrouw Lola hen jaren gele­den heeft ver­lat­en. Ze woon­den toen nog in Span­je.

Dit is hoe het tweede deel begint:

Ik weet niet wat ik in San­ta Tere­sa kom doen, zei Amal­fi­tano bij zichzelf toen hij een week in de stad woonde. Weet je dat niet? Weet je dat echt niet? vroeg hij zich af. Echt niet, zei hij bij zichzelf, en veelzeggen­der kon zijn antwo­ord niet zijn.
[p.197, 2666]

Ver­vol­gens kri­j­gen we in de vijfen­twintig pagina’s die hierop vol­gen de voorgeschiede­nis te lezen van deze ver­huiz­ing naar San­ta Tere­sa. Het begint met het vertrek van Lola op het moment dat hun dochter Rosa twee jaar jong is. Lola geeft als reden voor haar vertrek aan dat ze haar lievel­ings­dichter wil opzoeken die opgenomen is in een gekken­huis. Ze belooft na een paar maan­den terug te zullen keren. Een­maal vertrokken stu­urt Lola regel­matig lange brieven naar Amal­fi­tano.

In deze brieven vertelt Lola over de reis die ze met een vriendin onderneemt naar San Sebastián. Daar een­maal aangekomen kri­j­gen ze geen toestem­ming om de dichter te ont­moeten. Via een list lukt hen uitein­delijk toch om hem te zien. Dan wordt duidelijk dat Lola en haar vriendin het plan hebben opgevat om de dichter te helpen met een ontsnap­ping uit het gekken­huis waar­na ze gedrieën zullen vlucht­en naar Frankrijk. Ze wor­den onder­bro­ken door de komst van een dok­ter die de dichter terug­brengt naar zijn kamer. In de vol­gende dagen lukt het hen niet meer om met hem in con­tact te komen.

Na een tijd­je raakt hun geld op en de vriendin van Lola besluit naar Madrid te reizen om daar bij fam­i­lie om geld te vra­gen. Lola bli­jft alleen achter. Niet lang daar­na wordt ze uit het pen­sion gezet waar ze hun intrek had­den genomen. In afwacht­ing van haar vriendin besluit Lola dicht bij het gekken­huis in de buiten­lucht de tijd door te bren­gen. Door het hek­w­erk vangt ze soms een glimp van de dichter op. De vriendin laat zich niet meer zien en Lola begint rond te zwer­ven in de omgev­ing. Een tijd­lang wordt ze min of meer onder­houden door een man die ver­liefd op haar raakt tot­dat ze in haar een­t­je naar Frankrijk vertrekt.

Amal­fi­tano hoort vijf jaar lang niets meer van Lola. Dan plots weer een brief waarin ze aangeeft als schoon­maak­ster te werken in Par­i­js en een zoon­t­je te hebben. Ver­vol­gens weer twee jaar geen teken van lev­en tot­dat ze in Barcelona opduikt en op zoek gaat naar Amal­fi­tano. Lola blijkt onge­neeslijk ziek te zijn en komt afscheid nemen van Amal­fi­tano en haar dochter Rosa.

Exit: Lola.

In San­ta Tere­sa opent Amal­fi­tano op een dag een doos met nog niet uit­gepak­te boeken en tre­ft daar het Geometrische tes­ta­ment van Rafael Dieste aan. Een boek waar­van hij zich niet kan herin­neren het ingepakt te hebben of dat het zelfs ook maar ooit in zijn bez­it is geweest. Door mid­del van drie waskni­jpers hangt hij het boek aan de wasli­jn achter in zijn tuin. Tegen­over zijn dochter geeft hij de vol­gende uit­leg:

Ik bedoel, zei Amal­fi­tano, dat ik het niet heb opge­hangen omdat ik het eerst met de tuinslang heb nat­ge­sproeid en ook niet omdat ik het in het water heb lat­en vallen, ik heb het zomaar opge­hangen, om te zien of het de ele­menten weer­staat, de aan­vallen van deze woesti­j­nachtige natu­ur. Ik hoop dat je niet gek begint te wor­den, zei Rosa.
[p.230, 2666]

Een col­le­ga van Amal­fi­tano, de docente Sil­via Pérez die hij al langer kende en die hem overge­haald heeft naar San­ta Tere­sa te komen, zoekt her­haaldelijk toe­nader­ing maar de uit­stap­jes en afspraak­jes zijn weinig suc­cesvol door de afs­tand die Amal­fi­tano in stand houdt. Hij lijkt zich steeds verder terug te trekken in zijn eigen bin­nen­wereld die gaan­deweg meer para­noïde trek­jes begint te ver­to­nen. De lugu­bere bericht­en over ontvo­erde meis­jes en vrouwen die regel­matig het nieuws halen weten dit alleen maar te ver­sterken. Op een dag dient zich ‘de stem’ aan:

Miss­chien had hij hem al eerder geho­ord, op straat of ter­wi­jl hij sliep, en gedacht dat die deel uit­maak­te van een gesprek van anderen of dat hij een nacht­mer­rie had. Maar die avond hoorde hij de stem en twi­jfelde er geen moment aan dat die zich tot hem richtte. Eerst dacht hij dat hij gek gewor­den was. De stem zei: hal­lo, Óscar Amal­fi­tano, schrik alsje­blieft niet, er is niets ergs aan de hand.
[p.241, 2666]

In de avon­duren, wan­neer zijn dochter is stap­pen met een vriendin of in bed ligt, voert Amal­fi­tano hele gesprekken met de stem. Gesprekken die voort­duren tot in de ocht­end en die hem volledig uit­put­ten zon­der dat duidelijk wordt wie of wat er nu eigen­lijk echt achter die stem schuil­gaat. Wel is daar elke keer weer de bezw­er­ing dat hij niet gek aan het wor­den is. Ze voeren toch slechts een onschuldig gesprek?

Na lang nadenken ver­w­erpt Amal­fi­tano het idee dat hij gek aan het wor­den is of dat de stem van een gek­welde geest zou zijn. Hij omarmt de these dat van de telepathie en wel van de telepathis­che Mapuche- of Araukano-indi­a­nen. Over die laat­ste heeft hij een boek in zijn bib­lio­theek waarin hij zich meteen verdiept.

De laat­ste pagina’s gaan afwis­se­lend over de studie van Amal­fi­tano over de Araukano-indi­a­nen en ver­schil­lende ont­moetin­gen die hij heeft met de zoon van decaan Guer­ra. In het deel van de crit­i­ci wordt Amal­fi­tano ook gezien met deze zoon van de decaan, wat een van de crit­i­ci doet opmerken of Amal­fi­tano miss­chien een homo is. Een onder­w­erp dat in dit tweede deel ook ver­schei­dene keren terugkomt.

Een scène die ik jul­lie hier niet wil onthouden is die van een obser­vatie door Amal­fi­tano tij­dens een din­er bij de rec­tor van zijn uni­ver­siteit:

Op een bepaald moment onder het dineet­je meende Amal­fi­tano dat de rec­tor en zijn vrouw een nogal omflo­er­ste blik met elka­ar wis­selden. In haar ogen zag hij iets dat op haat zou kun­nen lijken. Het gezicht van de rec­tor sprei­d­de daar­ente­gen een plot­selinge angst ten­toon die niet langer duurde dan de vleugel­slag van een vlin­der. Maar Amal­fi­tano merk­te die op en heel even (de tweede vleugel­slag) stond de angst van de rec­tor op het punt ook zijn huid aan te rak­en. Toen hij zich her­stelde en naar de andere gas­ten keek, merk­te hij dat nie­mand die min­i­male schaduw, als een haastig gedol­ven gat waaruit zich een veron­trustende stank ver­sprei­d­de, had opge­merkt.
[p.263–264, 2666]

Het zijn dit soort beschri­jvin­gen die het proza van Rober­to Bolaño zo aantrekke­lijk mak­en ondanks de vaak vage the­matiek en de hak-op-de-tak ver­haal­li­j­nen. Bolaño is vol­gens mij in staat om een tele­foon­boek zodanig te her­schri­jven dat het boeiende lit­er­atu­ur wordt ter­wi­jl alle data er nog steeds in ver­w­erkt is.

Deel twee eindigt met een droom van Amal­fi­tano en waarin Boris Jeltsin een voor­name rol heeft (en waar­bij het ook zomaar kan zijn dat Amal­fi­tano een voor­name rol speelt in een droom van Jeltsin). Is het waanzin ten top? Is Amal­fi­tano ondanks al zijn eigen tegen­wer­pin­gen wel degelijk gek gewor­den? Dat is de kern­vraag van dit korte maar tegelijk­er­ti­jd tot de rand vol­ge­propte deel. Voor­lop­ig moeten we het doen met de laat­ste con­sta­ter­ing:

… en Amal­fi­tano bleef alleen achter en durfde niet in het gat te kijken, waar­door er niets anders voor hem opzat dan wakker te wor­den.
[p.273, 2666]

Bin­nenko­rt (een ruim begrip zo geef ik toe) ga ik verder in op hoe ik dit tweede deel ervaren heb en hoe het naar mijn mening staat ten opzichte van het eerste deel. Neem ook eens een kijk­je op The Mookse and the Gripes om te lezen wat hun bevin­din­gen zijn.

~ ~ ~

Raadselachtig en onbegrijpelijk

Deze blog­post is deel 4 van 8 in de serie 2666 — Rober­to Bolaño

Vorige week heb ik gepoogd een samen­vat­ting te geven van het eerste deel (over de crit­i­ci) van 2666. Hoewel ik me heb proberen te beperken tot de hoofdli­j­nen, werd het toch een flinke lap tekst. Grote kans dat van­daag het­zelfde zal gebeuren wan­neer ik aan­dacht wil best­e­den aan mijn leeser­var­ing van de ruim 180 pagina’s waaruit dit eerste deel bestaat. Mocht het onver­hoopt qua lengte hele­maal uit de hand lopen dan hak ik de blog­post wel in meerdere stukken. Tenslotte is dit een serie.

Omdat ik de com­plete roman nog niet in zijn geheel gelezen heb (ik ben nu ‘as we blog’ op pag­i­na 554 mid­den in deel 4, het deel van de mis­daden) kan het niet anders dan dat ik de kans loop bepaalde zak­en over het hoofd te zien of ver­keerd te inter­pre­ten. Dat is het risi­co bij een tussen­ti­jdse eval­u­atie.

Wat ik verder zal tra­cht­en te ver­mi­j­den is ingaan op dat­gene wat in de vol­gende delen aan bod komt (in zoverre ik dat al heb gelezen). Met mijn aan­tekenin­gen bij de hand die ik gemaakt heb tij­dens het lezen van het eerste deel moet dat te doen zijn. Zo kri­jg ik miss­chien achter­af een beter beeld in hoev­erre ik de ver­schil­lende delen anders heb ervaren. Natu­urlijk was het in dat opzicht beter geweest wan­neer ik meteen mijn leeser­var­ing online had gezet, maar zo is het helaas niet gegaan.

Wel­nu, wat me het meest is bijge­bleven na lez­ing van het eerste deel is het vertelplezi­er dat van elke bladz­i­jde spat. Ik bedoel hier­mee dat op de vol­gepak­te bladz­i­j­den de zin­nen over elka­ar heen buite­len en dat je een waanzin­nige hoeveel­heid ver­halen voorgeschoteld kri­jgt. Niet alti­jd is het daar­door even span­nend of plot­gericht (inte­gen­deel zou ik juist willen zeggen), maar het lijkt alsof Bolaño zoveel te zeggen heeft dat hij niet kan kiezen en het aan de lez­er over­laat om de hoofd- van de bijza­k­en te schei­den. In mijn fan­tasie zie ik Bolaño aan zijn schri­jf­ma­chine gezeten als een bezetene bezig om alles wat in zijn hoofd zit aan het papi­er toe te vertrouwen.

Of dit laat­ste beeld klopt weet ik niet, wel dat ik gaan­deweg de over­tuig­ing kreeg dat Bolaño wel degelijk hoofd- van bijza­k­en weet te onder­schei­den. Al tij­dens het lezen en ook toen ik lat­er de eerste review op The Mookse and the Gripes gelezen had, kreeg ik het gevoel dat er meerdere (vele?) lagen zijn waarin het ver­haal zich afspeelt.1 Het prob­leem is alleen dat je geen idee hebt wat nu pre­cies het ver­haal is dat Bolaño ons wil vertellen. Is de zoek­tocht naar de mys­terieuze schri­jver Archim­bol­di de kern waar alles om draait? Of ver­schuift de aan­dacht naar de vele onopge­helderde moor­den in San­ta Tere­sa? En wat te denken van het almaar veran­derende per­spec­tief in de relaties tussen de vier crit­i­ci? Zullen we in de vol­gende delen meer te horen kri­j­gen over Liz Nor­ton en Piero Mori­ni en hun geza­men­lijke belang­stelling voor de kun­ste­naar Edwin Johns?

Kor­tom, het kan vele kan­ten uit want ver­haal­li­j­nen genoeg. (Inmid­dels heb ik wat meer kijk op welke kant het uit­gaat, maar die ken­nis laat ik hier voor­lop­ig zoals beloofd achter­wege.) Daarom ga ik nu een aan­tal thema’s ver­melden die me opgevallen zijn in dit eerste deel. Lat­er zal blijken of ik daad­w­erke­lijk enkele rode draden te pakken heb en in welke mate ze een beteke­nis hebben bin­nen het gehele ver­haal.

De crit­i­ci zijn op zoek naar de schri­jver Archim­bol­di. Slechts weini­gen hebben deze man ooit ont­moet en het bli­jft gis­sen naar hoe hij eruit ziet. Wat her­haaldelijk terug komt is dat hij groot schi­jnt te zijn. Enorm groot:

Hoe ziet Archim­bol­di eruit?’ vroeg Espinoza.
‘Hij is heel lang,’ zei mevrouw Bubis, ‘heel lang, een man van waar­lijk groot pos­tu­ur. Als hij in deze tijd was geboren, zou hij waarschi­jn­lijk bas­ket­bal hebben gespeeld.’
[p.41, 2666]

Hoewel deze uit­spraak onmid­del­lijk gevol­gd wordt door een over­peinz­ing van Espinoza dat de manier waarop mevrouw Bubis dit zegt net zo goed zou kun­nen beteke­nen dat Archim­bol­di een dwerg had kun­nen zijn, doet hier niets aan af. Er zijn vol­doende uitin­gen te vin­den in het eerste deel door ver­schil­lende per­so­n­en gebracht dat Archim­bol­di groot is. Het geeft wel aan hoe Bolańo con­tinu bezig is de lez­er op het ver­keerde been te zetten door veel infor­matie te lat­en vergezellen door desin­for­matie.

Regel­matig wordt er ver­wezen naar de Grieken.2 Vee­lal naar de Griekse mytholo­gie, maar ook naar het huidi­ge Grieken­land, zoals wan­neer Pel­leti­er een van zijn dromen beschri­jft:

… ik droomde dat ik op vakantie ging naar de Griekse eilan­den en daar een boot huurde en een jonget­je leerde ken­nen dat de hele dag aan het duiken was.’
[…]
‘Het vreemd­ste van de droom,’ zei Pel­leti­er, ‘is dat het water leefde.’
[p.189, 2666]

Wat ons op het vol­gende the­ma brengt, dat van de vele dromen en nacht­mer­ries. Som­mige wor­den erg uitvo­erig beschreven, andere juist weer kort en bondig. Het is al moeil­ijk in te schat­ten wat ze voor de per­soon beteke­nen die ze droomt, laat staan wat hun rol in het boek is. Zijn het vooraankondigin­gen van naderend onheil? Ze wor­den tenslotte niet voor niets ingezet. Toch?

… en zag hij uit de diepte van de metaalk­leurige zee de resten van een stand­beeld opri­jzen. Een vormeloze, reusachtige klomp steen, ver­weerd door de tijd en het water, maar waarin over­duidelijk een hand, de pols en een deel van de onder­arm te herken­nen viel. En dat stand­beeld ver­rees uit de zee en ver­hief zich boven het strand en het was afschrik­wekkend en tegelijk beeld­schoon.
[p.101, 2666]

Het sluit aan bij een ander the­ma, een­t­je dat me niet meteen was opgevallen, maar bij her­lez­ing van mijn aan­tekenin­gen en ver­schil­lende pas­sages steeds duidelijk­er werd: deze onder­toon van naderend onheil, maar ook van onder­druk­te agressie en kwaadaardigheid. Nog voor­dat Nor­ton, Pel­leti­er en Espinoza afreizen naar Mex­i­co zijn er al enkele voor­beelden van te vin­den, maar zek­er in San­ta Tere­sa komt het nadrukke­lijk­er naar de opper­vlak­te. In dit ver­band zijn er ook nog wat onheil­spel­lende ver­ban­den tussen seks en agressie aan te wijzen. Benieuwd waar dat naar toe gaat in de vol­gende delen.

Iets anders wat ik hier nog wil ver­melden zijn de vele opsom­min­gen en niet ter zake doende uitwei­din­gen waar Bolaño zich in ver­li­est. Ook hier is de vraag of ze daad­w­erke­lijk van belang zijn of dat het slechts dwaal­sporen zijn ter ver­war­ring voor de lez­er. Hilar­isch vond ik de beschri­jv­ing van een tele­foonge­sprek tussen Espinoza en Pel­leti­er:

De eerste twintig minuten had­den een tragis­che onder­toon, waar­bij tien keer het woord lot viel en het woord vriend­schap vier­en­twintig keer. De naam van Liz Nor­ton werd vijftig keer uit­ge­spro­ken, negen daar­van tev­ergeefs. Het woord Par­i­js kwam op zeven momenten voor. Madrid, op acht. Het woord liefde sprak­en ze twee keer uit, ieder één keer. Het woord ver­schrikking werd zes keer uit­ge­spro­ken en het woord geluk één keer (door Espinoza). Het woord besliss­ing werd in twaalf gevallen gezegd. Het woord solip­sisme in zeven. Het woord eufemisme in tien. Het woord cat­e­gorie, in enkel- en meer­voud, in negen. Het woord struc­tural­isme in één geval (Pel­leti­er). De term Noord-Amerikaanse lit­er­atu­ur in drie gevallen. De woor­den eten­t­je en gegeten en ont­bi­jt en brood­je in negen­tien. De woor­den ogen en han­den en haar in veer­tien gevallen. Daar­na ver­liep het gesprek wat vlot­ter.
[p.55–56, 2666]

Daar­na ver­liep het gesprek wat vlot­ter! Vergeef me, maar dat vind ik dus echt een geweldige zin na deze ontzettend droogkomis­che en orig­inele weer­gave van een tele­foonge­sprek. Echter opnieuw, wat het te beteke­nen heeft is mij een raad­sel. Als het al iets te beteke­nen heeft.

Tijd om af te ron­den. Deze blog­post is alweer veel te lang gewor­den en ik ben nog niet eens aan de beant­wo­ord­ing van enkele vra­gen toegekomen die ver­meld staan op de site van The Mookse and the Gripes. Daar kom ik een vol­gende keer op terug.

Waar ik mee wil af sluiten zijn twee citat­en die voor mij ken­merk­end zijn voor de geheimzin­nigheid en de raad­se­len waarin Bolaño zijn vertelling ver­pakt. Je kunt ze lezen (wat ik dus doe) op een meta-niveau over het ver­mo­gen van de lez­er om het werk (2666?) van een schri­jver (Bolaño?) te begri­jpen, hoewel ze in het ver­haal op totaal andere zak­en betrekking hebben. Tegelijk­er­ti­jd zou je ze kun­nen opvat­ten als com­men­taar op de vele onopge­helderde moor­den in San­ta Tere­sa. Je merkt, ik ben gegrepen door deze ambitieuze roman die slechts zeer mond­jes­maat zijn geheimen pri­js­geeft.

Citaat 1:

Maar ze vroeg zich af (en vroeg het ook ter­loops aan hen) in hoev­erre iemand het werk van een ander kan ken­nen.
[p.39, 2666]

Citaat 2:

Toen hij naast hem ging zit­ten, keek Pel­leti­er op van het boek en zei dat er din­gen waren die hij nog alti­jd niet begreep en waarschi­jn­lijk nooit zou begri­jpen.
[p.181, 2666]

Iemand al zin om ook 2666 te gaan lezen?

~ ~ ~

UITGELICHT want SHARING is CARING

It’s Time To Fall Back In Love With Prince — door Rob Harvil­la via The Con­course

So Prince put out two sneaky-great new albums last week, and it’s under­stand­able that your impulse was to ignore or at least wild­ly under­es­ti­mate them, but yeah, don’t.

~ ~ ~


  1. Klik hier voor de review van het eerste deel op the Mookse and the Gripes. 

  2. En nu we het toch over de Grieken hebben…”, p.60, 2666 

Het deel van de critici

Deze blog­post is deel 3 van 8 in de serie 2666 — Rober­to Bolaño

Gis­ter ver­scheen de tweede deelbe­sprek­ing over 2666 op The Mookse and the Gripes.1 Hoog­ste tijd voor mij om een begin te mak­en met mijn eigen­ste deelbe­sprek­ing van het eerste deel: Het deel van de crit­i­ci.

Zoals in de eerste blog­post van deze Read-A-Long aangegeven, is het boek 2666 opgedeeld in vijf grote hoofd­stukken.2 Ik heb 2666 nooit eerder gelezen en ook nu ik dit schri­jf ben ik pas op bladz­i­jde 340 van de ruim 1000 bladz­i­jdes die deze dikke pil telt. Het kan dus niet anders dan dat ik lang niet alles overzie of begri­jp van wat ik tot nu toe gelezen heb. Toch wil ik in het kad­er van de Read-A-Long begin­nen met in deze blog­post een korte weer­gave van het eerste deel, en dan mor­gen of over­mor­gen verder uitwei­den over wat mijn indruk tot zoverre is, en tevens zien of ik een aan­tal van de opge­wor­pen vra­gen op de site van The Mookse and the Gripes3 kan beant­wo­or­den.

 

Het deel van de critici

In dit eerste deel wor­den vier lit­er­atu­ur­crit­i­ci opgevo­erd die allen een geza­men­lijke obsessie ver­to­nen voor de schri­jver Ben­no von Archim­bol­di. In vol­go­rde van opkomst zijn het de Frans­man Jean-Claude Pel­leti­er, de Span­jaard Manuel Espinoza, de Ital­i­aan Piero Mori­ni en de Engelse Liz Nor­ton. Rober­to Bolaño gebruikt de eerste bladz­i­jdes van zijn roman om de ver­schil­lende achter­gron­den te beschri­jven van deze vier crit­i­ci om zo beter te begri­jpen waar hun fas­ci­natie voor Archim­bol­di van­daan komt. Gaan­deweg zien we hoe de vier via inter­na­tionale sym­posia met elka­ar te mak­en kri­j­gen en vriend­schap sluiten. Dit gaat zelfs zover dat Pel­leti­er en Espinoza los van elka­ar een relatie aan­gaan met Nor­ton, die daar klaar­blijke­lijk geen moeite mee heeft en beurtel­ings de Frans­man en de Span­jaard bij haar thuis ont­vangt zon­der dat de heren er aan­vanke­lijk weet van hebben dat zij dezelfde vrouw delen.

In hun onder­zoek naar de per­soon en het werk van Archim­bol­di lopen de crit­i­ci gelei­delijk tegen de gren­zen aan van wat zij aan ken­nis weten te ver­garen over deze mys­terieuze per­soon. Er is namelijk hoe­ge­naamd niets over hem bek­end. Zijn boeken wor­den via een vaste uit­gev­er gepub­liceerd, maar deze weet vooral­snog alle per­soon­lijke details over de schri­jver met suc­ces geheim te houden. Dit mys­terie draagt merk­waardig genoeg bij aan de groeiende pop­u­lar­iteit van zijn werk over de jaren tot­dat er zelfs gerucht­en de ronde doen dat hij miss­chien  de Nobel pri­js voor lit­er­atu­ur gaat kri­j­gen. Maar al die tijd lei­dt dit er niet toe dat Archim­bol­di zich in de open­baarheid ver­toont. De crit­i­ci moeten het dus doen met zijn lit­eraire werk plus de soms meest wilde ver­halen die over hem de ronde doen en waar hij zich zou schuil­houden. Wat hen rest is al het werk van Archim­bol­di tot in den treure bli­jven her­lezen op zoek naar details die meer over zijn ware iden­titeit zouden kun­nen vertellen. Oev­er­loos acad­emisch gespeculeer is het waarmee ze zich de meeste tijd bezighouden.

Wan­neer op een gegeven moment uitkomt dat Pel­leti­er en Espinoza bei­den een ver­houd­ing met Nor­ton hebben, heeft dat geen noe­menswaardi­ge gevol­gen. Ze bli­jven ieder op hun beurt omgang houden met Nor­ton en het gebeurt regel­matig dat ze gedrieën gelijk­ti­jdig in Enge­land verbli­jven. Tij­dens een van deze gele­gen­heden kri­j­gen ze na een restau­rant­be­zoek ruzie met een Pak­istaanse taxi­chauf­feur. De woor­den­wis­sel­ing loopt zodanig uit de hand dat Pel­leti­er en Espinoza in hun woede excessief geweld gebruiken en de Pak­istaan bewusteloos achter lat­en. In de dagen erna wor­den ze niet opgepakt. Blijk­baar hebben ze geen sporen achterge­lat­en. Wel besluiten ze voor geruime tijd Nor­ton niet meer te bezoeken maar zoeken ze hun heil bij de dames van lichte zeden.

De Ital­i­aan Mori­ni onder­tussen raakt gefasci­neerd door de kun­ste­naar Edwin Johns. Deze is opgenomen in een ges­loten klin­iek nadat hij in extreme uit­ing van artistieke cre­ativiteit (of miss­chien wel als cre­atief sluit­stuk van zijn artistieke uitin­gen) zijn rechter­hand had geam­puteerd. Tij­dens een bezoek van Mori­ni aan Nor­ton (de vriend­schap tussen hen is zuiver pla­tonisch) had zij hem verteld over deze kun­ste­naar en een cat­a­lo­gus van zijn werk cadeau gedaan. Mori­ni gaat zelfs zover om Johns in de klin­iek te bezoeken en kri­jgt hem te spreken.

Dan, op een zoveel­ste sem­i­nar over Archim­bol­di, leren ze een jonge Mex­i­caan ken­nen die met aan­wi­jzin­gen komt dat Archim­bol­di zich wel eens in de Mex­i­caanse stad San­ta Tere­sa zou kun­nen bevin­den. Hoewel ze geen goede rede­nen kun­nen bedenken waarom de schri­jver, die nu rond de tachtig jaar zou zijn, naar Mex­i­co zou zijn gereisd, besluiten de crit­i­ci hun geluk te beproeven en op zoek te gaan naar Archim­bol­di. Op het laat­ste moment haakt Mori­ni wegens gezond­hei­d­sre­de­nen af. Een­maal in San­ta Tere­sa aangekomen wordt hen al snel duidelijk dat ze ook hier Archim­bol­di niet zullen aantr­e­f­fen. Wel leren ze een zekere Amal­fi­tano ken­nen (een Chileense ban­nel­ing) die ver­bon­den is aan de lokale uni­ver­siteit. Hij blijkt ook gespe­cialiseerd te zijn in Archim­bol­di en gaat als hun gids fun­geren voor de tijd dat ze in San­ta Tere­sa zijn.

Ter­wi­jl vooral Pel­leti­er en Espinoza vergeefse pogin­gen bli­jven onderne­men om op het spoor te komen van Archim­bol­di, raakt Nor­ton langza­mer­hand in een toe­s­tand van apathie. Zij heeft geen idee wat ze nog in Mex­i­co doet en voelt zich ook steeds min­der op haar gemak. Wel neemt ze op een avond de bei­de heren crit­i­ci mee naar haar kamer waar ze gedrieën de nacht door­bren­gen in een en het­zelfde bed. Maar enkele dagen lat­er geeft ze aan dat ze besloten heeft terug te keren naar Europa. Pel­leti­er en Espinoza bli­jven achter. Hun dagen vullen ze niet meer met de zoek­tocht naar Archim­bol­di en het lijkt erop dat nu Nor­ton verd­we­nen is ze ook niet meer weten wat te doen. Het is rond deze tijd dat ze horen over de vele ver­mo­orde vrouwen die in de woestenij ron­dom San­ta Tere­sa4 gevon­den wor­den. Na een paar dagen ont­van­gen ze alle­bei een email van Nor­ton. De strekking is in grote lij­nen het­zelfde maar wordt niet meteen onthuld hoewel duidelijk is dat het geen posi­tief nieuws is voor Pel­leti­er en Espinoza.

Het laat­ste gedeelte van dit eerste hoofd­stuk laat zien hoe Pel­leti­er zich alleen nog maar bezig houdt met het her­lezen van Archimboldi’s werk gezeten aan de rand van het zwem­bad bij het hotel, ter­wi­jl Espinoza liefde opvat voor een jong meis­je dat tapi­jten verkoopt op een markt. Afwis­se­lend vertelt Bolaño over de tijd die Espinoza elke dag door­brengt in de omgev­ing van het meis­je en hoe hij haar (en haar broert­je en moed­er) over­laadt met cadeaus en geld, waar­na hij ’s avonds terug­keert naar het hotel en Pel­leti­er. Daar­naast kri­j­gen we stuk­je bij beet­je te lezen dat Nor­ton en Mori­ni inmid­dels een ver­houd­ing hebben.

Pel­leti­er en Espinoza bli­jven in San­ta Tere­sa zon­der dat ze Archim­bol­di weten te vin­den. Maar Pel­leti­er weet Espinoza ervan te over­tu­igen dat dit niet erg is. Inte­gen­deel:

Archim­bol­di is hier,’ zei Pel­leti­er, ‘en wij zijn hier, en dichter bij hem in de buurt zullen we nooit komen.‘5

~ ~ ~


  1. Klik hier voor 2: The Part about Amal­fi­tano. 

  2. 1. Het deel van de crit­i­ci; 2. Het deel van Amal­fi­tano; 3. Het deel van Fate; 4. Het deel van de mis­daden; 5. Het deel van Archim­bol­di. 

  3. Klik hier voor de vra­gen met betrekking tot het deel van de crit­i­ci 

  4. San­ta Tere­sa staat mod­el voor Ciu­dad Juárez, de plaats in Mex­i­co waar zich het echte mys­terie van de ver­mo­orde vrouwen afspeelt. 

  5. p.193, 2666